GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
vonnis
Zaaknummer: CUR202403140
Vonnis van 1 september 2025
in de zaak van
[Eiseres], wonende in [woonplaats],eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,gemachtigde: mr. L.L.A. Davelaar-Franklin,
tegen
[Gedaagde], wonende in [woonplaats],gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,gemachtigde: mr. P.A.M. Brandon.
Partijen worden hierna ook de vrouw en de man genoemd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het tussenvonnis van 13 januari 2025,
de akte van de vrouw van 17 februari 2025,
de akte van de man van 17 februari 2025,
de mondelinge behandeling op 25 maart 2025,
de akte van de vrouw van 9 juni 2025,
de akte van de man van 9 juni 2025,
de e-mail van het gerecht aan partijen van 18 juni 2025 met het verzoek tot overlegging van bankafschriften,
de akte van de man van 7 juli 2025,
de akte van de vrouw van 7 juli 2025.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
De man (geboren op [geboortedatum] 1950) is op 2 april 1973 in gemeenschap van goederen getrouwd met [eerste echtgenote] (eerste echtgenote). Tijdens dat huwelijk is hun zoon [zoon 1] geboren. De man en zijn eerste echtgenote zijn op 30 oktober 1991 gescheiden.
De man en de vrouw (geboren op [geboortedatum] 1961) zijn op 25 januari 2005 in gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd op Curaçao.
De man heeft op 2 maart 2021 een eenzijdig verzoek tot echtscheiding ingediend.
De echtscheiding is bij beschikking van het gerecht van 15 juni 2021
uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 21 september 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Bij beschikking van 27 oktober 2022 is bepaald dat de man aan de vrouw NAf (hierna: Cg) 1.580 per maand dient te betalen aan partneralimentatie, met
ingang van 1 november 2022.
De eerste echtgenote heeft op 3 april 2025 een ‘declaration of relinquishment and transfer of property rights’ getekend bij een notaris in Florida, Verenigde Staten. In het document staat onder meer:
“(…) 2. Subject Property
During the course of our marriage, we acquired or maintained rights, whether directly or indirectly, to certain immovable property located at:
[adres 1].
Relinquishment of Ownership Rights:
By virtue of the former universal community of property regime in Curacao, I may hold a presumed 50% entitlement in any marital estate or jointly acquired immovable property. By this declaration, I voluntarily relinquish, waive, and irrevocably transfer all of my rights, title, interest, and entitlement – specifically my 50% claim – to the above mentioned property in favor of [zoon 1], biological son of [gedaagde]. (…)”
3. Het geschil
De vrouw heeft het gerecht verzocht de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap vast te stellen. De man heeft verweer gevoerd en eveneens het gerecht verzocht de wijze van verdeling vast te stellen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4. De beoordeling
Uit het overgelegde bewijs van onvermogen blijkt dat de vrouw de kosten van deze procedure niet kan dragen. Aan haar wordt verlof verleend om kosteloos te mogen procederen.
In zaken als de onderhavige geldt als uitgangspunt dat partijen niet gehouden zijn om in een onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap te blijven.
Beide partijen hebben als deelgenoten in beginsel (behoudens wettelijke uitzonderingen) recht op de helft van de waarde van de huwelijksgoederen-
gemeenschap (artikel 1:100 BW). Op grond van artikel 3:179 lid 1 BW kan een deelgenoot verlangen dat ook de voor rekening van de gemeenschap komende schulden in de verdeling worden begrepen.
Als de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken kan de rechter de verdeling daarvan op grond van artikel 3:185 lid 1 BW vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.
Peildatum
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat 15 juni 2015 (datum echtscheidingsbeschikking) dient te gelden als de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap. Deze peildatum zal het gerecht als uitgangspunt nemen. Als peildatum voor de waarde van de gemeenschap hebben partijen ter zitting aangegeven dat zij in beginsel uitgaan van het moment van verdeling. Het gerecht zal hiervan uitgaan, tenzij door partijen anders is aangegeven of de redelijkheid en billijkheid een andere peildatum rechtvaardigen.
Omvang
Op de peildatum 15 juni 2015 behoorde tot de ontbonden gemeenschap:
- de woning aan de [adres 1],
- de inboedel van de woning.
- het pensioen van de man bij Guardian Group en bij APC,
- een boot met het merk [merk] uit bouwjaar 2009,
- drie auto’s zijnde een [merk], een [merk] en een [merk],
- een bedrijf op naam van de vrouw genaamd Splendor International Real
Estate B.V.,
- de saldi van de rekeningen van de man bij de MCB en de Windsward Island Bank (WIB),
- het saldo van de rekening van de vrouw bij de MCB,
De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij geen pensioen heeft
opgebouwd, zodat dit geen onderdeel uitmaakt van de ontbonden gemeenschap.
Voor zover de man heeft aangevoerd dat hij een schuld heeft van Cg 25.000 die ook tot de ontbonden gemeenschap behoort, heeft hij dit niet onderbouwd. Deze gestelde schuld zal daarom niet worden betrokken bij de verdeling.
Verder begrijpt het gerecht de vorderingen van de vrouw aldus dat zij naast de vaststelling van de verdeling van de gemeenschap tevens betaling vordert van een gebruiksvergoeding voor het gebruik van de woning door de man.
Verdeling
Het gerecht stelt de verdeling als volgt vast.
De woning
Ten aanzien van de echtelijke woning, waarop geen hypothecaire geldlening
(meer) rust, zijn partijen het eens dat deze een marktwaarde heeft van Cg 322.500 en dat de woning aan de man kan worden toegedeeld, zodat het gerecht aldus zal oordelen.
Partijen zijn verdeeld over de vraag op welk bedrag de vrouw op grond van overbedeling recht heeft. De vrouw stelt dat dit gaat om 50% van de marktwaarde en de man stelt dat het gaat om 25%.
De man voert daartoe aan dat de woning (ook) onderdeel uitmaakt van de onverdeelde ontbonden huwelijksgemeenschap met zijn eerste echtgenote (de oudere ontbonden gemeenschap). Hij heeft daarom slechts een aandeel van 50% in de woning in de nu te verdelen ontbonden huwelijksgemeenschap (de jongere ontbonden gemeenschap)
ingebracht, zodat de vrouw in het kader van overbedeling enkel recht heeft op de helft daarvan.
De vrouw betwist dat de oudere ontbonden gemeenschap nog niet is verdeeld en stelt dat de woning in het geheel onderdeel uitmaakt van de jongere ontbonden
huwelijksgemeenschap zodat zij recht heeft op 50% van de waarde van de woning. Voor zover de oudere ontbonden huwelijksgemeenschap nog niet is verdeeld, voert de vrouw aan dat de eerste echtgenote daarop geen aanspraak meer kan maken omdat sprake is van verjaring.
Het gerecht overweegt dat het meest verstrekkende verweer van de vrouw dat sprake is van verjaring, niet slaagt. Voor het geval de eerste vrouw een vordering tot verdeling van de woning zou instellen, zou het gaan om verdeling van een
gemeenschappelijk goed als bedoel in artikel 3:178 lid 1 BW. Een dergelijke vordering is niet aan verjaring onderhevig. Een deelgenoot kan te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen, tenzij er sprake is van een in de wet genoemde uitzondering, maar daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.
Het gerecht is voorts van oordeel dat niet is gebleken dat de oudere ontbonden gemeenschap is verdeeld. De stelling dat de woning aan de man is toegedeeld en daarom feitelijk onderhands is verdeeld, maakt niet dat er een einde is gekomen aan de onverdeeldheid tussen de man en de eerste echtgenote. De verdeling leidt gelet op artikel 3:186 BW pas tot wijziging in de vermogensrechtelijke verhoudingen indien zij wordt gevolgd door levering van het toegedeelde die geschiedt op de wijze die voor overdracht van die goederen geldt. Gesteld noch gebleken is dat in dit geval de woning aan de man is geleverd. Dit is op geen enkele wijze met (notariële) stukken onderbouwd. Dat de eerste echtgenote haar aanspraak op haar aandeel in de woning aan de zoon van partijen heeft overgedragen, maakt evenmin dat een einde is gekomen aan de onverdeeldheid omdat ook hiervoor levering vereist is.
De conclusie van het voorgaande is dat het gerecht van oordeel is dat de woning (ook) toebehoort aan de oudere onverdeelde gemeenschap. Dit heeft tot gevolg dat de man slechts zijn aandeel van 50% in de woning in de jongere onverdeelde gemeenschap heeft ingebracht. De vrouw heeft aldus wegens overbedeling recht op de helft van dat aandeel, zijnde een bedrag van Cg 80.625.
Inboedel
Niet in geschil is dat de vrouw na de echtscheiding een aantal goederen heeft meegenomen. De vrouw heeft aangevoerd dat het enkel gaat om persoonlijke goederen en partijen hebben niet nader onderbouwd om welke goederen het gaat en welke waarde deze bij benadering vertegenwoordigen. De waarde van de reeds meegenomen goederen zal het gerecht – bij gebrek aan aanknopingspunten – daarom op nihil schatten.
De vrouw schat de waarde van de resterende inboedel op een bedrag van
Cg 35.000. De man heeft dit betwist. Nu het gerecht bij de verdeling een grote mate van vrijheid heeft, zal het gerecht overgaan tot het schatten van de waarde van de inboedel zoals in de inboedellijst is genoemd. Het gerecht heeft hierbij acht geslagen op de betwisting door de man van de waarde en de gestelde ouderdom van de spullen. Het gerecht schat de waarde aldus naar redelijkheid op een bedrag Cg 8.500. De inboedel zal aan de man worden toebedeeld en hij dient de helft van de waarde (Cg 4.250) aan de vrouw te betalen.
Pensioen man
Op grond van het arrest Boon/Van Loon (HR 27 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4271, NJ 1982/502), dienen de door partijen voor en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten te worden verdeeld. Bij die verdeling zijn de regels in acht te nemen die de Hoge Raad in dit arrest heeft geformuleerd. Die regels brengen mee dat de verdeling dient te geschieden in de vorm van verrekening van de waarde van de vóór en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten. De wijze van verrekening van de pensioenrechten dient aan de hand van de redelijkheid en billijkheid plaats te vinden. Daarbij zijn in het algemeen twee methoden gebruikelijk: 1) een eenmalige uitkering van de contante waarde, of 2) een pensioendeling bij helfte na ingang van het pensioen, neerkomend op een maandelijks bedrag.
De vrouw maakt, per 1 januari 2025, aanspraak op de helft van de pensioenrechten die de man bij Guardian Group en APC heeft opgebouwd. Uit een door de vrouw overgelegde brief volgt dat de man een ouderdomspensioen van Cg 2.200,75 per maand van Guardian Group ontvangt en dat de helft van de waarde van het ouderdomspensioen Cg 126.327,50 bedraagt. Uit een door de vrouw overgelegde brief van APC volgt dat de man daarnaast een bedrag van Cg 1.118,50 per maand van APC ontvangt. Hoewel de man heeft aangevoerd dat hij de contante waarde van het
pensioen bij APC heeft opgevraagd, heeft hij die informatie tot op heden niet verstrekt.
De vrouw heeft voorts gesteld dat de man pensioen in Nederland heeft opgebouwd. Hiervan is echter niet gebleken. Het gerecht zal het gestelde pensioen van de man in Nederland daarom buiten beschouwing laten.
De man heeft zich in eerste instantie op het standpunt gesteld dat zijn eerste echtgenote ook aanspraak kan maken op het bij Guardian Group opgebouwde
pensioen. De vrouw zou daarom enkel aanspraak kunnen maken op 25% van het opgebouwde pensioen. Ter zitting heeft de man evenwel verklaard dat het pensioen na 1991 en dus na de scheiding van zijn eerste echtgenote is opgebouwd. Dit heeft tot gevolg dat zijn eerste echtgenote daarop geen aanspraak kan maken en dat de vrouw in beginsel in aanmerking komt voor de helft van het opgebouwde pensioen.
De man heeft aangevoerd dat verrekening van de pensioenrechten op grond van de redelijkheid en billijkheid achterwege dient te blijven. Het gerecht overweegt dat de redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een verrekenings-vordering wordt gematigd of dat in geheel geen vordering wordt toegekend. In dit geval is het gerecht van oordeel dat er geen omstandigheden aanwezig zijn om de verrekeningsvordering te matigen. Hiertoe slaat gerecht acht op de duur van het huwelijk, de leeftijd van de vrouw, de omstandigheid dat zij tijdens het huwelijk niet heeft gewerkt, haar verdienvermogen en de door haar gestelde en niet bestreden medische omstandigheden. Het gerecht zal aldus bepalen dat de pensioenrechten aan de man toekomen en dat de vrouw per 1 januari 2025 gerechtigd is tot de helft daarvan, zijnde (thans en zonder indexering) een bedrag van Cg 1.100,38 per maand uit hoofde van het pensioen van de Guardian Group en Cg 559,25 per maand uit hoofde van het pensioen van APC.
De vrouw heeft voorts verzocht om de man te veroordelen om Guardian
Group en APC te instrueren het aan de vrouw toekomende pensioen maandelijks direct aan haar uit te betalen. Nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat de man eerder weigerachtig is geweest zijn medewerking hieraan te verlenen, zal het gerecht de vordering toewijzen.
De vrouw heeft tevens verzocht om vervangende toestemming aan haar te verlenen ingeval de man niet op het eerste verzoek meewerkt om het pensioen rechtstreeks aan haar te laten betalen en dat dit vonnis dezelfde kracht heeft en in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring, medewerking en handtekening van de man. Hiertegen heeft de man geen verweer gevoerd. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen.
Ten slotte merkt het gerecht in dit verband nog op dat indien het voorgaande dient te leiden tot een aanpassing van de in de beschikking van 27 oktober 2022 bepaalde partneralimentatieverplichting van de man, partijen een daartoe strekkend verzoek aan het gerecht kunnen richten, dan wel hierover zelf onderling afspraken kunnen maken.
Boot
Partijen hebben afgesproken dat de boot zal worden verkocht en dat de opbrengst daarvan bij helfte zal worden verdeeld.
Auto’s
Partijen hebben afgesproken dat de vrouw [auto 1] en [auto 2] houdt en de man [auto 3]. Partijen hebben afgesproken dat de vrouw de haar toegedeelde auto die nog bij de man staat zo snel mogelijk ophaalt.
Bedrijf vrouw
Partijen zijn het eens dat de B.V. van de vrouw geen waarde heeft. Partijen hebben afgesproken dat de vrouw de aandelen houdt en dat zij het bedrijf zal
beëindigen. Indien zij daarvoor een handtekening van de man nodig heeft, zal hij daaraan zijn medewerking verlenen. De vrouw zal de man daarvoor geen kosten in rekening brengen.
Banksaldi MCB
Het saldo op MCB-rekening van de vrouw bedroeg op de peildatum
Cg 1.249,38. Het saldo van de MCB-rekening van de man bedroeg per die datum
Cg 241,32. Het gerecht zal bepalen dat de saldi bij helfte dienen te worden verdeeld. Dit betekent dat de vrouw per saldo Cg 504,03 aan de man dient te betalen.
Banksaldo WIB-bank
De man heeft een e-mailbericht van de MCB overgelegd waaruit volgt dat hij op de peildatum niet beschikte over een bankrekening bij de Windward Island Bank (WIB). Nu WIB een dochteronderneming is van de MCB gaat het gerecht hiervan uit. De rekening bij de WIB wordt daarom niet in de verdeling betrokken.
Gebruikersvergoeding
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man een gebruikersvergoeding verschuldigd is van Cg 554,47 per maand omdat hij in de woning is blijven wonen. Dit bedrag heeft de vrouw gebaseerd op 4% van de marktwaarde gedeeld door twee. De man voert aan dat hij de feitelijke kosten van de woning van 10% van de marktwaarde is blijven dragen en dat die kosten in mindering moeten worden gebracht op de gebruikersvergoeding. Het gerecht is van oordeel dat het gelet op de redelijkheid en billijk aangewezen is om de aan de vrouw toekomende gebruikersvergoeding weg te strepen tegen de door de man gemaakte kosten. Het verzoek om een gebruikersvergoeding zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
Nu partijen voormalig echtelieden zijn, zullen de kosten van de procedure tussen partijen worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
Het gerecht:
verleent aan de vrouw toestemming om kosteloos te procederen;
stelt vast de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen zoals volgt uit r.o. 4.11 tot en met 4.32;
veroordeelt partijen om hun medewerking aan de uitvoering van de verdeling te verlenen;
veroordeelt de man om een machtiging te verstrekken aan de Guardian Group en APC om het aan de vrouw toekomende deel van zijn pensioenuitkering maandelijks rechtstreeks aan haar te doen uitkeren;
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde medewerking en instemming van de man, indien hij geen gevolg geeft aan het bepaalde onder 5.4;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten
draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.W.J. Vinkes, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.