GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202503985
Beschikking van 19 december 2025
in de zaak van [Verzoekster],wonend in [woonplaats],verzoekster,gemachtigde: mr. A.M. Faria,
tegen
de naamloze vennootschapRIFFORT VILLAGE N.V. h.o.d.n. RENAISSANCE WIND CREEK CURAÇAO RESORT,
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
gemachtigde: mr. J.J. Steward.
Partijen worden hierna [verzoeker] en Renaissance genoemd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met producties van 30 september 2025,
het verweerschrift,
de mondelinge behandeling van 27 november 2025, waar zijn verschenen, [verzoeker], bijgestaan door mr. Faria, en namens Renaissance, mr. Steward, door middel van een videoverbinding,
de pleitnotitie van mr. Faria.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. De feiten
verzoeker] is op 1 december 2009 in dienst getreden bij Renaissance als Call-Server. Zij was laatstelijk werkzaam als Food and Beverage Supervisor tegen een salaris van Cg 3.085,11 bruto per maand.
In november 2024 is [verzoeker], conform de instructie van Renaissance, gestart met een traject bij een psycholoog.
Op 7 maart 2025 heeft [verzoeker] naar aanleiding van een woordenwisseling met collega supervisor [collega 1] (hierna: [collega 1]) in de 5 O’Clock Somewhere-bar een schriftelijke waarschuwing gekregen.
. In mei 2025 heeft [verzoeker] twee zogenoemde statements opgesteld met betrekking tot [collega 1].
Bij brief van 28 mei 2025 heeft Renaissance [verzoeker] op staande voet ontslagen. De brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“(…) You are hereby notified that your employment with Riffort Village N.V. (…) is terminated with immediate effect as of today, May 28, 2025. This termination is effected on the basis of an argument cause as defined under article 7A:1615p of the Civil Code of Curaçao. The company’s decision follows the outcome of a formal internal investigation and is grounded in the accumulation of serious conduct issues, the most recent of which occurred on May 16, 2025.
That most recent incident, which took place earlier this month, involved serious allegations made by you against your colleague, [collega 1]. During a one-on-one meeting with your manager, [manager], you reported that two team members, [member 1] and [member 2], had informed you that [collega 1] had been pursuing them in an inappropriate manner, using the phrase “ta tira riba nan.” You further suggested that you had seen [collega 1] engaging in suspicious behavior at the register on April 26, 2025, implying that he may have removed money and placed it in his pocket. Although you acknowledged that your observations might be incorrect and that you could not recall the exact time of the incident, you requested that management review the video footage to confirm your suspicions.
Your manager acted promptly and responsibly by initiating an internal review and notifying Human Resources. Surveillance footage was requested, and separate interviews were conducted with the two employees you named. Both individuals confirmed that while they had expressed concerns about [collega 1] leadership, they had never made any suggestion of inappropriate or predatory behavior. They expressly stated that you interpretation of their statements was incorrect. When questioned about the theft implication, no supporting evidence was found, and your description remained vague and unsubstantiated.
[collega 1] was interviewed and denied all allegations. (…)
The investigation concluded that your statements were both in substantiated and, in the context of your role as a supervisor, irresponsible and harmful. Making serious accusations of this nature without verifying facts, without promptly informing the appropriate reporting channels, and without ensuring accuracy constitutes a grave breach of professional conduct. In doing so, you compromised the integrity of the workplace and put the reputation of a colleague at risk without cause.
This incident must be viewed not in isolation, but in light of your broader disciplinary history. You have previously received formal warnings and been subject to corrective action plans for conduct including insubordination, verbal confrontations, undermining authority, and unprofessional communication with colleagues. On March 1, 2025, you engaged in a public argument with the same colleague, [collega 1], in the presence of staff and guests. You have been coached, counseled, and given multiple opportunities to meet the standards of professionalism and leadership expected in your position. Each of these efforts failed to result in lasting improvement. Taken cumulatively, your actions reflect a persistent pattern of disregard for the company’s expectations and responsibilities entrusted to a supervisory role. The events of May 16, 2025, are considered the final and decisive breach of that trust. It is, in every respect, the proverbial drop that caused the bucket to overflow. The employment relationship has, by your actions, become irreparably damaged, and continuation is no longer viable.
Accordingly your employment is hereby terminated with immediate effect for urgent cause, without notice or severance. (…)”.
Bij brief van 2 juni 2025 aan Renaissance heeft [verzoeker] de nietigheid van het ontslag ingeroepen en zich bereid verklaard haar werkzaamheden wederom te hervatten.
Renaissance volhardt in het ontslag op staande voet.
3. De vordering en de standpunten van partijen
verzoeker] verzoekt het gerecht bij beschikking, voor zoveel als mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:
1. verzoekster verlof te verlenen ten deze kosteloos te mogen procederen;
2. het ontslag op staande voet, van 26 mei 2025, nietig te verklaren;
3. verweerster te veroordelen om, zo nodig tegen behoorlijk bewijs van kwijting, het vertragingsloon ex artikel 7A:1614 q BW over iedere loontermijn, waarover deze reeds verschuldigd is geworden of nog zal worden, alsook de wettelijke rente over iedere loontermijn, die onbetaald is gebleven of onbetaald zal blijven, en wel met ingang van de eerste dag na de dag, waarop de betreffende loontermijn verschuldigd en opeisbaar werd of nog zal worden, te betalen;
4. verweerster te veroordelen in de kosten van dit geding.
verzoeker] legt aan haar verzoek ten grondslag dat Renaissance haar op staande voet heeft ontslagen, zonder dat sprake was van een dringende reden die haar onverwijld is medegedeeld. Daarnaast beschikte Renaissance niet over de vereiste toestemming van de SOAW voor het ontslag. Het ontslag op staande voet is daarom nietig.
Renaissance heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover voor de te nemen beslissing van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Kosteloos procederen
Het onvermogen van [verzoeker] om proceskosten te dragen is uit de overgelegde stukken genoegzaam gebleken. Aan haar zal toelating worden verleend om kosteloos te procederen.
Bereidheid werkzaamheden te hervatten
Het verweer van Renaissance dat de ingeroepen nietigheid van het ontslag geen effect sorteert omdat [verzoeker] niet kenbaar heeft gemaakt dat zij bereid is en feitelijk in staat is om de bedongen werkzaamheden te verrichten, zal door het gerecht worden verworpen. [verzoeker] heeft bij brief van 2 juni 2025 de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen. Uit de bewoordingen van de brief: “(…) Ik verzoek, en voor zover nodig sommeer, u mij binnen 48 uur schriftelijk te berichten dat ik mijn werkzaamheden volledig zoals voorheen kan hervatten onder doorbetaling van mijn gebruikelijke salaris met emolumenten (…)” volgt ondubbelzinnig dat [verzoeker] bereid was haar werkzaamheden bij Renaissance te hervatten. Bovendien speelt, anders dan Renaissance meent, de bereidheid van de werknemer om arbeid te verrichten slechts een rol bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de loonvordering, en niet bij de toetsing van de rechtsgeldigheid van de ingeroepen nietigheid.
Het gerecht gaat dan ook over tot de beoordeling van het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet.
Onverwijldheid
Een vereiste voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is dat het onverwijld wordt gegeven, onder onverwijlde mededeling van de reden daarvan. Volgens vaste jurisprudentie ten aanzien van de onverwijldheidseis moet de werkgever die een opzegging wegens een dringende reden overweegt, in beginsel enige ruimte worden gelaten voor het instellen van een onderzoek, het voeren van intern overleg en het inwinnen van (juridisch) advies, mits daarbij steeds met de nodige voortvarendheid wordt gehandeld. Hoe groot deze speelruimte is, zal daarbij steeds afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval.
De stelling van [verzoeker] dat het ontslag niet onverwijld is gegeven, wordt verworpen. Renaissance is, zoals zij onweersproken heeft aangevoerd, naar aanleiding van de gang van zaken op 16 mei 2025 direct overgegaan tot het instellen van een onderzoek. De betrokken collega’s zijn daarbij gehoord en de camerabeelden zijn bekeken. In de daaropvolgende dagen is nog op directieniveau overleg gepleegd en juridisch advies ingewonnen. Op 28 mei 2025 volgde vervolgens het ontslag op staande voet. Zonder nadere uitleg van [verzoeker], die ontbreekt, valt niet in te zien dat Renaissance niet voldoende voortvarend te werk is gegaan.
Dringende reden
Ontslag op staande voet is een ultimum remedium, dat, gelet op de verstrekkende gevolgen, slechts gegeven mag worden als van de werkgever niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met de betreffende werknemer nog langer te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7A:1615o lid 1 jo. artikel 7A:1615p lid 1 BW moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen, waaronder in de eerste plaats de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en daarnaast de aard en duur van de dienstbetrekking en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben.
Volgens Renaissance ligt de dringende reden erin dat [verzoeker] een tweetal ongefundeerde statements heeft ingediend over collega [collega 1]. Gezien haar rol als supervisor, is dat onverantwoordelijk en schadelijk. Het uiten van dergelijke ernstige beschuldigingen zonder de feiten te verifiëren, zonder de juiste meldingskanalen onmiddellijk op de hoogte te stellen en zonder de nauwkeurigheid te waarborgen, vormt een ernstige schending van de professionele gedragscode. Daarmee heeft [verzoeker] de integriteit van de werkplek aangetast en de reputatie van een collega zonder gegronde reden in gevaar gebracht, aldus Renaissance. Dit incident moet voorts worden gezien in het licht van een disciplinair verleden: eerder heeft [verzoeker] formele waarschuwingen ontvangen en is ten behoeve van haar een verbeterplan opgesteld voor gedrag waaronder insubordinatie, verbale confrontaties, gezagsondermijning en onprofessionele communicatie met collega’s. Een recent incident betreft een meningsverschil met dezelfde collega [collega 1], in aanwezigheid van personeel en gasten. De handelingen van [verzoeker] weerspiegelen een aanhoudend patroon van minachting voor de verwachtingen van het bedrijf en de verantwoordelijkheden die aan een leidinggevende zijn toevertrouwd, waarbij het laatste incident heeft te gelden als de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen.
verzoeker] kan zich niet vinden in de door Renaissance geschetste gang van zaken die volgens Renaissance heeft geleid tot haar ontslag op staande voet en betwist dat de haar verweten gedragingen een dringende reden in vorenbedoelde zin opleveren. [verzoeker] nam op instructie van Renaissance deel aan een traject bij een psycholoog. Aan dit traject zouden ook andere collega’s deelnemen, ter verbetering van de onderlinge communicatie en samenwerking binnen het team na de komst van een nieuwe leidinggevende. Dit traject heeft zij niet kunnen afronden vanwege het ontslag op staande voet. De haar in het verleden verweten gedragingen moeten op zichzelf bezien worden, en kunnen haar bovendien in dit kader niet worden tegengeworpen, nu het traject bij de psycholoog nog liep. Ten aanzien van het incident van 1 maart 2025 voert [verzoeker] aan dat zij, in plaats van te escaleren, een alternatieve aanpak heeft gevolgd en [collega 1] herhaaldelijk heeft verzocht om het gesprek tussen hen te verplaatsen naar een locatie ver uit de buurt van andere collega’s en gasten. Hieraan werd door [collega 1] geen gehoor gegeven, waardoor het conflict escaleerde en tussenkomst door een collega bartender noodzakelijk was. Renaissance heeft de camerabeelden van dit voorval – ondanks herhaalde verzoeken van [verzoeker] – later ook niet bekeken, waardoor volgens [verzoeker] geen objectief beeld van de gebeurtenissen op die dag kon worden verkregen. Ten aanzien van het incident van 16 mei 2025 stelt [verzoeker] dat zij niet uit eigen beweging de meldingen heeft gedaan. Omdat twee collega’s afzonderlijk van elkaar haar hadden geïnformeerd over onheus gedrag (“ta tira riba nan”) van [collega 1] jegens hen en vermoeden van onzorgvuldig omgaan met kassageld, heeft zij actie ondernomen. In plaats van [collega 1] direct daarmee te confronteren, heeft zij – zoals van een verantwoordelijke leidinggevende verwacht mag worden – intern melding gemaakt door middel van een “statement” en Renaissance verzocht onderzoek te doen naar de beschuldigingen. Daarbij heeft [verzoeker] uitdrukkelijk verklaard dat zij zelf niet aanwezig is geweest toen het een en ander vermoedelijk heeft plaatsgevonden, maar dat het ging om meldingen van twee ondergeschikten uit haar team. Gedurende de periode daarna bleef [verzoeker] haar werkzaamheden normaal uitvoeren. Pas nadat zij had geïnformeerd naar de status van het onderzoek, werd zij, zonder eerst gehoord te worden, op staande voet ontslagen, aldus [verzoeker].
Het door Renaissance opgegeven feitencomplex kwalificeert naar het oordeel van het gerecht niet als dringende reden als bedoeld in artikel 7A:1615o lid 1 gelezen in verbinding met artikel 7A:1615p lid 1 BW. Renaissance heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] dan ook niet om voormelde redenen onverwijld op kunnen zeggen.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [verzoeker] in het verleden vanwege haar gedrag is aangesproken door Renaissance. [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat een en ander samenliep met de komst van een nieuwe leidinggevende, vanwege een verschil in communicatiestijlen tussen hen.
Het incident op 16 mei 2025 was echter volgens Renaissance de druppel die de emmer deed overlopen en doorslaggevend voor het ontslag op staande voet. Het gerecht volgt dit standpunt niet. [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat twee vrouwelijke, ondergeschikte, collega’s uit haar team haar hadden aangesproken op onheus gedrag door [collega 1]. Voorts heeft [verzoeker] onweersproken gesteld dat zij met het doen van statements ten aanzien van deze meldingen de handelswijze heeft opgevolgd die van haar als supervisor werd verwacht, en dat zij bij het doen van de statements uitdrukkelijk heeft vermeld dat zij dit niet op eigen waarneming heeft gebaseerd, maar dat zij zich heeft gebaseerd op meldingen van twee collega’s.
Een dergelijke handelwijze past naar het oordeel van het gerecht binnen een professionele en beheersbare aanpak van interne spanningen. De enkele omstandigheid dat [collega 1] en de twee collega’s die de melding hadden gedaan naderhand het onheus gedrag door [collega 1] hebben ontkend, is onvoldoende om het doen van de statements door [verzoeker] als een dringende reden in vorenbedoelde zin te kwalificeren. Renaissance heeft onvoldoende toegelicht over de aard van de ontkenning van onheus gedrag door [collega 1] door de vrouwelijke collega’s. In de ontslagbrief is alleen maar vermeld dat deze collega’s hun zorgen hebben geuit over de leiderschap van [collega 1], maar dat zij daarbij geen suggestie van onheus gedrag hebben uitgesproken. Niet valt echter uit te sluiten dat in het geval dat twee ondergeschikten worden geconfronteerd met klachten jegens een hoger geplaatste persoon in de organisatie, zij vervolgens terugkrabbelen. Deze mogelijkheid heeft Renaissance bij het komen tot de beslissing tot een ontslag op staande voet evenwel niet kenbaar meegewogen, maar de ontkenning van onheus gedrag volledig voor rekening van [verzoeker] doen komen. Daarbij komt dat [verzoeker] na haar melding van 16 mei 2025 haar werkzaamheden zonder verdere incidenten heeft voortgezet. Niet eerder dan op 26 mei 2025, nadat zij zelf bij Renaissance had geïnformeerd naar de stand van zaken van het onderzoek, is zij
– zonder dat zij vooraf is gehoord of in de gelegenheid is gesteld haar visie op de gebeurtenissen te geven – op staande voet ontslagen. Een dergelijke handelwijze strookt niet met de op de werkgever rustende verplichting om zorgvuldig te handelen, temeer nu een ontslag op staande voet slechts gerechtvaardigd is in uitzonderlijke en ondubbelzinnige gevallen. Nu de dragende reden voor het gegeven ontslag op staande voet aldus geen stand houdt, komt aan het incident van 1 maart 2025, en aan eerdere niet nader omschreven incidenten, die volgens Renaissance een patroon weerspiegelen, niet de betekenis toe, die Renaissance daaraan gehecht wil zien. Daar komt nog bij dat [verzoeker] ten tijde van de gestelde gebeurtenissen kennelijk nog maar aan het begin van het door Renaissance opgelegde traject stond bij een psycholoog. Niet is gebleken dat zij voldoende gelegenheid heeft gekregen om eventuele verbeterpunten concreet in praktijk te brengen, laat staan om het traject af te ronden. Dat Renaissance voorafgaand aan het ontslag op staande voet een tussenevaluatie met [verzoeker] heeft gehouden, blijkt ook nergens uit. Van een structurele of duurzame verslechtering van haar functioneren gedurende deze periode is evenmin gebleken. Integendeel. Uit de door [verzoeker] geschetste – en door Renaissance niet althans onvoldoende gemotiveerd betwiste – gang van zaken blijkt dat [verzoeker] juist op zorgvuldige wijze heeft proberen om te gaan met gevoeligheden binnen het team en de samenwerking en communicatie tussen de verschillende collega’s. Daarbij zocht zij kennelijk, in plaats van de situatie verder te laten escaleren, actief naar manieren om spanningen te verminderen, onder meer door op 1 maart 2025 [collega 1] herhaaldelijk te verzoeken het gesprek tussen hen te verplaatsen naar een andere locatie. Dat aan dit verzoek geen gehoor werd gegeven en het conflict vervolgens escaleerde, kan [verzoeker] niet zonder meer worden aangerekend. Dit klemt temeer, omdat [verzoeker] uitgaat van een andere lezing dan de door Renaissance voorgestane lezing, en zij onweersproken heeft gesteld dat zij in het kader van de betwisting van de lezing van Renaissance meerdere malen tevergeefs heeft verzocht camerabeelden van het incident te mogen zien. Gelet hierop is het gerecht dan ook van oordeel dat geen sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet kan dragen. Het ontslag op staande voet is daarom nietig. De verzoeken van [verzoeker] kunnen dan ook als na te melden worden toegewezen.
Omdat Renaissance in het ongelijk wordt gesteld, wordt Renaissance veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [verzoeker] worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 50 aan griffierecht en Cg 1.500 aan gemachtigdensalaris. Dit komt neer op een totaalbedrag van Cg 1.550.
De gevorderde wettelijke rente en de vertragingsrente worden toegewezen, zoals hierna onder de beslissing vermeld.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.
5. De beslissing
Het gerecht:
verleent [verzoeker] verlof om kosteloos te procederen;
verklaart het aan [verzoeker] verleende ontslag op staande voet nietig;
veroordeelt Renaissance om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen, het vertragingsloon ex artikel 7A:1614q BW, vermeerderd met 15% aan vertragingsrente over iedere loontermijn, waarover deze reeds verschuldigd is geworden of nog zal worden, alsook de wettelijke rente over iedere loontermijn, die onbetaald is gebleven of onbetaald zal blijven, met ingang van de eerste dag na de dag, waarop de desbetreffende loontermijn verschuldigd en of opeisbaar werd of nog zal worden, totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;
veroordeelt Renaissance in de proceskosten van [verzoeker] van Cg 1.550;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. M.D.M. Connor, griffier, en in het openbaar uitgesproken.