ECLI:NL:OGEAC:2025:310

ECLI:NL:OGEAC:2025:310

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 01-07-2025
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer CUR202403824
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Bodemzaak

Samenvatting

Beroep tegen de afwijzing van een verzoek om handhavend op te treden tegen een door vergunninghoudster gebouwde keermuur. Het handhavingsverzoek is terecht afgewezen. Ten tijde van de bestreden beschikking had verweerder namelijk al een bouwvergunning verleend voor de gerealiseerde keermuur. Daarmee was geen sprake meer van een overtreding en ontbrak de grondslag voor handhavend optreden.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

CARIN CARES HOLDING B.V.,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.C. van Hoof, advocaat,

en

de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning,

verweerder,

gemachtigden: mrs. G.N. Hollander en L.J. Reenis,

met als derde-belanghebbende:

LYRA PROJECTS B.V.

vergunninghoudster,

gemachtigde: mr. H.M. Weijand.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek aan verweerder om handhavend op te treden tegen een door de vergunninghoudster gebouwde keermuur.

Verweerder heeft het handhavingsverzoek afgewezen bij beschikking van 30 september2024 (de bestreden beschikking).

Eiseres heeft een beroepschrift en een aanvullend beroepschrift met bijlagen ingediend tegen de bestreden beschikking. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De vergunninghoudster heeft een schriftelijke reactie ingediend.

Het Gerecht heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur, [naam directeur], bijgestaan door haar gemachtigde. Ook de echtgenote van de directeur van eiseres is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hollander. De vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam projectleider] (projectleider) en [naam architect] (architect), bijgestaan door haar gemachtigde.

Het Gerecht heeft dit beroep gelijktijdig behandeld met twee andere beroepen van eiseres, geregistreerd onder de nummers CUR202403595 en CUR202500414. Ook op het beroep met nummer CUR202403595 – dat is gerichttegen de beslissing van verweerder om aan vergunninghoudster een bouwvergunning te verlenen ter legalisering van een gebouwde keermuur – wordt vandaag uitspraak gedaan. In de zaak CUR202500414, die ziet op het uitblijven van een beslissing van verweerder op een verzoek om handhaving wegens bouwen in afwijking van de verleende vergunning voor flatgebouwen, heeft verweerder inmiddels alsnog een beslissing genomen. In dat verband heeft het Gerecht aan eiseres de vraag voorgelegd of haar beroep mede is gericht tegen deze (reële) beschikking. In die zaak wordt vandaag dus nog geen uitspraak gedaan.

Beoordeling door het Gerecht

2. Het Gerecht beoordeelt het besluit van verweerder om het handhavingsverzoek af te wijzen, aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

Het Gerecht komt tot het oordeel dat verweerder het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen. Op het moment van de bestreden beschikking had verweerder immers al een bouwvergunning verleend voor de door vergunninghoudster gerealiseerde keermuur. Daarmee was geen sprake meer van een overtreding en ontbrak een grondslag om handhavend op te treden.

Hierna legt het Gerecht dit oordeel uit en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Wat is relevant om te weten in deze zaak?

Het Gerecht verwijst voor de relevante feiten en omstandigheden in deze zaak naar de uitspraak die het Gerecht op 25 september 2024 heeft gedaan in de zaak CUR202401358 (ECLI:NL:OGEAC:2024:175) tussen partijen. Daaraan voegt het Gerecht het volgende toe.

Bij beschikking van 24 augustus 2023 heeft verweerder aan vergunninghoudster een vergunning verleend voor het bouwen van een terreinafscheiding tot een hoogte van twee meter op het adres [adres]. Deze vergunning is geregistreerd onder nummer [nummer vergunning].

Bij brief van 30 januari 2024 heeft eiseres verweerder verzocht handhavend op te treden, omdat de bouwhoogte van de gerealiseerde scheidingsmuur de in bouwvergunning [nummer vergunning] vergunde hoogte overschrijdt.

Naar aanleiding van het handhavingsverzoek van eiseres heeft het Projectteam Toezicht en Handhaving op 2 maart 2024 een controle uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat de gebouwde muur op sommige plaatsen een bouwhoogte had van circa 2,60 meter. Daarmee is afgeweken van de verleende bouwvergunning [nummer vergunning].

Vergunninghoudster is vervolgens door verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het handhavingsverzoek en de bevindingen uit het inspectierapport. Op 11 april 2024 heeft vergunninghoudster een aanvraag tot wijziging van bouwvergunning [nummer vergunning] ingediend, met het doel de door haar gerealiseerde keermuur te legaliseren.

Bij beschikking van 4 september 2024 heeft verweerder aan vergunninghoudster de gevraagde bouwvergunning verleend. Bij uitspraak van vandaag heeft het Gerecht het beroep van eiseres tegen deze bouwvergunning (CUR202403595) ongegrond verklaard. Voor de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, verwijst het Gerecht naar die uitspraak.

Bestaat er aanleiding om de behandeling van dit beroep aan te houden?

4. Eiseres heeft ter zitting verzocht om aanhouding van dit beroep en van het hiervoor genoemde beroep (CUR202403595). Volgens eiseres kunnen de bouw van de keermuur en de bouw van de flatgebouwen niet los van elkaar worden gezien. Zij wil daarom dat haar beroepen over de keermuur gelijktijdig worden behandeld met de beroepen die zij naar verwachting nog zal instellen tegen beschikkingen die verweerder nog moet nemen over de flatgebouwen. Ten aanzien van de flatgebouwen moest verweerder ten tijde van de zitting nog beslissen op het verzoek om handhavend op te treden tegen bouwen in afwijking van de verleende vergunning. Daarnaast zal verweerder mogelijk een gewijzigde bouwvergunning verlenen voor de flatgebouwen.

5. Het Gerecht heeft het onderzoek ter zitting gesloten en aan partijen meegedeeld dat het zich in raadkamer over dit verzoek zal beraden en het onderzoek, indien nodig, zal heropenen. In raadkamer heeft het Gerecht vervolgens besloten dit beroep en het beroep met nummer CUR202403595 niet aan te houden, maar daarop uitspraak te doen. Daarbij is het volgende van belang.

Het Gerecht volgt eiseres niet in haar stelling dat de keermuur niet los kan worden gezien van de ophoging van de grond achter de keermuur en de bouw van de flatgebouwen. De keermuur is zowel functioneel als bouwkundig te onderscheiden van de flatgebouwen. De ophoging van de grond achter de keermuur raakt de rechtmatigheid van de voor de keermuur verleende bouwvergunning niet, maar kan uitsluitend een rol spelen bij de beoordeling van de bouwvergunning voor de flatgebouwen. Hoewel het ophogen van het perceel op zichzelf niet vergunningplichtig is, is deze activiteit wel relevant bij het berekenen van de bouwhoogte van de flatgebouwen die op het opgehoogde terrein worden gerealiseerd. Op grond van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (EOP) mag de bouwhoogte van een gebouw in stedelijk woongebied in beginsel niet meer dan 8 meter bedragen. Volgens het EOP wordt de bouwhoogte gemeten vanaf de gemiddelde hoogte van het terrein waarop het bouwwerk staat, na het bouwrijp maken daarvan, tot aan het hoogste punt van het bouwwerk. Als het maaiveld bij het bouwrijp maken wordt opgehoogd, wordt deze ophoging dus meegenomen in de berekening van de bouwhoogte van de gebouwen die daarop worden gerealiseerd. Indien eiseres bezwaar heeft tegen de ophoging van de gronden, kan zij dat aan de orde stellen in het kader van de beoordeling van de bouwhoogte van de gebouwde flatgebouwen. Dat betekent dat de beroepen die betrekking hebben op de keermuur afzonderlijk kunnen worden behandeld en beoordeeld, los van de beroepen die zien op de bouw van de flatgebouwen.

Waarom heeft verweerder het handhavingsverzoek van eiseres afgewezen?

6. Verweerder heeft de afwijzing van het handhavingsverzoek als volgt gemotiveerd. Met de op 4 september 2024 verleende bouwvergunning is de keermuur alsnog gelegaliseerd. Daarmee kan in beginsel niet langer van verweerder worden verlangd dat hij handhavend optreedt. Nu geen sprake (meer) is van een overtreding door vergunninghoudster, ontbreekt een grondslag voor handhavend optreden.

Wat voert eiseres hiertegen aan en wat vindt het Gerecht?

7. Eiseres voert aan dat het handhavingsverzoek ten onrechte is afgewezen. Volgens haar heeft verweerder een beginselplicht tot handhaving, wat inhoudt dat een bestuursorgaan in geval van een overtreding in beginsel verplicht is handhavend op te treden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het enkele feit dat aan vergunninghoudster inmiddels een nieuwe bouwvergunning is verleend, vormt volgens eiseres op zichzelf nog geen bijzondere omstandigheid. Zij stelt dat, gelet op de door haar aangevoerde beroepsgronden tegen deze nieuwe bouwvergunning, het niet in de rede ligt dat deze vergunning in stand zal blijven. Zolang geen sprake is van een onherroepelijke bouwvergunning, ontbreekt volgens eiseres dan ook een concreet zicht op legalisatie. Ook overigens zijn geen zodanige bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die het afzien van handhavend optreden zouden kunnen rechtvaardigen. Maar zelfs indien sprake zou zijn van concreet zicht op legalisatie, betoogt eiseres dat verweerder nog steeds gehouden was een zorgvuldige belangenafweging te maken. Verweerder heeft dat volgens haar nagelaten.

8. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

Met de op 4 september 2024 verleende bouwvergunning is de door vergunninghoudster gebouwde keermuur alsnog gelegaliseerd. Daarmee is geen sprake (meer) van een overtreding. Dat eiseres het niet eens is met die bouwvergunning, is geen omstandigheid op grond waarvan van verweerder verwacht moet worden handhavend op te treden. Er is met de verleende vergunning geen overtreding meer en daardoor is er geen bevoegdheid meer voor verweerder om handhavend op te treden. Eiseres kan rechtsmiddelen aanwenden tegen de verleende bouwvergunning en dat heeft zij ook gedaan. Omdat een grondslag voor handhavend optreden ontbreekt, heeft verweerder het handhavingsverzoek van eiseres al om die reden terecht afgewezen. Of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat verweerder van handhavend optreden moest afzien, komt het Gerecht dan ook niet toe.

9. Ten slotte voert eiseres aan dat haar handhavingsverzoek mede betrekking heeft op de ophoging van het maaiveld van het perceel. Volgens haar heeft verweerder zich hierover in de bestreden beschikking ten onrechte niet uitgelaten.

10. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor de motivering verwijst het Gerecht naar hetgeen hiervoor onder 5.1 is overwogen. Daaruit volgt dat voor het ophogen van het maaiveld geen (bouw)vergunning is vereist. De ophoging van de gronden kan slechts aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de bouwhoogte van de flatgebouwen die op het opgehoogde terrein zijn gerealiseerd. Nu geen sprake is van een overtreding, heeft verweerder ook op dit punt terecht van handhavend optreden afgezien.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepsgronden van eiseres slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden beschikking in stand blijft.

12. Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2025, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.

De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?