GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202500235
Vonnis van 20 oktober 2025
in de zaak van
[eiseres], wonende in [woonplaats], eiseres, gemachtigde: mr. E.A. Knoppel,
tegen
[gedaagde],
gevestigd in [woonplaats], gedaagde, gemachtigde: mr. R.Ch. Luttikhuizen,
Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.
Inleiding
In deze zaak gaat het om de vraag of een schadevergoeding na een kennelijk onredelijk ontslag, die ongeveer een jaar na de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap aan de man is toegekend, volledig moet worden verbeurd aan de vrouw vanwege opzettelijke verzwijging daarvan. Het gerecht wijst de vordering af, omdat geen sprake is van een vordering die behoort tot de huwelijksgemeenschap en bovendien onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van opzettelijke verzwijging.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 23 januari 2025, met producties;
de conclusie van antwoord van 12 mei 2025, met producties;
de mondelinge behandeling van 8 september,
de pleitnotities.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Op [huwelijksdatum] 2009 zijn partijen binnen gemeenschap van goederen gehuwd.
gedaagde] is per brief van 18 juni 2020 met ingang van 18 oktober 2020 ontslagen door zijn voormalige werkgever.
Op 30 november 2020 hebben partijen ter verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap (hierna: de gemeenschap) een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) opgesteld.
In 4.11 van het convenant is het volgende opgenomen:
Overige baten en schulden welke door partijen niet in dit convenant worden genoemd, doch waarvan na de datum van ondertekening van dit convenant nog verdeling dient plaats te vinden, zullen separaat door partijen gedragen worden.
Op 23 maart 2021 heeft [gedaagde] een verzoek tot (primair) herstel van de arbeidsovereenkomst en (subsidiair) schadevergoeding ingediend in verband met een volgens hem kennelijk onredelijk ontslag.
Op 15 oktober 2021 heeft het gerecht geoordeeld dat het ontslag van [gedaagde] kennelijk onredelijk was. Het gerecht heeft [gedaagde] een schadevergoeding van Cg 200.000,00 toegekend (hierna: de schadevergoeding).
3. De vordering en de standpunten van partijen
eiseres] vordert - samengevat - dat het gerecht (i) haar verlof verleend kosteloos te procederen, (ii) voor recht verklaart dat de vordering uit hoofde van de schadevergoeding tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort, (iii) de vordering terzake de schadevergoeding te verdelen in die zin dat [gedaagde] deze volledig verbeurt ten gunste van [eiseres] wegens opzettelijke verzwijging en (iv) [gedaagde] veroordeelt Cg 200.000,00 aan [eiseres] te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De vordering uit hoofde van de arbeidsrelatie van [gedaagde] bestond sinds de ontslagbrief op 18 juni 2020 en dus al tijdens het tekenen van het convenant. Omdat [gedaagde] deze vordering opzettelijk heeft verzwegen, heeft hij de vordering a Cg 200.000,00 op grond artikel 3:194 lid 2 Rv verbeurd aan [eiseres].
gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat (i) geen sprake is van een vordering die tot de gemeenschap behoort, (ii) de vordering op het moment van ondertekenen van het convenant niet bekend was, laat staan dat [gedaagde] deze opzettelijk heeft verzwegen, (iii) de schadevergoeding ziet op de inkomensderving van [gedaagde] en het convenant hierin al voorziet door de toekenning van partneralimentatie (mits [gedaagde] inkomen had) die altijd is betaald, (iv) de vordering hoogstpersoonlijk is en dus verknocht aan [gedaagde] en (v) artikel 4.11 in
het convenant is opgenomen om discussies als de onderhavige te voorkomen. Het verzochte verlof om kosteloos te procederen moet volgens [gedaagde] worden afgewezen, omdat [eiseres] na de verdeling allesbehalve onvermogend is gebleven.
4. De beoordeling
In deze zaak staat de vraag centraal of [eiseres] met succes een beroep kan doen op artikel 3:194 lid 2 BW. Het gerecht is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.
In artikel 3:194 lid 2 BW staat dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel verbeurt in die goederen aan de andere deelgenoten. In deze zaak vordert [eiseres] op grond van dit artikel Cg 200.000,00 van [gedaagde] die hij als
schadevergoeding vanwege zijn kennelijk onredelijk ontslag door het gerecht
toegewezen heeft gekregen.
Als meest verstrekkende verweer heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat de schadevergoeding geen goed c.q. vordering is die tot de gemeenschap behoort. Het gerecht volgt dit standpunt. Naar het oordeel van het gerecht was de vordering, de schadevergoeding die op 15 oktober 2021 aan [gedaagde] is toegekend, ten tijde van het ondertekenen van het convenant op 30 november 2020 (dus bijna een jaar later) daarvoor te onzeker en onbepaald. Het gerecht zal dat hieronder uitleggen.
Dat [gedaagde] een schadevergoeding uit hoofde van zijn dienstverband zou krijgen, was ten tijde van he ondertekenen van het convenant nog helemaal niet
zeker, laat staan wat de hoogte daarvan was. Het verzoek was nog niet ingediend bij het gerecht. Verder was [gedaagde] na indiening van het verzoek op 23 maart 2021 met betrekking tot de uitkomst van de procedure volledig afhankelijk van de beslissing van het gerecht. Daarbij speelt mee dat de inzet van [gedaagde] altijd herstel van de arbeidsovereenkomst (middels een
mobiliteitstraject) is geweest en dus niet (primair) toekenning van een
schadevergoeding. Als het gerecht dat herstel had toegewezen, was er dus
überhaupt geen sprake van een schadevergoeding c.q. vordering geweest.
Daarbij komt dat [eiseres] op de hoogte was van het ontslag van [gedaagde] en zij heeft de helft van de Cessantia ontvangen. Zij had dus zelf (bijgestaan door een advocaat) in het convenant een voorbehoud ten aanzien van eventuele toekomstige vorderingen uit hoofde van het ontslag van [gedaagde] kunnen opnemen. Dit heeft zij niet gedaan. In tegendeel; in 4.11 van het convenant is uitgesloten dat er nog een vordering, die niet in het convenant is genoemd, verdeeld moet worden.
Gelet op het voorgaande kan ook het mondelinge verzoek van [eiseres] de schadevergoeding - ook als geen sprake zou zijn van opzettelijk verzwijgen - te verdelen, dat zij aan het eind van de zitting heeft gedaan (voor zover al niet tardief), niet worden toegewezen. 4.7. Bovendien is de stelling dat [gedaagde] de vordering - al zou deze al tot de gemeenschap hebben behoord - opzettelijk heeft verzwegen, onvoldoende
onderbouwd. [gedaagde] heeft op 23 maart 2021 een verzoek bij de rechter ingediend, terwijl het convenant in november 2020 (dus vier maanden daarvoor) is
ondertekend. Dat [gedaagde] bier opzettelijk mee zou hebben gewacht en de 'vordering' zou hebben verzwegen volgt nergens uit. Dat uit zijn agenda blijkt dat hij al in juli
2020 contact heeft gehad met zijn advocaat is daarvoor onvoldoende. Hij had toen net zijn ontslagbrief ontvangen en [gedaagde] heeft toegelicht dat hij het tijdens dat gesprek vooral heeft gehad over het mobiliteitstraject, omdat hij graag aan het werk wilde blijven als klinisch chemicus. Dit volgt ook uit het verzoekschrift dat hij heeft ingediend, waarbij hij primair verzoekt om herstel van de arbeidsovereenkomst en subsidiair om schadevergoeding.
Tot slot merkt het gerecht nog op dat een toegewezen schadevergoeding als gevolg van een kennelijk onredelijk ontslag bedoeld is om de inkomensderving te compenseren. Zoals [gedaagde] terecht stelt is het component 'inkomsten' al meegenomen in het convenant. De partneralimentatie is namelijk vastgesteld op
Cg 600,00 per maand, mits [gedaagde] inkomsten heeft. [gedaagde] heeft dit bedrag tot nu toe elke maand aan [eiseres] betaald (ondanks dat hij in eerste instantie na zijn ontslag geen inkomsten had). Het argument van [eiseres] dat dit bedrag te laag is en dat zij moeilijk rondkomt, kan in deze procedure niet worden meegenomen. Bovendien heeft [gedaagde] hier tegenin gebracht dat het convenant een 'totaal pakket' was, omdat [eiseres] ook een woning in Rotterdam toebedeeld heeft gekregen en daaruit huurinkomsten ontvangt.
De conclusie is de verzoeken van [eiseres] in zoverre zullen worden afgewezen. De overige verweren kunnen onbesproken blijven.
Het verzoek van [eiseres] verlof te verlenen teneinde kosteloos te procederen zal wel worden toegewezen. [eiseres] heeft dit onderbouwd met een 'Verklaring van Onvermogen' van de Directeur Sector Sociale Ontwikkeling. [gedaagde] heeft hier weliswaar tegenin gebracht dat [eiseres] allesbehalve onvermogend is vanwege de huurinkomsten uit de toebedeelde woning, maar [eiseres] heeft gemotiveerd gesteld dat die inkomsten (na aftrek hypotheeklasten en overige kosten) minimaal zijn, net als haar overige inkomsten (mede omdat zij nog geen betaalde baan heeft).
eiseres] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] tot op heden aan gemachtigdensalaris begroot op
Cg 4.000.
5. De beslissingHet gerecht:
verleent [eiseres] verlof kosteloos te procederen;
wijst de overige vorderingen af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde] tot op heden begroot op Cg 4.000.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman, rechter, en in het openbaar uitgesproken.