GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202501557
Beschikking van 4 juli 2025
in de zaak van [verzoekster],wonende in [woonplaats],verzoekster,
verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek,gemachtigde: [gemachtigde 1],
tegen
NEREIDA TRANSPORTBEDRIJF B.V.
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek,
gemachtigde: mrs. A. Faria en S.I. da Costa Gomez.
Partijen worden hierna [verzoekster] en Nereida genoemd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 14 mei 2025, met producties;
het verweerschrift met voorwaardelijk tegenverzoek;
de producties van Nereida;
de aanvullende producties (kleurenfoto’s) van [verzoekster];
de mondelinge behandeling van 13 juni 2025;
de pleitnotities.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Waar gaat de procedure over?
verzoekster] is op staande voet ontslagen. Zij is het hier niet mee eens en vraagt het gerecht het ontslag te vernietigen en Nereida onder meer te veroordelen het (achterstallig) salaris te betalen. Nereida voert verweer, maar als het gerecht oordeelt dat het ontslag nietig is vraagt zij het gerecht de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
Het gerecht zal het verzoek van [verzoekster] afwijzen. Dit betekent dat zij niet toekomt aan de beoordeling van het verzoek van Nereida. Hoe het gerecht tot dit oordeel komt wordt hierna toegelicht, na eerst de feiten te hebben vermeld.
3. De feiten
verzoekster] was bij Nereida in dienst in de functie van chauffeur. Haar taak bestond uit het vervoeren van schoolkinderen. Zij werkte van 8:00-10:00 uur in de ochtend en van 14:30-16:30 uur in de middag.
verzoekster] verricht ook voor eigen rekening chauffeurswerkzaamheden.
Zij vervoert dagelijks schoolkinderen. Nereida was hiermee bekend en had geen bezwaar tegen de nevenwerkzaamheden.
Op 6 maart 2025 was [verzoekster] betrokken bij twee verkeersongevallen. Als gevolg hiervan had zij nek- en schouderklachten en heeft zij zich op 7 maart 2025 ziekgemeld.
Op 12 en 13 maart 2025 heeft Nereida observaties laten verrichten.
Op 14 maart 2025 heeft Nereida [verzoekster] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van dezelfde datum heeft Nereida geschreven:
‘Motibu di e Saki ta pruebanan ku nos a risibi aki nan na kantoor ku bo ta trahando otro trabou en particular (transportando muchanan di skol) mientras bo a raporta bo mes komo MALU serka nos di NT.’
4. Het verzoek en het voorwaardelijke tegenverzoek
verzoekster] verzoekt – samengevat – dat het gerecht:
het ontslag op staande voet vernietigt;
voor recht verklaart dat de arbeidsovereenkomst blijft voortbestaan;
Nereida veroordeelt tot betaling van het achterstallige salaris vanaf 14 maart 2025 tot de dag waarop het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd;
Nereida veroordeelt tot doorbetaling van het salaris conform artikel 7A:1614q Burgerlijk Wetboek (BW);
Nereida veroordeelt tot betaling van het salaris over de opzegtermijn;
Nereida veroordeelt tot betaling van de cessantia;
Nereida gelast alsnog toestemming voor het ontslag te vragen bij SOAW;
Nereida veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging.
Nereida voert verweer. Als het gerecht het verzoek van [verzoekster] toewijst dan verzoekt Nereida de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] met onmiddellijke ingang te ontbinden, primair wegens een dringende reden en subsidiair wegens gewijzigde omstandigheden, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
5. De beoordeling
Het gaat in deze procedure om de vraag of het ontslag op staande voet terecht is gegeven. [verzoekster] wil dat het ontslag op staande voet nietig wordt verklaard. Volgens haar is er geen sprake van een dringende reden. Het ontslag is disproportioneel en er heeft geen hoor en wederhoor plaatsgevonden. Nereida is van mening dat er sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande rechtvaardigt.
Ontslag op staande voet
Een arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd zonder opzegging of zonder dat de voor opzegging geldende bepalingen in acht worden genomen als de werkgever daarvoor een dringende reden heeft die onverwijld aan de werknemer is meegedeeld (artikel 7A:1615o lid 1 BW). Als dringende reden worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
Volgens vaste rechtspraak moet het gerecht bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een ontslag op staande voet alle omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang beschouwd, in aanmerking nemen. Het gaat daarbij onder meer om de aard en ernst van de dringende reden en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Van belang is verder dat het de werkgever is die moet stellen en bewijzen dat sprake is van een dringende reden.
Dringende reden
In de ontslagbrief is de reden voor het ontslag op staande voet gegeven. Nereida verwijt [verzoekster] dat zij, terwijl zij zich ziek had gemeld bij Nereida, chauffeurswerkzaamheden voor haar eigen onderneming heeft verricht. De in de ontslagbrief genoemde reden fixeert de ontslaggrond. Dat betekent dat alleen de in de brief genoemde reden hier hoeft te worden beoordeeld. Andere redenen of omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan worden niet in de beoordeling betrokken.
Er moet dus beoordeeld worden of het verrichten van werkzaamheden voor eigen rekening door [verzoekster], terwijl zij arbeidsongeschikt was gemeld bij Nereida, een dringende reden oplevert die onverwijld aan [verzoekster] is meegedeeld. Nereida heeft tijdens de zitting een en ander toegelicht. Nereida had van derden vernomen dat [verzoekster] aan het werk zou zijn. Nereida heeft daarop besloten [verzoekster] te observeren. Zij deed dat op 12 maart en 13 maart 2025. Zij heeft geconstateerd dat [verzoekster] op beide dagen actief was als buschauffeur. Nereida heeft hiervan foto’s overgelegd.
Het gerecht is van oordeel dat voldoende vast staat dat [verzoekster] voor eigen rekening aan het werk was tijdens haar arbeidsongeschiktheid. Het staat ook vast dat het ging om vergelijkbare werkzaamheden, namelijk het vervoeren van schoolkinderen. Dat volgt uit de overgelegde foto’s en wordt door [verzoekster] ook niet weersproken. [verzoekster] voert in dit verband aan dat zij op 12 maart 2025 niet zelf achter het stuur zat maar haar partner. Zij ging alleen mee als begeleider, aldus [verzoekster]. Op 13 maart 2025 heeft ze wel zelf gereden omdat ze toen geen oplossing had. Het gerecht hecht echter minder belang aan de vraag of [verzoekster] al dan niet de bus bestuurde terwijl zij arbeidsongeschikt was. Ook toen zij de bus niet zelf bestuurde was zij wel aan het werk. Óf [verzoekster] nam niet de rust die in het algemeen nodig is om te herstellen waardoor zij bewust het risico heeft genomen op belemmering of vertraging van haar herstel óf de medische klachten waren (uiteindelijk) niet zo ernstig dat zij niet kon werken. Het had op de weg van [verzoekster] gelegen om open en eerlijk te communiceren met Nereida over haar situatie, welke werkzaamheden zij meende wel te kunnen verrichten en haar voornemen de ritten voor haar eigen onderneming wel uit te voeren. Vooral ook omdat tijdens de zitting naar voren is gekomen dat de directeur van Nereida [verzoekster] met enige regelmaat hielp bij haar eigen werkzaamheden. Het is op basis daarvan aannemelijk dat er tussen partijen wederzijdse betrokkenheid en begrip bestond. Het valt hiermee niet te rijmen dat [verzoekster] haar eigen plan heeft getrokken, door terwijl zij arbeidsongeschikt was verklaard werkzaamheden te verrichten voor haar eigen onderneming.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is het gerecht van oordeel dat [verzoekster] haar plichten als werknemer zodanig heeft veronachtzaamd dat sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. [verzoekster] heeft tijdens haar arbeidsongeschiktheid vergelijkbare werkzaamheden verricht voor eigen rekening. De dringende reden is door Nereida aan [verzoekster] meegedeeld daags na de observaties en bevindingen op 12 en 13 maart 2025 en is daarmee onverwijld gegeven.
Ten slotte heeft [verzoekster] nog aangevoerd dat er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Hoewel dit in het kader van een zorgvuldig onderzoek in beginsel van een werkgever verwacht mag worden, kan het er hier niet toe leiden dat een ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd is. Dit leidt daarom niet tot een ander oordeel.
Het gerecht zal het verzoek van [verzoekster] afwijzen.
Proceskosten
Omdat [verzoekster] in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van Nereida worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 1.250 aan gemachtigdensalaris.
De gevorderde wettelijke rente en de nakosten worden toegewezen zoals hierna onder de beslissing vermeld.
Uitvoerbaar bij voorraad
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.
Het voorwaardelijk tegenverzoek van Nereida
Omdat het verzoek van [verzoekster] wordt afgewezen, komt het gerecht niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk verzoek van Nereida.
6. De beslissing
Het gerecht:
wijst het verzoek van [verzoekster] af;
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van Nereida van Cg 1.250, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening;
bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. I. Tubben rechter, bijgestaan door
mr. A.F. Lipman, griffier, en in het openbaar uitgesproken.