GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202504252
Vonnis in kort geding van 8 december 2025
in de zaak van
BEST CARIBBEAN BRANDS N.V., gevestigd in Curaçao, eiseres, gemachtigde: mr. D.D. Zahavi,
tegen
KPM SUPPLY USA LLC,
gevestigd in Florida, Verenigde Staten van Amerika, gedaagde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna BCB en KPM genoemd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 22 oktober 2025 met producties,
de mondelinge behandeling van 24 november 2025.
KPM is – alhoewel goed opgeroepen – niet verschenen.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Op 20 mei 20215 heeft BCB levensmiddelen gekocht van KPM voor een bedrag van USD 51.609,98. Op de ‘invoice’ staat, voor zover relevant:
De container met de levensmiddelen werd vervolgens in opdracht van KPM vervoerd naar Curaçao. De totale kosten die BCB voor deze container heeft gemaakt (koopprijs, transportkosten, invoerrechten, administratiekosten) bedragen USD 59.431.
Nadat BCB de invoerrechten had betaald en de container was aangekomen in het magazijn van BCB, werden de goederen geïnspecteerd door de Dienst Volksgezondheid in Curaçao. In een ‘Letter of rejection’ van 16 september 2025 staat daarover, voor zover relevant:
(…) Inspector of the Inspectorate of Public Health, declares that the following products shipped and arrived with the container (….) are rejected for sale on the local market, because they fail the minimum legal standard.(…)
Bij brief van 30 september 2025 heeft de advocaat van BCB KPM gesommeerd tot betaling van de schade van USD 59.431. Op deze brief heeft KPM niet gereageerd.
3. De vordering en de standpunten van partijen
BCB vordert – samengevat – dat het gerecht KPM veroordeelt tot betaling van USD 59.431, dan wel het equivalent in Curaçaose guldens van Cg 105.787,18, alsmede van de gerechtelijke- en buitengerechtelijke kosten van USD 8.914,65, dan wel het equivalent in Curaçaose guldens van Cg 15.868, te vermeerderen met wettelijke rente en de proceskosten.
BCB legt aan de vordering ten grondslag dat zij schade heeft geleden uit hoofde van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad, omdat de door KPM geleverde levensmiddelen afgekeurd zijn voor import op Curaçao. De schade bestaat uit de volledige koopprijs, transportkosten, invoerrechten en administratiekosten. Ter zitting heeft BCB haar vordering verminderd naar 90 procent van het schadebedrag.
4. De beoordeling
De vordering van BCB strekt tot de betaling van een geldsom. Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Onderzocht moet worden of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Dat betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter deze zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts dient in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden.
Tijdens de zitting is door de rechter aan de orde gesteld dat er een discrepantie lijkt te bestaan tussen het totaal aantal geleverde producten (2.707 stuks volgens de ‘invoice’) en het aantal producten dat is afgekeurd voor verkoop door de ‘Inspectorate of Public Health’ (1.121 stuks), terwijl de volledige koopprijs als schade wordt gevorderd. Volgens de directeur van BCB, de heer [directeur BCB], klopt het dat niet alle producten zijn afgekeurd en dat een deel van de producten wel geleverd is en in het magazijn van BCB ligt. Het percentage afgekeurde producten bedroeg volgens hem ongeveer 80 á 90 procent. Op de vraag van de rechter hoe dit zich verhoudt met de vordering van de volledige koopprijs, heeft de advocaat van BCB de eis verminderd naar 90 procent van het oorspronkelijke schadebedrag.
Het gerecht overweegt dat uit de stukken blijkt dat niet 80 á 90 procent, maar zelfs minder dan 50 procent van de producten is afgekeurd. In het licht daarvan heeft BCB haar vordering (ook na eisvermindering) onvoldoende aannemelijk gemaakt en is niet met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten dat de bodemrechter deze zal toewijzen, nog daargelaten de vraag of is voldaan aan de overige vereisten voor toewijzing van een geldvordering in kort geding. De gevraagde voorlopige voorzieningen van BCB zullen reeds op die grond worden afgewezen. Eiseres zal haar eigen proceskosten moeten dragen.
5. De beslissing in kort geding
Het gerecht:
wijst de vorderingen af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman, rechter, bijgestaan door mr. C.L. Navarro, griffier, en in het openbaar uitgesproken.