GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202503694
Vonnis in kort geding van 17 oktober 2025
in de zaak van
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser, procederende in persoon,
tegen
de besloten vennootschap THE O HARBOURFRONT HOTEL B.V.
h.o.d.n. HARBOR HOTEL CURAÇAO, HARBOR HOTEL & CASINO CURAÇAO,
gevestigd te Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. G.A.A. Merselina.
Partijen worden hierna [eiser] en Harbor genoemd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 8 september 2025,
de akte zijdens gedaagde van 9 september 2025
de mondelinge behandeling op 15 oktober 2025,
de pleitnotities.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
eiser] is per 9 augustus 2024 bij Harbor voor bepaalde tijd in dienst getreden als souschef, voor 40 uur in de week en tegen een uurloon van Cg 36,415. De arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd op 9 augustus 2025.
eiser] is van 22 januari 2025 tot en met 9 april 2025 voor 100% arbeidsongeschikt verklaard. Van 10 april 2025 tot en met 26 mei 2025 is hij voor 50% arbeidsongeschikt verklaard. Vanaf 27 mei 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst is hij opnieuw voor 100% arbeidsongeschikt verklaard.
Bij brief van 23 juli 2025 schrijft Harbor aan [eiser] dat de arbeidsovereenkomst op 8 augustus 2025 afloopt en dat openstaande vakantie-uren bij de laatste salarisbetaling zullen worden voldaan.
Op de salarisstrook over augustus 2025 staat dat er 146,56 vakantie-uren resteren. Deze zijn niet uitgekeerd.
eiser] heeft Harbor op 2 september 2025 bij brief gesommeerd tot betaling. In de brief staat, voor zover relevant: :
Per 9 augustus 2025 is mijn arbeidsovereenkomst bij The O'Harbourfront Restaurant B.V. d.v.a. Harbor Restaurant Curaçao beëindigd. Volgens uw brief van 23 juli 2025 (Productie 1) zou de uitbetaling van mijn openstaande vakantie-uren plaatsvinden bij de laatste salarisbetaling. Tot op heden is dit echter niet gebeurd, ondanks verzoek mijnerzijds. Reactie van uw kant is uitgebleven.
Het betreft 146,56 openstaande vakantie-uren à Xcg. 34,615 per uur (Productie 2), wat neerkomt op een totaalbedrag van Xcg. 5.073,17 bruto. Conform het Burgerlijk Wetboek van Curaçao en de inhoud van uw eigen brief heb ik recht op uitbetaling van dit bedrag bij beëindiging van mijn dienstverband.
Ik sommeer u hierbij het bovengenoemde bedrag binnen vijf (5) dagen na dagtekening van deze brief volledig aan mij uit te betalen. Bij uitblijven van betaling behoud ik mij het recht voor om aanspraak te maken op de wettelijke verhoging en rente conform art. 7a:1614q BW, en om rechtsmaatregelen te treffen ter incasso van mijn vordering. Alle hiermee samenhangende kosten zullen eveneens op u worden verhaald.
Daarnaast wijs ik u op artikel 7A:1614z BW Curaçao, waarin is bepaald dat de werkgever verplicht is bij het eindigen van de dienstbetrekking de werknemer op diens verzoek een getuigschrift te verstrekken. Ik verzoek u dan ook om dit getuigschrift uiterlijk gelijktijdig met de uitbetaling van de bovengenoemde vordering aan mij te overhandigen.
Op 8 september 2025 heeft [eiser] een e-mail van Harbor ontvangen, voor zover relevant, inhoudende:
Conform artikel 3, lid 1, sub a van de Vakantieregeling 1949 vervalt de aanspraak op vakantiedagen over een kalenderjaar indien de werknemer gedurende dat jaar ten minste zes maanden afwezig is geweest wegens ziekte of ongeval. Uit onze administratie blijkt dat u vanaf 22 januari tot en met 4 april 2025 volledig arbeidsongeschikt was, vervolgens drie weken 50% arbeidsongeschikt en vanaf eind april tot het einde van uw dienstverband opnieuw volledig arbeidsongeschikt. Uw totale arbeidsongeschiktheid gedurende dit kalenderjaar heeft derhalve langer dan zes maanden geduurd, waardoor u niet in aanmerking komt voor uitbetaling van de betreffende vakantiedagen.
Wat betreft uw verzoek om een getuigschrift, zullen wij u een neutraal gedirigeerd getuigschrift spoedig toezenden.
Op 14 oktober 2025 heeft [eiser] een getuigschrift van Harbor ontvangen.
3. De vordering en de standpunten van partijen
eiser] heeft gevorderd dat het gerecht, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Harbor veroordeelt tot betaling van Cg 5.073,17 bruto, zijnde de waarde van 146,56 openstaande vakantie-uren à Cg 34,615 per uur, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2025, tot de dag der algehele voldoening;
Harbor veroordeelt tot betaling van de wettelijke verhoging wegens te late betaling van loon conform art. 7A:1614q BW;
voor recht verklaart dat Harbor heeft gehandeld in strijd met de verplichting zich als goed werkgever te gedragen (art. 7A:1614y BW);
Harbor veroordeelt tot afgifte van een deugdelijk en volledig getuigschrift conform art. 7A:1614z BW, op straffe van een dwangsom van Cg. 150 per dag dat gedaagde hiermee in gebreke blijft, met een maximum van Cg 7.500;
voor recht verklaart dat Harbor aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden door het niet tijdig verstrekken van een getuigschrift;
Harbor veroordeelt tot betaling van de proceskosten, waaronder begrepen het griffierecht, de kosten van betekening van de dagvaarding, de nakosten en de kosten voor tenuitvoerlegging, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
bepaalt dat ook bij betaling voor de zitting Harbor gehouden blijft tot betaling van de proceskosten, alsmede de gevorderde rente.
Harbor heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.
4. De beoordeling
Het gerecht is van oordeel dat [eiser] gelet op zijn financiële situatie – hij heeft thans geen werk en inkomen – een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.
De gevorderde verklaringen voor recht zullen worden afgewezen. Dit kan niet worden gevorderd in kort geding. De voorzieningen die in kort geding
getroffen worden hebben een tijdelijk karakter. Een declaratoir oordeel, zoals een verklaring van recht, stelt de rechtstoestand tussen partijen vast en is dus naar haar aard niet voorlopig.
Harbor heeft ter zitting toegezegd dat, in afstemming met [eiser], een (nader) getuigschrift zal worden verstrekt. Hiermee is het belang aan deze vordering komen te ontvallen. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
In artikel 3 lid 1 sub a van de Landsverordening van 19 februari 1949 houdende bepalingen inzake verplichte vakantieregeling, is bepaald dat de aanspraak op vakantie over een afgelopen jaar vervalt, indien de arbeider gedurende dat jaar in totaal tenminste zes maanden (derhalve 180 dagen) van zijn werk is weggebleven wegens ziekte of ongeval.
Het gerecht stelt vast dat [eiser] van 9 augustus 2024 tot 9 augustus 2025 in dienst is geweest bij Harbor. Niet in geschil is dat hij volledig arbeidsongeschikt was van 22 januari 2025 tot en met 9 april 2025 (78 dagen) en van 27 mei 2025 tot en met 8 augustus 2025 (74 dagen). Daarnaast was hij gedeeltelijk (50%) arbeidsongeschikt van 10 april 2025 tot en met 26 mei 2025 (47 dagen). Deze gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid dient voor de helft te worden meegenomen, wat neerkomt op 23,5 dagen. Dat is in totaal 175,5 dagen. De totale afwezigheid wegens ziekte en ongeval is daarmee minder dan de vereiste periode van zes maanden (180 dagen).
Harbor heeft ter zitting gesteld dat [eiser] meer dan 180 dagen van zijn werk is weggebleven, nu hij vaak onbereikbaar was en voorts zijn werkzaamheden tijdens zijn 50% arbeidsongeschiktheid onvoldoende heeft ingevuld. Nu dit eerst ter zitting naar voren is gebracht, niet is onderbouwd en door [eiser] is betwist gaat het gerecht aan deze stellingen voorbij.
Uit het voorgaande volgt dat [eiser] aanspraak kan maken op uitkering van de vakantiedagen. De vordering van [eiser] om Harbor te veroordelen tot betaling van het vakantiegeld zal daarom worden toegewezen. Ook de gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW zal worden toegewezen, met dien verstande dat het gerecht de wettelijke verhoging zal beperken tot maximaal 5%.
Harbor zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [eiser] worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 450 aan griffierecht en Cg 332,47 oproepingskosten. De gevorderde wettelijke rente en de nakosten worden toegewezen zoals hierna onder de beslissing vermeld.
De gevorderde kosten voor tenuitvoerlegging worden afgewezen, nu deze kosten niet vaststaan en op grond van artikel 3:277 BW uit de opbrengst van een eventuele executie worden voldaan.
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.
5. De beslissing in kort geding
Het gerecht:
veroordeelt Harbor tot betaling aan [eiser] van een bedrag van Cg 5.073,17 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt Harbor tot betaling van 5% wettelijke verhoging op grond van artikel 7A:1614q BW;
veroordeelt Harbor in de proceskosten van Cg 782,47, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening;
bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na dit vonnis en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.W.J. Vinkes, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.