ECLI:NL:OGEAC:2025:330

ECLI:NL:OGEAC:2025:330

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 15-12-2025
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer 500.00140/125
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Fiscaal strafrecht. Feitelijk leidinggeven aan het niet tijdig doen van aangiften winstbelasting en het niet verstrekken van belastinggegevens door een naamloze vennootschap. Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt verworpen. Dat accountants zijn overleden en problemen bestonden met het digitale belastingportaal neemt de eigen verantwoordelijkheid van verdachte als feitelijk leidinggevende niet weg.

Uitspraak

Feit 1:

dat [bedrijf] in of omstreeks de periode van 25 februari 2019 tot en met 31 oktober 2025 te Curaçao, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, (een) bij de Belastingverordening voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene landsverordening Landsbelastingen, te weten:

- (een) aangifte(n) voor de winstbelasting over de/het jaar/jaren 2018, 2019, 2020,

2021 en/of 2022

niet binnen de door de Inspecteur der belastingen gestelde termijn heeft gedaan, tot

het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

Feit 2:

dat [bedrijf] in of omstreeks de periode van 24 januari 2025 tot en met

31 oktober 2025 te Curaçao, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, bij de Belastingverordening voorziene inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, als bedoeld in de Algemene landsverordening Landsbelastingen, te weten:

- (een) aangifte(n) voor de winstbelasting over de/het jaar/jaren 2018, 2019, 2020,

2021 en/of 2022

niet, onjuist of onvolledig heeft verstrekt, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens)

feitelijke leiding heeft gegeven.

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Gedeeltelijke vrijspraak feit 1

Uit het dossier volgt dat verdachte keer op keer, jaar op jaar uitstel is verleend om te voldoen aan zijn aangifteverplichtingen. Uit artikel 7 en 9 van de Algemene Landsverordeling Landsbelastingen volgt dat “indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt elke termijn die met de aangifte of het opleggen van een aanslag verband houdt met de duur van het verleende uitstel verlengd”. Uiteindelijk is (de onderneming van) verdachte een laatste termijn gegund tot 30 juni 2025. Uit de door de raadsman aangeleverde producties volgt – onweersproken door de officier van justitie – dat de definitieve aangiften over de jaren 2018 en 2019 op 25 juni 2025, dus binnen de laatst geboden termijn, zijn ingediend. Weliswaar hadden deze aangiftes veel eerder ingediend kunnen en moeten worden en zijn meerdere eerdere termijnen overschreden, maar verdachte heeft binnen de laatst gegunde termijn de aangiftes ingediend. Dat betekent dat voor het niet tijdig doen van aangifte winstbelasting over de jaren 2018 en 2019 vrijspraak zal volgen. Ook zal in de bewezenverklaarde periode rekening worden gehouden met de voornoemde geboden laatste termijn.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

Dat [bedrijf] in de periode van 30 juni 2025 tot en met 4 augustus 2025 te Curaçao, bij de Belastingverordening voorziene aangiften, als

bedoeld in de Algemene landsverordening Landsbelastingen, te weten:

- aangiften voor de winstbelasting over de jaren 2020, 2021 en 2022

niet binnen de door de Inspecteur der belastingen gestelde termijn heeft gedaan, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

Feit 2:

Dat [bedrijf] in de periode van 24 januari 2025 tot en met

4 augustus 2025 te Curaçao, bij de Belastingverordening voorziene inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, als bedoeld in de Algemene landsverordening Landsbelastingen, te weten:

- aangiften voor de winstbelasting over de jaren 2020, 2021 en 2022

niet heeft verstrekt, welke bovenomschreven verboden gedragingen (telkens) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

1. Een schriftelijk bescheid, houdende een brief van de Stichting Belasting Accountants Bureau gedagtekend 24 januari 2025, met, zover van belang de navolgende inhoud (los stuk):

“(…) Naam: [BEDRIJF]

T.a.v.: [VERDACHTE]

Adres: [ADRES]

Datum

24-01-2025

Onderwerp: Uitnodiging voor indiening aangiften WB

Laatste aanmaning voor indiening aangiften WB, dan wel verzoek inlichtingen voor de belastingheffing

(…) Voor zover de uitnodiging tot het doen van aangifte van de Inspecteur der Belastingen u niet heeft bereikt of u is ontgaan, wordt u bij deze mede door de Inspecteur der Belastingen aangeschreven. (…) U dient de aangifte WB van de jaren 2018 t/m 2022 in te dienen vóór 10-03-2025. (…)

(…).”

2. Een schriftelijk bescheid, houdende een uittreksel uit het Handelsregister van Curaçao, met onder meer de navolgende inhoud (los stuk):

(…) In the Commercial Register of the Curaçao Chamber of Commerce & Industry is registered under number [nummer]: [bedrijf]

Trade name [bedrijf]

Legal form Limited liability company

Official name [bedrijf]

Statutory seat Curaçao

Date of incorporation March 19, 1980

(…)

Address [adres]

Country Curaçao

Official(s)

1

Function Statutory director

Title description Managing director

Name [verdachte]

Date of birth [geboortedatum] (…).”

3. Een proces-verbaal van [verbalisant 1], werkzaam bij Stichting Belastingaccountantsbureau (SBAB) van 5 augustus 2025 waarin hij verklaart de volgende mail aan verdachte te hebben gestuurd:

Beste heer [verdachte](…),

U dient mij de overige WB aangiften uiterlijk 30-06-2025 te mailen”.

4. De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting op 15 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

“Ik ben directeur van [bedrijf] Ik ben verantwoordelijk voor de administratie. Ik heb uitnodigingen voor het doen van aangifte ontvangen. De eerste in 2023. Het klopt dat ik niet binnen de vastgestelde termijn aangiftes heb gedaan. De aangiftes zijn uiteindelijk wel op 5 augustus 2025 allemaal ingediend”.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft betoogd dat de feiten weliswaar bewezen kunnen worden, maar verdachte vrijgesproken moet worden vanwege de afwezigheid van alle schuld. Het Gerecht begrijpt het verweer van de verdediging zo, dat verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging. Het Gerecht zal dit verweer dan ook bespreken bij het onderdeel ‘strafbaarheid van de verdachte’.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 49 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen en wordt als volgt gekwalificeerd:

Feit 1: Het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte door een rechtspersoon, terwijl die daartoe ingevolge de belastingverordening was verplicht, aan welke verboden gedraging de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.

Feit 2: Het niet verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, en deze niet, onjuist, of onvolledig verstrekken door een rechtspersoon, terwijl die daartoe ingevolge de belastingverordening was verplicht, aan welke verboden gedraging de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Afwezigheid van alle schuld?

De raadsman heeft betoogd dat verdachte geen enkele schuld kan worden verweten. Daarbij heeft de verdediging erop gewezen dat (i) inmiddels alle aangiftes zijn ingediend, dat (ii) twee opvolgend accountants zijn overleden terwijl zij de administratie onder zich hadden en zij allebei geen back-ups hadden gemaakt, (iii) er een storing was bij de digitale portaal van de Belastingdienst in de maand juni-juli 2025.

Het Gerecht reageert als volgt. Uit de bij de pleitnota overgelegde stukken volgt

– en de officier van justitie heeft dat ook beaamd – dat inmiddels (weliswaar te laat) alle in de tenlastelegging opgenomen aangiftes zijn ingediend. Dat doet aan de schuld van verdachte niet af, maar is wel een omstandigheid die bij de strafoplegging zal worden betrokken.

De omstandigheid dat twee accountants zijn overleden en zij geen back-ups hadden gemaakt, ook indien juist (en dit is niet onderbouwd, anders dan met een rouwadvertentie van ene heer [persoon]), dan komt het inschakelen van een accountant voor risico en rekening van de ondernemer die hem inschakelt, en dat ontstaat de ondernemer niet van de verplichtingen die voortvloeien uit de belastingverordening. Uiteraard heeft het Gerecht begrip voor de situatie dat door het overlijden van een accountant enige vertraging in het nakomen van de belastingverplichtingen kan ontstaan, maar de verzuimperiode van verdachte bestrijkt meerdere jaren, terwijl onbetwist is dat de onderneming waar verdachte feitelijk leiding aan gaf, ook al in de jaren voor het overlijden van de accountant niet aan alle belastingverplichtingen had voldaan. Verder is verdachte als ondernemer zelf verantwoordelijk voor het opslaan en administreren van de boekhouding en al met al ziet het Gerecht niet in dat het overlijden van een of meerdere accountants alle schuld van verdachte zou wegnemen.

Tot slot heeft het Gerecht er begrip voor dat de belastingportaal kuren heeft gehad. Als 30 juni 2025 de eerste termijn zou zijn geweest die (de onderneming van) verdachte zou zijn geboden, zou dit verweer meer kans van slagen hebben gehad. Hoewel deze storing wel enige schuld wegneemt bij verdachte ten aanzien van de periode waarin de online portaal een storing had, neemt dat echter niet alle schuld weg, zeker indachtig de langer periode van jarenlang verzuim. Verder weegt mee dat, zoals uit de mailwisseling tussen de SBAB en de onderneming van verdachte volgt, alternatieven geboden om te voldoen aan (een deel) van de belastingverplichtingen ten tijde van de storing.

Al met al ziet het Gerecht in het voorgaande wel enkele factoren om bij de strafmaat te betrekken in het verweer van de verdediging, maar slaagt het beroep op afwezigheid van alle schuld niet.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum.

De naamloze vennootschap [bedrijf] heeft gedurende meerdere jaren de aangiften winstbelasting niet ingediend en keer op keer heeft (de onderneming van) verdachte een nieuwe termijn gekregen om alsnog aan de verplichtingen te voldoen. De verdachte is daarvoor als feitelijk leidinggevende verantwoordelijk te achten. De verdachte heeft gedurende meerdere jaren onvoldoende acht geslagen op de belastingverplichtingen van zijn onderneming, waardoor het Land Curaçao belastinginkomsten is misgelopen en veel inspanningen heeft moeten verrichten om (de onderneming van) verdachte ertoe te bewegen om alsnog aangifte in te dienen. Het innen van belastingen is van wezenlijk belang voor een gezonde samenleving, omdat hiermee publieke diensten en voorzieningen – zoals onderwijs en infrastructuur – worden bekostigd. Door zijn handelen heeft de verdachte als feitelijk leidinggevende het Land benadeeld. Het Gerecht ziet dan ook geen aanleiding om toepassing te geven aan een schuldigverklaring zonder strafoplegging.

Het Gerecht houdt wel rekening met de omstandigheid dat verdachte inmiddels de in de tenlastelegging opgenomen aangiftes heeft ingediend. Verdachte heeft verder geen relevant strafblad. De officier had vanwege de persoonlijke omstandigheden al een lagere straf geëist dan gebruikelijk, maar het Gerecht ziet aanleiding om de straf nog verder te matigen. Om de verdachte te bewegen zijn verplichtingen alsnog en in de toekomst na te komen, zal het Gerecht 1 (een) maand geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met een proeftijd van 3 jaren waaraan bijzondere voorwaarden worden verbonden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:127 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 1 maand;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

als bijzondere voorwaarden worden gesteld dat

- dat de verdachte tijdens de proeftijd als directeur van [bedrijf]:

o ervoor zal zorgdragen dat alle op de rechtspersoon betrekking hebbende aangiftes tijdig worden gedaan.

Dit vonnis is mondeling gewezen door de rechter mr. P.M. Leijten, bijgestaan door mr. M. Dip, (zittingsgriffier), en op 15 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand