GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202500473
Beschikking van 22 april 2025
in de zaak van
[[werkneemster]], wonende in [woonplaats],verzoekster,
hierna: [werkneemster],
gemachtigde: mr. S.I. Da Costa Gomez,
tegen
SUN RISING GREEN BIO B.V.,
gevestigd in Curaçao,verweerster,
hierna: werkgeefster,
gemachtigden: mr. G.C.A. Scheperboer-Parris en mr. E.L. Virginie.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van 11 februari 2025, met producties;
- het verweerschrift, met producties.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Waar gaat de procedure over?
werkneemster] is op staande voet ontslagen. Zij is het hier niet mee eens en wil dat het gerecht het ontslag nietig verklaart en dat het (achterstallige) salaris wordt doorbetaald. Werkgeefster voert verweer, maar als het gerecht oordeelt dat het ontslag nietig is vraagt werkgeefster ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Verder vordert werkgeefster betaling van facturen voor behandelingen en medicijnen die [werkneemster] heeft afgenomen bij werkgeefster.
Het gerecht zal het verzoek van [werkneemster] toewijzen. Dit betekent dat het (voorwaardelijke) verzoek van werkgeefster moet worden beoordeeld. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met de toekenning van een vergoeding en [werkneemster] moet een deel van de facturen aan werkgeefster betalen. Hoe het gerecht tot dit oordeel komt wordt hierna toegelicht, na eerst de feiten te hebben vermeld.
3. De feiten
werkneemster] is sinds 15 juni 2022 in dienst bij werkgeefster in de functie van assistent secretaresse/administratief medewerkster. Het maandsalaris bedraagt
Cg 2.750 bruto.
Op 23 september 2024 heeft werkgeefster [werkneemster] met terugwerkende kracht per 17 augustus 2024 op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief zijn de volgende gronden voor het ontslag gegeven:
- het zonder opgaaf van redenen niet meer op het werk verschijnen (artikel 7A:1615o lid 1 BW);
- het grovelijk niet nakomen van de verplichting uit artikel 10 arbeidsovereenkomst.
Op 20 november 2024 heeft [werkneemster] de nietigheid van het ontslag ingeroepen.
4. Het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek
werkneemster] verzoekt – samengevat – dat het gerecht het ontslag op staande voet nietig verklaart en dat werkgeefster wordt veroordeeld het vertragingssalaris (artikel 7A:1614q BW) te betalen en de wettelijke rente over het salaris, met veroordeling van werkgeefster in de kosten van de procedure.
Werkgeefster voert verweer. Als het gerecht het ontslag op staande voet echter nietig verklaart verzoekt werkgeefster de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] te ontbinden wegens veranderingen in de omstandigheden.
Werkgeefster vordert betaling van facturen terzake van behandelingen en medicijnen.
5. De beoordeling
Het verzoek van [werkneemster]
Kosteloos procederen
Uit het overgelegde bewijs van onvermogen blijkt voldoende van het onvermogen van [werkneemster], zodat haar toestemming zal worden verleend om kosteloos te procederen.
Nietigheid van het ontslag
werkneemster] wil dat het ontslag op staande voet nietig wordt verklaard. Zij is van mening dat een dringende reden ontbreekt. Het gerecht moet daarom beoordelen of er een dringende reden is voor het ontslag op staande voet.
Een arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd zonder opzegging of zonder dat de voor opzegging geldende bepalingen in acht worden genomen als de werkgever daarvoor een dringende reden heeft die onverwijld aan de werknemer is meegedeeld (artikel 7A:1615o lid 1 BW). Als dringende reden worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
Volgens vaste rechtspraak moet het gerecht bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een ontslag op staande voet alle omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang beschouwd, in aanmerking nemen. Het gaat daarbij onder meer om de aard en ernst van de dringende reden en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Van belang is verder dat het de werkgever is die moet stellen en bewijzen dat sprake is van een dringende reden.
Geen dringende reden
De gronden voor het ontslag staan in de ontslagbrief (geciteerd onder 3.2 van deze beschikking). Het gaat hier om een ontslag op staande voet dat met terugwerkende kracht is gegeven. Werkgeefster heeft tijdens de zitting verklaard dat de ontslagdatum 19 augustus 2024 is en niet 17 augustus 2024 zoals abusievelijk in de ontslagbrief staat vermeld. Het gerecht gaat daarom verder uit van 19 augustus 2024.
Werkgeefster verwijt [werkneemster] dat zij zonder opgave van redenen niet op het werk is verschenen. In de ontslagbrief staat geschreven ‘Sinds 17 augustus 2024 [lees: 19 augustus 2024] bent u niet meer verschenen op Uw werkplek. Tot verbazing van werkgeefster heeft U tot heden noch mondeling noch schriftelijk mededeling gedaan over uw afwezigheid’. Dit strookt echter niet met wat werkgeefster in deze procedure naar voren heeft gebracht. Werkgeefster voert namelijk aan dat [werkneemster] zich op 14 augustus 2024 zowel bij haar als bij SVB heeft ziekgemeld. Op 19 augustus 2024 heeft [werkneemster] zich wederom bij werkgeefster ziekgemeld. Werkgeefster wist dus waarom [werkneemster] niet afwezig was. Werkgeefster stelt nu dat [werkneemster] zich op 19 augustus 2024, volgens de regels van SVB, ook bij SVB had moeten ziekmelden maar dat niet heeft gedaan. Dat is niet wat in de ontslagbrief is vermeld en had [werkneemster] ook niet uit de ontslagbrief hoeven te begrijpen. Werkgeefster kan dit nu niet (achteraf) aan het ontslag op staande voet ten grondslag leggen. De dringende reden die is meegedeeld fixeert immers de ontslaggrond. Ook kan niet meewegen wat er na de ontslagdatum van 19 augustus 2024 is gebeurd.
De tweede ontslaggrond is het verwijt dat [werkneemster] sinds haar afwezigheid de verplichtingen uit artikel 10 van de arbeidsovereenkomst niet nakomt. In artikel 10 is bepaald dat als [werkneemster] zonder bericht niet op het werk verschijnt dit een dringende reden voor ontslag oplevert. Dit is in feite hetzelfde als de hiervoor besproken ontslaggrond en behoeft dus geen verdere beoordeling.
De conclusie is dat een dringende reden voor het ontslag op staande voet ontbreekt. Het gerecht zal het ontslag op staande voet nietig verklaren.
Doorbetaling salaris
Omdat het ontslag op staande voet door het gerecht nietig zal worden verklaard duurt de arbeidsovereenkomst voort en heeft [werkneemster] in principe recht op doorbetaling van het salaris totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Hoewel niet helemaal op die manier geformuleerd begrijpt het gerecht dat [werkneemster] onder 2 van haar verzoek bedoeld heeft te vorderen doorbetaling van het salaris vermeerderd met de wettelijke verhoging (artikel 7A:1614q BW) en rente. Werkgeefster heeft onweersproken gesteld dat het salaris tot en met 16 augustus 2024 is betaald zodat het salaris vanaf 17 augustus 2024 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd wordt toegewezen. Over het salaris wordt wettelijke rente toegewezen vanaf de opeisbaarheid van de verschillende termijnen. De wettelijke verhoging wordt ook toegewezen maar zal worden gematigd tot 25%.
Proceskosten
Werkgeefster zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [werkneemster] worden tot op heden begroot op Cg 1.250 aan salaris voor de gemachtigde en Cg 50 aan griffierecht.
Het verzoek van werkgeefster
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst
Werkgeefster heeft een tegenverzoek gedaan voor het geval, dat zich nu voordoet, het ontslag op staande voet nietig wordt verklaard. Zij wil dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden.
Uitgangspunt bij de beoordeling van het ontbindingsverzoek is dat de werkgever op grond van artikel 7A:1615w lid 1 BW de rechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige redenen. Als gewichtige redenen worden beschouwd omstandigheden, die een dringende reden, als bedoeld in artikel 7A:1615o eerste lid BW zouden hebben opgeleverd, als ook veranderingen in de omstandigheden die van dien aard zijn, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
Werkgeefster heeft verklaard dat zij elk vertrouwen in [werkneemster] is verloren en dat de arbeidsrelatie met [werkneemster] ernstig is verstoord. Zij verwijst naar gebeurtenissen die na 19 augustus 2024 hebben plaatsgevonden zoals het gesprek bij SOAW op 28 augustus 2024 en een brief van [werkneemster] waarin zij aanspraak maakt op betaling van een bedrag van circa Cg 130.000, als ook op klachten van collega’s over [werkneemster]. Tijdens de zitting kwam echter naar voren dat het al sinds begin 2024 niet meer zo goed gaat tussen partijen. Dit houdt blijkbaar verband met de stiefdochter van de directrice die bij werkgeefster is komen werken. Volgens [werkneemster] wil deze stiefdochter haar plaats innemen bij werkgeefster. Een en ander heeft geleid tot een aanvaring tussen [werkneemster] en de directrice op 13 augustus 2024 waarover partijen tijdens de zitting hebben verteld. Hoewel [werkneemster] tijdens de zitting heeft verklaard dat zij een terugkeer bij werkgeefster als een mogelijkheid ziet, kan uit het voorgaande worden afgeleid dat ook bij [werkneemster] het vereiste vertrouwen ontbreekt. Onder deze omstandigheden is het gerecht van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van een vertrouwensbreuk en dat de arbeidsrelatie tussen partijen onherstelbaar is verstoord.
Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van veranderingen in de omstandigheden zal daarom worden toegewezen. Het gerecht zal de arbeidsovereenkomst ontbinden per 2 mei 2025.
Billijke vergoeding
Het gerecht is van oordeel dat aan [werkneemster] een billijke vergoeding (artikel 7A:1615w lid 5 BW) moet worden toegekend waarbij met name gewicht wordt toegekend aan het oordeel dat werkgeefster [werkneemster] zonder deugdelijke grond op staande voet heeft ontslagen. De verwijten die werkgeefster aan het adres van [werkneemster] maakt zijn onvoldoende aannemelijk geworden zodat die niet worden meegewogen. Het gaat onder meer om de klachten van (voormalig) collega’s over [werkneemster]. De verklaringen lijken, gelet op de datum, te zijn opgesteld in het kader van deze procedure. Dat werkgeefster [werkneemster] hier eerder op heeft aangesproken is gesteld noch gebleken. Dit kan haar daarom nu niet worden tegengeworpen.
Bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding zal het gerecht rekening houden met de leeftijd en duur van het dienstverband van [werkneemster]. Het gerecht laat ook meewegen dat werkgeefster het salaris van [werkneemster] vanaf medio augustus 2024 tot aan de datum van ontbinding moet doorbetalen en werkgeefster een relatief kleine organisatie heeft. Alles afwegende, acht het gerecht een billijke vergoeding ten bedrage van Cg 10.000 bruto aangewezen. In de ontbindingsvergoeding wordt de cessantia-uitkering geacht te zijn inbegrepen.
Nu aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden, zal werkgeefster gelet op artikel 7A:1615w lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de in de beslissing genoemde termijn.
Openstaande facturen
Werkgeefster vordert betaling van een bedrag van Cg 20.456 aan openstaande facturen van [werkneemster]. Het gaat om facturen voor (therapeutische) behandelingen en medicijnen die [werkneemster] bij werkgeefster heeft afgenomen.
werkneemster] erkent de verschuldigdheid van de facturen tot het bedrag van Cg 8.161 dat in de ontslagbrief is genoemd. Het meerdere dat nu wordt gevorderd betwist zij. Het gerecht zal het bedrag Cg 8.161 toewijzen gelet op de erkenning door [werkneemster] en het meerdere afwijzen gelet op het ontbreken van een verdere onderbouwing door werkgeefster. Werkgeefster heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom het bedrag ineens vele malen hoger is dan aanvankelijk gevorderd.
Proceskosten
Omdat deze procedure rechtstreeks verband houdt met het verzoek van [werkneemster], zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Ten aanzien van beide verzoeken
Uitvoerbaar bij voorraad
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing, voor zover daartegen een rechtsmiddel openstaat, voorlegt aan het Hof.
6. De beslissing
Het gerecht:
Inzake het verzoek van [werkneemster]
verleent [werkneemster] toestemming om kosteloos te mogen procederen;
verklaart het door werkgeefster aan [werkneemster] gegeven ontslag op staande voet nietig;
veroordeelt werkgeefster om aan [werkneemster] te betalen het tussen partijen
overeengekomen loon, gerekend vanaf 17 augustus 2024 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van de verschillende termijnen tot de dag dat volledig is betaald en vermeerderd met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7A:1614q BW over de verschillende termijnen met een maximum van 25%;
veroordeelt werkgeefster in de proceskosten die aan de zijde van [werkneemster] worden vastgesteld op Cg 50 aan griffierecht en Cg 1.250 aan salaris voor de gemachtigde;
Inzake het verzoek van werkgeefster
stelt partijen in kennis van haar voornemen de tussen partijen bestaande
arbeidsovereenkomst met ingang van 2 mei 2025 te ontbinden wegens veranderingen in de omstandigheden, onder toekenning een billijke vergoeding ten laste van werkgeefster;
stelt werkgeefster in de gelegenheid om schriftelijk, uiterlijk op 30 april 2025 om 12:00 uur, tegenover [werkneemster] het verzoek in te trekken en daarvan aan de griffier van het gerecht mededeling te doen;
En voor het geval dat werkgeefster niet uiterlijk op 30 april 2025 om 12:00 uur haar verzoek intrekt:
ontbindt de tussen werkgeefster en [werkneemster] bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 2 mei 2025;
kent aan [werkneemster] ten laste van werkgeefster een vergoeding toe van Cg 10.000 bruto, waarop een eventueel toe te kennen cessantia-uitkering in mindering strekt;
veroordeelt [werkneemster] tot betaling aan werkgeefster van Cg 8.161;
In beide gevallen:
compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
Inzake het verzoek van [werkneemster] en het verzoek van werkgeefster
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. I. Tubben, rechter, bijgestaan door
mr. A.F. Lipman, griffier, en in het openbaar uitgesproken.