ECLI:NL:OGEAC:2025:311

ECLI:NL:OGEAC:2025:311

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 29-01-2025
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer CUR202401615
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Bodemzaak

Samenvatting

Beroep tegen ongegrondverklaring van bezwaar tegen twee bouwvergunningen. De minister heeft het bezwaar ten onrechte uitsluitend opgevat als gericht tegen één bouwvergunning en zich daarbij op het standpunt gesteld dat deze vergunning onherroepelijk is. De bestreden beschikking berust daarom op een ondeugdelijke motivering. Het beroep is gegrond en de beschikking wordt vernietigd, met instandlating van de rechtsgevolgen. Met toestemming van partijen voorziet het Gerecht zelf in de zaak en beoordeelt het de overige beroepsgronden tegen de bouwvergunningen. Deze slagen niet.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

[naam eiseres],

eiseres,

gemachtigde: mr. J.H. Schmitz, advocaat,

en

de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning,

verweerder,

gemachtigden: mrs. G.N. Hollander en L.J. Reenis,

met als derde-belanghebbende:

[naam vergunninghouder],

vergunninghouder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van [eiseres] tegen de beslissing van de minister om haar bezwaar tegen de aan vergunninghouder verleende bouwvergunningen van 1 juli 2021 (bouwvergunning 1) en van 19 oktober 2022 (bouwvergunning 2) ongegrond te verklaren.

De minister heeft deze beslissing op bezwaar genomen bij beschikking van 28 maart 2024 (de bestreden beschikking).

Eiseres] heeft een beroepschrift tegen de bestreden beschikking ingediend. De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift met producties ingediend. Vergunninghouder heeft een schriftelijke reactie ingediend.

Het Gerecht heeft het beroep op 8 januari 2024 op zitting behandeld. [Eiseres] is samen met haar gemachtigde verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en de heer [naam plaatsvervangend directeur] (plaatsvervangend directeur ROP). Vergunninghouder is ook verschenen, samen met zijn echtgenote.

Beoordeling door het Gerecht

2. Het Gerecht beoordeelt de bestreden beslissing van de minister om het bezwaar van [eiseres] ongegrond te verklaren aan de hand van de beroepsgronden van [eiseres].

Het Gerecht komt tot het oordeel dat de minister in de bestreden beschikking ten onrechte heeft gesteld dat het bezwaar van [eiseres] alleen tegen bouwvergunning 1 is gericht en dat die bouwvergunning onherroepelijk is. De minister heeft de ongegrondverklaring van het bezwaar van [eiseres] hiermee onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Het beroep zal om die reden gegrond worden verklaard en de bestreden beschikking zal worden vernietigd. Het Gerecht laat de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking echter in stand. Het Gerecht beslist op verzoek en met toestemming van partijen namelijk zelf op de overige argumenten van [eiseres] gericht tegen de verleende bouwvergunningen en die argumenten slagen niet.

Hierna legt het Gerecht dit oordeel uit en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Wat is relevant om te weten in deze zaak?

Eiseres] woont in een woning in Brakkeput Abou op het perceel dat kadastraal bekend staat onder nummer [nummer perceel 1]. Naast haar perceel lag tot voor kort het perceel van de familie [familienaam], kadastraal bekend onder nummer [nummer perceel 2]. Ten noorden van het perceel van [familienaam] ligt het perceel van vergunninghouder, kadastraal bekend onder nummer [nummer perceel 3]. Vergunninghouder is eigenaar van een woning op dit perceel. Een deel van het perceel van [familienaam] is door vergunninghouder gekocht en afgesplitst van het perceel van [familienaam]. Dit deel is nu kadastraal bekend onder nummer [nummer perceel 4]. Dit perceel grenst sinds de splitsing aan het perceel van [eiseres]. Op dit perceel heeft vergunninghouder een bouwwerk gerealiseerd.

Er zijn twee bouwvergunningen voor dit bouwwerk afgegeven. Bouwvergunning 1 dateert van 1 juli 2021. Deze bouwvergunning is verleend aan [familienaam voor het bouwen van een logeerruimte en carport op kavel [perceel nummer 2]. Bouwvergunning 2 dateert van 19 oktober 2022. Deze bouwvergunning is verleend aan vergunninghouder voor het intern verbouwen van een logeerruimte en carport op [perceel nummer 4].

Vergunninghouder heeft met [familienaam] gesproken over het kopen van deel van het perceel van [familienaam] met het doel daarop een logeerruimte en carport te bouwen. Voor vergunninghouder was het relevant om te weten of hij op het perceel dit bouwwerk mocht realiseren. Daarom heeft [familienaam] een aanvraag voor een bouwvergunning gedaan. Die aanvraag heeft geleid tot bouwvergunning 1. Toen bleek dat vergunninghouder de logeerruimte en carport kon realiseren, zijn zij overgegaan tot de koop van het perceel. Vervolgens heeft splitsing en levering plaatsgevonden. Vergunninghouder heeft op 19 september 2022 een aanvraag gedaan voor een verbouwing van een appartement / garage. In de aanvraag staat ook dat het gaat om een wijziging van bouwvergunning 1. Deze aanvraag heeft geleid tot bouwvergunning 2. Vergunninghouder is in november 2022 gestart met de bouwwerkzaamheden waarop de bouwvergunningen zien.

Waarom heeft verweerder het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard?

5. De minister heeft in de bestreden beschikking verwezen naar het advies van de bezwaaradviescommissie van 15 maart 2024. De minister heeft aan de ongegrondverklaring van het bezwaar ten grondslag gelegd dat [eiseres] tegen bouwvergunning 1 geen bezwaar heeft gemaakt. Bouwvergunning 1 is dus onherroepelijk. Bouwvergunning 2 ziet alleen op enkele esthetische aanpassingen ten opzichte van bouwvergunning 1. Nu [eiseres] volgens de minister geen bezwaar heeft gemaakt tegen bouwvergunning 1 en haar bezwaren niet zijn gericht tegen de esthetische kleine wijzigingen, moet haar bezwaar ongegrond worden verklaard.

Wat voert eiseres hiertegen aan en wat vindt het Gerecht?

6. [ Eiseres] voert allereerst aan dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen bouwvergunning 1. Zij was niet eerder bekend met deze bouwvergunning. De bouwvergunning is niet voor haar kenbaar gepubliceerd.

7. Deze beroepsgrond slaagt. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

Het Gerecht stelt vast dat bouwvergunning 1 niet aan [eiseres] is toegestuurd door de minister. Ook vergunninghouder heeft bouwvergunning 1 niet aan [eiseres] toegestuurd. Uit het publicatieoverzicht op de website van het ministerie van VVRP blijkt dat bouwvergunning 1 is gepubliceerd bij week 36 van september 2021. Echter, daar staat wat betreft de locatie alleen Brakkeput Abou vermeld. Nog daargelaten dat van [eiseres] niet verwacht hoefde te worden de publicaties op de website van het ministerie in de gaten te houden, is de publicatie van bouwvergunning 1 onvolledig (er staat geen adres of specificatie van het perceel) en onjuist (het nummer van de bouwvergunning klopt niet). Nu ook de bouwwerkzaamheden pas in november 2022 zijn gestart, kon de minister [eiseres] niet tegenwerpen dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen bouwvergunning 1. De minister had het bezwaar van [eiseres] moeten opvatten als gericht tegen bouwvergunning 1 en bouwvergunning 2. De minister heeft de ongegrondverklaring van het bezwaar van [eiseres] onvoldoende gemotiveerd.

8. Het beroep is gegrond en het Gerecht zal de bestreden beschikking vernietigen wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Vervolgens zal het Gerecht beoordelen of de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking in stand kunnen blijven. Daartoe zal het Gerecht conform het verzoek van partijen ter zitting de overige door [eiseres] aangevoerde gronden tegen de verleende bouwvergunningen bespreken. Omdat bouwvergunning 1 niet is ingetrokken toen bouwvergunning 2 is verleend, gaat het Gerecht ervan uit dat beide vergunningen betrekking hebben op het gerealiseerde bouwwerk.

9. [ Eiseres] voert aan dat de verleende bouwvergunningen in strijd zijn met het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (EOP). Uit artikel 3, tweede lid en onder b, van het EOP volgt immers dat in een gebied met de bestemming stedelijk woongebied de bouwkavel minimaal 500 m2 groot moet zijn. De kavel waarop het bouwwerk is gerealiseerd ([perceel nummer 4]) is slechts 328 m2 groot. Ter zitting heeft [eiseres] een beroep gedaan op artikel 3, tweede lid en onder c, van het EOP. Nu sprake is van een aanvraag voor een bouwvergunning voor bebouwing met een grotere dichtheid dan onder b genoemd, had de minister een afweging moeten maken tussen het met deze afwijkende dichtheid te dienen belang en de vermindering van woonkwaliteit voor [eiseres].

10. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

Het Gerecht stelt vast dat op het perceel waarop de bouwvergunningen zien de bestemming stedelijk woongebied rust. Artikel 3 van het EOP gaat over de bestemming stedelijk woongebied. In het tweede lid en onder b staat voor zover hier relevant dat gestreefd wordt naar verdichting van het bestaande stedelijke woongebied door het bevorderen van invulplannen. Als uitgangspunt bij het ontwikkelen van woningbouwplannen geldt dat gestreefd wordt naar het bereiken van een woningdichtheid per buurt van 6 tot 20 woningen per hectare.

Naar het oordeel van het Gerecht volgt uit deze bepaling enkel dat gestreefd wordt naar een bepaalde woondichtheid per buurt, maar niet dat elk perceel in die buurt minimaal 500 m2 groot moet zijn. Daar komt bij dat het oorspronkelijke perceel van [familienaam]] meer dan 1000 m2 groot was (uit meetbrief [perceel nummer 2] blijkt een oppervlakte van 1067 m2) en dus als het gaat om de woningdichtheid als bedoeld in het EOP, ook in de lezing van [eiseres], ruimte bood aan twee woningen. Ook overigens zijn er geen aanwijzingen dat de nagestreefde woningdichtheid in de buurt van [eiseres] in het geding is. Van strijdigheid met artikel 3, tweede lid en onder b, is dus geen sprake. De minister was daarom ook niet gehouden om een afweging te maken als bedoeld in artikel 3, tweede lid en onder c, van het EOP.

11. [ Eiseres] voert ook aan dat het bouwplan in strijd is met het schetsplan “Brakkeput Abao fase I” en met het verkavelingsplan Adelisia.

12. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

Artikel 22 van de Bouw- en woningverordening 1952 (Bwv) bepaalt limitatief op welke gronden de minister een bouwvergunning moet verlenen of moet weigeren. Uit het achtste lid van dit artikel volgt dat de minister een bouwvergunning moet weigeren als het bouwplan in strijd is met de bestemmingsvoorschriften van een ontwikkelingsplan, dan wel de voorschriften behorende bij een goedgekeurd verkavelingsplan waarin de bij de aanvraag betrokken grond is begrepen.

Naar het oordeel van het Gerecht is het document waar [eiseres] naar verwijst en waar “Adelisia” boven staat geen goedgekeurd verkavelingsplan. Voor het oordeel dat er voor Brakkeput Abou geen goedgekeurd verkavelingsplan is vastgesteld, vindt het Gerecht ook steun in de uitspraak van het Hof van 13 november 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:224 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:OGHACMB:2024:224&showbutton=true&keyword=ECLI%253aNL%253aOGHACMB%253a2024%253a224&idx=1)). In deze uitspraak vindt het Gerecht ook steun voor het oordeel dat de minister het bouwplan niet hoefde te toetsen aan het schetsplan “Brakkeput Abao fase 1”. Het schetsplan is immers geen goedgekeurd verkavelingsplan of ontwikkelingsplan als bedoeld in artikel 22, achtste lid van de Bwv.

13. [ Eiseres] voert verder aan dat zij hinder ervaart van het bouwwerk. Hoewel zij weet dat er geen recht op uitzicht bestaat, heeft zij dat uitzicht wel verloren. Zij ervaart ook hinder als er gebarbecued wordt bij het gerealiseerde bouwwerk. Vanwege de opgetrokken rieten afscheiding ziet zij ook een gevaar voor brand. Tot slot betoogt zij in dit kader dat zij gesprekken die plaatsvinden bij het gerealiseerde bouwwerk woordelijk kan volgen.

14. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

Artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv bepaalt kort gezegd dat een bouwvergunning wordt geweigerd als het gebouw wegens de ligging of wegens de bouwwijze de omgeving zal ontsieren of hinderlijk dan wel brandgevaarlijk voor de omgeving zal zijn.

In wat [eiseres] aanvoert, ziet het Gerecht geen grond voor het oordeel dat de minister de bouwvergunningen had moeten weigeren. Het risico op brand dat [eiseres] noemt is niet een gevolg van de ligging of de bouwwijze van het gebouw. Nog daargelaten dat [eiseres] tijdens de zitting heeft erkend dat de gestelde overlast tot nu toe slechts een keer is voorgekomen en vergunninghouder heeft aangegeven dat hij erop zal toezien dat eventuele overlast tot een minimum zal worden beperkt, is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake van onaanvaardbare hinder.

15. [ Eiseres] voert aan dat sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij is door de minister gedwongen een Lob-procedure dan wel een kort geding procedure te voeren om inzage te krijgen in de onderliggende stukken. Vervolgens was het dossier kwijt. In de tussentijd heeft vergunninghouder voortvarend gebouwd en is zij geconfronteerd met een voldongen feit.

16. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

Het Gerecht is met [eiseres] van oordeel dat zij zonder een Lob-procedure of een kort geding inzage had moeten krijgen in de onderliggende stukken naar aanleiding van het door haar gemaakte pro forma bezwaar. Het is evident dat [eiseres] belanghebbende is bij de verleende bouwvergunningen nu het bouwplan is gelegen naast haar perceel. Het Gerecht wijst verder op wat hij heeft overwogen in 9.7 tot en met 9.7.4 in de uitspraak van 12 april 2022 (ECLI:NL:OGEAC:2022:329).

Dit oordeel leidt echter niet tot de conclusie dat de verleende bouwvergunningen onrechtmatig zijn. Uiteindelijk heeft [eiseres] inzage gehad in de onderliggende stukken en heeft zij ook haar gronden tegen de bouwvergunningen kenbaar kunnen maken. Die gronden worden ook in deze uitspraak besproken.

17. [ Eiseres] heeft ter zitting nog betoogd dat in bouwvergunning 2 staat vermeld dat vergunning wordt verleend voor het intern verbouwen van een logeerruimte en carport. In werkelijkheid is echter een geheel nieuw gebouw opgetrokken dat voor zelfstandige bewoning wordt gebruikt. In zoverre klopt bouwvergunning 2 dus niet.

18. Ook dit betoog slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

Het Gerecht stelt vast dat met bouwvergunning 1 is vergund het bouwen van een logeerruimte en carport conform de bij bouwvergunning 1 behorende bouwtekeningen. Bouwvergunning 2 is verleend voor het intern verbouwen van het gebouw dat met bouwvergunning 1 al is vergund. Uit de tekeningen behorende bij bouwvergunning 2 blijkt, vergeleken met de bouwtekeningen van bouwvergunning 1, dat het bij bouwvergunning 2 gaat om aanpassingen in bouwmaterialen ten opzichte van bouwvergunning 1. [Eiseres] kan worden nagegeven dat de woordkeuze “intern verbouwen” wellicht niet geheel de lading dekt, maar daarin ziet het Gerecht geen grond voor herroeping van bouwvergunning 2.

19. [Eiseres] voert ten slotte aan dat vergunninghouder op verschillende punten in strijd heeft gebouwd met de verleende bouwvergunningen. Ook dit betoog slaagt niet. Indien [eiseres] van mening is dat vergunninghouder heeft gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunningen en zij dat wil aankaarten bij de bestuursrechter, dan zal zij eerst een handhavingsverzoek moeten indienen bij de minister die daarop moet beschikken. De bestuursrechter kan in dit beroep enkel een oordeel geven over de rechtmatigheid van de verleende bouwvergunningen. Het antwoord op de vraag hoe de bouwwerkzaamheden zijn uitgevoerd, raakt die rechtmatigheid niet.

Conclusie en gevolgen

20. De bestreden beschikking moet wegens strijd met het motiveringsbeginsel worden vernietigd. De rechtsgevolgen van de bestreden beschikking kunnen echter in stand blijven, omdat de argumenten tegen de bouwvergunningen die [eiseres] aanvoert niet slagen. De bouwvergunningen van 1 juli 2021 en 19 oktober 2022 blijven daarmee in stand.

21. Omdat het beroep gegrond is, ziet het Gerecht aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die [eiseres] heeft moeten maken. Het Gerecht begroot die kosten op NAf 1.400,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van NAf 700,-). Verder zal het Gerecht bepalen dat de minister het door [eiseres] betaalde griffierecht van NAf 150,- aan haar vergoedt.

Beslissing

Het Gerecht:

Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2025, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?