ECLI:NL:OGEAC:2025:370

ECLI:NL:OGEAC:2025:370

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 10-11-2025
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer CUR202500419
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Geen verbod gebruik water en elektra

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202500419

Vonnis van 10 november 2025

in de zaak van

DE STICHTING JOHANNES BOSCO, gevestigd in Curaçao, eiseres, gemachtigde: mr. S.J.C. Anthonio, mr. L. van Veldhoven,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende in [woonplaats], gedaagde, procederend in persoon,

2. [gedaagde 2],

wonende in [woonplaats], gedaagde, procederend in persoon,

3. [gedaagde 3],

wonende in [woonplaats], gedaagde, procederend in persoon,

4. de naamloze vennootschap AQUALECTRA N.V.,

gevestigd in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. M.R. Hammoud.

De eisende partij wordt hierna SJB genoemd. De gedaagde partijen worden hierna afzonderlijk [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en Aqualectra genoemd. [gedaagde 1]en [gedaagde 2] worden gezamenlijk [gedaagden] genoemd.

Inleiding

SJB vordert in deze procedure dat [gedaagden] geen gebruik mag maken van de water- en elektraleidingen die over haar perceel lopen. Voor het geval zij dit wel moet gedogen, vordert zij een schadevergoeding. Het gerecht wijst de vorderingen af.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:

het verzoekschrift van SJB van 5 februari 2025 met 19 producties,

de conclusie van antwoord van [gedaagde 3] van 10 mei 2025,

de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] van 16 mei 2025 met 21 producties,

de conclusie van antwoord van [gedaagde 1]van 16 juni 2025 met 12 producties,

de conclusie van antwoord van Aqualectra van 16 juni 2025,

de akte eiswijziging van SJB van 25 augustus 2025,

de aanvullende producties 20 en 21 van SJB van 9 september 2025,

de mondelinge behandeling van 13 september 2025,

de pleitnotities van partijen, waaronder een schriftelijk schikkingsvoorstel van [gedaagde 1].

Ter zitting heeft SJB de vorderingen jegens [gedaagde 3] ingetrokken en is vonnis bepaald op vandaag. Ter zitting is afgesproken dat partijen het gerecht uiterlijk 10 november 2025 laten weten of er een schikking tot stand gekomen is. Op 31 oktober 2025 en 2 november 2025 heeft het gerecht respectievelijk van [gedaagde 1]en [gedaagde 2] bericht ontvangen, waaruit volgt dat dit niet het geval is. Op de verdere inhoud van de berichten heeft het gerecht, gelet op de beginselen van de goede procesorde (hoor & wederhoor), geen acht geslagen.

2. De feiten

SJB is eigenaar van het landgoed [landgoed]. Een deel van het landgoed is onderdeel van het verkavelingsplan ‘[verkavelingsplan 1]’. Het perceel van SJB grenst aan waterkavels (aan het Spaanse water) die door de rechtsvoorganger van het Land Curaçao (hierna: het Land) zijn verhuurd aan [gedaagde 1]en [gedaagde 2]. Meer specifiek; de kavels in het verkavelingsplan omsluiten de zoutpan en daarbij horende dijk die grenst aan de waterkavels zoals op onderstaande afbeelding is te zien.

gedaagde 1]heeft in 1984 en 1985 met de rechtsvoorganger van het Land Curaçao een huurovereenkomst gesloten ten aanzien van de waterkavels [kavel 1]en [kavel 2]. [gedaagde 1]heeft eerst op waterkavel [kavel 1] gewoond maar ongeveer zes jaar geleden is hij met zijn echtgenote naar de piramidewoning op waterkavel [kavel 2] verhuisd. De opstal op de waterkavel[kavel 1]wordt door [gedaagde 1]verhuurd aan derden.

gedaagde 2] heeft op 11 mei 2020 met het Land Curaçao een huurovereenkomst voor vijf jaar gesloten ten aanzien van waterkavels [kavel 3] en [kavel 4].

Tussen SJB en [gedaagden] bestaat een langlopend geschil over het gebruik van de waterkavels door [gedaagden] en de door hen veroorzaakte hinder aan SJB als eigenaar van het aangrenzende perceel. Tussen partijen zijn dan ook al vele vonnissen gewezen waarbij onrechtmatige hinder veroorzaakt door [gedaagden] reeds onherroepelijk is komen vast te staan en [gedaagden] ook inmiddels onherroepelijk zijn verboden zich over de grond van SJB toegang te verschaffen tot de door hen bebouwde waterkavels. Op dit moment loopt er een procedure waarin SJB het Land Curaçao vordert op te treden tegen het onrechtmatige gebruik en de veroorzaakte hinder van de waterkavels van [gedaagden]

De waterleidingen en elektriciteitsleidingen van zowel [gedaagde 1]als [gedaagde 2] lopen ondergronds (gedeeltelijk) over het terrein van SJB.

Op 25 juli 2024 heeft Aqualectra, zoals door SJB verzocht en gesommeerd, de water- en elektriciteitsvoorziening van [gedaagden] afgesloten.

gedaagden] hebben een kort geding procedure aanhangig gemaakt en hebben -kort gezegd- heraansluiting van water- en elektriciteit gevorderd. De kort geding rechter heeft deze vordering op 20 december 2025 toegewezen (CUR202404127).

3. De vordering en de standpunten van partijen

SJB vordert na eiswijziging en samengevat:

Primair

i) een verklaring voor recht dat SJB niet gehouden is om te gedogen dat [gedaagden] gebruik maken van de water- en elektriciteitsvoorzieningen die over of op de gronden van SJB zijn aangelegd of gevestigd;

ii) Aqualectra te veroordelen de aansluitingen ten behoeve van de waterkavels en woonboten definitief af te sluiten en te verwijderen;

Subsidiair

( iii) hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een vergoeding voor het gebruik van de gronden van SJB ten bedrage van Cg 500,00 per aansluiting per dag, althans een door het gerecht te bepalen bedrag;

Zowel primair als subsidiair

iv) Aqualectra te verbieden zonder schriftelijke toestemming van SJB opnieuw leidingen aan te leggen en aan te sluiten ten behoeve van de waterkavels;

v) [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in de bodemzaak

In de kern staat in de bodemzaak centraal of het eigendomsrecht van SJB prevaleert boven het recht van [gedaagden] op levering van water en elektra via het perceel van SJB op grond van artikel 5:58 BW. Het gerecht heeft daarover in het kort geding vonnis van 20 december 2024 (CUR202404127) het volgende overwogen:

Aan het verweer van SJB dat haar eigendomsrecht prevaleert boven het recht van [gedaagden] op levering van de nutsvoorzieningen via het perceel van SJB, gaat het gerecht in kort geding voorbij. Daarvoor is het volgende redengevend.

Uit artikel 5:58 lid 1 BW volgt dat de eigenaar van een erf die water dat elders te zijner beschikking staat, door een leiding wil aanvoeren, tegen vooraf te betalen of te verzekeren schadevergoeding van de eigenaars van naburige erven kan vorderen te gedogen dat deze leiding door of over hun erven gaat.

Aan het verweer van SJB dat haar eigendomsrecht prevaleert boven het recht van [gedaagden] op levering van de nutsvoorzieningen via het perceel van SJB, gaat het gerecht in kort geding voorbij. Daarvoor is het volgende redengevend.

Uit artikel 5:58 lid 1 BW volgt dat de eigenaar van een erf die water dat elders te zijner beschikking staat, door een leiding wil aanvoeren, tegen vooraf te betalen of te verzekeren schadevergoeding van de eigenaars van naburige erven kan vorderen te gedogen dat deze leiding door of over hun erven gaat.

Dat [gedaagden] huurders zijn van, respectievelijk, de waterkavels [kavel 2] en [kavel 4] is in kort geding onvoldoende weersproken. In kort geding kan daarom vooralsnog worden aangenomen dat die waterkavels rechtmatig door [gedaagden] worden gebruikt. Dat SJB thans een procedure heeft lopen tegen het Land aangaande de opzegging van die huurovereenkomsten, maakt het voorgaande niet anders. Ook is in kort geding voldoende aannemelijk geworden dat de waterkavels via het land slechts toegankelijk zijn via het perceel van SJB. Dat er inmiddels in verschillende procedures is geoordeeld dat [gedaagden] geen gebruik mogen maken van de percelen van SJB om zich toegang te verschaffen tot hun waterkavels en zij zich de toegang via het water kunnen/dienen te verschaffen, staat evenmin ter discussie. Dat uit die veroordelingen eveneens volgt dat de kabels en leidingen voor levering van de nutsvoorzieningen niet onder of over het perceel van SJB mogen lopen, is in kort geding onvoldoende vast komen te staan. Immers volgt uit een proces-verbaal uit 1996 met daaraan gehecht een overeenkomst tussen in ieder geval [gedaagde 1]en SJB dat daar reeds toen afspraken over zijn gemaakt. Uit de door SJB aangehaalde vonnissen volgt niet dat de veroordelingen ook specifiek zien op de toelevering van de nutsvoorzieningen via het perceel van SJB. In het licht van genoemd proces-verbaal acht het gerecht dit in kort geding vooralsnog onvoldoende aannemelijk geworden. Aan dit verweer van SJB wordt daarom in kort geding voorbij gegaan.

Dat [gedaagden] voor aanlevering van de nutsvoorzieningen wel echt alleen op het perceel van SJB zijn aangewezen is in kort geding voldoende aannemelijk geworden. Aqualectra heeft gemotiveerd uiteengezet dat aanlevering via zee geen reële optie is en het perceel van SJB de enige reële optie hiervoor betreft. Daar komt bij dat de kabels en leidingen ook al jaren via het perceel van SJB waren aangelegd. Aqualectra heeft middels een door haar ter zitting getoonde map laten zien hoe de aanleg over het perceel van SJB liep, wat overigens een bestaand netwerk betreft via welk netwerk ook andere buren van SJB van de nutsvoorzieningen worden voorzien. Dit is door SJB onvoldoende weersproken.

Aan het verweer van SJB dat zij onrechtmatige hinder ondervindt van de kabels en leidingen wordt voorbij gegaan. Ter onderbouwing van de onrechtmatige hinder is door SJB in kort geding aangevoerd dat zij zelf in haar gebruik van het perceel wordt belemmerd. Tevens is door SJB gewezen op het stelselmatig negeren van vonnissen door [gedaagden] betreffende het onrechtmatige gebruik van het perceel van SJB. SJB heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [gedaagden] vooralsnog rechtmatig gebruik maken van de waterkavels en de daarop gebouwde woningen. Door SJB is verwezen naar een door haar jegens het Land aanhangig gemaakte procedure aangaande de (on)rechtmatigheid van de tussen [gedaagden] en het Land gesloten huurovereenkomsten voor de waterkavels. In die procedure is nog niet onherroepelijk beslist, zodat vooralsnog niet vast staat, dan wel voldoende aannemelijk is geworden, dat [gedaagden] onrechtmatig gebruik maken van de waterkavels. Dat SJB te zijner tijd de dijk waarop in ieder geval de woning van [gedaagde 1]is gebouwd, wil openbreken ter ontwikkeling van de zoutpan en de kabels en leidingen dit zullen frustreren, kan daarom niet tot de conclusie leiden dat er sprake is van onrechtmatige hinder. Van het openbreken van de dijk kan immers nog geen sprake zijn, zolang [gedaagden] rechtmatige huurders en gebruikers zijn van de waterkavels. Ook het argument aangaande het stelselmatig niet respecteren van de vele vonnissen door [gedaagden] betreffende het onrechtmatige gebruik door hen van het perceel van SJB, kan het verweer dat de kabels en leidingen voor de nutsvoorzieningen ten behoeve van [gedaagden] onrechtmatige hinder veroorzaken voor SJB, niet dragen. Dat er voor het overige sprake is van onrechtmatige hinder veroorzaakt door de kabels en leidingen die daar toch al ondergronds lopen, ook ten behoeve van andere buren, is door SJB onvoldoende gesteld en betoogd.

Dan rest het verweer van SJB dat 5:58 BW niet ziet op waterkavels, zoals die in gebruik bij [gedaagden] maar alleen landkavels, terwijl [gedaagden] evenmin als eigenaren van de waterkavels te gelden hebben zodat ook om die reden aan hen geen beroep op artikel 5:58 BW toekomt. Nog daargelaten dat dit artikel alleen ziet op waterleidingen en geen overige voorzieningen.

Ook aan dit verweer gaat het gerecht voorbij. Het gerecht is voorlopig in kort geding van oordeel dat artikel 5:58 lid 1 BW naar analogie moet worden toegepast op de waterpercelen in gebruik bij [gedaagden] die aan hen ter bebouwing en gebruik in huur zijn uitgegeven door het Land. Nu [gedaagden] vooralsnog als rechtmatige huurders van die percelen te gelden hebben en die percelen ook zelf gebruiken, komt naar het voorlopig oordeel van het gerecht ook aan hen een beroep op voornoemd artikel toe. Bovendien volgt uit de wetsgeschiedenis van voornoemd artikel dat dit naar omstandigheden ook naar analogie van toepassing is op andere leidingen dan alleen een noodwaterleiding. Het gerecht is voorlopig van oordeel dat gelet op de omstandigheden van het geval, namelijk dat er al een bestaand netwerk is en onrechtmatige hinder in kort geding niet aannemelijk is geworden, analoge toepassing van dit artikel op ook de levering van elektriciteit gerechtvaardigd is.

Gelet op al het voorgaande is het gerecht voorlopig van oordeel dat SJB vooralsnog moet gedogen dat de kabels en leidingen voor levering van de nutsvoorzieningen door Aqualectra aan de waterkavels [kavel 2] en [kavel 4] van respectievelijk [gedaagde 1]en [gedaagde 2] via haar perceel door haar moet worden gedoogd. Dit zolang door een bodemrechter in een bodemprocedure niet anders is beslist en zolang door [gedaagden] op basis van een rechtmatige titel gebruik wordt gemaakt van de waterkavels. De kosten voor het aanleggen van die kabels en leidingen komt voor rekening van [gedaagden]

De bodemrechter is niet gebonden aan het (voorlopig) oordeel van de kort geding rechter. Door SJB zijn echter geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen die maken dat het voorlopig oordeel in kort geding, dat door het gerecht wordt onderschreven, in deze bodemzaak geen stand zou kunnen houden. Het gerecht neemt het oordeel van de kort gedingrechter dan ook over en maakt het tot de zijne. In aanvulling hierop overweegt de bodemrechter nog het volgende.

Definitie erf

Met betrekking tot de vraag of een waterperceel een erf (in de zin van artikel 5:58 BW) is, staat vast dat het Burgerlijk Wetboek geen definitie geeft van het woord erf. In de MvA II, Parl. Gesch., p. 123 staat hierover echter opgenomen:

Het woord ‘erf’(…) heeft in het ontwerp de betekenis van ‘grondstuk’, waarbij zowel aan land- als aan waterpercelen moet worden gedacht, en inclusief eventuele op het grondstuk staande opstallen.

Hierin wordt het oordeel van de kort geding rechter dat ook een waterperceel onder de definitie ‘erf’ valt, bevestigd. Er kan dus door [gedaagden] een beroep worden gedaan op artikel 5:58 BW en dat beroep slaagt op grond van hetgeen de kort geding rechter daarover heeft overwogen.

Huurovereenkomst [gedaagde 2]

Ten aanzien van het door de kort geding rechter voorlopig aangenomen rechtmatig gebruik van het waterperceel door [gedaagde 2] (nu de huurovereenkomst in beginsel voor 5 jaar tot 11 mei 2025 is aangegaan) overweegt de bodemrechter als volgt. [gedaagde 2] heeft gemotiveerd betwist dat zijn huurovereenkomst is verlopen. Hij heeft daarover aangevoerd dat hij om verlenging van de huurtermijn heeft gevraagd en dat hij nog steeds feitelijk verblijft in de woning op het waterkavel [kavel 4] (en dus niet op zijn boot zoals SJB stelt). Dat volgens SJB uit de aanhangige procedure tegen het Land (een procedure waarbij [gedaagden] geen partij zijn) tot nu toe zou volgen dat vermoedelijk onrechtmatig gebruik gemaakt zou worden van de waterkavels, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Hinder

Ten aanzien van de door SJB gestelde hinder is op zitting gebleken dat de hinder vooral bestaat uit het feit dat de opstallen van [gedaagden] op de waterkavels in de weg staan aan de ontwikkelingsplannen van SJB. De rechter heeft SJB gevraagd aan te wijzen op de kaart, waarop de leidingen te zien zijn (productie 8 bij het verzoekschrift), waar het probleem voor wat betreft de leidingen precies zit. De vertegenwoordiger van SJB verklaarde echter niet te weten waar de leidingen precies lagen en Aqualectra voegde daaraan toe dat de leidingen, die [gedaagde 1] gebruiken, ook gebruikt worden voor andere percelen en dus helemaal niet verwijderd kunnen worden.

In het (tussen)vonnis van de procedure tegen het Land staat als standpunt van SJB bovendien opgenomen:

Het Land levert volgens SJB directe hinder door de toegang tot het Spaanse Water te beperken. Zo zou SJB, door de opstallen, woningen en pieren, de dam niet kunnen doorbreken en geen vrije toegang hebben tot de zoutpan voor het uitbaggeren en ontwikkeling van haar percelen met bouw/woondoeleinde. Ook wordt het uitzicht van de waterkavels compleet ontnomen.

Dit bevestigt andermaal dat het daadwerkelijke probleem niet de leidingen zijn, maar de opstallen van [gedaagde 1] SJB heeft dan ook geen rechtens te respecteren belang om [gedaagden] van water en elektra af te sluiten.

De conclusie is dat SJB op grond van 5:58 BW moet gedogen dat [gedaagden] gebruik maken van de leidingen voor levering van water en elektra die over of op de gronden van SJB lopen.

Schadevergoeding

De volgende vraag is of een schadevergoeding aan SJB moet worden toegewezen. Artikel 5:58 BW bepaalt namelijk ook dat er een schadevergoeding staat tegenover het gedogen van het gebruik van de grond voor de water- en elektraleidingen. SJB heeft een schadevergoeding gevorderd van

Cg 500,00 per dag per aansluiting per perceel. SJB heeft dit bedrag gebaseerd op de geschatte financiële schade van Cg 15.000,00 per maand door de verminderde waarde van de gronden, de beperking van ontwikkelingsmogelijkheden en de inbreuk van haar eigendomsrechten. [gedaagde 1] heeft de schade betwist.

Het gerecht is van oordeel dat de gevorderde schadevergoeding niet kan worden toegewezen en overweegt daartoe als volgt. Zoals SJB stelt bestaat de schade uit de verminderde waarde van de gronden en in de beperking van ontwikkelingsmogelijkheden. Die schade wordt primair veroorzaakt door de aanwezige opstallen van [gedaagden] en niet door (het gebruik) van de leidingen (zie ook 4.5.). Er ontbreekt dus een causaal verband tussen het gebruik van de leidingen en de gestelde schade. Wat de schade is, enkel en alleen als gevolg van (het gebruik van) de grond van SJB voor de water- en elektraleidingen, heeft SJB niet onderbouwd. Het gerecht ziet geen aanleiding een ander bedrag toe te wijzen, nu er geen aanknopingspunten zijn de hoogte van de schade, voorzover die er al is, te bepalen.

De conclusie is dat alle vorderingen van SJB zullen worden afgewezen. SJB zal worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde 1]en Aqualectra tot op heden aan gemachtigdensalaris begroot op Cg 1.250,00 voor [gedaagde 1] en Cg 2.500,00 voor Aqualectra. De door Aqualectra gevorderde nakosten en door de [gedaagde 1]en Aqualectra gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen zoals in het dictum is omschreven.

5. De beslissing

Het gerecht:

wijst de vorderingen van SJB af,

veroordeelt SJB in de proceskosten van [gedaagde 1]tot op heden begroot op

Cg 1.250,00,

veroordeelt SJB in de proceskosten van Aqualectra tot op heden begroot op Cg 2.500,00, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening,

bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald,

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Woerdman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand