GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202401077
Vonnis van 15 september 2025
in de zaak van
[EISERES], erfgenaam van de oorspronkelijk eiser [naam verzekeringnemer],
wonend in Curaçao, eiseres,
gemachtigden: mrs. M.F. Murray en K. Saleh-Rog,
tegen
de rechtspersoon naar het recht van Barbados SAGICOR LIFE INC.,
met nevenvestiging in Curaçao,
gedaagde, hierna: ‘Sagicor’,gemachtigde: aanvankelijk mr. M.A. van der Hoeven, thans mr. M.R. Hammoud,
en
de naamloze vennootschap ASSURIA LEVENSVERZEKERING (CUR) N.V.,
gevestigd in Curaçao,
gevoegde partij aan de zijde van Sagicor, hierna: ‘Assuria’,
gemachtigde: mr. M.R. Hammoud.
1. Inleiding
Deze zaak gaat over een overlijdensrisicoverzekering. De levensverzekeraar heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzekering door haar tussentijds rechtsgeldig is geëindigd nadat de verzekeringnemer een verschuldigde halfjaarpremie niet tijdig had betaald. In deze procedure heeft eerst de verzekeringnemer, en na zijn overlijden zijn erfgename, aangevoerd dat de verzekering is blijven doorlopen. Op grond van de wettelijke bepaling van art. 7:980 Burgerlijk Wetboek komt het gerecht tot het oordeel dat de verzekering niet tussentijds is geëindigd.
2. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van [verzekeringnemer] van 3 april 2024,
de aktes schorsing en hervatting van de procedure wegens het overlijden van [verzekeringnemer] op 5 mei 2024,
het verzoek van Sagicor en Assuria om Assuria aan te merken als gedaagde partij en de correspondentie daarover van [eiseres] met de rolrechter,
de conclusie van antwoord van Sagicor en Assuria,
de conclusie van repliek,
de conclusie van dupliek van Sagicor en Assuria,
de akte uitlating producties van [eiseres].
Vonnis is bepaald op vandaag.
3. De partijen in dit geding
Na schorsing van het geding wegens het overlijden van oorspronkelijk eiser [verzekeringnemer] is het geding hervat door zijn erfgename [eiseres]. Zij is nu de eisende partij.
eiseres] heeft zich verzet tegen het verzoek van Sagicor en Assuria om Assuria verder als gedaagde aan te merken wegens de overname door Assuria van de levensverzekeringsportefeuille van Sagicor per 1 mei 2024. [eiseres] heeft volhard in haar vordering tegen Sagicor. Sagicor is daarom nog steeds de gedaagde partij. De vorderingen van [eiseres] richten zich (alleen) tegen haar. De aanduiding van de partijen op de rol, waartegen [eiseres] bezwaar maakte, is in dit verband niet van betekenis, zoals ook blijkt uit de berichten van de rolrechter.
Assuria heeft bij conclusies van antwoord en dupliek naast Sagicor verweer gevoerd tegen de vordering van [eiseres]. Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] uitdrukkelijk verklaard in te stemmen met deze ‘informele voeging’. Gelet daarop, en gelet op de portefeuilleoverdracht, kan het (aldus begrepen) subsidiaire verzoek van Assuria zich aan de zijde van Sagicor te mogen voegen worden toegestaan. Assuria zal alsnog het ingevolge art. 21 lid 2 Landsbesluit Tarieven in Burgerlijke Zaken verschuldigde griffierecht dienen te voldoen.
4. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten:
a. a) [verzekeringnemer] heeft in 2014 een overeenkomst van levensverzekering gesloten met Sagicor. Het betreft een overlijdensrisicoverzekering, op grond waarvan bij overlijden van [verzekeringnemer] op of voor 7 december 2040 een bedrag van Cg 500.000 wordt uitgekeerd. [eiseres], [verzekeringnemer]’s echtgenote, is in de polis vermeld als begunstigde.
b) Premiebetaling diende halfjaarlijks plaats te vinden met als premievervaldata 7 december en 7 juni.
c) De polis bepaalt onder meer het volgende:
“The liability of the Company is conditional on the payment of premiums if they fall due.”
d) Sagicor was gewoon [verzekeringnemer] halfjaarlijks schriftelijk te herinneren aan zijn betalingsverplichting door toezending van een Policy Premium Reminder.
e) In december 2020 heeft verzekeringsagent Assurantiekantoor Guillen Insurance Consultants Holding N.V. (hierna: Guillen) per e-mail een Policy Premium Reminder van Sagicor naar [verzekeringnemer] gestuurd met betrekking tot de premie met vervaldatum 7 juni 2020, waarop [verzekeringnemer] het toen uitstaande bedrag heeft betaald. De polis is toen voortgezet.
f) In augustus 2023 heeft [verzekeringnemer] het kantoor van Guillen bezocht. Hem is toen te verstaan gegeven dat zijn polis door Sagicor was beëindigd omdat hij verzuimd had de per 7 juni 2022 vervallen halfjaarpremie te betalen.
g) [verzekeringnemer] heeft tevergeefs buiten rechte gepoogd Sagicor op andere gedachten te brengen en om aan Sagicor alsnog de vervallen premiebedragen te betalen. Het door hem op rekening van Sagicor gestorte bedrag van Cg 15.046 is door Sagicor teruggestort, omdat de polis volgens Sagicor geëindigd was.
h) [verzekeringnemer] is een maand na het indienen van het verzoekschrift overleden.
5. Het geschil
eiseres] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
1) voor recht te verklaren dat Sagicor tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichting(en) ten opzichte van [verzekeringnemer] en dat de levensverzekering niet is beëindigd waardoor Sagicor de levensverzekering dient voort te zetten en daaraan uiteindelijk gevolg dient te geven;
subsidiair
2) voor recht te verklaren dat Sagicor tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichting(en) ten opzichte van [verzekeringnemer], waardoor Sagicor schadeplichtig is jegens [verzekeringnemer]; en
3) Sagicor te veroordelen tot betaling aan [verzekeringnemer] van de schade die [verzekeringnemer] als gevolg van de tekortkoming zijdens Sagicor lijdt en zal lijden, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het ten deze te wijzen vonnis tot aan de algehele voldoening; en
zowel primair als subsidiair
4) Sagicor te veroordelen in de kosten van deze procedure, in de nakosten en in de wettelijke rente berekend over die kosten indien betaling daarvan binnen veertien dagen na het ten deze te wijzen vonnis uitblijft.
Aan haar vordering legt [eiseres] ten grondslag dat Sagicor is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [verzekeringnemer] door i) onaangekondigd te stoppen met het sturen van betalingsherinneringen waardoor [verzekeringnemer] de premies niet meer heeft kunnen voldoen en ii) zonder rechtsgrond de door [verzekeringnemer] gedane betaling van de premies te storneren en iii) zich op het standpunt te stellen dat de polis is geëindigd.
Sagicor voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. Volgens haar is zij nooit gestopt met het sturen van betalingsherinneringen en is de polis rechtsgeldig door haar beëindigd wegens het uitblijven van de per 7 juni 2022 vervallen premie.
6. De beoordeling
De kern van de zaak
De belangrijkste vraag in dit geding is of Sagicor de door [verzekeringnemer] afgesloten overlijdensrisicoverzekering rechtsgeldig heeft beëindigd wegens het uitblijven van de per 7 juni 2022 vervallen halfjaarpremie.
De vereiste waarschuwing en respijttermijn van art. 7:980 BW
Omdat het hier een overeenkomst van levensverzekering betreft, is art. 7:980 Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Lid 1 van dat artikel luidt als volgt:
Het niet-betalen van vervolgpremie heeft eerst gevolg, indien de verzekeraar na de vervaldag de verzekeringnemer, de begunstigde, indien deze zijn aanwijzing heeft aanvaard, de pandhouder en de beslaglegger door een mededeling op dat gevolg heeft gewezen en betaling binnen een daarbij op ten minste één maand gestelde termijn is uitgebleven.
Sagicor onderbouwt haar stelling dat de polis is geëindigd met haar brieven aan [verzekeringnemer] van 8 mei 2022 (Policy Premium Reminder ) en 15 juli 2022 (Special Offer Notice). Zij verwijst voorts naar haar brief van 7 augustus 2022 (Policy Lapse Notice).
De Policy Premium Reminder is gedateerd 8 mei 2022. Deze brief vermeldt als “Total Premium(s) due” een bedrag van $ 2.755,75 en als “Premium due date 07 jun 2022” en houdt verder onder meer het volgende in:
“This is a reminder that the premium on this policy should be paid within 31 days of the premium due date shown above. The grace period allowed for payment of a premium is one month, not less than 31 days.”
(…)
Ordinary Life/Endowment Plan
If your premium is not paid by the expiry of the grace period (…) the policy will be terminated.”
De Special Offer Notice is gedateerd 15 juli 2022 en houdt onder meer het volgende in:
“According to our records, as of 14 Jul 2022, we have not received payment for the amount due 07 Jun 2022. The grace period allowed has expired and your policy is now lapsed. However, we will allow you to exercise the ‘Special Premium Payment Offer’, which is described below”
(…)
“ SPECIAL PREMIUM PAYMENT OFFER
We are pleased to make this special offer to you as we consider your business of great value to us. We are therefore prepared to continue to extend coverage subject to payment of your regular premium on or before 07 Aug 2022.”
De Policy Lapse Notice is gedateerd 7 augustus 2022. Deze vermeldt dat de polis is vervallen en bevat een aanmoediging aan [verzekeringnemer] “to apply for reinstatement of your policy” en “to provide evidence of insurability” waarvoor “additional medical requirements may be necessary”.
De vervaldag voor de premie was 7 juni 2022. De Policy Premium Reminder dateert van 8 mei 2022, dus van voor de vervaldag. Deze Reminder kan daarom, in het licht van art. 7:980 lid 1 BW, niet tot gevolg hebben gehad dat de polis door het niet-betalen van de vervolgpremie is vervallen.
De Special Offer Notice - wat er verder zij van de inhoud daarvan - dateert van 15 juli 2022, en dus wél van na de vervaldag. Daarin wordt [verzekeringnemer] echter slechts een (nadere) termijn gesteld tot en met 7 augustus 2022, en dus, niet zoals art. 7:980 lid 1 BW vereist, een termijn van ten minste een maand.
De in de Policy Lapse Notice gedane suggestie de polis te doen herleven, geldt niet als een respijttermijn als bedoeld in art. 7:980 BW. Dit met name wegens de gestelde voorwaarde van “insurabililty” en (daarmee) “medical requirements” .
Gelet op het voorgaande geldt dat Sagicor [verzekeringnemer] (en de begunstigde [eiseres]) niet de door art. 7:980 BW vereiste mededeling heeft gedaan. Gelet hierop heeft de te late betaling door [verzekeringnemer] van de per 7 juni 2022 verschuldigde premie ingevolge art. 7:980 lid 1 BW geen gevolg gehad. De verzekering is daardoor niet geëindigd. Dat de nadien verschenen termijnen (tot aan [verzekeringnemer]’s overlijden) onbetaald zijn gebleven, is niet aan [verzekeringnemer] toe te rekenen: Sagicor weigerde de ontvangst daarvan, hetgeen blijkt uit haar terugstorting van het termijnbedrag van 7 juni 2022 en uit de e-mail van verzekeringsagent Guillen van 11 oktober 2023.
De ontvangst van de brieven
Bij voorgaande overwegingen is veronderstellenderwijs aangenomen dat de Policy Premium Reminder, de Special Offer Notice en de Policy Lapse Notice daadwerkelijk door Sagicor zijn verzonden en dat deze [verzekeringnemer] daadwerkelijk hebben bereikt.
verzekeringnemer] en [eiseres] hebben de ontvangst van die brieven echter betwist. Zij hebben gesteld dat Sagicor is gestopt met toezending van de gebruikelijke betalingsherinneringen en dat dit eerder ook al eens tot verlate betaling had geleid (zie hiervoor onder 4 e). Volgens hen is Sagicor daarmee tekortgeschoten in haar verplichtingen en is de vertraging in de betaling aan Sagicor te wijten. [eiseres] stelt dat [verzekeringnemer] in augustus 2023 navraag is gaan doen bij Guillen, omdat post van Sagicor uitbleef, en dat hij toen, net als bij die eerdere gelegenheid, direct tot betaling is overgegaan.
Sagicor heeft benadrukt dat zij de volgens haar hier relevante mededelingen - de Policy Premium Reminder en de Special Offer Notice - overeenkomstig art. 7:933 BW schriftelijk heeft gedaan en zich daarbij heeft gehouden aan het laatste haar bekende adres van [verzekeringnemer]. Het in de brieven opgenomen adres van [verzekeringnemer] is onbetwist juist. Sagicor stelt dat [verzekeringnemer] de brieven moet hebben ontvangen. Zij stelt dat deze brieven in haar systeem geautomatiseerd worden gegenereerd.
Ingevolge art. 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen.
De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de ontvangst door [verzekeringnemer] van de brieven rust op Sagicor. Zij heeft echter geen voor bewijs vatbare stellingen aangedragen die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat [verzekeringnemer] de brieven daadwerkelijk heeft ontvangen. Zo heeft zij geen bijzonderheden gesteld over de wijze van verzending en bezorging en de vastlegging daarvan. De enkele stelling dat de brieven automatisch gegenereerd worden is onvoldoende, evenals, mede gelet op de door [verzekeringnemer]/[eiseres] geschetste gang van zaken, de redenering dat [verzekeringnemer] kennis moet hebben genomen van de brieven omdat hij zich anders niet in augustus 2023 tot Guillen zou hebben gewend.
Op grond van het voorgaande, maar vooral ook omdat het bewijs gelet op overweging 6.10 niet terzake dienend is, zal Sagicor niet worden toegelaten haar stelling te bewijzen dat [verzekeringnemer] haar brieven heeft ontvangen.
Slotsom en kosten
De kern van [eiseres]’s primaire vordering, de verklaring voor recht dat de verzekering niet is geëindigd, is toewijsbaar als hierna in het dictum omschreven. Bij de tevens gevraagde verklaring voor recht dat Sagicor is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen bestaat daarnaast onvoldoende belang. Voor het overige is de primaire vordering achterhaald door het overlijden van [verzekeringnemer].
Aan de subsidiaire vorderingen wordt niet toegekomen. De overige stellingen van partijen kunnen niet tot een ander oordeel leiden en behoeven geen bespreking.
Als de in het ongelijk gestelde partij moet Sagicor de proceskosten dragen.
7. De beslissing
Het gerecht:
op het verzoek tot voeging van Assuria
staat Assuria toe zich aan de zijde van Sagicor te voegen;
wijst de griffier erop dat van Assuria nog niet het ingevolge art. 21 lid 2 Landsbesluit Tarieven in Burgerlijke Zaken verschuldigde griffierecht is geheven;
op de vorderingen van [eiseres]
verklaart voor recht dat de levensverzekering niet is geëindigd, anders dan door het overlijden van [verzekeringnemer];
veroordeelt Sagicor in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiseres] begroot op Cg 419,82 aan oproepingskosten, Cg 450 aan griffierecht en Cg 2.500 voor salaris gemachtigde, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de uitspraak van dit vonnis;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en in het openbaar uitgesproken.