ECLI:NL:OGEAC:2025:365

ECLI:NL:OGEAC:2025:365

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 28-10-2025
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer CUR202503712
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Kg erfafscheiding.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202503712

Vonnis in kort geding van 28 oktober 2025

in de zaak van

[eiseres], wonende in [woonplaats], eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende in [woonplaats], 2. [gedaagde 2],

wonende in [woonplaats], gedaagden in conventie,

eisers in reconventie, gemachtigde: mr. R.J. Tromp.

Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagden] genoemd.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:

het verzoekschrift met producties van eiseres van 9 september 2025,

de aanvullende producties van eiseres van 16 oktober 2025,

de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie en akte indiening producties van gedaagden van 16 oktober 2025,

de mondelinge behandeling van 17 oktober 2025,

de pleitnotities.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2. De feiten

Naar aanleiding van een bodemprocedure zijn partijen op 24 december 2024 en 26 juni 2025 een regeling overeengekomen, vastgelegd in een aan een proces-verbaal gehechte vaststellingsovereenkomst. Deze vaststellingsovereenkomsten leveren een executoriale titel op.

In de vaststellingsovereenkomst van 24 december 2024 (PV1) staat, voor zover van belang:

7. De nieuw te bouwen erfafscheiding wordt in aanwezigheid van beide partijen gebouwd van aluzink en partijen dragen ieder de helft van deze kosten. Beide partijen vragen hiervoor offertes op en in samenspraak met hun gemachtigden kiezen ze een van deze offertes uit;

8. Partijen zorgen ervoor dat bovengenoemde punten voor 1 april 2025 zijn

uitgevoerd;

eiseres] heeft binnen de gestelde termijn drie offertes opgevraagd, (waaronder bij Beef Quality Handyman & Construction [hierna: BQ] en Ediyon & Solushon [hierna: ES]) en deze met [gedaagden] gedeeld. [gedaagden] hebben hier niet op gereageerd en hebben zelf geen offertes opgevraagd. BF was de aannemer met de laagste offerteprijs.

In de vaststellingsovereenkomst van 26 juni 2025 (PV2) staat, voor zover van belang:

1. Partijen zijn overeengekomen dat Beef Quality Handyman & Construction als aannemer zal optreden. De gemachtigden van partijen zullen samen deze

aannemer bellen om vragen te stellen over de uitvoering van de

werkzaamheden. Dit kan evenwel niet leiden tot het intrekken van de opdracht aan deze aannemer.

(…)

3. [gedaagden] zullen voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden ten

behoeve van de aannemer de betonblokken en de vegetatie verwijderen.

4. [eiseres] zal de eerste contactpersoon zijn voor de aannemer. [eiseres] zal [gedaagden] per e-mail (met c.c. aan de gemachtigden) informeren over eventuele vragen/aangelegenheden die beide partijen of uitsluitend [gedaagden] aangaan. De vragen die beide partijen aangaan zullen (eventueel met behulp van hun gemachtigden) door hen worden beantwoord.

5. Bij de uitvoering van de werkzaamheden door de aannemer zullen partijen zich onthouden van het geven van aanwijzingen.

6. Als een van de partijen de uitvoering van de aanneemwerkzaamheden

belemmert, dan is een dwangsom verschuldigd van Cg 500 per dag met een

maximum van Cg 25.000.

Op 30 juni 2025 zijn de (ter zitting geformuleerde) vragen van [gedaagden] aan BQ gestuurd en op diezelfde dag heeft [eiseres] aan [gedaagden] verzocht om een belmoment, zoals afgesproken in PV2, in te plannen.

Op 3 juli 2025 stonden, in overleg met [gedaagden], twee belmomenten met BQ gepland om de vragen te stellen zoals bedoeld in PV2. De afspraken werden door [gedaagden] geannuleerd en de vragen werden met instemming van [gedaagden] aan BQ doorgestuurd. De (mondelinge) antwoorden van BQ zijn diezelfde dag door [eiseres] op papier gezet en naar [gedaagden] gestuurd. BQ gaf aan in de week van 7 juli 2025 te kunnen beginnen.

Op 4 juli 2025 hebben [gedaagden] een brief aan BQ gericht (die zij op 6 juli 2025 door hebben gestuurd aan [eiseres]) waarin, voor zover relevant, staat:

(…) In verband met de door u opgestelde offerte (…), welke wij via de tegenpartij hebben ontvangen, delen wij u het volgende mede.

Gezien wij niet aanwezig waren bij het overleg tussen u en de tegenpartij, wensen wij u erop te wijzen dat het plan zoals vervat in de offerte in beginsel tot stand had moeten komen in samenspraak met alle bij het project betrokken partijen (…). Onze inbreng hierin ontbreekt derhalve volledig, hetgeen naar onze mening cruciaal is, mede gelet op een aantal fundamentele en inhoudelijke vragen ten aanzien van de offerte.

Om die reden hebben wij enkele vragen voor u (…)

Tijdens de zitting van 26 juni jongstleden hebben wij reeds aangegeven dat wij in beginsel akkoord gaan met u als uitvoerend aannemer. Wel hechten wij groot belang aan een inhoudelijke en transparante toelichting onder meer de prijsvorming en aard van de werkzaamheden, zoals vervat in de offerte.

Na 4 juli 2025 was BQ niet meer bereikbaar. [eiseres] heeft herhaalde pogingen gedaan om contact te krijgen met BQ, om een concrete begindatum voor de werkzaamheden in te plannen, maar BQ reageerde niet meer.

Op 9 juli 2025 heeft de gemachtigde van [eiseres] aan de gemachtigde van [gedaagden] een brief gestuurd, waarin voor zover relevant staat:

Mocht blijken dat deze aannemer de opdracht niet langer kan uitvoeren, dan zal onverwijld de door onze cliënten in het voortraject geselecteerde tweede aannemer, behoudens tegenbericht van u tot 11 juli, na 12 juli worden benaderd om de werkzaamheden zo spoedig mogelijk op te pakken en uit te voeren.

Nadat [eiseres] hier geen reactie op had ontvangen van [gedaagden] en nadat zij wederom tevergeefs had geprobeerd contact te krijgen met BQ, heeft zij op 18 juli 2025 de ‘tweede’ aannemer ES benaderd.

Op 23 juli 2025 heeft [eiseres] [gedaagden] laten weten dat ES kan beginnen, maar dat ES eerst een vooruitbetaling wenst, zodat [gedaagden] uiterlijk op 28 juli 2025 een bedrag van Cg 6.874,10 over moeten maken.

Op 25 juli 2025 sturen [gedaagden] een e-mail aan [eiseres], waarin zij vragen stellen over de (lagere) offerte van BQ.

Op 28 juli 2025 herhaalt [eiseres] de mededeling dat BQ niet meer bereikbaar is en dat de offerte van ES meebrengt dat het aandeel van beide partijen Cg 6.874,10 is.

Op 30 juli 2025 reageren [gedaagden] hierop met het verzoek de materiaalkosten te onderbouwen en om een instructie van ES te sturen, waaruit het bedrag van de aanbetaling blijkt.

Op 31 juli 2025 reageert [eiseres] met de mededeling dat het verzoek van [gedaagden] als vertragend en belemmerend voor de uitvoering van de werkzaamheden wordt beschouwd, omdat de materiaalkosten en betalingsbewijzen al voor de behandeling van de zaak op 26 juni 2025 in het geding zijn gebracht. Desalniettemin, stuurt [eiseres] een overzicht van de materiaalkosten mee en de offerte van de aannemer waaruit het totaalbedrag van Cg 13.748,20 volgt en waaruit blijkt dat het aandeel van [gedaagden] Cg 6.874,10 bedraagt.

Op 6 augustus 2025 laten [gedaagden] weten dat zij niet tot betaling zullen overgaan aan ES en verzoeken zij een volledige en gespecificeerde prijsopbouw.

Op 10 en 24 augustus 2025 heeft [eiseres] gereageerd op het schrijven en op 25 augustus 2025 heeft zij de onderbouwing van de offerte van ES aan [gedaagden] gecommuniceerd. [gedaagden] hebben hier niet op gereageerd. In de prijsopbouw staat onderaan de volgende opmerking van ES:

(…) Ik wacht sinds 18 juli om te beginnen met het werk. Ik wil uw aandacht vestigen op het feit dat de startdatum van het werk steeds stagneert; ik kan mijn andere werkzaamheden niet inplannen en daardoor kan ik mogelijk andere contracten mislopen omdat ik nog steeds afwachtend ben van dit project. Om die reden verzoek ik vriendelijk om aan te geven op welke datum het werk kan beginnen. Ik wil ook bevestigen dat de aanbetaling voor de sloop en 25% bij aanvang nog niet is betaald, en ik verzoek u ook om aan te geven hoelang het nog zal duren voordat de betaling en het uitvoering van het werk kunnen plaatsvinden.

3. De vordering en de standpunten van partijen

eiseres] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (i) te bepalen dat ES wordt aangewezen als aannemer, en dat, als deze niet in staat is het werk uit te voeren, een door [eiseres] geselecteerde derde aannemer met de uitvoering wordt belast, (ii) [gedaagden] te veroordelen tot medewerking, (iii) te bepalen dat [gedaagden] Cg 6.974,10 binnen 7 dagen aan de aannemer voldoet, (iv) te bepalen dat indien [gedaagden] niet meewerkt [eiseres] op grond van 3:300 BW dan wel 3:296 BW gerechtigd is de aannemer opdracht te geven tot uitvoering van de werkzaamheden, met de bevoegdheid het terrein van [gedaagden] te betreden en eventuele obstakels of belemmeringen binnen het bouwproject te verwijderen, dit alles op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan.

4. De beoordeling

Tussen partijen speelt al jaren een conflict in verband met de erfafscheiding tussen hun percelen. Tweemaal eerder zijn partijen voor deze kwestie bij het gerecht geweest en tweemaal zijn partijen een vaststellingsovereenkomst met executoriale titel overeengekomen, waarin onder andere afspraken zijn gemaakt over de werkzaamheden die moeten plaatsvinden en de aannemer die de werkzaamheden moet uitvoeren.

Op dit moment is er sprake van een patstelling in die zin dat de in PV2 aangewezen aannemer, BQ, zich heeft teruggetrokken. Volgens [eiseres] is dit te wijten aan [gedaagden] doordat zij – in strijd met de afspraken in PV2 – (op eigen houtje) een brief heeft gestuurd aan de aannemer met aanvullende vragen en opmerkingen. De afspraak was dat er een belmoment plaats zou vinden waar de op zitting geformuleerde vragen zouden worden besproken. Omdat [gedaagden] het belmoment heeft afgezegd, zijn die vragen doorgestuurd naar de aannemer die ze (vanwege drukte mondeling) heeft beantwoord aan [eiseres], waarna dit door laatstgenoemde op papier is gezet en doorgestuurd aan [gedaagden] Het vervolgens zonder overleg rechtstreeks benaderen van BQ met onjuiste informatie (ten aanzien van het offerteproces, hetgeen een gepasseerd station was) en het stellen van nieuwe vragen (onder ander over de offerte, terwijl in PV2 staat dat er alleen nog vragen over de werkzaamheden gesteld zouden worden) was dus in strijd met de afspraken. Na die brief op 4 juli 2025 is er – ondanks meerdere pogingen van [eiseres] – geen contact meer geweest met de aannemer. [eiseres] stelt dat zij sterk de indruk heeft dat dit komt door de brief van [gedaagden] Wat hier ook van zij, feit is dat de werkzaamheden conform de afspraken in PV1 en PV2 nu eindelijk een aanvang moeten krijgen. Reeds hieruit volgt het spoedeisend belang.

eiseres] verzoekt daarom in lijn met PV1 en PV2 te bepalen dat ES de werkzaamheden zal verrichten. Het gerecht zal dit verzoek toewijzen en legt dit als volgt uit.

Vaststaat dat punt 1 van PV2 niet uitvoerbaar is, in die zin dat BQ niet meer beschikbaar is als aannemer. De keuze voor BQ is gemaakt op basis van de afspraken in PV1. In PV2 staat dat beide partijen offertes voor de nieuw te bouwen erfscheiding opvragen en dat in samenspraak met hun gemachtigden ze één van de offertes uitkiezen. Vaststaat dat [eiseres] drie offertes heeft opgevraagd en [gedaagden] geen één. Voorafgaand en tijdens de behandeling van de zaak op 26 juni 2025 zijn de offertes besproken en hebben partijen gezamenlijk gekozen voor de offerte van BQ. Nu BQ niet meer beschikbaar is, ligt het dan ook voor de hand voor één van de andere twee offertes te kiezen, die conform de afspraken in PV1 zijn opgevraagd, zodat PV2 kan worden uitgevoerd. [eiseres] heeft dan ook in alle redelijkheid op 9 juli 2025 aan [gedaagden] voorgesteld om de tweede in het voortraject geselecteerde aannemer te benaderen om de werkzaamheden uit te voeren, dit behoudens tegenbericht van [gedaagden] tot 11 juli 2025. [gedaagden] laat daarop niets horen, waarna [eiseres] op 18 juli 2025 ES heeft benaderd. Op 23 juli 2025 laat [eiseres] [gedaagden] weten dat ES kan beginnen, maar dat ES een vooruitbetaling wenst. Pas op 6 augustus 2025 maken [gedaagden] bezwaar tegen het inschakelen van ES en verzoeken zij (o.a.) een volledige en gespecifieerde prijsopbouw. Op 10 en 24 augustus 2025 heeft [eiseres] hierop gereageerd en heeft zij de opgevraagde prijsopbouw van ES doorgestuurd. In die prijsopbouw geeft de aannemer aan dat hij vanwege het uitstellen van de startdatum, andere werkzaamheden niet kan inplannen en mogelijk andere projecten misloopt. Hij verzoekt daarom concreet aan te geven wanneer hij kan beginnen en hoe lang de aanbetaling nog zal duren. [gedaagden] heeft hier niet op gereageerd.

Uit vorenstaande volgt verder dat [eiseres] [gedaagden] op 9 juli 2025 een redelijk voorstel heeft gedaan tot uitvoering van PV1 en PV2 en dat [eiseres] er – zoals zij stelt – gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [gedaagden], bij het uitblijven van een reactie, toen de deadline al lang verstreken was, dit voorstel heeft geaccepteerd. Pas op 6 augustus 2025 (ruim drie weken na de deadline), toen ES al was gecontacteerd en had laten weten te kunnen beginnen, heeft [gedaagden] bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft [gedaagden] een dag voor de zitting zelf een offerte in het geding gebracht. Dit, terwijl zij er zelf voor heeft gekozen in het voortraject na PV2 zelf geen offertes op te vragen. Het alsnog opvragen van een offerte voor de werkzaamheden, is naar het oordeel van het gerecht een gepasseerd station. Daarbij komt dat [eiseres] als gegrond bezwaar tegen de offerte van [gedaagden] gemotiveerd heeft aangevoerd dat de bewuste aannemer niet geregistreerd is (en er dus geen enkele garantie is) en dat er bepaalde posten aantoonbaar te laag zijn geoffreerd. Dit, terwijl [gedaagden] geen gegronde bezwaren naar voren heeft gebracht tegen de offerte van ES, behalve dat de prijs hoger ligt dan dat offerte van BQ. Het enkele feit dat de prijs hoger ligt (het gaat in totaal om circa Cg 3.000), is gelet op het hele voortraject onvoldoende om ES niet als geschikt aan te merken. In lijn met PV1 en PV2 zal ES dus als aannemer worden aangewezen om de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren. Om procedures in de toekomst te voorkomen, zal het gerecht nu alvast bepalen – zoals door [eiseres] verzocht – dat, als ES niet in staat is het werk uit te voeren, een door [eiseres] geselecteerde derde aannemer met de uitvoering wordt belast.

Het voorgaande leidt ertoe dat de verzoeken van [eiseres] worden toegewezen, met dien verstande dat het aandeel van [gedaagden] voor de werkzaamheden van ES (tot op heden) zal worden bepaald op Cg 6.874,10, omdat dit de helft van het totaalbedrag is van de offerte van ES en tevens het bedrag waar eerder door [eiseres] om is verzocht. Mochten er door ES noodzakelijkerwijs nog meer kosten gemaakt moeten worden om de werkzaamheden uit te voeren dan zullen partijen ieder daarvan de helft moeten betalen.

Omdat [gedaagden] (grotendeels) in het ongelijk worden gesteld, worden zij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [eiseres] worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 450 aan griffierecht en Cg 499.96 aan oproepingskosten.

De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.

5. De beslissing in kort geding

Het gerecht:

bepaalt dat Ediyon & Solushon wordt aangewezen als aannemer voor de uitvoering van de in de proces-verbalen van 12 december 2024 (PV1) en van 26 juni 2025 (PV2) vastgestelde werkzaamheden, en dat, indien deze om welke reden dan ook niet in staat is het werk uit te voeren, de door [eiseres] geselecteerde derde aannemer met de uitvoering wordt belast;

veroordeelt [gedaagden] tot nakoming van de proces-verbalen, meer in het bijzonder tot het verlenen van hun medewerking aan de uitvoering van de werkzaamheden door de hiervoor genoemde aannemers, waarbij zij aan de werklieden toegang tot hun terrein zullen verlenen;

bepaalt dat [gedaagden] hun aandeel in de aannemersfactuur, zijnde (tot op heden) een bedrag van Cg 6.874,10, binnen zeven (7) dagen na betekening van dit vonnis, bij wijze van voorschot, rechtstreeks aan de aannemer dienen te voldoen, zodat de uitvoering van de werkzaamheden onverwijld kan aanvangen;

bepaalt dat, indien [gedaagden] niet binnen zeven (7) dagen na uitvoering van dit vonnis uitvoering geven aan het voorgaande, [eiseres] op grond van 3:300 BW dan wel 3:296 BW gerechtigd is de aannemer opdracht te geven tot uitvoering van de werkzaamheden, met de bevoegdheid het terrein van [gedaagden] te betreden en eventuele obstakels of belemmeringen binnen het bouwproject te verwijderen;

bepaalt dat [gedaagden] aan eiseres een dwangsom verbeuren van Cg 500,00 per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijven met de nakoming van de verplichtingen onder 5.1. t/m 5.3., met een maximum van Cg 25.000,00;

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, tot op heden begroot op

Cg 949,96;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman, rechter, bijgestaan door

mr. C.L. Navarro, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Woerdman

Griffier

  • mr. C.L. Navarro

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand