ECLI:NL:OGEAC:2025:315

ECLI:NL:OGEAC:2025:315

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 08-10-2025
Datum publicatie 24-02-2026
Zaaknummer 500.00090/25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Moord, poging moord meermalen gepleegd, vuurwapen

Uitspraak

Stoffelijk overschot

De gegevens van het slachtoffer werden bekend. (…)

Wijlen de vrouw genaamd: [slachtoffer 1] geboren op Curaçao op [geboortedatum] 1966 en wonende te [adres 3]. (…)

In beslag genomen voor verder onderzoek

2. Op 4 april 2025 werd er op het adres [adres 3] een lijkherkenning verricht. De verbalisant [verbalisant 3] heeft het volgende gerelateerd:

3. De forensische patholoog, dr. L. Althaus, heeft op 9 april 2025 het lichaam van het slachtoffer onderzocht en het volgende in het forensisch autopsierapport opgenomen:

13. MANNER OF DEATH

4. [betrokkene 1] deed op 5 april 2025 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

5. [benadeelde partij 5] deed op 5 april 2025 aangifte. Zij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

6. [betrokkene 4] deed op 5 april 2025 aangifte. Zij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

7. Op 5 april 2025 hebben de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] forensisch onderzoek verricht, onder meer op het adres [adres 2]. Zij hebben het volgende gerelateerd:

8. Op 4 april 2025 omstreeks 23:25 uur, werd de getuige [benadeelde partij 1] verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

9. Op 17 april 2025 omstreeks 10:55 uur, werd de getuige [benadeelde partij 1] verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

10. Op 3 mei 2025 omstreeks 09:30 uur, werd de getuige [benadeelde partij 1] verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

11. . Op 23 april 2025 omstreeks 17:35 uur, werd de getuige [getuige 1] verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

12. Een proces-verbaal, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 6], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

13. Op 4 april 2025 had de verdachte twee stemgesprekken naar zijn vriendin [benadeelde partij 1] verstuurd. De verbalisant [verbalisant 6] heeft het stembericht van 20:27 uur als volgt vastgelegd:

14. Op 6 april 2025 gingen enkele opsporingsambtenaren van het onderzoeksteam samen met de verdachte naar [adres]. Daar wees de verdachte aan de verbalisanten [verbalisant 7], [verbalisant 8] en [verbalisant 9] waar hij het vuurwapen had weggegooid. Genoemde verbalisanten hebben het volgende gerelateerd:

15. In een aanbiedingsbrief vuurwapens en/of munitie met nummer [nummer], is vermeld, zakelijk weergegeven:

16. De verbalisant heeft een forensisch onderzoek naar voormeld inbeslaggenomen vuurwapen gedaan. Hij heeft het volgende gerelateerd:

17. De verdachte werd op 6 april 2025 omstreeks 20:30 uur verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

18. De verdachte werd op 7 april 2025 omstraaks 11:55 uur verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

19. De verdachte werd op 11 april 2025 omstreeks 15:20 uur verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

20. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

Totale materiële kosten Cg 14.974,22

(…)

Zeven (7) hulzen.

Het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1](…)”

Aanleiding

Op vrijdag 4 april 2025 (…) vond er een schietincident plaats op het adres [adres 3] te Curaçao, waarbij een vrouw om het leven kwam. (…)

Lijkherkenning

(…) Hierbij werd de echtgenoot van het slachtoffer, [benadeelde partij 4], (…) in de gelegenheid gesteld het lichaam te identificeren.

De echtgenoot verklaarde zonder enige twijfel dat het hem getoonde stoffelijk overschot zijn echtgenote, [slachtoffer], betreft. (…)”

“ (…) 12. CAUSE OF DEATH

Multiple gunshots of the brain and the neck.

Non-natural. Homicide. (…)”

“Ik wens aangifte te doen tegen [verdachte] die vandaag, zaterdag 5 april 2025 omstreeks 02:40 uur, op onze woning gelegen te [adres 2], had geschoten. (…)

Omstreeks 02:40 uur hoorde ik buiten een voertuig komen aanrijden. Ik hoorde dat het voertuig tot stilstand werd gebracht verderop van mijn woning. Naar aanleiding van het incident van gisteren waarbij [verdachte] zijn schoonmoeder had doodgeschoten, bleef ik attent. Dus toen ik het voertuig hoorde stoppen, ging ik meteen de camerabeelden van ons camerasysteem op mijn mobiele telefoon bekijken. Op dat moment zag ik dat een man in de tuin van de buren links van onze woning, richting onze woning lopen. (…) Meteen hierna begon ik buiten harde knallen te horen. Ik kon horen dat op onze woning met een vuurwapen gericht werd geschoten, omdat ik hoorde hoe de ramen van onze slaapkamers door de kogels werden geraakt. (…) Ik keek naar buiten en ik zag een oranje auto wegrijden in de richting van de [adres 2]. (…)

V: Hoeveel schoten had je gehoord?

A: (…) Het raam van de voorste slaapkamer had één (1) kogelperforatie, het raam van mijn slaapkamer, zijnde de middelste slaapkamer, had vijf (5) kogelperforaties en het raam van de slaapkamer van mijn ouders had zeven (7) kogelperforaties. (…)

V: Door wie werd op jullie huis geschoten?

A: Door (…) [verdachte]. [verdachte] werd op de beelden van de beveiligingscamera van onze woning door mijn moeder herkend (…).

(…)

M: Je verklaarde daarnet dat je naar aanleiding van het incident van gisteren waarbij [verdachte] zijn schoonmoeder had doodgeschoten, jij attent bleef.

V: Waarom bleef je attent?

A: Omdat ik te horen kreeg dat na het schietincident [verdachte] zich had geuit dat er nog twee mensen zijn die hij moest afmaken.

V: Wat denk je dat de intentie van [verdachte] was door op jullie woning te schieten?

A: Ik denk dat hij ons wilde vermoorden.

(…)

A: (…) [verdachte] weet precies in welke kamers wij slapen. En ook omdat hij op onze woning kwam schieten, nadat hij zich had geuit dat er nog twee mensen zijn die hij moet afmaken. (…)”

“Ik wil aangifte doen van het feit dat [verdachte] vandaag geprobeerd heeft ons te vermoorden. Met ‘ons’ bedoel ik mijn familie (het Gerecht begrijpt: gezin), bestaande uit mijn man, [betrokkene 2], en mijn zoon, [betrokkene 3]. Wij wonen samen op het adres [adres 2]. (…)

Heden, zaterdag 5 april 2025 omstreeks 02:40 uur, werd ik wakker doordat ik ineens knallen hoorde. Ik besefte dat deze knallen van een vuurwapen afkomstig waren. Tegelijkertijd hoorde ik ook dat de ramen van mijn slaapkamer kapotgingen. (…)

Uit de opgenomen camerabeelden kon ik [verdachte] aan zijn postuur herkennen.(…)”

“(…) Het was 20:36 uur toen de vader van mijn zoon mij had gebeld. De naam van de vader van mijn zoon is [verdachte]. (…) Hij had toen aan mij gezegd dat hij met ons wil praten. Toen wij thuis waren aangekomen was hij al bij ons thuis. (…) Hij had toen tegen mijn moeder gezegd dat hij de moeder van zijn vrouw had vermoord. (…) Wij zijn naar buiten gegaan. Op dat moment begon hij verschillende telefoontjes te plegen. (…) Hij tilde zijn herentas, een paar kranten en er waren twee vuurwapens. (…) De vrouw van wie ik vermoed dat zij voor hem werkte hoorde ik hem zeggen: “(…) Ik heb een persoon vermoord. Het is nog niet klaar. Ik zal nog meer personen vanavond vermoorden en hierna zal ik zelfmoord plegen.”(…)

V: Kan je de vuurwapens beschrijven?

A: Het waren twee vuurwapens, zwart van kleur. (…)

V: Heb je nog iets te verklaren?

A: (…) Zoals ik heb begrepen heeft hij een lijst met namen van mensen die hij wenst te vermoorden (…).

V: Hoe ben je van de lijst te weten gekomen?

A: Hij had het een keer tegen mij gezegd.

V: Op welk moment had hij over de lijst met jou gesproken?

A: Het was op 14 februari 2025. (…)”

“(…) Samenvatting van bevindingen:

“(…) Toen [verdachte] ontdekte dat ik bij mijn ouders was, kwam hij naar hun woning. (…) [verdachte] bleef aandringen dat ik met hem mee naar huis moest. Ik bleef bij mijn standpunt dat ik bij mijn ouders zal blijven. Hij vroeg herhaaldelijk: “Dus je gaat niet mee?” In het verleden had hij me al bedreigd dat als ik bij hem weg zou gaan, hij de gevaarlijkste persoon zou worden en ‘onvergetelijke ellende’ zou veroorzaken. Dat zou zijn manier zijn om herinnerd te worden. (…) Hij vroeg me: “Dus je blijft hier? Dan heb je je vrijheid.” Mijn moeder zei dat hij zelf mij mijn vrijheid had gegeven en mij dus moest laten. Toen zei hij dreigend tegen haar: “Wat bedoel je? Jij wilt ook dat ze vrijheid heeft?” Daarna liep hij naar de woonkamer waar zijn schoudertas lag. Kort daarna kwam hij terug naar de slaapkamer en schoot mijn moeder dood. (…) [verdachte] heeft twee zwarte pistolen die sterk op elkaar lijken en hij bezit veel kogels. (…)”

“(…) MV: Uit onderzoek bleek dat er een zogenaamde dodenlijst was, die [verdachte] had, van personen die afgemaakt moeten worden.

VV: Weet jij iets over die lijst?

AG: Ja, correct. Hij heeft mij inderdaad over de lijst gesproken, dat hij namen van mensen op die lijst had die afgemaakt moeten worden. (…)”

“(…) VV: Wanneer had hij over deze dodenlijst met jou gesprokken?

AG: Als ik me niet vergis was het dit jaar 2025 (…).

VV: Had hij namen genoemd die op de dodenlijst stonden?

AG:(…) Hetgeen ik mij herinner is dat het betreft personen die hem iets hadden aangedaan.

VV: Hoeveel keren had hij met jou over de dodenlijst gesproken?

AG: (…) het was meer dan een keer. (…)”

“(…) MV: Je gaf aan dat je ‘het werk’ waar [verdachte] over sprak en dat hij moest afmaken, niet wilde weten.

VV: Had je een vermoeden wat hij bedoelde?

AG: Ja, ik vermoedde dat hij nog iemand wilde vermoorden. Toen ik vroeg wat hij bij Domi ging doen, zei hij dat hij “het werk” af moest maken. (…)”

“(…) Op (…) 24 april 2025 nadat de verdachte [betrokkene 5] werd hij (…) naar het cellencomplex te Wijkteam Barber teruggebracht. (…) Ik vroeg aan hem of hij op de hoogte was van de dodenlijst en hij gaf als antwoord van ja. Daarna vroeg ik aan hem of hij wist wat de verdachte [verdachte] van plan was met de roodgelakte ([automerk/model]) auto en [betrokkene 5] antwoordde van ja. (…)”

1*. Uitwerking van het opgenomen stemgesprek verstuurd om 20:27 uur, tijdsduur stemgesprek 3 minuten en 39 seconde.

Verdachte [verdachte]: (…) Daarom wilde ik niet dat mijn kinderen daar kwamen, doordat ik weet dat ik jouw mensen (familie) zou blazen/ontploffen in hun bijzijn. Die scene zou voor hun (gehele leven) blijven. (…) Heb je begrepen en nu doe je alsof altijd iets gebeurt, dat je je vader roept/bellen, ik kon je vader vanaf het moment dat hij daar stond blazen/ontploffen.

Doordat ik weet dat hij met jou moet bemoeien, doordat ik weet dat hij de manier heeft in de zin van, begrijp je om jou financieel te helpen, daarom heb ik je moeder geblazen/ontploffen. Weet je waarom ik dat in het huis had gedaan? Zodat je kan leren en weten om daar nooit meer te gaan, dat is voor al de keren dat je mijn kinderen hebt meegenomen.(…)”

“(…) Aangetroffen vuurwapen

(…) Het vuurwapen lag onder het struikgewas naast een muur buiten het erf van de woning gelegen te [adres]. De slede van het vuurwapen zat in de achterstand en het vuurwapen was voorzien van een lege patroonhouder. Het betrof een pistool van het merk [vuurwapenmerk], model [model], kaliber 9mm, voorzien van het serienummer [serienummer]. (…)”

“(…) In de zaak van [verdachte], geboren op 29 december 1990, is in beslag genomen een pistool van het merk [vuurwapenmerk/model], met serienummer [serienummer], kaliber 9x19mm.”

“(…) Het in beslag genomen vuurwapen werkt optimaal en de scherpe patronen werden tijdens het proefschieten normaal tot ontbranding gebracht. (…) Conclusie: Het voor onderzoek aangeboden pistool (aanbiedingsbrief 001372/2025) is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd. Het voor onderzoek aangeboden pistool is deugdelijk of tot schieten gereed. Het voor onderzoek aangeboden pistool is voor bedreiging of afdreiging geschikt. (…)”

“(…) VV: Heb je op vrijdag 4 april 2025, aan het adres [adres 2], het slachtoffer (de vrouw in leven genaamd [slachtoffer]) doodgeschoten?

AV: Ja, ik beken. Ik heb het slachtoffer, de moeder van mijn vriendin, de vrouw genaamd [benadeelde partij 1], op vrijdag 4 april 2025, aan het adres [adres 2] doodgeschoten.

(…)

MV: Was je, als de vermoedelijke schutter, betrokken bij een geval van poging tot moord die plaatsvond in de nacht van vrijdag 4 april 2025 op zaterdag 5 april 2025 op het adres [adres 2]?

AV: Ik moet dit geval ook bekennen. Inderdaad heb ik die nacht de vrouw genaamd [benadeelde partij 5] getracht dood te schieten.

(…)

AV: Ik beken. Ik heb schoten op haar kamerraam gelost. (…)”

“(…) AV: (…) Ik beken (…) dat bij [adres 2], ik (…) gepland had om [benadeelde partij 5] dood te schieten. (…)”

“(…) AV: (…) ik besloot om naar Seru Domi te [adres 2] te gaan om met de vrouw [benadeelde partij 5] af te rekenen. (…)”

“(…) Ik had één vuurwapen in mijn tas en één in de bus. Ik heb de tas met het vuurwapen erin altijd bij mij. (…) Toen ik op de slaapkamerramen van de woning van [benadeelde partij 5] schoot, wist ik wie in welke slaapkamer sliep. Ik heb het risico genomen dat ook de andere bewoners van dat huis dodelijk door een kogel konden worden getroffen. (…)

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte partieel van het onder 1 en geheel van het onder 3 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 kan niet worden geconcludeerd dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Er zijn voldoende contra-indicaties. Zo blijkt nergens uit het dossier dat er sprake was van een door de verdachte doordachte beslissing om het slachtoffer van het leven te beroven. Uit de omstandigheden rond het incident, zoals ook door de getuige [benadeelde partij 4] is verklaard, volgt dat er daaraan voorafgaand geen sprake was van geschreeuw of ruzie; alles verliep rustig. De aanleiding voor de daaropvolgende daad lag in hetgeen het slachtoffer op dat moment tegen de verdachte had gezegd. Een relevante bedenktijd kan ook niet worden vastgesteld.

De verklaringen van de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] dat de verdachte over een dodenlijst zou beschikken, kunnen dit niet onderbouwen, nu een dergelijke lijst niet is aangetroffen en daarvoor in het dossier geen enkele bevestiging te vinden is.

Ook voor de stemberichten die de indruk kunnen wekken dat de verdachte bewust heeft gekozen het slachtoffer in haar woning dood te schieten, leveren geen bewijs op van voorbedachten rade. Het doel van de verdachte toen hij bij [adres 2] was, was om zijn vriendin te overtuigen met hem mee te gaan. Het was pas nadat het slachtoffer iets tegen de verdachte had gezegd dat hij tot schieten is overgegaan. Dit wijst op een (zeer) korte tijdspanne tussen het besluit en de uitvoering, of dat de gelegenheid tot beraad pas tijdens de uitvoering van het besluit was ontstaan. Daarbij is een belangrijke contra-indicatie dat de verdachte heeft gehandeld in een plotselinge hevige drift. De achteraf door hem verstuurde stemberichten verschaffen inzicht in zijn gemoedstoestand; hij was woedend. Het is dus aannemelijk dat er een causaal verband bestond tussen de hevige woordenwisseling en de bij de verdachte (plotseling) opgewekte gemoedstoestand van woede. Dat de verdachte op de bewuste avond één of meer vuurwapens naar de woning van het slachtoffer had meegenomen, is op zichzelf volstrekt onvoldoende om voorbedachten rade aan te nemen.

Ten aanzien van feit 3 had de verdachte uitsluitend de intentie om de aangeefster [benadeelde partij 5] van het leven te beroven. Ten aanzien van de heren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ontbrak die intentie, aldus nog steeds de raadsman.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Vaststelling feiten en omstandigheden

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting acht het Gerecht het volgende aannemelijk geworden.

Op 4 april 2025 is [benadeelde partij 1], (hierna: [benadeelde partij 1]), met haar jongste zoon naar haar ouderlijke woning te [adres] gegaan. De verdachte is daar met hun oudste zoon in zijn witte [automerk] bus, model [automodel], aangekomen. Hij smeekte haar en drong er op aan dat zij met hem terug naar huis zou gaan, maar zij hield voet bij stuk dat zij met de kinderen bij haar ouders zou blijven.

Op verzoek van [benadeelde partij 1] is haar vader, vergezeld van de oudste zoon, naar de woning van [benadeelde partij 1] en de verdachte te [adres] gegaan om kleding voor de kinderen op te halen. Toen de vader vertrok, was de verdachte niet aanwezig. Korte tijd later keerde de verdachte terug. Vervolgens vond in de woning een discussie plaats tussen de verdachte en [benadeelde partij 1] en reageerde ook de moeder van [benadeelde partij 1]. De verdachte ging vervolgens naar de woonkamer, waar zijn schoudertas met daarin het vuurwapen lag. Daarna keerde hij terug naar de slaapkamer alwaar de discussie plaatsvond, en schoot hij de moeder van [benadeelde partij 1] (hierna: het slachtoffer) in het bijzijn van [benadeelde partij 1] en haar jongste zoon met zeven gerichte schoten neer. Daarna verliet de verdachte de woning en begaf zich naar zijn zaak, een broodjestruck (truk di pan) te Saliña, waar hij zijn werknemers mededeelde dat hij iets ergs had gedaan en dat zij de broodjestruck moesten sluiten. Vervolgens reed hij met zijn witte bus naar Montaña te [adres], waar hij door [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) werd opgehaald in haar zwarte [automerk]. Zijn bus liet hij te Montaña achter.

De verdachte reed met [getuige 1] naar [betrokkene 7] in Muizenberg, waar [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5]) arriveerde met een rode [automerk/model]. Deze auto bleef daar achter. [betrokkene 5] sloot zich bij hen aan en werd later door [getuige 1] thuis afgezet. De verdachte werd vervolgens door [getuige 1] bij [betrokkene 8](hierna: [betrokkene 8]) en [betrokkene 9] te Dominguito afgezet, die hem op hun beurt naar [betrokkene 7] brachten, waar hij in de [automerk/model] stapte.

Met dit voertuig reed de verdachte richting Ser’i Domi naar [adres 2]. Daar aangekomen loste hij – vanuit de tuin van de buren – vijftien schoten op de slaapkamerramen van de woning; het raam van de voorste slaapkamer vertoonde één kogelinslag, het raam van de aangever [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) vijf kogelinslagen en het raam van de aangeefster [benadeelde partij 5] (hierna: [benadeelde partij 5]) zeven kogelinslagen.

Daarna liet de verdachte [automerk] achter te Ser’i Domi en ging te voet naar Colon, waar hij door [betrokkene 8] en [betrokkene 9] werd opgehaald en langs de weg in Montaña werd afgezet. Hij was van plan om zijn witte bus te [adres] op te halen, maar zag dat die daar niet meer stond. Omdat zijn bus daar niet meer stond, ging hij te voet naar de woning van [betrokkene 8] en [betrokkene 9] te Dominguito alwaar hij de nacht doorbracht. Onderweg naar Dominguito heeft de verdachte het vuurwapen waarmee hij te Ser’i Domi had geschoten, in de bosjes weggegooid, alwaar dit later door de politie werd aangetroffen en in beslag werd genomen.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Opzet

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met een vuurwapen van korte afstand zevenmaal op het slachtoffer heeft geschoten, waarbij zij onder meer in het hoofd, de nek, de linkerborst en de buik is geraakt. De wijze van schieten duidt op een doelgerichte handeling die enkel gericht kan zijn geweest op het doden van het slachtoffer. Vol opzet op de dood van het slachtoffer kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Voorbedachten rade?

Het Gerecht stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachten rade is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachten rade bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

De bewijswaardering van de door het Gerecht vastgestelde feiten en de gebezigde bewijsmiddelen in het licht van dit toetsingskader wijst het volgende uit.

De verdachte heeft zich reeds in het begin van 2025 meerdere malen uitgelaten over zijn zogenoemde ‘dodenlijst’, waarop namen van personen stonden die hem, naar zijn oordeel, onrecht hadden aangedaan. In het midden kan blijven of er sprake was van een fysieke lijst. Wel staat vast dat de verdachte in ieder geval in gedachten een rij van personen had opgesteld die volgens hem dood moesten. De getuige [betrokkene 6] heeft verklaard dat de verdachte haar in februari 2025 heeft verteld over deze lijst. Ook [benadeelde partij 1] was op de hoogte van het bestaan van de lijst, al kende zij de namen daarop niet. Zij werd door de verdachte bedreigd dat, indien zij hem zou verlaten, hij de gevaarlijkste persoon zou worden en onvergetelijke ellende zou veroorzaken, hetgeen volgens hem de manier zou zijn waarop hij herinnerd zou worden. Voorts staat vast dat de verdachte met twee vuurwapens rondliep, waarbij hij er naar eigen zeggen altijd één bij zich droeg en één in zijn voertuig bewaarde. Op 4 april 2025, nadat [benadeelde partij 1] met het jongste kind naar haar ouderlijk huis was gegaan, begaf de verdachte zich gewapend naar die woning om haar ertoe te bewegen met hem terug naar hun eigen woning te gaan. Nadat dit zonder resultaat bleef, vertrok hij, maar keerde hij terug, nadat de vader van [benadeelde partij 1] met de oudste zoon was vertrokken. Daarbij zocht hij opnieuw de confrontatie en stelde hij [benadeelde partij 1] de vraag of zij bij haar ouders zal blijven, en dat zij dan haar vrijheid zal hebben. Daarbij was ook de moeder van [benadeelde partij 1] aanwezig, waarop door haar gereageerd werd dat de verdachte haar dochter zelf haar vrijheid had gegeven en haar dus moest laten. Volgens de verdachte was deze reactie voor hem de aanleiding om het slachtoffer neer te schieten. De verdachte ging toen naar de woonkamer waar zijn schoudertas met daarin het vuurwapen lag, en keerde vervolgens terug naar de slaapkamer alwaar hij het slachtoffer neerschoot.

Het Gerecht acht van belang dat het handelen van de verdachte niet op zichzelf staat, maar aansluit bij een eerder vertoond patroon van dreigende uitlatingen, het structureel bij zich dragen van vuurwapens en het vervolgens ook elders toepassen van vuurwapengeweld. Zo heeft de verdachte na het neerschieten van het slachtoffer verklaard dat hij nog “het werk moest afmaken” en met [benadeelde partij 5] moest afrekenen. Hij is daarop naar de woning van voornoemde [benadeelde partij 5] te Ser’i Domi gegaan, alwaar hij ‘s nachts de daad bij het woord voegde en vijftien schoten afvuurde op de slaapkamerramen van de woning van voornoemde [benadeelde partij 5]. Daarmee is echter nog niet alles gezegd. Het Gerecht heeft tevens inzicht gekregen in de gedachtegang van de verdachte aan de hand van de stemberichten die hij na zijn daad te [adres 3] aan [benadeelde partij 1] heeft gestuurd. Daarin verklaarde de verdachte dat hij niet wilde dat [benadeelde partij 1] de kinderen naar haar ouderlijke woning zou brengen, nu hij wist dat hij “de mensen” (het Gerecht begrijpt: de ouders) van [benadeelde partij 1] in hun bijzijn zou ontploffen (het Gerecht begrijpt: neerschieten) en dat dit de kinderen hun hele leven zou bijblijven. In het desbetreffende stembericht verklaarde de verdachte ook dat hij de vader van [benadeelde partij 1] vanaf het moment dat hij daar stond – het Gerecht begrijpt: toen hij eerder die avond in gesprek met de vader van [benadeelde partij 1] was – had kunnen neerschieten, maar er bewust voor heeft gekozen het slachtoffer neer te schieten, nu de vader volgens hem verder moest zorgen voor [benadeelde partij 1] en de kinderen. Dit deed hij, zo verklaarde hijzelf, om [benadeelde partij 1] een les te leren en ervoor te zorgen dat zij nooit meer naar haar ouderlijke woning zou terugkeren en dat dit een les is voor al de keren dat [benadeelde partij 1] hun kinderen had meegenomen naar haar ouderlijk huis.

Uit het voorgaande volgt dat sprake is geweest van een proces van overweging en bewuste besluitvorming. De verdachte heeft zich in de tijd die lag tussen het vertrek van de vader van [benadeelde partij 1] en zijn eigen terugkeer naar de ouderlijke woning kunnen beraden op zijn voornemen. Hij had in die periode gelegenheid om zijn handelen te overdenken, na te denken over de gevolgen daarvan en zich rekenschap te geven van de betekenis van zijn voorgenomen daad. Het Gerecht weegt ook mee dat de verdachte, voordat hij het slachtoffer neerschoot, de slaapkamer heeft verlaten, naar de woonkamer is gegaan waar zijn schoudertas met daarin het vuurwapen lag, en vervolgens naar de slaapkamer is teruggekeerd om te schieten. Ook in die tussentijd had de verdachte gelegenheid om zich te beraden op zijn voornemen, de gevolgen daarvan te overdenken en zich rekenschap te geven van de betekenis van zijn voorgenomen daad. Dat hij na het neerschieten van het slachtoffer ‘om het werk af te maken’ zijn handelen heeft voortgezet door later naar een tweede locatie te rijden en daar opnieuw gericht vuurwapengeweld heeft gebruikt, bevestigt dat sprake was van een planmatig en doelgericht handelen.

Anders dan door en namens de verdachte is aangevoerd, is in het licht van het voorgaande niet aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, in die zin dat de reactie van het slachtoffer – inhoudende dat de verdachte zelf [benadeelde partij 1] haar vrijheid had gegeven en haar dus moest laten – voor de verdachte de directe aanleiding vormde om het slachtoffer neer te schieten.

Conclusie ten aanzien van feit 1

Het Gerecht is dan ook van oordeel dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht en dat hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan moord.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

Poging moord of poging doodslag?

Het Gerecht moet vervolgens beoordelen of kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft geprobeerd om niet alleen [benadeelde partij 5], maar ook haar partner [betrokkene 2] en zoon [betrokkene 1] om het leven te brengen en of er dus sprake was van een poging moord of poging doodslag ten aanzien van [betrokkene 2] en [betrokkene 1].

De verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij het slachtoffer om het leven had gebracht, hij het plan had om ook [benadeelde partij 5] om het leven te brengen. Ter uitvoering van dat plan heeft hij – zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt – een auto geregeld ([automerk]) en is hij in de nacht naar de woning van [benadeelde partij 5] gegaan. Vanuit de tuin van de buren, vanwaar zicht bestond op de slaapkamerramen van de woning van [benadeelde partij 5], heeft hij op alle slaapkamerramen geschoten, waaronder die van [benadeelde partij 5] en haar partner [betrokkene 2], en die van haar zoon [betrokkene 1]. Daarbij is onder meer het beddenhoofd van het bed waarin [benadeelde partij 5] en haar partner op dat moment lagen te slapen door een kogel geraakt, terwijl een andere kogel door het slaapkamerraam van [betrokkene 1] ging en diens slaapkamerdeur perforeerde.

Gelet op deze gedragingen moeten de handelingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als te zijn gericht op het voltooien van het voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 5] van het leven te beroven. Nu bovendien uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting volgt dat hij doelbewust op alle slaapkamerramen heeft geschoten, wetende wie in welke kamer sliep, en daarbij willens en wetens bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ook [betrokkene 2] en [betrokkene 1] fataal door (een) kogel(s) zouden kunnen worden getroffen, strekt zijn handelen er tevens toe dat ook zij van het leven konden worden beroofd. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is naar het oordeel van het Gerecht komen vast te staan dat de verdachte ook [betrokkene 2] en [betrokkene 1] met voorbedachten rade heeft geprobeerd van het leven te beroven. Mede gelet op diens eigen verklaring is gebleken dat bij de verdachte sprake was van een vooropgezet plan om ook [betrokkene 2] en [betrokkene 1] van het leven te beroven, waardoor de verdachte ook ten aanzien van deze slachtoffers de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Conclusie ten aanzien van feit 3

Het Gerecht acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan pogingen tot moord op [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Dat deze slachtoffers niet daadwerkelijk door kogels zijn geraakt is een gelukkige bijkomstigheid die niet aan de verdachte is te danken.

De verweren worden verworpen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 impliciet primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:262 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Moord.

Het onder 2 primair, impliciet primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:262 juncto artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Poging tot moord.

Het onder 3 primair, impliciet primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:262 juncto artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Poging tot moord, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een “moord”, als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren gegeven. Alleen al voor een “poging doodslag” met een vuurwapen waarbij wordt geschoten in de richting van een persoon en geen sprake is van letsel, wordt als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5-6 jaar gegeven. Voor “vuurwapenbezit” (waarbij sprake is van bezit in de auto respectievelijk dragen op straat (in tas), als indicatie een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk respectievelijk een gevangenisstraf van 21-24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk gegeven.

In dit geval heeft de verdachte het slachtoffer, zijn schoonmoeder, op laffe en koelbloedige wijze vermoord en vervolgens geprobeerd ook [benadeelde partij 5], haar partner en haar zoon van het leven te beroven. Daarmee heeft de verdachte uitvoering gegeven aan zijn voornemen om personen van wie hij meende dat zij hem iets hadden aangedaan, van het leven (te proberen) te beroven. Het doden van een mens is een onomkeerbare daad, die geen ruimte biedt voor herstel. Dieper ingrijpen in iemands leven en waardigheid is niet mogelijk. Daarbij geldt dat aan de nabestaanden een immens onherstelbaar verdriet is aangedaan.

De verdachte heeft gemeend te kunnen beslissen over leven en dood en zich meervoudig schuldig gemaakt aan een van de zwaarste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent, één keer als voltooid delict en drie keren als poging daartoe.

De verdachte heeft die avond en nacht een spoor van vernieling en angst achtergelaten. Zijn gewelddadig handelen gedurende deze periode heeft de samenleving ernstig geschokt.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit door met meerdere vuurwapens en een hoeveelheid munitie op pad te gaan. Het behoeft geen betoog dat het illegaal bezit van vuurwapens in een samenleving die steeds gewelddadiger wordt, volstrekt onacceptabel is. In deze zaak is opnieuw pijnlijk duidelijk geworden tot welke zeer ernstige gevolgen het illegaal bezit van vuurwapens en munitie kan leiden.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

De verdachte is, zo blijkt uit zijn strafkaart, niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het Gerecht heeft acht geslagen op het voorlichtingsrapport van 17 september 2025, het rapport van de psychiater [psychiater] van 8 september 2025 en het op 14 mei 2025 door de psychologen [psycholoog 1] en [psycholoog 2] opgemaakte rapport .

De psychiater heeft geconcludeerd dat de verdachte een helder bewustzijn heeft en goed georiënteerd is in tijd, plaats en persoon. Er zijn geen aanwijzingen voor hallucinaties of waanvorming; zijn denken is coherent en goed te volgen. In zijn persoonlijkheid zijn antisociale trekken waarneembaar. De verdachte externaliseert in sterke mate, schrijft zijn foutieve gedrag aan anderen toe en kan wraakzuchtig zijn. Op grond hiervan kan worden gesproken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid heeft de psychiater geoordeeld dat de verdachte voor het vuurwapenbezit volledig toerekeningsvatbaar is, maar dat voor de overige feiten een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid kan worden overwogen in verband met de geconstateerde persoonlijkheidsstoornis. De psychiater adviseert oplegging van een gevangenisstraf in combinatie met de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS), teneinde het risico op recidive zoveel mogelijk te beperken.

De psychologen daarentegen hebben geconcludeerd dat bij de verdachte weliswaar aanwijzingen bestaan voor gedragsproblematiek in de vorm van impulsregulatieproblemen, verhoogde agressie en emotionele kwetsbaarheid, doch dat deze trekken niet voldoen aan de criteria voor een persoonlijkheidsstoornis. Ten tijde van het tenlastegelegde was er volgens de psychologen geen sprake van psychiatrische symptomen die de realiteitszin of gedragscontrole van de verdachte hebben beperkt. Integendeel, de verdachte handelde doelgericht en zijn gedrag wijst op voldoende oriëntatie in tijd, plaats en situatie, alsmede op het vermogen tot planning, zelfexpressie en gedragsregulatie. Zijn handelen wordt veeleer geduid als voortvloeiend uit relationele spanningen, frustratie en boosheid, en niet uit een ziekelijke psychische ontregeling. De psychologen achten de verdachte dan ook volledig toerekeningsvatbaar. Het recidiverisico wordt licht verhoogd ingeschat. Geadviseerd wordt reeds tijdens detentie te starten met psychologische behandeling gericht op agressieregulatie, traumaverwerking en middelengebruik.

Het Gerecht stelt vast dat de deskundigen op onderdelen tot verschillende conclusies zijn gekomen. Waar de psychiater spreekt van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid, zien de psychologen enkel gedragsproblematiek en volledige toerekeningsvatbaarheid. In beide rapporten wordt echter onderkend dat de verdachte doelgericht heeft gehandeld, dat er geen aanwijzingen zijn voor een psychotische stoornis en dat het recidiverisico aanwezig is, zij het in beperkte mate.

Alles afwegende komt het Gerecht tot de slotsom dat de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten als toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Dat bij hem sprake is van antisociale trekken en gedragsproblematiek is aannemelijk, maar deze hebben niet zodanig doorgewerkt in zijn gedragingen dat zij de wils- of besefsvrijheid in relevante mate hebben beperkt. Voor het aannemen van een verminderde toerekeningsvatbaarheid ziet het Gerecht derhalve onvoldoende grond. Het recidiverisico en de vastgestelde problematiek maken het wel wenselijk dat de verdachte gedurende zijn detentie toegang krijgt tot psychologische begeleiding en behandeling gericht op agressieregulatie, traumaverwerking en middelengebruik.

Het Gerecht is, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat de eis van de officier van justitie alleszins gerechtvaardigd is. Het Gerecht ziet evenwel aanleiding daar enigszins ten voordele van de verdachte van af te wijken. Daarbij weegt het Gerecht mee dat de verdachte ter terechtzitting in zijn spijtbetuiging authentiek is overgekomen ten aanzien van de door hem veroorzaakte schade. Weliswaar heeft hij zelfs in zijn laatste woord zijn fout deels geëxternaliseerd, maar het Gerecht acht zijn besef van de onomkeerbare schade die hij heeft verricht en zijn spijtbetuiging desalniettemin oprecht.

Alles afwegende acht het Gerecht oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

In beslag genomen voorwerpen

Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

De roodgelakte [automerk/model] is vatbaar voor verbeurdverklaring. Met behulp van dit voertuig zijn de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten begaan.

Weliswaar behoort dit voertuig niet toe aan de verdachte toe, maar aan [betrokkene 5]. Het Gerecht acht echter aannemelijk dat [betrokkene 5] ten tijde van het afstaan van het voertuig aan de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het voertuig zou worden gebruikt voor het begaan van strafbare feiten. Dit blijkt met name uit het feit dat hij voorafgaand aan de overdracht de kentekenplaten van het voertuig had verwijderd en de autopapieren uit de auto had gehaald. Volgens zijn eigen verklaring heeft hij dit gedaan om herkenning te voorkomen. Daarbij weegt het Gerecht mee dat zowel de verdachte als [betrokkene 5] er rekening mee hielden dat het voertuig in beslag zou worden genomen. [betrokkene 5] heeft immers verklaard dat de verdachte tegen hem had gezegd dat hij zijn uit de Verenigde Staten bestelde roodgelakte [automerk/model] van het bouwjaar 2020 mocht houden, nu de verdachte [automerk] zou gebruiken en daarbij rekening hield dat hij door de politie met dat voertuig zou worden aangehouden en aldus zonder auto zou blijven. Het Gerecht zal daarom de verbeurdverklaring van de roodgelakte [automerk/model] gelasten.

Het inbeslaggenomen vuurwapen van het merk [vuurwapenmerk], model [automodel], van het kaliber 9x19mm voorzien van het serienummer [serienummer] is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Met behulp van dit voorwerp zijn de onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde feiten begaan. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens is bovendien in strijd met de wet en/of het algemeen belang. Het Gerecht zal dit voorwerp daarom onttrekken aan het verkeer.

Het Gerecht is van oordeel dat geen strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen zwarte trui met lange mouwen van het merk “[merk]” en de zwarte handschoenen van het merk “[merk]”. De teruggave van deze voorwerpen zal daarom aan de verdachte worden gelast, met ingang van het moment waarop geen rechtsmiddel meer kan worden ingesteld tegen dit vonnis.

Schadevergoeding

Na te noemen personen hebben zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot na te noemen (totaal)bedragen.

[benadeelde partij 5] tot een bedrag van Cg 7.311,54.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

[benadeelde partij 1] tot een bedrag van Cg 20.000,-.

De gevorderde immateriële schade bestaat uit schokschade.

[benadeelde partij 1] (in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [benadeelde partij 3]) tot een bedrag van Cg 20.000,-.

De gevorderde immateriële schade bestaat uit schokschade.

[benadeelde partij 1] (in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [benadeelde partij 2]) tot een bedrag van Cg 20.000,-.

De gevorderde immateriële schade bestaat uit schokschade.

[benadeelde partij 4] tot een bedrag van Cg 34.974,22.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

De gevorderde immateriële schade bestaat uit de volgende post:

- Shockschade Cg 20.000,-

Voornoemde benadeelde partijen, met uitzondering van [benadeelde partij 5], vorderen vermeerdering van de gevorderde bedragen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft enkel de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] deels betwist.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 4] respectievelijk [benadeelde partij 5] als gevolg van verdachtes onder 1 respectievelijk onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

[benadeelde partij 4]

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] is dat tot een bedrag van Cg 14.974,22 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2025. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] tot materiële schade tot voormeld bedrag toewijsbaar is.

[benadeelde partij 5]

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] overweegt het Gerecht dat de gevorderde schadevergoeding tot een bedrag van Cg 5.834,06 voor toewijzing in aanmerking komt. Voor het meerdere geldt dat uit de processtukken niet blijkt dat de televisie als gevolg van het handelen van de verdachte is beschadigd.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] tot voormeld bedrag toewijsbaar is.

Het Gerecht is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] voor het overige niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor beslissing in de strafzaak. De benadeelde partij kan daarom in zoverre niet worden ontvangen en dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] tevens als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2], en [benadeelde partij 4] vorderen daarnaast immateriële schade als gevolg van geestelijk letsel veroorzaakt door het overlijden van hun moeder, grootmoeder en echtgenote ten gevolge van de door de verdachte onder 1 bewezen verklaarde. De benadeelde partijen stellen daartoe dat er daardoor sprake is van zogeheten schokschade.

Voor wat betreft de immateriële schade ligt de vraag voor of aan het confrontatievereiste, dat door voornoemde benadeelde partijen aan de vordering ten grondslag is gelegd, is voldaan. Uit de jurisprudentie kan als maatstaf worden afgeleid de vraag of de (ongewilde en onvoorbereide) waarneming van het lichaam en/of de verwondingen meteen na het misdrijf een hevige schok hebben veroorzaakt.

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] zijn respectievelijk de dochter en de kleinzoon van het slachtoffer. Zij hebben moeten aanzien hoe het slachtoffer door de verdachte werd neergeschoten. Uit een schrijven van de psycholoog [psycholoog] van 15 september 2025 blijkt dat [benadeelde partij 1] tijdens de intake aangaf te kampen met angstklachten en veelvuldig piekeren. De psycholoog adviseert dringend dat [benadeelde partij 1] de nodige psychologische ondersteuning ontvangt. Ten aanzien van [benadeelde partij 3] vermeldt de psycholoog in haar schrijven van 16 september 2025 dat ook hij psychologische begeleiding behoeft.

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] is de echtgenoot van het slachtoffer. Toen hij de plaats delict bereikte, werd hij geconfronteerd met het levenloze lichaam van zijn vrouw, met wie hij 43 jaar samen was. In zijn schrijven van 10 september 2025 beschrijft [benadeelde partij 4] dat het leed van de gruwelijke moord op zijn vrouw onbeschrijflijk en ondraaglijk is. Sinds haar overlijden ervaart hij een diepe leegte. Hij lijdt aan slapeloosheid, nachtmerries, voortdurende alertheid, verminderde eetlust, vergeetachtigheid en hevige huilbuien. Daarnaast voelt hij zich geïsoleerd omdat zijn kinderen en kleinkinderen bang zijn om naar zijn woning te gaan. De gruwelijke moord op zijn vrouw heeft zelfs de stevige fundamenten van zijn leven aan het wankelen gebracht.

Naar het oordeel van het Gerecht is ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] voldaan aan het confrontatievereiste. Voornoemde benadeelde partijen zijn op de plaats delict geconfronteerd met hun overleden moeder, grootmoeder en echtgenote. Dat dit bij hun een hevige schok heeft veroorzaakt, acht het Gerecht voor de hand liggend.

Het Gerecht is bekend met de jurisprudentie waaruit volgt dat voor een toewijzing van de schokschade sprake moet zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld dat in beginsel uit een rapportage van een deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – kan worden afgeleid.

Ondanks in dit geval geen (volledige) deskundigenrapporten voorhanden zijn, acht het Gerecht, gelet op de wijze waarop de benadeelde partijen met de dood van hun moeder, grootmoeder en echtgenote zijn geconfronteerd en in combinatie met de beschreven gevolgen in hun verklaringen en brieven van de psycholoog, voldoende aannemelijk dat sprake is van geestelijk letsel. Aldus is er sprake van immateriële schade in de zin van shockschade. Het Gerecht wijst aldus de gevorderde immateriële schadevergoeding van Cg 20.000,- per benadeelde partij toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Het Gerecht ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen ten aanzien van de toegewezen vorderingen van [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] overweegt het Gerecht dat uit het dossier op geen enkele wijze kan worden afgeleid of en zo ja op welke wijze hij is geconfronteerd met het levenloze lichaam van zijn grootmoeder. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat bij hem sprake is van shockschade. De vordering van [benadeelde partij 2] kan daarom niet worden ontvangen en kan hij zijn vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het Gerecht beslist over de proceskosten als hierna te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:67, 1:74, 1:75, 1:78 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet primair, 2 primair impliciet primair, 3 primair impliciet primair en onder 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 24 (vierentwintig) jaren;

verklaart verbeurd het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: de roodgelakte [automerk/model];

beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een vuurwapen van het merk [vuurwapenmerk], model [automodel], van het kaliber 9x19mm voorzien van het serienummer [serienummer];

gelast de teruggave van de inbeslaggenomen zwarte trui met lange mouwen van het merk “[merk]” en de zwarte handschoenen van het merk “[merk]” aan de verdachte, met ingang van het moment waarop geen rechtsmiddel meer kan worden ingesteld tegen dit vonnis;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 4] geleden schade toe tot een bedrag van Cg 34.974,22 (zegge: vierendertigduizendnegenhonderdvierenzeventig Caribische gulden en tweeëntwintig centen), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan voornoemde benadeelde partij;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade toe tot een bedrag van Cg 20.000,- (zegge: twintigduizend Caribische gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan voornoemde benadeelde partij;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [benadeelde partij 3]) geleden schade toe tot een bedrag van Cg 20.000,- (zegge: twintigduizend Caribische gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan voornoemde benadeelde partij;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 5] geleden schade toe tot een bedrag van Cg 5.834,06 (zegge: vijfduizend achthonderdvierendertig Caribische gulden en zes cent), en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan voornoemde benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 5] in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [benadeelde partij 2]) niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Cg 34.974,22 (zegge: vierendertigduizendnegenhonderdvierenzeventig Caribische gulden en tweeëntwintig centen), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 209 (tweehonderdnegen) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Cg 20.000,- (zegge: twintigduizend Caribische gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 135 (honderdvijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [benadeelde partij 3]) de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Cg 20.000,- (zegge: twintigduizend Caribische gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 135 (honderdvijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Cg 5.834,06,- (zegge: vijfduizend achthonderdvierendertig Caribische gulden en zes cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 64 (vierenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito, (zittingsgriffier), en op 8 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?