GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202403696
Vonnis van 24 november 2025
in de zaak van
[Eiseres], wonende in [woonplaats], eiseres, gemachtigde: mr. E.J.J. Huizing,
tegen
1. [Gedaagde 1], wonende in [woonplaats], gedaagde, niet in rechte verschenen
en
2. de besloten vennootschap CURACAO RENT FOR LESS B.V., gevestigd in Curaçao, gedaagde, vertegenwoordigd door haar directeur [directeur].
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van 26 september 2024 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties van gedaagde 2,
- de mondelinge behandeling van 4 november 2025.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Op 23 januari 2023 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij het voertuig (met kenteken [kenteken 1]) van eiseres waarin zij als bestuurder optrad werd aangereden door een voertuig (met kenteken [kenteken 2]) (hierna: de auto), met als bestuurder gedaagde 1.
De auto was niet verzekerd en stond ten tijde van de aanrijding geregistreerd op de naam van gedaagde 2 die een autoverhuurbedrijf uitoefent.
Bij brieven van respectievelijk 16 januari 2024 en 30 augustus 2024 heeft (de gemachtigde van) eiseres gedaagde 2, als zijnde de eigenaar van de auto, en gedaagde 1, als zijnde de bestuurder van de auto, aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade, begroot op een bedrag van Cg 4.869,64.
3. De beoordeling
Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen zal eiseres worden toegestaan kosteloos te procederen.
Het gerecht stelt vast dat gedaagde 1, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet is verschenen. Tegen hem is verstek verleend. Nu gedaagde 2 als medegedaagde is verschenen en verweer heeft gevoerd, wordt op grond van artikel 82, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tussen partijen een vonnis gewezen dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
De vordering van eiseres jegens gedaagde 1 wordt toegewezen, omdat deze niet is weersproken en het gerecht niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, behoudens de wettelijke rente. Die zal – anders dan gevorderd - worden toegewezen vanaf 5 september 2024, nu uit de brief van 30 augustus 2024 blijkt dat op die dag het verzuim van gedaagde 1 is aangevangen.
Ten aanzien van de vordering van eiseres jegens gedaagde 2, heeft eiseres gesteld dat gedaagde 2 ten tijde van het verkeersongeval eigenaar was van de auto, omdat de auto op haar naam stond geregistreerd. Eiseres stelt daarom ook gedaagde 2 (hoofdelijk) aansprakelijk voor de door haar geleden schade. Subsidiair – indien deze risico-aansprakelijkheid niet komt vast te staan - heeft gedaagde 2 dit aangevuld ter terechtzitting met de stelling dat gedaagde 2 uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor deze schade.
Gedaagde 2 heeft verweer gevoerd en onder verwijzing naar een schriftelijk stuk betoogd dat zij de auto reeds op 8 juli 2019 voor (destijds NAf , thans)
Cg 4.500 heeft verkocht aan een derde genaamd [belanghebbende 1]. De auto is destijds cash betaald en meteen dezelfde dag aan [belanghebbende 1] geleverd. Het is tot 28 november 2024 niet gelukt de kentekenplaat op diens naam over te schrijven omdat eisers niet in het bezit was van een kopie van het identiteitsbewijs van [belanghebbende 1]. Gedaagde 2 heeft in dit verband tevens verwezen naar een formulier van de Ontvanger van Curaçao.
Eiseres heeft vervolgens betwist dat sprake is geweest van een rechtsgeldige verkoop van de auto aan [belanghebbende 1], en verwezen naar de summiere inhoud van het schriftelijke stuk en het feit dat de tenaamstelling van het kenteken nog niet was gewijzigd op de datum van het ongeval.
In het midden kan blijven of gedaagde 2 op de dag van het ongeval nog eigenaar van de auto was, omdat zij hoe dan ook niet langs de weg van risico- aansprakelijkheid aansprakelijk kan worden geacht voor de bij dat ongeval door eiseres geleden schade.
Immers, veronderstellenderwijs aangenomen dat eiseres nog steeds eigenaar was van de auto ten tijde van het ongeval, dan staat de geldende regelgeving in de weg aan haar aansprakelijkstelling via de risico-aansprakelijkheid voor de eigenaar van een auto. Immers, in de zogenoemde Botsverordening (P.B. 1932, no. 46 en P.B. 1957, no. 75) waarvan artikel 2 is gewijzigd (zie Landsverordening verzekering en lijfrente, A2011, 60, artikel VA) is bepaald dat indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan, niet door dat motorrijtuig vervoerde, personen of zaken, de eigenaar van het motorrijtuig of – indien er een houder van het motorrijtuig is – de houder verplicht is om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht, daaronder begrepen het geval dat het is veroorzaakt door iemand, voor wie onderscheidenlijk de eigenaar of de houder niet aansprakelijk is. In lid 2 is bepaald dat de eigenaar of houder die het motorrijtuig niet zelf bestuurt, aansprakelijk is voor de gedragingen van degene, door wie hij het motorrijtuig doet of laat rijden. In lid 3 is daaraan echter toegevoegd dat deze bepalingen geen toepassing vinden indien het schade betreft toegebracht aan onder meer een ander motorrijtuig in beweging. En op deze laatste bepaling strandt de vordering van eiseres.
Immers als onbetwist is komen vast te staan dat eiseres zelf ook een auto bestuurde en daarmee in beweging was op het moment dat zij met de auto in botsing kwam. Voor die situatie geldt de risico-aansprakelijkheid van leden 1 en 2 blijkens lid 3 nu juist niet.
De subsidiair ter terechtzitting naar voren gebrachte grondslag (onrechtmatige daad) is feitelijk noch juridisch onderbouwd. Daarmee heeft eiseres niet voldaan aan haar stelplicht zodat aan de beoordeling van die grondslag niet wordt toegekomen.
Het voorgaande brengt mee dat de vordering jegens gedaagde 2 dient ter worden afgewezen.
Omdat gedaagde 1 in het ongelijk wordt gesteld wordt hij veroordeeld in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op
Cg 450 aan griffierecht, Cg 360,93 aan oproepingskosten en Cg 500 aan gemachtigdensalaris (2 punten x tarief 2).
Omdat eiseres in het ongelijk worden gesteld ten opzichte van gedaagde 2, wordt eiseres veroordeeld in de proceskosten van gedaagde 2, die tot op vandaag worden begroot op nihil, omdat gedaagde 2 in persoon procedeert.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.
4. De beslissing
Het gerecht:
staat eiseres toe kosteloos te procederen;
veroordeelt gedaagde 1 tot betaling aan eiseres van een bedrag van
Cg 4.869,64, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2024 tot aan de dag van betaling;
veroordeelt gedaagde 1 in de proceskosten van eiseres van Cg 1.310,93;
veroordeelt eiseres in de proceskosten van gedaagde 2, tot op vandaag begroot op nihil;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.B. Hubben, rechter, bijgestaan door L.R.J.A Lourens, griffier, en in het openbaar uitgesproken.