Parketnummers: 500.00191/23 en 500.00054/24 (ttz. gev.)
Uitspraak: 4 februari 2026 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren op [datum] in Curaçao,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (PI) in Alphen aan den Rijn (Nederland).
1. Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op de pro-forma/regiezittingen van 13 september 2023, 15 december 2023, 1 maart 2024, 28 juni 2024, 18 oktober 2024, 31 januari 2025, 21 februari 2025, 6 juni 2025, 12 september 2025 en 9 januari 2026. Op 12 januari 2026, 13 januari 2026 en 14 januari 2026 heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. De verdachte is bij de inhoudelijke behandeling (telkens) verschenen, bijgestaan door zijn raadslieden, mr. S.N. Zahedi, advocaat in Curaçao, en mr. H.J. Oosterhagen, advocaat in Nederland (hierna: de verdediging).
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] hebben zich gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.
Standpunt Openbaar Ministerie
De officieren van justitie mr. V.Z.B. Girigoria-Hernandez en mr. W.J. de Graaf, (hierna: de officier van justitie/het Openbaar Ministerie) hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht de tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een levenslange gevangenisstraf.
De vordering behelst voorts:
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde feit van parketnummer 500.00054/24 (onderzoek Bliksem) en van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten van parketnummer 500.00191/23 (onderzoek Cloud). Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit van parketnummer 500.00191/23 heeft de verdediging (primair) bepleit dat verdachte geen opzet heeft gehad op de dood/zwaar lichamelijk letsel van/bij de leden van het arrestatieteam, dan wel dat verdachte (subsidiair) een beroep op putatief noodweer toekomt. Ten aanzien van feit 4 van parketnummer 500.00191/23 heeft de verdediging bepleit dat niet de gehele tenlastegelegde periode bewezen kan worden ten aanzien van het vuurwapen van het merk Glock 19, maar voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van het Gerecht voor dit feit.
Verder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de onder verdachte inbeslaggenomen telefoons aan verdachte teruggegeven dienen te worden, zodat verdachte, mogelijk in hoger beroep, zijn standpunten kan onderbouwen met het deel van de inhoud van de telefoons dat nog niet in het procesdossier is gevoegd.
Tot slot heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd en verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.
Hierna zal door het Gerecht – voor zover van belang – de specifieke standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie worden besproken.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 12 januari 2026 – ten laste gelegd de feiten die zijn opgenomen in bijlage 1 van dit vonnis. De verdenkingen komen, kort en zakelijk weergegeven, op het volgende neer:
500.00191/23 (onderzoek Cloud)
Feit 1:
medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] op 19 mei 2023 in Curaçao.
Feit 2 (primair):
medeplegen van de poging tot moord op [betrokkene 1] op 19 mei 2023 in Curaçao.
Feit 2 (subsidiair):
medeplegen van de poging tot zware mishandeling van [betrokkene 1] op 19 mei 2023 in Curaçao.
Feit 3 (primair):
poging tot doodslag op meerdere leden van het arrestatieteam van het Korps Politie Curaçao op 5 juli 2023 in Curaçao.
Feit 3 (subsidiair):
poging tot zware mishandeling van meerdere leden van het arrestatieteam van het Korps Politie Curaçao op 5 juli 2023 in Curaçao.
Feit 3 (meer subsidiair):
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, gericht tegen leden van het arrestatieteam van het Korps Politie Curaçao op 5 juli 2023 in Curaçao.
feit 4:
voorhanden hebben van één of meerdere vuurwapens, waaronder een Glock 19 en scherpe patronen, in de periode van 1 januari 2020 tot en met 5 juli 2023 in Curaçao.
500.00054/24 (onderzoek Bliksem)
medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] op of omstreeks 29 september 2022 in Curaçao.
3. Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. Beoordeling van het bewijs
Inleiding
In de avond/nacht van 28 op 29 september 2022 is [slachtoffer 1] bij terugkomst van een verjaardagsfeest van een buurtbewoner doodgeschoten terwijl hij op zijn balkon/porch zat. Het onderzoek naar deze moord heeft de naam Bliksem gekregen.
In de avond van 19 mei 2023 is [slachtoffer 2] doodgeschoten toen hij samen met [betrokkene 1] voor zijn woning stond. Deze zaak heeft de naam Cloud gekregen.
Op 5 juli 2023 heeft het arrestatieteam (hierna: AT) van de politie verdachte aangehouden. Vaststaat dat verdachte tijdens deze aanhouding een vuurwapen bij zich had en in ieder geval twee keer met dat vuurwapen heeft geschoten.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte de hierna te noemen bewezenverklaarde feiten heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring (bijlage 2). Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften.
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
Bewijsoverwegingen
Hoewel niet chronologisch, zal het Gerecht vanwege de onderlinge verwevenheid, eerst de zaak Cloud bespreken, daarna de zaak Bliksem en afsluiten met de zaak rondom het schieten op het AT.
Overwegingen ten aanzien van de feiten in onderzoek Cloud
4.3.1.1. De moord op [slachtoffer 2]
Het Gerecht gaat – gelet op de opgenomen bewijsmiddelen – van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 19 mei 2023 omstreeks 21:20 uur liep [slachtoffer 2] samen met (de latere getuige) [betrokkene 1] richting de woning van [slachtoffer 2] in de wijk Seru Fortuna. In de directe omgeving van zijn woning is [slachtoffer 2] op korte afstand onder vuur genomen en geraakt door een grote hoeveelheid kogels. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 2], terwijl hij al zwaar gewond moet zijn geweest, nogmaals onder vuur is genomen om, zo begrijpt het Gerecht, zeker te weten dat hij dood zou gaan. Op de plaats delict zijn tenminste 41 hulzen door de forensische opsporing aangetroffen. Uit het medisch onderzoek volgt dat 25 kogelverwondingen in het lichaam van [slachtoffer 2] zaten en dat hij ter plekke aan zijn verwondingen is overleden. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm lijkt deze aanslag sterk op een liquidatie.
Betrouwbaarheid en bruikbaarheid verklaringen ooggetuige [betrokkene 1]
De getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat verdachte – een bekende van hem – een van de schutters was die [slachtoffer 2] heeft doodgeschoten. De verdediging heeft de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de ooggetuige [betrokkene 1] betwist. De verdediging heeft daartoe het nodige aangevoegd, welke punten hieronder – indien nodig – zullen worden besproken.
Het Gerecht stelt voorop dat het bewijs dat verdachte (een van) de schutter(s) is geweest in belangrijke mate berust op de verklaringen van [betrokkene 1]. Het Gerecht ziet – anders dan de verdediging – geen redenen om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van [betrokkene 1], ook niet nu hij in de verschillende door hem afgelegde verklaringen op detailniveau soms wat afwijkend heeft verklaard.
Allereerst volgt uit de verklaringen van de moeder en vriendin van [slachtoffer 2] dat [betrokkene 1] daadwerkelijk ter plaatse was op het moment dat [slachtoffer 2] werd doodgeschoten. Dat maakt dat de aanwezigheid van [betrokkene 1] als ooggetuige ten tijde van de moord vaststaat. Dat betekent niet automatisch dat zijn verklaringen ook betrouwbaar zijn, maar betekent wel dat hij feitelijk waargenomen kan hebben wie de dader was of daders waren.
De verklaringen van [betrokkene 1] zijn in de kern en op essentiële punten consistent. De rode draad in zijn verklaringen is dat verdachte de (hoofd)schutter was. Ook vinden zijn verklaringen steun in andere bewijsmiddelen en in de overige inhoud van het dossier. Zo verklaart [betrokkene 1] over ‘schutters’ en ‘zij’ (meervoud) en dat veel schoten zijn afgevuurd. Verder heeft [betrokkene 1] een situatieschets gemaakt tijdens het politieverhoor van 12 juni 2023 met betrekking tot de aanrijroute van het voertuig met daarin de schutters en van waaruit (deels) de schoten zijn gelost. In deze situatieschets beschrijft [betrokkene 1] ook via welke route hij wegvluchtte en beschrijft hij dat hij tijdens zijn vlucht hoorde dat de kogels vlakbij hem de muur en de poort raakten. Naar het oordeel van Gerecht past deze situatieschets en de door hem beschreven gang van zaken ten tijde van de schietpartij bij de in de bewijsmiddelen opgenomen bevindingen van het forensisch onderzoek van de politie. Allereerst blijkt uit dit onderzoek dat minimaal twee verschillende wapens zijn gebruikt, waaruit afgeleid kan worden dat er minimaal twee personen bij de moord betrokken waren. Verder blijkt uit forensisch onderzoek dat inderdaad een enorme hoeveelheid kogels zijn afgevuurd (41 hulzen zijn teruggevonden) en verder volgt uit het forensisch onderzoek dat er zowel in de muur als in de nabij gelegen poort kogels zijn ingeslagen, wat overeenkomt met hetgeen [betrokkene 1] heeft beschreven over zijn vlucht en het moment waarop op hem werd geschoten. Verder biedt het door [betrokkene 1] beschreven schampschot aan zijn schouder steun aan zijn verklaring dat er op hem geschoten werd. Over dat schampschot acht het Gerecht het van belang op te merken dat het voor de hand had gelegen dat hij hierover in zijn eerste verklaring had verklaard, maar dat het later hierover verklaren (een week na zijn eerste verhoor), niet maakt dat zijn verklaring ongeloofwaardig is, temeer hij ook een litteken heeft getoond van de verwonding die hij als gevolg van het schampschot heeft opgelopen. Het Gerecht acht dat litteken passend bij de verklaring van [betrokkene 1] over het ontstaan van het letsel.
Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] wordt verder opgemerkt dat ook de vriendin van [slachtoffer 2], de getuige [getuige 1/benadeelde partij 4], heeft verklaard dat zij na het horen van de schoten een auto op hoge snelheid heeft zien wegrijden, zoals eveneens door [betrokkene 1] is beschreven. Dat [betrokkene 1] en [getuige 1/benadeelde partij 4] een andere (kleur) auto beschrijven, doet daaraan niet af.
Tot slot merkt het Gerecht op dat het dossier geen aanwijzingen bevat voor een door de verdediging naar voren gebracht vermeend conflict tussen [betrokkene 1] en [slachtoffer 2]. Integendeel, uit de verklaringen van de zus, vriendin en moeder van [slachtoffer 2] komt het beeld naar voren dat [slachtoffer 2] en [betrokkene 1] goede vrienden waren en altijd/vaak samen waren. Van concrete aanwijzingen over onenigheid tussen [betrokkene 1] en [slachtoffer 2] is niet gebleken. Dat de broer van [slachtoffer 2] op straat zou hebben gehoord dat [betrokkene 1] en verdachte onder één hoedje zouden spelen en samen de moord zouden hebben beraamd – nog los van dat dit scenario verdachte niet vrijpleit - blijkt nergens uit en valt moeilijk te rijmen met de verklaringen die [betrokkene 1] heeft afgelegd over de rol van verdachte.
Het Gerecht ziet al met al geen aanwijzingen voor het door de verdediging geschetste scenario dat [betrokkene 1] de voor verdachte belastende verklaringen heeft afgelegd en na de moord onder de radar is gebleven, om zodoende zijn eigen vermeende rol bij de moord op [slachtoffer 2] te verhullen. Het Gerecht merkt in dit verband op dat [betrokkene 1] na de moord op [slachtoffer 2] juist contact heeft gehad met de zus van [slachtoffer 2] om zich als getuige van de moord te melden bij de politie. Ook heeft [betrokkene 1] uitgelegd dat hij na de moord op [slachtoffer 2] ondergedoken zat omdat hij doodsbang was dat verdachte ‘de klus’ zou afmaken en heeft [betrokkene 1] aangegeven dat hij daarom in de uren na de schietpartij andere kleren had aangetrokken, zodat verdachte hem minder goed zou kunnen herkennen. Deze uitleg acht het Gerecht begrijpelijk en geloofwaardig. Het Gerecht acht gelet op wat [betrokkene 1] heeft meegemaakt op 19 mei 2023 invoelbaar dat hij, in het kader van zijn eigen veiligheid, zich pas twee weken later heeft gemeld bij de politie als getuige.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat er in het dossier geen aanwijzingen zijn gevonden dat [betrokkene 1] in strijd met de waarheid verdachte heeft aangewezen als de schutter. Gelet op al het voorgaande verwerpt het Gerecht de verweren van de verdediging met betrekking tot de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1]. Het Gerecht zal deze verklaringen, voor zover relevant, dan ook betrekken bij de beoordeling van het bewijs.
4.3.1.2. De notitie op de telefoon van verdachte
Het Gerecht ziet steunbewijs voor de verklaring van [betrokkene 1] en de daaruit voortvloeiende betrokkenheid van verdachte in een op de telefoon van verdachte aangetroffen tekst, inhoudende een notitie van 17 mei 2023. De tekst van die notitie luidt: ‘ga een rondje daarachter maken en kijkt of je [voornaam slachtoffer 2] ziet’ (het Gerecht begrijpt: [slachtoffer 2]). Het Gerecht leidt uit deze tekst af dat verdachte, twee dagen voor de moord op [slachtoffer 2], op zoek was naar [slachtoffer 2]. Verdachte heeft ter zitting over deze notitie verklaard dat hij een paar dagen voor de moord een vuurwapen aan [slachtoffer 2] had uitgeleend. De notitie was volgens verdachte eigenlijk een berichtje dat hij had gestuurd aan ene ‘[betrokkene 2]’ met als doel om aan deze [betrokkene 2] te vragen om [slachtoffer 2] te zoeken en het wapen van [slachtoffer 2] terug te vragen. Deze verklaring acht het Gerecht niet aannemelijk: verdachte heeft immers ook verklaard dat hij [slachtoffer 2] voor het laatst een paar dagen voor de moord heeft gezien, maar toen niet met hem heeft gesproken, hetgeen niet past bij zijn verklaring over het uitlenen van een vuurwapen op/rond datzelfde moment. Verder volgt uit de verklaringen van de familieleden van [slachtoffer 2] dat hij op gespannen voet leefde met verdachte, waardoor het niet logisch is dat [slachtoffer 2] juist aan verdachte een vuurwapen zou vragen. Tot slot heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij ‘enkele weken’ voor de moord een Glock had uitgeleend aan [slachtoffer 2], terwijl hij op zitting ‘enkele dagen’ noemde. Wanneer er ter terechtzitting werd doorgevraagd over het uitlenen van het wapen aan [slachtoffer 2], verklaart verdachte dat hij het wapen terug heeft gekregen via zijn ‘vriend’. Op de vraag waarom hij wel zelf persoonlijk een wapen uitleent aan [slachtoffer 2], maar een vriend nodig heeft om het wapen terug te krijgen, beroept verdachte zich vervolgens op zijn zwijgrecht.
Het Gerecht acht de verklaringen over het uitlenen van een vuurwapen en dat hij daarom op zoek was naar [slachtoffer 2], volstrekt ongeloofwaardig. Naast de wisselende verklaringen acht het Gerecht ongeloofwaardig dat verdachte een paar dagen voor de moord op [slachtoffer 2] een wapen uitleent, maar daar niet met [slachtoffer 2] over heeft gesproken, om vervolgens rond hetzelfde moment iemand anders te moeten vragen om het wapen weer terug te krijgen. De verklaring past ook niet in het beeld dat door vrijwel alle getuigen wordt geschetst, te weten dat [slachtoffer 2] na en vanwege de moord op [slachtoffer 1] in onmin leefde met verdachte en dat zij elkaar op straat niet eens meer groetten. Het ongeloofwaardige verhaal van verdachte en het vervolgens beroepen op zijn zwijgrecht over deze notitie, sterkt het Gerecht in de overtuiging dat verdachte, twee dagen voor de daadwerkelijke moord, al op zoek was naar [slachtoffer 2] om hem van het leven te beroven.
4.3.1.3. Hetzelfde vuurwapen en modus operandi als in de zaak Bliksem
Uit het munitie(vergelijkend)onderzoek is gebleken dat een deel van de aangetroffen hulzen op de plaats delict van 19 mei 2023 met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met een Glock-pistool (minimaal 32 hulzen) en een ander deel met een Beretta-pistool (minimaal 7 hulzen). Verder acht de vuurwapenspecialist het waarschijnlijk dat een volautomatisch vuurwapen is gebruikt. Dat een vuurwapen is gebruikt dat automatisch kon vuren volgt eveneens uit de verklaring van [betrokkene 1] die spreekt over schoten alsof deze uit een machinegeweer kwamen. Het Gerecht leidt uit het verschil in de hoeveelheid aangetroffen hulzen (31 van de Glock en 7 van de Baretta) en de verklaring van [betrokkene 1] af dat de Glock het wapen was dat volautomatisch kon vuren.
Uit het munitie(vergelijkend)onderzoek leidt het Gerecht af dat hetzelfde Glock-pistool ook is gebruikt bij de moord op [slachtoffer 1] (onderzoek Bliksem), waarover hierna in het vonnis zal worden gesproken. Als vastgesteld kan worden dat verdachte de dader was bij de ene moord, kan dat betrokken worden bij het bewijs van de andere moord en vice versa. Zoals hierna zal worden benoemd, ziet het Gerecht ook in de zaak Bliksem voldoende wettig en overtuigend bewijs. Het gebruik van hetzelfde vuurwapen en een gelijke modus operandi bij beide moorden leveren dan ook aanvullend bewijs op ten aanzien van zowel de moord op [slachtoffer 2] als de moord op [slachtoffer 1]. Op dit punt komt het Gerecht later terug bij de beoordeling van de zaak Bliksem.
4.3.1.4. Alibi verdachte
Verdachte heeft herhaaldelijk verklaard dat hij de moord niet gepleegd kan hebben omdat hij een alibi heeft. Verdachtes vermeende alibi wordt door de bewijsmiddelen reeds weerlegd. Volledigheidshalve merkt het Gerecht op dat zijn alibi ook in strijd is met de overige inhoud van het dossier. Zo verklaart verdachte dat op het moment dat er op de avond van 19 mei 2023 kogelschoten te horen waren, hij domino aan het spelen was met (onder andere) een vriend met de bijnaam [getuige 2]. Echter, uit de getuigenverklaring van [getuige 2] van 18 november 2024 blijkt dat hij, verdachte, niet aanwezig was bij de dominotafel op het moment dat [getuige 2] schoten hoorde. Ook uit audiofragmenten tussen [getuige 2] en verdachte van 20 mei 2023, aangetroffen op de telefoon van verdachte (pagina 266 en 267 van het einddossier Cloud), blijkt naar het oordeel van het Gerecht dat verdachte en [getuige 2] niet op dezelfde plek waren tijdens de moordaanslag. [Getuige 2] stuurt immers - een dag na de moord - een audiobericht naar verdachte met de volgende inhoud: “Ik was er. Jij hebt me gisteren goed in de maling genomen. De mannen vertelden mij dat jij was gaan baden en toen terugkwam. Je hebt me goed in de maling genomen. Ik ben daar domino blijven spelen totdat de schoten vielen.” Verdachte reageert vervolgens door onder andere te zeggen: “Net op het moment dat ik zou gaan komen, hoor goed wat ik je vertel, bleef ik die dingen horen (klinken)”. Uit deze audioberichten leidt het Gerecht af dat [getuige 2] op het moment dat de schoten klonken wél bij de dominotafel was en verdachte niet. Uit deze verklaring, maar ook het audiobericht afkomstig van verdachte zelf, leidt het Gerecht af dat verdachte niet de waarheid heeft verklaard over zijn alibi.
4.3.1.5. Andere dader(s)?
De verdediging heeft betoogd dat [slachtoffer 2] mogelijk problemen had met anderen dan verdachte en dat hij daarom kan zijn vermoord. Het Gerecht is van oordeel dat een dergelijk scenario – anders dan speculaties – niet concreet naar voren komt uit het dossier en dat een dergelijk scenario onverenigbaar is met de eerder genoemde bewijsmiddelen.
4.3.1.6. Medeplegen, opzet en voorbedachten rade
Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen – zoals die blijkt uit de bewijsmiddelen – leidt het Gerecht af dat sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer 2] te doden. Verdachte is samen met een ander in een voertuig naar de plaats delict gereden. Zij hebben vuurwapens meegenomen en vervolgens heeft verdachte, vanuit het voertuig, een grote hoeveelheid kogels afgevuurd op en in de richting van [slachtoffer 2], waarbij [betrokkene 1] in de directe nabijheid van [slachtoffer 2] stond. Ook is verdachte vervolgens uit het voertuig gestapt en heeft hij [slachtoffer 2] wederom onder vuur genomen, terwijl hij, [slachtoffer 2], al op de grond lag door zijn opgelopen verwondingen. Uit het dossier kan naar het oordeel van het Gerecht dan ook niet worden afgeleid dat het handelen van verdachte en de medeverdachte in een opwelling is gebeurd.
Het Gerecht is gelet op al het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – van oordeel dat verdachte, in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] heeft vermoord.
Daarbij overweegt het Gerecht tot slot dat verdachte en zijn medeverdachte door hun handelen kunnen worden verweten dat zij welbewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de personen die zich in de directe nabijheid van [slachtoffer 2] zouden bevinden, in dit geval [betrokkene 1], ook om het leven zou(den) komen (collateral damage) door de kogelregen die richting [slachtoffer 2] is afgevuurd (vgl. ECLI:NL:PHR:2017:1443 (Hato-shooting)). Daarbij weegt mee dat [betrokkene 1] ook daadwerkelijk geraakt is in/langs zijn schouder door een kogel. De aard van deze gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht brengen met zich dat het handelen van verdachte en diens mededader zozeer was gericht op het mogelijke gevolg, het toebrengen van de dood van eenieder in de nabijheid van [slachtoffer 2], dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte en de mededader(s) bewust de aanmerkelijke kans op het gevolg hebben aanvaard. Dat [betrokkene 1] niet is overleden, doet daaraan niet af. Het Gerecht acht dan ook voorwaardelijk opzet op de poging tot moord van [betrokkene 1] aanwezig.
4.3.1.7. Tussenconclusie
Het Gerecht komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van moord van [slachtoffer 2] (feit 1 van parketnummer 500.00191/23) en het medeplegen van de poging tot moord van [betrokkene 1] (feit 2 (primair) van parketnummer 500.00191/23).
Overwegingen ten aanzien van onderzoek Bliksem
4.3.2.1. De moord op [slachtoffer 1]
Het lichaam van [slachtoffer 1] is in de vroege ochtend van 29 september 2022 gevonden. De patholoog heeft ingeschat dat het tijdstip van overlijden ergens in de periode van 3,5 uur tot 11 uur voor het moment van onderzoeken van 8:40 uur moet hebben gelegen. Het Gerecht gaat er dan ook van uit dat [slachtoffer 1] ergens tussen 28 september 2022 om 21:40 uur en 29 september 2022 om 05:10 moet zijn doodgeschoten.
Uit de bewijsmiddelen leidt het Gerecht af dat [slachtoffer 1] in de avond of nacht van 28 september 2022 op 29 september 2022 thuis is gekomen van een feest van een buurtbewoner. [slachtoffer 1] woonde op dat moment aan de [adres] in de wijk Seru Fortuna. Toen hij op het balkon/de porch van die woning zat, is hij – zo leidt het Gerecht uit het forensisch onderzoek af – door een schutter verrast en doorzeefd met een grote hoeveelheid kogels. Uit forensisch onderzoek volgt verder dat terwijl [slachtoffer 1] al zwaar gewond was en weg probeerde te vluchten, de schutter meerdere doelgerichte kogels heeft afgevuurd op [slachtoffer 1], om, zo begrijpt het Gerecht, zeker te weten dat [slachtoffer 1] dood zou gaan. Op de plaats delict zijn 34 hulzen door de forensische opsporing aangetroffen. Uit het medisch onderzoek volgt dat 47 kogelverwondingen in het lichaam van [slachtoffer 1] zaten. Hij overleed ter plekke aan zijn verwondingen.
Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, lijkt ook deze aanslag sterk op een liquidatie.
4.3.2.2. Gebruikt vuurwapen en modus operandi
Uit munitie(vergelijkend)onderzoek leidt het Gerecht af dat alle aangetroffen hulzen op de plaats delict van de moord op [slachtoffer 1], met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, zijn verschoten met hetzelfde Glock-pistool als het Glock-pistool dat is gebruikt bij de moord op [slachtoffer 2]. Zoals eerder is vastgesteld, was verdachte degene die dat wapen ten tijde van de moord op [slachtoffer 2] hanteerde. Het Gerecht ziet in het gebruik van exact hetzelfde vuurwapen een sterke aanwijzing voor betrokkenheid van verdachte bij deze moord, maar deze omstandigheid is niet doorslaggevend, want het Gerecht is zich ervan bewust dat - hoewel verdachte daarover zelf niets heeft verklaard – vuurwapens in het criminele circuit mogelijk van hand tot hand kunnen gaan. Om tot een veroordeling te kunnen komen, moet dus meer bewijs voorhanden zijn dan alleen het gebruik van hetzelfde vuurwapen dat verdachte bij de moord op [slachtoffer 2] heeft gebruikt, zeker aangezien er acht maanden tussen de twee moorden zitten.
Naast het gebruik van hetzelfde vuurwapen vallen echter meer gelijkenissen op tussen de moord op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Beide moorden vonden plaats in de wijk Seru Fortuna, een afgelegen wijk met een kleine gemeenschap. Daarbij valt op dat beide moorden in de avond/nacht plaatsvonden vlak voor de woning van de slachtoffers. Ook valt de uitzonderlijke hoeveelheid schoten op die bij beide moorden zijn afgevuurd (bij de moord op [slachtoffer 2] minimaal 41 en bij de moord op [slachtoffer 1] minimaal 34). Verder kan bij beide aanslagen worden vastgesteld dat de slachtoffers, nadat zij zwaar gewond zijn geraakt door de eerder afgevuurde kogels, nogmaals onder vuur zijn genomen om, zo begrijpt het Gerecht, zeker te weten dat de slachtoffers dood zouden gaan. Tot slot valt uit de bewijsmiddelen in onderzoek Cloud op dat verdachte (relatief) kort na het plegen van de moord op [slachtoffer 2] is teruggekeerd naar de plaats delict om daar te gaan kijken. Datzelfde geldt voor de moord op [slachtoffer 1]: verdachte was aanwezig op/rondom de plaats delict toen de politie onderzoek deed in de ochtend van 29 september 2022.
Het gebruik van hetzelfde vuurwapen in combinatie met opvallende overeenkomsten in de modus operandi van de twee moorden, maakt dat het Gerecht sterke aanwijzingen ziet voor de betrokkenheid van verdachte bij ook deze moord.
4.3.2.3. De betrouwbaarheid van de getuige 3
Op 3 januari 2024, ruim een jaar na de moord op [slachtoffer 1], heeft de minderjarige getuige [getuige 3] zich bij de politie gemeld als ooggetuige. [getuige 3] verklaart dat zij gezien heeft dat verdachte [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten. Bij de rechter-commissaris heeft zij op 7 maart 2025 deze verklaring herhaald. De verdediging heeft uitgebreid en onderbouwd gemotiveerd waarom deze getuigenverklaring onbetrouwbaar is en dus niet voor het bewijs kan worden gebruikt.
Het Gerecht is met de verdediging van oordeel dat met betrekking tot het gebruik van getuigenverklaringen die geruime tijd na het incident zijn afgelegd, behoedzaam moet worden omgegaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat na verloop van tijd getuigen details verkeerd kunnen herinneren, gebeurtenissen met elkaar kunnen verwarren of dat herinneringen van getuigen worden beïnvloed door informatie van anderen. Ook kunnen getuigen bepaalde dingen verklaren, omdat zij daar een belang bij hebben, bijvoorbeeld om zichzelf of een ander te beschermen of iemand anders te benadelen. Het Gerecht zal dan ook moeten beoordelen of er redenen zijn om aan (een deel van) de verklaring van [getuige 3] te twijfelen.
Net als de verdediging ziet het Gerecht dat op detailpunten verschillen bestaan tussen de verklaring die [getuige 3] bij de politie en die zij bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Zo heeft de verdediging er bijvoorbeeld op gewezen dat [getuige 3] verschillend heeft verklaard over wie er wel of niet op een feest/ bij de elektriciteitskast waren en wie er wel of geen muts op had. Op relevante hoofdlijnen verklaart [getuige 3] echter consistent. Zo verklaart [getuige 3] dat zij in de avond van 28 september 2022 bij de elektriciteitskast aanwezig was, een ontmoetingsplek in Seru Fortuna. Bij die kast waren meerdere mensen aanwezig, waaronder [betrokkene 3], [betrokkene 4] en verdachte. Op enig moment liep [slachtoffer 1], het latere slachtoffer voorbij en op dat moment zei verdachte tegen [betrokkene 3]: “vandaag moet deze man doodgaan want hij heeft veel fouten”, waarbij hij doelde op [slachtoffer 1]. Verdachte en [betrokkene 3] zijn vervolgens op enig moment vertrokken. Over het tweede deel van de avond heeft [getuige 3] ook consistent verklaard: vanwege de eerdere opmerking van verdachte bij de elektriciteitskast bleef ze hem op een afstandje volgen. Ze zag hoe verdachte op een gegeven moment naar zijn huis ging en met een machinegeweer naar buiten liep. Vervolgens zag ze hoe verdachte samen met [betrokkene 3] naar het huis van [slachtoffer 1] ging en hoe verdachte op [slachtoffer 1] schoot. Het Gerecht stelt vast dat [getuige 3] op deze essentiële punten steeds hetzelfde heeft verklaard. Het feit dat een getuige zich bepaalde (ondergeschikte) details bij een verhoor dat ruim een jaar later plaatsvindt anders herinnert of nieuwe informatie naar voren brengt, is op zichzelf echter geen aanleiding om de verklaring als ongeloofwaardig aan te merken, zeker gelet op het tijdsverloop tussen de moord en het eerste politieverhoor (ruim een jaar) en het tijdsverloop tussen het eerste en tweede verhoor (ruim een jaar).
Ondersteuning voor de verklaring van [getuige 3]: de elektriciteitskast
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op de avond van 28 september 2022 inderdaad bij de elektriciteitskast stond en dat bij hem onder andere [betrokkene 3] (de getuige [slachtoffer 2], hierna te noemen: [betrokkene 3]) en [betrokkene 4] stonden. Uit de verklaring die [betrokkene 4] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd leidt het Gerecht af dat hij zich herinnert dat verdachte op de bewuste avond tegen [betrokkene 3] zei dat ‘ze [slachtoffer 1] moesten vermoorden’. Naast deze getuige, heeft ook [getuige 4] getuigenverklaringen afgelegd. Hoewel over haar getuigenverklaringen veel kan worden opgemerkt, verklaart zij consistent over wat zij gehoord heeft bij de elektriciteitskast, te weten dat verdachte zei dat iemand vermoord moest worden op het moment dat [slachtoffer 1] voorbij liep. Het Gerecht ziet op detailpunten verschillen in hun verklaringen, bijvoorbeeld over wie er (nog meer) bij die elektriciteitskast waren en over de exacte bewoording die verdachte heeft geuit. Dat is begrijpelijk; de getuigen hebben lang na het incident een verklaring afgelegd en ook tussen de verschillende verhoren zit veel tijd. De kern van de verklaringen van deze getuigen is echter gelijk: (i) over het moment waarop verdachte de dreigende woorden zou hebben geuit (toen [slachtoffer 1] voorbij liep), (ii) over de strekking van wat verdachte had gezegd (die man moet/gaat dood), en (iii) tegen wie verdachte deze woorden richtte ([betrokkene 3]). Het Gerecht ziet bij de beoordeling van het betrouwbaarheidsverweer ondersteuning voor dit deel van de verklaring van [getuige 3] in de verklaringen van [getuige 4] en [betrokkene 4]. Het Gerecht ziet geen enkele aanwijzing in het dossier dat [getuige 3], [getuige 4] en [betrokkene 4] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, om zodoende verdachte ten onrechte te belasten.
De tussentijd: het feest
[getuige 3] verklaart over het vervolg van de avond dat [slachtoffer 1] naar een buurtfeest ging en dat verdachte en [betrokkene 3] ook die kant op liepen. Dat [slachtoffer 1] op het buurtfeest was, wordt ondersteund door de getuige [getuige 5].
Ondersteuning voor de verklaring van [getuige 3]: de moord
[getuige 3] verklaart dat zij heeft waargenomen dat [slachtoffer 1] van het feest wegging. Ook heeft zij gezien dat verdachte naar zijn huis is gegaan, een wapen heeft opgehaald, samen met [betrokkene 3] naar de woning van [slachtoffer 1] is gelopen en dat verdachte op [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl [slachtoffer 1] op het balkon zat. Zoals zojuist overwogen, bevestigen twee andere getuigen dat verdachte gezegd heeft dat [slachtoffer 1] dood moest/gaat en dat hij [betrokkene 3] betrok bij dat plan. Dat verdachte (voor een deel) samen met [betrokkene 3] optrok, acht het Gerecht dan ook in lijn met de eerdere uitlating van verdachte. [getuige 3] heeft verder verklaard dat [slachtoffer 1] op het balkon zat toen verdachte begon te schieten. Dit gedeelte van haar verklaring komt overeen met de bevindingen van het forensisch onderzoek naar de plaats delict, waaruit volgt dat [slachtoffer 1] is doodgeschoten toen hij zich op het balkon/de porch bevond. Naast deze punten, merkt het Gerecht op dat de verklaring van de getuige naadloos past bij hetgeen het Gerecht heeft overwogen over het gebruik van hetzelfde vuurwapen en de modus operandi van verdachte, terwijl [getuige 3] van die onderzoeksbevindingen geen kennis heeft kunnen hebben.
Redenen om te twijfelen aan de verklaring van [getuige 3]?
De verdediging heeft aandacht gevraagd voor inconsistenties, tegenstrijdigheden en bijzonderheden in de verklaringen van [getuige 3]. Daarbij wijst de verdediging ook op onderdelen van haar verklaring die niet stroken met objectief bewijsmateriaal. De verdediging concludeert dat de verklaring van [getuige 3], zeker als het om de moord gaat, onbetrouwbaar is.
[getuige 3] heeft pas na (ruim) een jaar na de moord een verklaring afgelegd, op het moment dat verdachte zich in voorlopige hechtenis bevond vanwege de verdenking in de zaak Cloud. Over de reden waarom zij niet eerder een verklaring heeft afgelegd, heeft [getuige 3] aangegeven dat zij bang was voor (represailles van) verdachte. Gelet op de jonge leeftijd van [getuige 3], zij was 15 jaar ten tijde van de moord van [slachtoffer 1], en het algehele beeld dat uit het dossier naar voren komt dat mensen in Seru Fortuna in zijn algemeenheid niet durven/willen praten met de politie, en zeker niet ten aanzien van verdachte, acht het Gerecht deze uitleg begrijpelijk. Verder is het tijdsverloop ook niet van dien aard dat het in de rede ligt dat de herinneringen grotendeels vervaagd zijn, zeker vanwege de heftigheid van het incident. Dat [getuige 3] pas later een verklaring heeft afgelegd, maakt dan ook niet dat haar verklaring onbetrouwbaar is.
De verdediging heeft verder aangevoerd dat de moeder van [getuige 3] weliswaar verklaart dat haar dochter haar direct na de moord in vertrouwen had genomen en over de moord op [slachtoffer 1] had verteld, maar dat de ‘de-auditu’ verklaring die zij vervolgens afgelegd heeft, niet overeenkomt met de lezing die [getuige 3] zelf heeft gegeven. Het Gerecht volgt dit niet. De moeder van [getuige 3] heeft immers op 3 januari 2024 tegen de politie verteld dat zij van haar dochter over de moord had gehoord. Zij verklaarde: ik hoorde dat [bijnaam verdachte] de schutter is en dat hij [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten. Op 13 november 2025 is de moeder van [getuige 3] bij de rechter-commissaris gehoord. Over wat ze van [getuige 3] had gehoord, vertelde ze dat ze had gehoord dat [slachtoffer 1] net terug kwam van een feestje, verdachte en ene ‘[naam]’ erbij betrokken waren, dat [bijnaam verdachte] had geschoten toen hij op het balkon zat te eten. De kern van deze de-auditu verklaring is dat [getuige 3] van begin af aan tegen haar moeder heeft verteld dat verdachte geschoten had nadat [slachtoffer 1] terugkwam van een feestje. Dat komt overeen met de verklaring die [getuige 3] ook heeft afgelegd.
De verdediging heeft verder aangevoerd dat het opvallend is dat [getuige 3] verklaart dat verdachte een machinegeweer bij zich droeg, terwijl uit forensisch bewijs afgeleid kan worden dat een Glock-pistool is gebruikt bij de moord op [slachtoffer 1]. Het Gerecht ziet dat anders. Het Gerecht kan allereerst slechts vaststellen dat een Glock-pistool is gebruikt, maar hoe het moordwapen eruitgezien heeft en of er modificaties, zoals een verlengde kolf, op dit wapen zijn aangebracht, dat kan het Gerecht niet vaststellen: het wapen is tot op heden niet gevonden. Ook als het Gerecht ervan uitgaat dat de lengte van het pistool niet was aangepast, geldt dat vanwege de grote hoeveelheid verschoten munitie en de conclusies die het Gerecht in onderzoek Cloud heeft getrokken over deze Glock, er sterke aanwijzingen zijn dat de Glock met een ‘switch’ was omgebouwd tot een volautomatisch vuurwapen en/of dat de Glock voorzien was van een verlengde patroonhouder. Opvallend is dat ook de ooggetuige [betrokkene 1] in de zaak Cloud sprak over het geluid van een machinegeweer en in die zaak dezelfde Glock is gebruikt. Nu er sterke aanwijzingen zijn dat een pistool is gebruikt dat volautomatisch kon vuren en/of een verlengde patroonhouder had, acht het Gerecht het niet onlogisch dat een vijftienjarig meisje het wapen – zeker na een langere tijd – als een (lang) machinegeweer in haar herinneringen opslaat. Dat raakt de betrouwbaarheid van haar verklaring niet.
De verdediging heeft verder gewezen op tegenstrijdigheden tussen de door [getuige 3] geschetste tijdlijn van de avond van 28 september 2022 met objectief bewijs. Het Gerecht ziet dat niet. Uit de verklaring van [getuige 3] is immers geen duidelijke tijdlijn te ontwaren. Hoeveel tijd er tussen de gebeurtenissen bij de elektrische kast en de moord zit, is niet duidelijk geworden. Hoewel ernaar gevraagd is, wist [getuige 3] geen tijdstippen te noemen en is uit haar verklaring niet helder geworden hoeveel tijd er tussen de gebeurtenissen bij de elektrische kast, het feest en de moord zit. De verdediging heeft niettemin uit de verklaring van [getuige 3] afgeleid dat de moord – volgens de tijdlijn die [getuige 3] schetst – voor 22.41 uur moet hebben plaatsgevonden omdat [getuige 3] niet spreekt over ‘regen’ terwijl uit online weersinformatie van die avond volgt dat het vanaf 22.41 uur op Curaçao zou hebben geregend. Verder gaat de verdediging ervan uit dat het daadwerkelijke tijdstip van overlijden tussen 01.00 uur en 03.00 uur ligt. Deze redenering volgt het Gerecht niet. Nog los van de vraag of de online weersinformatie klopt en/of dit ziet op het hele eiland Curaçao of slechts delen daarvan en/of het de hele avond onafgebroken heeft geregend, geldt dat zelfs als de door de verdediging genoemde weersinformatie accuraat is, dan nog de omstandigheid dat [getuige 3] niet verklaart over regen, niet wil zeggen dat zij geen regen heeft waargenomen. Zij heeft verklaard over opvallende zaken die haar zijn bijgebleven: een moord en bliksemstralen. Of het regende is haar verder niet gevraagd in de verhoren. Dit onderdeel raakt de betrouwbaarheid van [getuige 3] dan ook niet.
De verdediging heeft verder in het kader van de betrouwbaarheid van [getuige 3] aangevoerd dat [getuige 3] in haar verklaringen nog een ooggetuige noemt, met de bijnaam [getuige 5], terwijl [getuige 5] zelf verklaart geen ooggetuige te zijn geweest. Het Gerecht is dit ook opgevallen. Echter, gelet op de leeftijd van [getuige 5] (ten tijde van de moord 11 jaar), de diverse verklaringen die gaan over onwil om te verklaren vanwege angst voor represailles en de verklaring van de oma van [getuige 5] waaruit kan worden afgeleid dat de moeder van [getuige 5] erop tegen is dat (een van) haar dochter(s) meewerkt met het politieonderzoek, acht het Gerecht dit onderdeel niet van doorslaggevende betekenis voor de betrouwbaarheid van [getuige 3]. Deze omstandigheid maakt echter wel dat het Gerecht kritisch toetst of de verklaring verankerd is in overig bewijsmateriaal of onderzoeksresultaten en zoals hiervoor overwogen, staat de verklaring van [getuige 3] niet op zich, maar wordt deze ondersteund door ander bewijs en onderzoeksresultaten.
Waar het Gerecht tot slot wel moeite mee heeft is dat [getuige 3] in haar eerste verklaring verklaart dat slechts verdachte degene was die op [slachtoffer 1] heeft geschoten. In die verklaring heeft zij niets gezegd over dat zij een vuurwapen bij [betrokkene 3] heeft waargenomen. Ruim een jaar later bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 3] dat zij bij [betrokkene 3] ook een vuurwapen heeft gezien, te weten een handvuurwapen, en daarenboven verklaart zij dat [betrokkene 3] dat vuurwapen ook zou hebben afgevuurd. Het Gerecht acht dit opvallend, zeker aangezien uit forensisch onderzoek volgt dat maar één vuurwapen is gebruikt bij de moord op [slachtoffer 1]. [getuige 3] heeft op dit belangrijke punt wisselend verklaard en haar tweede verklaring is in strijd met objectief bewijs. Op dit onderdeel acht het Gerecht de verklaring van [getuige 3] niet betrouwbaar. De vraag is echter of dit de gehele verklaring van [getuige 3] onbetrouwbaar maakt. Het Gerecht beantwoordt die vraag ontkennend. Zoals hiervoor weergegeven, is de verklaring van [getuige 3] op de overige belangrijkste relevante punten consistent en gedetailleerd en wordt een belangrijk onderdeel dat belastend voor verdachte is (over de uitlating bij de elektrische kast), ondersteund door andere getuigen, verder komt haar verklaring overeen met forensisch bewijs en ondersteunt de modus operandi en het gebruik van hetzelfde vuurwapen, de verklaring van [getuige 3] over het daderschap van verdachte. Hoewel het Gerecht dus twijfelt over dit deel van haar verklaring, maakt dat niet dat de rest van haar verklaring onbetrouwbaar wordt geacht.
Tot slot merkt het Gerecht op dat uit de verklaring van [getuige 3], maar vrijwel van alle getuigen die in het onderzoek gehoord zijn, volgt dat zij bang voor verdachte zijn. [getuige 3] wilde eigenlijk ook niet opnieuw gehoord worden en moest met een bevel medebrenging worden gehoord bij de rechter-commissaris. Van een logische reden om desalniettemin verdachte ten onrechte te belasten, is niet gebleken.
Gelet op al het voorgaande verwerpt het Gerecht de verweren van de verdediging met betrekking tot de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de in de bewijsmiddelen genoemde getuigenverklaringen.
4.3.2.4. Alibi
Verdachte heeft herhaaldelijk verklaard dat hij de moord niet gepleegd kan hebben omdat hij een alibi heeft. Verdachtes vermeende alibi wordt door de bewijsmiddelen reeds weerlegd. Volledigheidshalve merkt ook ten aanzien van de moord op [slachtoffer 1] op dat het alibi van verdachte in strijd is met de overige inhoud van het dossier.
Het Gerecht komt tot de conclusie dat verdachte in onderzoek Bliksem wisselend heeft verklaard over zijn activiteiten op de avond van 28 september 2022 en dat het gedeelte waarover hij wel (min of meer) consistent heeft verklaard, wordt ontkracht door zijn eigen vriendin. Allereerst heeft verdachte op 24 juli 2023 – kort na zijn aanhouding door de politie – verklaard dat hij de avond vóór de moord van [slachtoffer 1] ‘alleen’ was. In latere verhoren heeft verdachte keer op keer verklaard dat hij eerst met diverse mensen bij de elektriciteitskast was, daarna naar het verjaardagsfeest van zijn vriendin was gegaan en dat hij vanuit daar samen met haar naar zijn huis is gegaan. Ter zitting verklaarde verdachte dat hij die avond bij de elektriciteitskast stond en dat hij, voordat hij naar zijn vriendin is gegaan om haar verjaardag te vieren, nog bij zijn ‘bij’-vriendin langs was gegaan, omdat zij hem een bericht had gestuurd met de vraag om langs te komen. Hij verklaarde dat hij maar eventjes bij haar is geweest om te zeggen dat hij niet langs kon komen. Dat hij vanaf de elektriciteitskast eerst naar [bijvriendin] was gegaan (en daarna pas naar zijn vriendin) is een detail in zijn verklaring dat pas ter terechtzitting naar voren is gebracht en is opvallend omdat [bijvriendin] in dezelfde woning verbleef als [slachtoffer 1], de plek waar hij die avond/nacht werd geliquideerd. Verdachte bleef ook ter zitting erbij dat hij na de korte ontmoeting met [bijvriendin] naar het verjaardagsfeest van [vriendin] is gegaan. Uit de verklaring van [vriendin] van 20 januari 2025 maakt het Gerecht op dat zij ontkent dat verdachte op haar verjaardagsfeest was die avond.
Het Gerecht komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat verdachte wisselend heeft verklaard over zijn alibi en dat het gedeelte waarover hij redelijk consistent heeft verklaard, te weten zijn aanwezigheid op het verjaardagsfeest van zijn vriendin, niet wordt ondersteund door zijn vriendin.
4.3.2.5. Conclusie daderschap
Uit de verklaring van de ooggetuige [getuige 3], het gebruik van hetzelfde vuurwapen dat verdachte bij de moord op [slachtoffer 2] heeft gebruikt en de overeenkomende modus operandi volgt wettig en overtuigend bewijs voor zijn daderschap. Daartegenover staat dat verdachte geen sluitend alibi kan overleggen. Al hetgeen hiervoor ten aanzien van het bewijs van de tenlastegelegde feiten is overwogen, sterken het Gerecht in de overtuiging dat de verdachte schuldig is aan het verweten strafbare feit.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat [slachtoffer 1] slachtoffer is geworden van een liquidatie door problemen met anderen dan verdachte, is het Gerecht van oordeel dat dat betoog geen doel kan treffen en ook op geen enkele wijze concreet is geworden op basis van het dossier of concreet is gemaakt door de verdediging.
4.3.2.6. Opzet en voorbedachten rade
Het Gerecht komt – gelet op al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien – tot het oordeel dat verdachte de daad bij het woord heeft gevoegd en hij op of omstreeks 29 september 2022 [slachtoffer 1] heeft geliquideerd. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen – zoals die blijkt uit de bewijsmiddelen – leidt het Gerecht af dat sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] te doden. Verdachte is met een vuurwapen naar de plaats delict gegaan en hij heeft vervolgens een grote hoeveelheid kogels afgevuurd in de richting van [slachtoffer 1]. Terwijl hij, [slachtoffer 1], al op de grond lag door zijn opgelopen verwondingen, heeft verdachte nog een aantal gerichte schoten op [slachtoffer 1] afgevuurd. Uit het dossier kan naar het oordeel van Gerecht dan ook niet worden afgeleid dat het handelen van verdachte in een opwelling is gebeurd.
Het Gerecht is gelet op al het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – aldus van oordeel dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] heeft geliquideerd.
Het Gerecht komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder parketnummer 500.00054/24 tenlastegelegde feit. Het Gerecht zal verdachte vrijspreken van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1], nu [getuige 3] over de rol van [betrokkene 3] wisselend heeft verklaard en op basis van de bewijsmiddelen onvoldoende kan worden vastgesteld dat verdachte een nauwe en bewuste samenwerking had met [betrokkene 3] of een andere mededader.
Poging tot doodslag leden van het arrestatieteam (AT)
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op vier leden van het AT.
De verdediging heeft bepleit dat verdachte geen opzet had op de dood van, dan wel zwaar lichamelijk letsel bij, de leden van het AT, en/of dat sprake was van putatief noodweer.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Vier leden van het AT hebben verklaard dat verdachte op hen heeft geschoten ten tijde van de aanhouding. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij inderdaad gericht op de auto van het AT heeft geschoten terwijl hij zag dat de autodeuren opengingen en eerder had vernomen dat er vier mensen in de auto zaten. Deze bevindingen worden ondersteund door forensisch bewijs.
Op basis van de bewijsmiddelen is het Gerecht dan ook van oordeel dat verdachte minimaal twee keer heeft geschoten op een voertuig, terwijl hij wist dat er vier inzittenden in dat voertuig zaten. Het Gerecht is van oordeel dat het handelen van verdachte, te weten het (minimaal twee keer) gericht schieten op een auto met inzittenden, ondanks dat het voertuig niet is geraakt door de kogels, naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht was op het toebrengen van de dood op (een van deze) personen, dat moet worden geoordeeld dat verdachte ten minste de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Er zijn geen contra-indicaties die tot een andere conclusie moeten leiden. Zo heeft verdachte niet aangevoerd dat zijn bedoeling was om deze mensen af te schrikken of dat hij mikte op de autobanden. Verdachte verklaarde juist dat hij gericht op de auto schoot, toen hij zag dat mensen uitstapten. Dat verdachte ‘maar’ twee kogels heeft gevuurd en met twee kogels niet alle vier de inzittenden had kunnen doden – voor zover al juist – doet naar het oordeel van het Gerecht niets af aan het voorgaande. De leden van het AT liepen, ieder afzonderlijk, de aanmerkelijke kans om dodelijk te worden getroffen door de afgevuurde kogels.
Het Gerecht acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het van het leven beroven van de leden van het AT. Het Gerecht komt daarom tot een bewezenverklaring van feit 3 (primair) van parketnummer 500.00191/23. Of sprake is geweest van putatief noodweer zal later in dit vonnis onder het kopje ‘strafbaarheid van het bewezenverklaarde’ worden besproken.
Vuurwapenbezit
Volgens vaste rechtspraak is de uitleg van de tenlastelegging voorbehouden aan de feitenrechter. Ter terechtzitting heeft het Gerecht besproken dat de tenlastelegging van feit 4 van parketnummer 500.00191/23 – mede in aanmerking nemend de uitleg van de officier van justitie bij de gevorderde wijziging van de tenlastelegging op 18 oktober 2024 – zo wordt uitgelegd dat dit feit zowel onderzoek Cloud als Bliksem omvat en dat de strekking is dat verdachte een vuurwapen voorhanden zou hebben gehad ten tijde van:
de moord op [slachtoffer 1] op of omstreeks 29 september 2022;
de moord op [slachtoffer 2] op 19 mei 2023; en
ten tijde van zijn aanhouding op 5 juli 2023 (een Glock 19).
De officier van justitie heeft beaamd dat de tenlastelegging ook zo is bedoeld en de verdediging heeft hierover geen opmerking gemaakt. Het Gerecht zal de tenlastelegging dan ook aldus uitleggen.
Met betrekking tot het vuurwapen dat verdachte bij zich had ten tijde van de aanhouding op 5 juli 2023, een Glock 19, heeft verdachte bekend dat hij dat dit wapen in 2020 heeft aangeschaft en sindsdien voorhanden heeft gehad. Daarmee kan de gehele tenlastegelegde periode worden bewezen (ten aanzien van dit wapen).
Verder stelt het Gerecht vast dat verdachte in ieder geval nog twee vuurwapens voorhanden heeft gehad. Immers, verdachte heeft in vereniging bij de moord op [slachtoffer 2] twee vuurwapens voorhanden gehad (een Beretta en Glock) en bij de moord op [slachtoffer 1] een Glock, waarvan de wapenspecialist heeft vastgesteld dat dit andere vuurwapens betreffen dan het vuurwapen welke verdachte ten tijde van zijn aanhouding bij zich droeg.
Het Gerecht stelt op basis van al het voorgaande en de opgenomen bewijsmiddelen vast dat in de bewezenverklaarde periode verdachte meerdere vuurwapens, waaronder een Glock 19, in de zin van Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
Samenvatting van de conclusies van het Gerecht
Cloud
Op basis van de bewijsmiddelen komt het Gerecht tot een bewezenverklaring voor medeplegen van de moord op [slachtoffer 2]. Allereerst heeft een ooggetuige, een goede vriend van het slachtoffer, gedetailleerd en consistent verklaard dat hij gezien heeft dat verdachte een van de schutters was. Daarnaast staat vast dat verdachte en [slachtoffer 2] in onmin verkeerden en blijkt uit een bericht in zijn telefoon dat verdachte twee dagen voorafgaand aan de moord nog op zoek was naar [slachtoffer 2], terwijl hij daar geen aannemelijke verklaring voor heeft gegeven. Tot slot wordt het door verdachte genoemde alibi weersproken door andere onderzoeksresultaten.
Bliksem
In de zaak Bliksem komt het Gerecht ook tot een bewezenverklaring en wordt verdachte veroordeeld voor de moord op [slachtoffer 1]. Een ooggetuige heeft verdachte aangewezen als de schutter. Hoewel deze ooggetuige op een bepaald onderdeel onbetrouwbaar heeft verklaard, acht het Gerecht de kern van haar verklaring, te weten dat verdachte de schutter was, betrouwbaar. Daarbij komt dat haar verklaring op belangrijke punten wordt ondersteund door andere getuigen en forensisch bewijs. Tegenover deze belastende omstandigheden staat dat verdachte wisselend heeft verklaard over zijn alibi en dat zijn alibi op belangrijke punten wordt weersproken door andere onderzoeksresultaten.
Bliksem en Cloud
De bewezenverklaring in onderzoek Bliksem steunt mede op de bewezenverklaring in onderzoek Cloud en vice versa. Het Gerecht leidt uit de bewijsmiddelen af dat bij beide moorden exact hetzelfde vuurwapen is gebruikt en dat sterke overeenkomsten bestaan tussen de modus operandi van deze twee moorden.
Schieten op het AT
Het Gerecht komt eveneens tot een bewezenverklaring van de poging doodslag op meerdere AT-politiefunctionarissen op 5 juli 2023. Uit de bewijsmiddelen leidt het Gerecht af dat verdachte gericht op de auto van het AT heeft geschoten, terwijl de agenten aan het uitstappen waren. Daarmee staat (voorwaardelijk) opzet op het doden van deze agenten vast. Het beroep op putatief noodweer (zoals hierna wordt beschreven) wordt verworpen omdat deze politieagenten op ambtseed hebben verklaard dat zij eerst ‘politie, politie’ hebben geroepen en verdachte pas daarna op hen heeft geschoten. Het Gerecht twijfelt daar niet aan.
Vuurwapenbezit
Het Gerecht komt tot slot tot een bewezenverklaring van vuurwapenbezit voor de gehele tenlastegelegde periode en ten aanzien van meerdere vuurwapens, mede op basis van de bekennende verklaring van verdachte.
Voorwaardelijke verzoeken
Nu het Gerecht tot bewezenverklaringen komt zal zij ook toekomen aan de door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoeken.
De verdediging heeft bij pleidooi (pagina 40 en 41 (Bliksem) 78 en 79 (Cloud)) de volgende voorwaardelijke verzoeken gedaan:
horen van anonieme getuigen afkomstig uit – kortgezegd – processen-verbaal van de Criminele Inlichtingen Eenheid van het KPC en de Criminele Inlichtingen Dienst van de Kustwacht (Bliksem en Cloud) indien het Gerecht gebruik zou maken van de processen-verbaal van deze ‘anonieme getuigen’;
het horen van [betrokkene 5] (Bliksem en Cloud);
het toevoegen van het werkrooster van [slachtoffer 1] (Bliksem);
het toevoegen van een proces-verbaal van bevindingen over de aangetroffen slipper (Bliksem);
het toevoegen van stukken met betrekking tot de aanhouding van [betrokkene 6];
het horen van [betrokkene 7] (Cloud);
het horen van ([betrokkene 3]) in onderzoek Cloud;
het horen van [betrokkene 8, betrokkene 9 en betrokkene 10] (Cloud);
het toevoegen van een proces-verbaal met betrekking tot de aangetroffen gegevens op de telefoon van [slachtoffer 2] (Cloud);
het toevoegen van een proces-verbaal met betrekking tot de gegevens die zijn aangetroffen op de vernielde telefoon op de plaats delict (Cloud);
het horen van verbalisanten over het aanvullend proces-verbaal van forensisch onderzoek van 9 december 2025, registratienummer 332/2025.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle verzoeken dienen te worden afgewezen.
Het Gerecht merkt met betrekking tot het onder 1 gedane verzoek op dat de CIE/CID-verstrekkingen door het Gerecht niet gebruikt (mogen) worden als bewijs. De voorwaarde van het verzoek is dus niet in vervulling gegaan en het Gerecht hoeft op dit verzoek dan ook niet te beslissen.
Het Gerecht stelt voorop dat de overige voorwaardelijke verzoeken getoetst moeten worden aan het noodzaakscriterium. Het Gerecht is van oordeel dat deze voorwaardelijke verzoeken moeten worden afgewezen, nu het Gerecht zich op basis van het dossier zoals dat nu voorligt voldoende voorgelicht acht en daarmee de noodzaak tot het doen van nader onderzoek ontbreekt. Hierbij wordt, met uitzondering van het verzoek onder 11 (nu dit verzoek niet eerder gedaan had kunnen worden met betrekking tot dit specifieke proces-verbaal), ook in aanmerking genomen dat de verzoeken laat, namelijk pas bij de inhoudelijke behandeling, zijn gedaan. Het Gerecht is daarom van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd waarom het horen van deze (niet-belastende) getuigen en het verzoek om voornoemde documenten aan het procesdossier toe te voegen noodzakelijk is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 392 en 394 Sv te nemen beslissing.
Is sprake geweest van een (on)eerlijk proces door gebruik te maken van het aanvullend proces-verbaal (onderzoekswens 11)?
De verdediging heeft, in het kader van de bespreking van het bewijs, bepleit dat met het indienen op 6 januari 2026 van een aanvullend proces-verbaal van forensisch onderzoek van 9 december 2025, registratienummer 332/2025, het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM is geschonden. Dit aanvullend proces-verbaal is (te) laat toegevoegd aan het dossier en de verdediging heeft gelet op de korte periode tot aan de zitting daardoor geen contra-expertise meer kunnen uitvoeren met betrekking tot de in het aanvullend proces-verbaal genoemde conclusie over het merk vuurwapen (Glock) dat gebruikt is bij de moorden van Cloud en Bliksem. Het Gerecht heeft het verweer van de verdediging zo geïnterpreteerd dat volgens de verdediging sprake is van een vormverzuim.
Allereerst merkt het Gerecht op dat – hoewel onwenselijk – geen rechtsregel zich verzet tegen de late toezending van dossierstukken. Verder stelt het Gerecht vast dat in de hiervoor opgenomen bewijsconstructie het van ondergeschikt belang is welk merk vuurwapen bij de moorden in onderzoek Cloud en Bliksem is gebruikt. Relevant voor het bewijs is de conclusie dat sprake is van hetzelfde vuurwapen, welke conclusie niet door de verdediging is betwist. Gelet op die omstandigheid is de verdediging niet in haar belangen geschaad door gebruikmaking van het genoemde proces-verbaal, nog daargelaten dat de verdediging geen rechtsgevolgen aan het veronderstelde vormverzuim heeft verbonden en het Gerecht daarom niet gehouden is om daarop te reageren.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht – op grond van de in bijlage 2 weergegeven bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten van parketnummer 500.00191/23 en het tenlastegelegde feit van parketnummer 500.00054/24 heeft begaan, met dien verstande dat:
500.00191/23 (onderzoek Cloud)
Feit 1:
hij op 19 mei 2023 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd,
immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met vuurwapens kogels afgevuurd op en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2], waardoor die [slachtoffer 2] door kogels in het lichaam werd getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;
Feit 2 (primair):
hij op 19 mei 2023 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 1] van het leven te beroven,
met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met vuurwapens kogels in de richting van het (boven)lichaam van die [betrokkene 1] heeft afgevuurd,
terwijl de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 3 (primair):
hij op 5 juli 2023 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk leden van het Arrestatie Team (AT) van het Korps Politie Curaçao (KPC), te weten AT lid 0617 en/of AT lid 0801 en/of AT lid 0039 en AT lid 0070, van het leven te beroven,
met dat opzet met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd op de auto van het AT waarin die leden van het AT aanwezig waren en in de richting van leden van het AT,
terwijl de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 4:
hij op meerdere momenten in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 5 juli 2023 te Curaçao, vuurwapens, van het merk Glock, model 19, kaliber 9x19 mm en meerdere andere vuurwapens, telkens een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en 12 scherpe patronen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
500.00054/24 (onderzoek Bliksem)
hij op of omstreeks 29 september 2022 te Curaçao opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,
immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels afgevuurd op en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1], waardoor die [slachtoffer 1] door kogels in het lichaam werd getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
5. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de bewezenverklaarde feiten uitsluiten.
Het Gerecht acht alle bewezenverklaarde feiten strafbaar.
6. Kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten
De hiervoor bewezenverklaarde feiten zijn voorzien bij en strafbaar gesteld in de artikelen 1:119, 1:123, 2:259 en 2:262 van het Wetboek van Strafrecht en de artikel 3 en 11 van de Vuurwapenverordening 1930. De bewezenverklaarde feiten worden als volgt gekwalificeerd:
500.00191/23 (onderzoek Cloud)
feit 1:
medeplegen van moord;
Feit 2 (primair):
medeplegen van poging tot moord;
Feit 3 (primair):
poging tot doodslag, meermalen gepleegd;
Feit 4:
overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd;
500.00054/24 (onderzoek Bliksem):
moord.
7. Strafbaarheid van de verdachte
De verdediging heeft ter terechtzitting bepleit dat verdachte ten aanzien van feit 3 van parketnummer 500.00191/23 een schulduitsluitingsgrond toekomt, te weten een beroep op putatief noodweer met als gevolg – althans zo begrijpt het Gerecht het verweer van de verdediging – dat verdachte voor voornoemd feit zal moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft de verdediging aangegeven dat verdachte niet wist dat hij met de politie te maken had en dat hij lijdt aan traumatische stress en verhoogde alertheid, waardoor hij in de veronderstelling verkeerde dat hij zich diende te verdedigen tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van mogelijke criminele vijanden.
Het Gerecht stelt voorop dat van putatief noodweer sprake is indien een verdachte verschoonbaar heeft gedwaald over het bestaan van een noodweersituatie. Aannemelijk dient te zijn dat er objectieve omstandigheden waren die de verdachte redelijkerwijze aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. De subjectieve ervaring van de verdachte is daarbij niet leidend.
Het Gerecht oordeelt dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk zijn geworden. Uit de bewijsmiddelen blijkt namelijk dat de leden van het arrestatieteam verdachte wilde aanhouden en dat verdachte begon te schieten nadat zij “politie, politie” hadden geroepen. Het Gerecht heeft geen reden te twijfelen aan de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van deze politieagenten. Van een putatieve noodweersituatie was aldus geen sprake.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor de hiervoor bewezenverklaarde feiten.
8. Oplegging van straf
Het Openbaar Ministerie heeft een levenslange gevangenisstraf geëist. Hiertoe heeft het Openbaar Ministerie – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte gevaarlijk is en de kans op recidive hoog is. Gelet op het voorgaande en in combinatie met de ernstige strafbare feiten die door verdachte zijn gepleegd, stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat voor verdachte geen plaats meer is in deze samenleving en daarom de levenslange gevangenisstraf de enige passende straf is.
Met betrekking tot de eis van het Openbaar Ministerie heeft de verdediging – in de kern – naar voren gebracht dat een levenslange gevangenisstraf niet passend is en niet in lijn is met Curaçaose rechtspraak waarin, vergeleken met onderhavige zaak van verdachte, voor veel zwaardere zaken levenslang is opgelegd. De verdediging verzoekt daarnaast om ook gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen levenslange gevangenisstraf op te leggen.
Het Gerecht overweegt als volgt.
De ernst van de feiten
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van de bewezenverklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee moorden, een poging tot moord, een poging tot doodslag op vier leden van het AT en het gedurende een langere periode voorhanden hebben van vuurwapens.
Met betrekking tot de gepleegde levensdelicten en de pogingen daartoe heeft de verdachte laten zien dat hij een man is die een volkomen gebrek aan respect heeft voor het leven van anderen. In strafverzwarende zin houdt het Gerecht rekening met de wijze waarop de slachtoffers zijn doodgeschoten. Hieruit kan het Gerecht niet anders afleiden dan dat verdachte moedwillig en op trefzekere wijze beide jonge mannen heeft geliquideerd. Beide slachtoffers zijn doorzeefd met kogels en hadden geen schijn van kans om de moordaanslagen te overleven.
De liquidaties hebben plaatsgevonden in een woonwijk. Het ervaren van dergelijke feiten is zeer schokkend voor omstanders. Dat is ook gebleken in de onderhavige zaak van [slachtoffer 2], waarbij familieleden (waaronder zeer jonge kinderen) hebben moeten zien hoe [slachtoffer 2], na de aanslag op zijn leven, stervende was. Aan de dodelijke slachtoffers is het hoogste goed, het recht op leven, ontnomen en aan de nabestaanden is, zoals ook ter terechtzitting is gebleken, een immens en onherstelbaar verdriet aangedaan, dat nog elke dag voelbaar is. Zij zullen verder moeten leven met de kennis dat hun dierbare is vermoord en zij zullen dit hun verdere leven met zich moeten meedragen. Dat de gepleegde levensdelicten en de pogingen daartoe in de samenleving gevoelens van afgrijzen, angst en onveiligheid teweeg hebben gebracht, behoeft geen betoog. Uit het dossier is ook gebleken dat veel mensen in de wijk bang zijn voor verdachte, dat getuigen zijn verhuisd uit angst en dat de bereidheid om te verklaren over verdachte zeer gering is uit angst voor represailles. Een angst die niet onterecht is gebleken.
Het motief van verdachte is niet helder geworden. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat [slachtoffer 1] en verdachte ooit samen betrokken waren bij het plegen van misdrijven, maar dat een fout van [slachtoffer 1] bij een van deze misdrijven hem fataal is geworden. Ten aanzien van [slachtoffer 2] lijkt het motief iets duidelijker: uit verklaringen van naasten volgt dat [slachtoffer 2] niet kon loslaten dat verdachte zijn vriend [slachtoffer 1] had vermoord. [slachtoffer 2] bleef hierover praten en mogelijk was dat de aanleiding voor verdachte om hem het zwijgen te doen opleggen. Volledige duidelijkheid heeft het Gerecht hierover niet gekregen, aangezien verdachte de feiten ontkent en de slachtoffers er niet meer zijn om meer duidelijkheid te geven over het conflict dat zij met verdachten hadden.
Verder zijn [betrokkene 1], die als omstander aanwezig was bij de moord op [slachtoffer 2], en de leden van het AT ternauwernood ontsnapt aan de dood. Verdachte heeft met zijn handelen hun levens ernstig in gevaar gebracht. Ook uit de verklaring van [betrokkene 1] volgt dat hij na het bijwonen van de liquidatie op [slachtoffer 2] fysiek en mentaal zwaar heeft geleden, zeker aangezien hij lange tijd in de veronderstelling leefde dat verdachte hem alsnog zou doden als ze elkaar zouden tegenkomen.
Met betrekking tot de leden van het AT acht het Gerecht van belang om op te merken dat zij – in dienst van het land Curaçao – enkel hun werk hebben gedaan en ook die dag veilig thuis naar hun gezin wilden komen. Het is dan ook strafverzwarend als levensbedreigend geweld richting politieagenten wordt uitgeoefend.
Verder heeft verdachte gedurende een langere periode meerdere vuurwapens voorhanden gehad. Het ongecontroleerd voorhanden hebben van vuurwapens is bijzonder kwalijk, nu dit extreem gevaarzettend is, zoals in onderhavige zaak ook de trieste realiteit is geworden. Dat vuurwapens in het algemeen een gevaar vormen voor de samenleving blijkt wel uit het feit dat er in Curaçao regelmatig vuurwapenincidenten plaatsvinden, met dodelijke afloop of met zwaar letsel tot gevolg.
De persoon van verdachte en zijn proceshouding
Bij het bepalen van de op te leggen straf kijkt het Gerecht ook naar de persoon van verdachte. Verdachte betreft een jonge man die al vroeg de harde kant van het leven heeft ervaren, waaronder het op jonge leeftijd afscheid moeten nemen van zijn moeder. Daarnaast is verdachte opgegroeid in de wijk Seru Fortuna, waarvan het Gerecht ambtshalve weet dat de kansen niet voor het oprapen liggen. Verder heeft verdachte ter terechtzitting (onder meer) verklaard dat zijn kind hem nodig heeft.
Het Gerecht acht het invoelbaar dat het overlijden van zijn moeder een diepe indruk heeft gemaakt op verdachte. Dat geldt ook voor het missen van zijn dochter en het feit dat zij haar vader mist. Desalniettemin ziet het Gerecht in het voorgaande, hoe triest deze omstandigheden ook zijn, geen aanleiding tot strafvermindering. Verdachte had eerder na kunnen en moeten denken over de consequenties die zijn handelen, in het bijzonder voor zijn kind, zouden (kunnen) hebben.
Met betrekking tot de moeilijke omstandigheden waarin verdachte is opgegroeid in de wijk Seru Fortuna en het overlijden van zijn moeder, wil het Gerecht opmerken dat deze omstandigheden geen reden kunnen en mogen zijn om ernstige strafbare feiten te plegen. Verdachte had – hoe moeilijk dat wellicht ook geweest moet zijn – andere keuzes moeten maken in het leven en had bovendien als geen ander moeten weten hoeveel pijn hij de nabestaanden specifiek en de wijk in zijn algemeenheid aan zou doen door de slachtoffers om het leven te brengen.
Uit de strafkaart van verdachte leidt het Gerecht af dat hij eerder voor strafbare feiten is veroordeeld en ook in een proeftijd liep ten tijde van de verdenking voor een drugsfeit. Verdachte is echter niet eerder veroordeeld voor zware geweldsfeiten. Het Gerecht zal de strafkaart dan ook niet in strafverzwarende zin meewegen.
Uit de rapportages van de psycholoog en de psychiater blijkt – kort gezegd – dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar was en dat de kans op recidive, zonder interventie, als hoog (psycholoog) en ongunstig (psychiater) wordt ingeschat.
Naast de persoonlijke omstandigheden, beoordeelt het Gerecht ook de proceshouding van verdachte. De verdachte heeft bij de politie en gedurende het onderzoek ter terechtzitting ervoor gekozen om zijn betrokkenheid bij de bewezenverklaarde feiten te ontkennen, wat zijn goed recht is. Daarmee heeft verdachte echter wel bijgedragen aan het in onwetendheid houden van de nabestaanden van de slachtoffers over verdachtes beweegredenen. Het Gerecht is zich ervan bewust dat volledige duidelijkheid over verdachtes beweegredenen er ook met dit vonnis niet gaat komen. Verdachte heeft daarmee geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en ook heeft hij geen oprechte berouw kunnen tonen voor het leed dat hij de nabestaanden en de andere slachtoffers heeft aangedaan. Dit rekent het Gerecht verdachte aan.
Tijdelijke gevangenisstraf of levenslang?
Het Gerecht stelt voorop dat geen enkele straf het gemis van de slachtoffers voor hun nabestaanden kan vergoeden. Moord is het meest ernstige strafbare feit dat de wet kent. Dat komt tot uitdrukking in de (maximale) straf die de wetgever op dit feit heeft gesteld: een levenslange gevangenisstraf of een maximale tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaren. Het oriëntatiepunt van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie voor een moord is 18 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Uit rechtspraak volgt verder dat een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaren een passend uitgangspunt is voor een enkelvoudige liquidatie (vgl. Gerechtshof Den Haag 11 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2002).
Verdachte heeft zich in onderhavige zaak niet schuldig gemaakt aan een enkelvoudige moord, maar aan twee extreem gewelddadige liquidaties. Strafverzwarend acht het Gerecht de bijzondere gewelddadigheid van de liquidaties, het gebrek aan erkenning en de schok die deze moorden in heel Curaçao, maar met name in Seru Fortuna teweeg heeft gebracht. Gelet op deze omstandigheden neemt het Gerecht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 22 jaar als uitgangspunt voor de moord op [slachtoffer 1] en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 jaar voor de moord op [slachtoffer 2], aangezien bij die moord ook geprobeerd is een omstander van het leven te beroven.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op vier leden van het AT. Het oriëntatiepunt van het Gemeenschappelijk Hof voor een poging doodslag met een vuurwapen zonder letsel, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5-6 jaar. Strafverzwarend weegt mee dat de poging doodslag is gepleegd jegens meerdere personen en dat dit geweld plaatsvond tegen politiebeambten. Voor deze poging tot doodslag acht het Gerecht een gevangenisstraf van 10 jaar een passend uitgangspunt.
Tot slot heeft verdachte gedurende meerdere jaren meerdere vuurwapens voorhanden gehad, waarbij hij zelf heeft verklaard dat hij regelmatig met deze vuurwapens op zak over straat liep. Gelet op de oriëntatiepunten acht het Gerecht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden een passend uitgangspunt voor dit feit.
Gelet op het voorgaande in combinatie met de hoeveelheid aan bewezenverklaarde feiten in onderhavige zaak, zou de som van de voornoemde uitgangspunten ruimschoots boven de 30 jaren gevangenisstraf uitkomen. Echter, op grond van artikel 1:13 lid 3 en 4 van het Wetboek van Strafrecht is de absolute maximale tijdelijke gevangenisstraf die in dit geval voor alle feiten samen kan worden opgelegd 30 jaar.
Vanwege alle hierboven genoemde feiten en omstandigheden staat het voor het Gerecht vast dat een gevangenisstraf van een kortere duur dan 30 jaren niet aan de orde is. De vraag is of met die tijdelijke maximale gevangenisstraf van 30 jaren kan worden volstaan, of dat een levenslange gevangenisstraf moet worden opgelegd, zoals het Openbaar Ministerie heeft geëist.
Het Gerecht stelt voorop dat een levenslange gevangenisstraf alleen in uitzonderlijke gevallen en met grote behoedzaamheid moet worden opgelegd, omdat de levenslange gevangenisstraf de zwaarste straf is die in Curaçao kan worden opgelegd en in beginsel het hele leven van de levenslanggestrafte duurt. Uit de jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad volgt – kort gezegd – dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet verenigbaar is met artikel 3 EVRM als die straf als ‘irreducible’ moet worden beschouwd. Er moet al bij de oplegging van de levenslange gevangenisstraf een reële mogelijkheid bestaan tot herbeoordeling van die straf die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling. Deze reële mogelijkheid is in het Wetboek van Strafrecht van Curaçao verankerd in artikel 1:30 Sr en in de ‘Richtlijn bij tenuitvoerlegginglevenslange gevangenisstraf’. Artikel 1:30 houdt – kort gezegd – in dat de levenslanggestrafte na 20 jaar detentie de kans krijgt op een voorwaardelijke invrijheidstelling, indien het Hof van oordeel is dat verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer dient.
Bij de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in Curaçao is naar het oordeel van het Gerecht dus geen sprake van een uitzichtloze situatie voor de levenslanggestrafte, nu er na 20 jaar detentie een rechterlijke toets mogelijk is voor verdachte. Dit vindt het Gerecht van belang bij het bepalen van de strafmaat.
Het Gerecht heeft oog voor de hiervoor besproken persoonlijke omstandigheden van verdachte. Desondanks is het Gerecht, in het bijzonder gelet op het meedogenloos en gewetenloos optreden van verdachte dat heeft geresulteerd in onder meer twee liquidaties, met de officier van justitie van oordeel dat alleen de zwaarste gevangenisstraf passend en geboden is. Naast de hiervoor beschreven ernst van de feiten en verdachtes proceshouding, is uit de psychologische en psychiatrische rapportages ook gebleken dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar was en de kans op recidive als hoog/ongunstig wordt ingeschat. Dit betekent dat verdachte de feiten bij volle bewustzijn heeft gepleegd. Ook het gemak waarmee in het bijzonder de beide liquidaties gepleegd lijken te zijn, de doeltreffende en koelbloedige uitvoering ervan, wijzen erop dat verdachte in staat moet worden geacht in de toekomst opnieuw zulke ernstige misdrijven te plegen.
Ook de informatie uit de telefoon van verdachte biedt een verontrustende blik op het leven van verdachte. Verdachte heeft talloze selfies gemaakt met een breed arsenaal aan vuurwapens en vlak na de geboorte van zijn dochter heeft hij een foto van haar gemaakt met een vuurwapen in haar hand. Ook geeft zijn telefoon een inkijkje in de belevingswereld van verdachte, zo is daarin een audiobericht aangetroffen waarin verdachte vertelt dat hij mensen dichtbij hem houdt en als vrienden behandelt, zodat als zij vermoord worden, men zich niet kan voorstellen dat hij het was. Dit laat de huiveringwekkende en berekende gedachtegang van verdachte zien. Het is verdrietig en beangstigend om te lezen dat verdachte die door mensen uit de wijk in zijn jeugd als grappenmaker werd gezien en werd geroemd om ‘de kleur van zijn stem’ zo’n ander crimineel pad ingeslagen is.
Verdachte is jong (26 jaar oud) en een levenslange gevangenisstraf zal op hem mogelijk zwaarder drukken dan op een oudere levenslanggestrafte die al een groot deel van zijn leven in vrijheid heeft geleid. Gelet op de rechterlijke toets die na 20 jaar zal plaatsvinden, ziet het Gerecht in de jonge leeftijd geen dusdanig zwaarwegende reden om het voorgaande anders te maken. Er is het Gerecht ook anderszins niet gebleken van enige omstandigheid of andere bijzondere reden, op basis waarvan het Gerecht zou moeten komen tot een andersoortige of lagere straf. Het Gerecht is met het Openbaar Ministerie dan ook van oordeel dat de kans op herhaling bij verdachte tot het begaan van soortgelijke feiten hoog is en dat de samenleving tegen verdachte moet worden beschermd. Dat betekent dat het Gerecht, alles afwegende, een levenslange gevangenisstraf zal opleggen.
Tot slot acht het Gerecht van belang op te merken dat verdachte vanwege veiligheidsredenen in Nederland gedetineerd zit. Het Gerecht kan zich voorstellen dat het ondergaan van de detentie in Nederland zwaar is, gezien verdachte ver weg van familie gedetineerd zit. Het Gerecht gaat er echter vanuit dat de verantwoordelijke instanties weloverwogen tot plaatsing van verdachte in Nederland zijn gekomen en dat zij de noodzaak hiervan periodiek zullen blijven toetsen.
Redelijke termijn
Het Gerecht heeft ambtshalve zich ook rekenschap gegeven van de mogelijke schending van de redelijke termijn. Het Gerecht stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.
In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 7 juli 2023, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. Het Gerecht heeft op 4 februari 2026 vonnis gewezen. Het Gerecht stelt vast dat zij na ongeveer twee jaren en zeven maanden vonnis heeft gewezen. In deze zaak dient bij de vraag of sprake is van schending van de redelijke termijn rekening te worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van deze zaak. Naar het oordeel van het Gerecht wordt de langere behandelduur gerechtvaardigd door de complexiteit en omvang van de zaak en in de getuigenverhoren die (deels in het buitenland) plaats hebben gevonden. Gelet op deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel dat de redelijk termijn in deze zaak niet is overschreden.
9. In beslag genomen voorwerpen
Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Het Gerecht overweegt als volgt.
Het inbeslaggenomen vuurwapen en munitie zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Met behulp van deze voorwerpen is het onder 3 en 4 bewezen verklaarde (500.00191/23) begaan.
De inbeslaggenomen telefoons worden verbeurdverklaard. Uit beide telefoons komt informatie naar voren dat ze gebruikt (kunnen) zijn bij de aanschaf van vuurwapens. Daarmee is voldaan aan het vereiste zoals genoemd in artikel 1:68 lid 1 sub c en/of e Sr.
Daarbij merkt het Gerecht op dat deze telefoons pas mogen worden vernietigd, indien de strafzaak van verdachte onherroepelijk is, nu de verdediging heeft aangekondigd bij een eventueel hoger beroep nog onderzoekswensen te hebben ten aanzien van deze telefoons.
10. Schadevergoeding
In de vier hierna te bespreken vorderingen van de benadeelde partijen is aangevoerd dat sprake is geweest van immateriële schade (schokschade). Het Gerecht zal hierna eerst het juridisch kader voor toekenning van schokschade bespreken en vervolgens beoordelen of daarvan – ieder afzonderlijk – sprake is geweest.
Immateriële schade komt in Curaçao voor vergoeding in aanmerking indien sprake is van zogenoemde schokschade. Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958 – waarin wordt uitgelegd wanneer sprake is voor vergoeding van schokschade – volgt dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van dergelijke schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel zoals hierna nader omschreven.
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
De Hoge Raad heeft daarbij overwogen dat de feitenrechter aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval moet beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.
Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is voorts beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De kern van de jurisprudentie van de Hoge Raad blijft – ook na het hierboven genoemde arrest van 28 juni 2022 – dat in rechte op basis van objectieve gegevens moet kunnen worden vastgesteld dat de immateriële schade in verband met geestelijk letsel daadwerkelijk het gevolg is geweest van een hevige emotionele schok die door een strafbaar feit is veroorzaakt.
Voorschot of een vordering tot werkelijk geleden schokschade?
De verdediging heeft primair de niet-ontvankelijkheid van de vordering bepleit, gelet op de gevorderde vrijspraak. In het geval van een bewezenverklaring, zoals in onderhavig geval, heeft de verdediging het subsidiaire standpunt ingenomen dat de benadeelde partij om een voorschot heeft gevraagd, terwijl dat juridisch niet mogelijk is. De verdediging heeft zich daarom op het standpunt gesteld om – in lijn met jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.8.4.) – de vordering van alle benadeelde partijen ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren.
Het Gerecht is anders dan de verdediging van oordeel dat de benadeelde partij in het kader van de immateriële schade geen voorschot vordert, maar werkelijk geleden schokschade. In de vordering heeft de medewerker van slachtofferhulp weliswaar wat ongelukkig geformuleerd dat de schade bij wijze van ‘voorschot’ wordt gevorderd, maar uit de toelichting volgt dat de benadeelde partij werkelijk geleden schade vordert en een voorbehoud maakt om in een eventuele civiele procedure aanvullende schade te vorderen. Het Gerecht interpreteert deze vordering dan ook niet als een vordering tot het verkrijgen van een voorschot. Wat betreft de gevorderde immateriële schade zal het Gerecht dan ook tot een inhoudelijke beoordeling komen.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal Cg. 23.201,23, bestaande uit de volgende posten:
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen met de daarbij behorende wettelijke rente, met uitzondering van de gevorderde rijleskosten, nu een rechtstreeks verband met het strafbare feit ontbreekt. Ook vordert het Openbaar Ministerie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Wat betreft de gevorderde begrafeniskosten refereert de verdediging zich aan het oordeel van het Gerecht. De verdediging heeft in het kader van de gevorderde rijleskosten bepleit dat dit deel van de vorderingen, primair, dient te worden afgewezen, nu er geen rechtstreeks verband bestaat met het strafbare feit. Subsidiair heeft de verdediging de niet-ontvankelijkheid van dit deel van de vordering bepleit.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het strafdossier is het Gerecht voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit (500.00191/23) rechtstreekse schade heeft geleden, met betrekking tot de gevorderde begrafeniskosten. De vordering zal voor dat deel dan ook worden toegewezen. De kosten voor de rijlessen acht het Gerecht, tegen de achtergrond van het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:793), geen rechtstreekse schade. De vordering van de benadeelde partij zal voor dat deel dan ook worden afgewezen.
Dit betekent dat de materiële kosten tot een bedrag van Cg. 2.685,50 zal worden toegewezen.
Het Gerecht is van oordeel dat het causaal verband tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de psychische klachten van de benadeelde partij voldoende aannemelijk is geworden op basis van de medische stukken die bij het schadevergoedingsverzoek zijn gevoegd. Daarmee staat voldoende vast dat zij immateriële schade heeft geleden. Het Gerecht stelt namelijk vast dat bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de confrontatie met het levenloze en beschadigde lichaam van haar zoon als gevolg van het onrechtmatig handelen van verdachte. Dat heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, te weten een reactieve depressie en een posttraumatische stressstoornis met dissociatieve symptomen. Het is bijzonder droevig te lezen dat de benadeelde partij regelmatig haar overleden zoon denkt te zien lopen en ook een suïcidepoging heeft gedaan met als doel om toch weer bij hem te zijn. Gelet op dit alles is de vordering voldoende onderbouwd en kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade.
Het Gerecht acht het gevorderde bedrag van Cg. 20.000,- voor immateriële schade redelijk en billijk en zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van Cg. 22.685,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2023. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. De proceskosten van de benadeelde partij zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot op nihil.
Het Gerecht ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal kan worden toegewezen met de daarbij behorende wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het Gerecht is van oordeel dat het causaal verband tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de psychische klachten van de benadeelde partij onvoldoende aannemelijk is geworden. Hoewel het verdriet en de wanhoop die de benadeelde partij nog steeds elke dag voelt, enorm invoelbaar is, is uit de onderbouwing bij het schadeverzoek niet gebleken dat sprake is bij benadeelde partij van geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Hoewel het Gerecht niet twijfelt aan de opmerking van de benadeelde partij dat zij hulp heeft gehad van een psycholoog van PSI Skuchamikan kan het Gerecht dit niet toetsen. Daarmee is niet voldaan aan de stelplicht van de benadeelde partij en zal bij gebrek aan voldoende onderbouwing de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van deze benadeelde partij.
Het Gerecht bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De (moeder van de) minderjarige benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal Cg. 20.000,- aan immateriële schade.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal kan worden toegewezen met de daarbij behorende wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het Gerecht is van oordeel dat het causaal verband tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de psychische klachten van de benadeelde partij op basis van de als bijlage bij het verzoek gevoegde stukken (onder andere een diagnostisering van een klinisch psycholoog) voldoende aannemelijk is geworden en dat zij immateriële schade heeft geleden. Het Gerecht stelt namelijk vast dat door bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de confrontatie met het levenloze en beschadigde lichaam van haar oom als gevolg van het onrechtmatig handelen van verdachte. Dit is ook erg invoelbaar, aangezien [benadeelde partij 3], het nichtje van [slachtoffer 2], toen erg jong was (ongeveer 8 jaar). Dat de confrontatie met haar doodgeschoten oom heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, te weten een posttraumatische stressstoornis, volgt uit de stukken en is begrijpelijk onderbouwd. Gelet daarop kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. Het Gerecht zal de vordering dan ook geheel toewijzen.
Het Gerecht acht het gevorderde bedrag van Cg. 20.000,- voor immateriële schade redelijk en billijk en zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van Cg. 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2023. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. De proceskosten van de benadeelde partij zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot op nihil.
Het Gerecht ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.
Het Gerecht merkt op dat de vordering is ingediend door/namens de juridisch vertegenwoordiger van [benadeelde partij 3] (haar moeder [benadeelde partij 2]) maar dat de schade formeel juridisch wordt toegewezen aan de benadeelde partij zelf (de minderjarige [benadeelde partij 3]).
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 4]
De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal Cg. 20.000,- aan immateriële schade.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal kan worden toegewezen met de daarbij behorende wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het Gerecht is van oordeel dat het causaal verband tussen het bewezen verklaarde handelen van verdachte en de psychische klachten van de benadeelde partij op basis van de bij het verzoek gevoegde stukken (onder andere een verslag van een neuropsycholoog) voldoende aannemelijk is geworden en dat zij immateriële schade heeft geleden. Het Gerecht stelt namelijk vast dat door bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de confrontatie met het levenloze en beschadigde lichaam van haar partner als gevolg van het onrechtmatig handelen van verdachte. Dat heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, te weten posttraumatische stress reacties. Gelet daarop kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. Het Gerecht zal de vordering dan ook geheel toewijzen.
Het Gerecht acht het gevorderde bedrag van Cg. 20.000,- voor immateriële schade redelijk en billijk en zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van Cg. 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2023. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. De proceskosten van de benadeelde partij zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot op nihil.
Het Gerecht ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:67, 1:68, 1:76, 1:78 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten van parketnummer 500.00191/23 en het tenlastegelegde feit van parketnummer 500.00054/24 heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een levenslange gevangenisstraf;
beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een vuurwapen en munitie;
beveelt de verbeurdverklaring van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten twee telefoons;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade toe tot een bedrag van Cg. 22.685,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 mei 2023 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Cg. 22.685,50, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 133 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2023 tot aan de dag van de voldoening;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in haar vordering;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 3], geleden schade toe tot een bedrag van Cg. 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 mei 2023 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Cg. 20.000,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 125 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2023 tot aan de dag van de voldoening;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 4] geleden schade toe tot een bedrag van Cg. 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 mei 2023 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Cg. 20.000,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 125 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2023 tot aan de dag van de voldoening;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4], voornoemd, gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. P.M. Leijten, bijgestaan door mr. L. Witte (zittingsgriffier), en op 4 februari 2026 in tegenwoordigheid van een griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao (met een directe beeld- en geluidsverbinding met de PI te Alphen aan den Rijn in Nederland).
Bijlage 1:
Tenlastelegging:
[ingekopieerd en daardoor niet geanonimiseerd].
Bijlage 2: bewijsmiddelenoverzicht
Bewijsmiddelen met betrekking tot onderzoek Cloud
Een proces-verbaal van bevindingen van 22 mei 2023, pagina 3 tot en met 6 van het einddossier Cloud, voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisanten], zakelijk weergegeven:
Op 19 mei 2023 omstreeks 21.20 uur werden wij door de meldkamer van de politie gedirigeerd naar het adres [adres slachtoffer 2] voor een schietpartij. Bedoeld slachtoffer vertoonde geen teken meer van leven.
Personalia slachtoffer
Namen :[slachtoffer 2],
Geboorteplaats : Curaçao
Geboortedatum :
Adres : [adres].
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek naar aanleiding van een schietincident met dodelijk afloop te [adres slachtoffer 1] van 1 september 2023, pagina 176 tot en met 213 van het einddossier Cloud, voor zover inhoudende de bevindingen van de verbalisanten [verbalisanten], zakelijk weergeven:
Op 19 mei 2023 zou een schietincident hebben plaatsgevonden op de [adres slachtoffer 2], waarbij het slachtoffer [slachtoffer 2] op de plaatsdelict kwam te overlijden.
Tijdens het sporenonderzoek op het plaats delict hadden wij verschillende sporen gezien. Wij zagen een aanzienlijk aantal hulzen die op de oostelijke trottoir en wegdek lagen in de omgeving alwaar het slachtoffer lag. Tevens zagen wij verschillende projectielinslagen aan de westelijke zijde van de perceelmuurafratering van [adres slachtoffer 2].
De projectielinslagen op de grond werd vermoedelijk veroorzaakt door afgevuurde projectielen met schotbanen vanuit de oostelijke richting naar het westelijke toe.
Foto 66: projectielinslagen aan de westelijkzijde van de perceel muurafrastering van [adres]. Gezien de impacthoogtes veroorzaakt door afgevuurde projectielen aan de muur is het zeer waarschijnlijk dat het slachtoffer staande verwond werd geraakt door gerichte schoten. Reconstruerende schotbanen van de inslagen, deze projectielinslagen zijn veroorzaakt door afgevuurde projectielen komende uit vanuit het westen naar het oosten toe. De beschadigingen aan de westelijke afrasteringsmuur van perceel [adres ] zijn van recente aard en kunnen worden herleid aan dit schietincident.
18. projectiel beschadiging: projectielinslag aan de ijzeren traliepoort, bedoelde inslag werd veroorzaakt door een afgevuurd projectiel met een schotbaan komende vanuit het zuiden naar het noorden toe.
Interpretatie van bevinding:
Een schriftelijk bescheid, zijnde een rapportage van het Analytisch Diagnostisch Centrum, van 23 mei 2023, pagina 214 tot en met 225 van het einddossier Cloud, voor zover inhoudende de bevindingen van [rapporteur], zakelijk weergegeven:
Last name: [slachtoffer 2]
The autopsy cold reveal 15 gunshot trajectories with 25 gunshot wounds (including exit wounds). 5 gunshots were penetrating (bullets found inside the body)
The very different gunshot trajectories at different body regions prove a very dynamic even, e.g. due to a fleeing victim. In addition, due to the evidence of clearly ascending gunshot trajectories, it is very likely that shots have also been fired on the victim when he was already lying on the ground.
Cause of death
Internal bleeding to death due to multiple gunshots.
Een proces-verbaal van verhoor getuige van 5 juni 2023, pagina 23 tot en met 28 van het einddossier Cloud, voor zover inhoudende de verklaring [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:
AG: Ik was ooggetuige van de schietpartij. [verdachte] was de schutter. Ik zag hoe hij het vuur op mij en [slachtoffer 2] opende.
VV: Van welk soort vuurwapen maakte [verdachte] gebruik op 19 mei 2023 toen hij het vuur op jou en [slachtoffer 2] opende?
AG: Volgens mij was het een Glock.
VV: Was [verdachte] alleen in de auto? AG: Nee, er zat minimaal nog een persoon in de auto.
(…) Het waren een heleboel schoten. Toen het schieten begon, hoorde ik schoten met tussenpozen, maar daarna hoorde ik opeenvolgende schoten. Aan het einde klonken de schoten alsof deze vanuit een machinegeweer kwamen. (…)
[slachtoffer 2] en ik waren goed bevriend met de man bijgenaamd [..] (het Gerecht begrijpt: [slachtoffer 1]) en sinds de dag dat [slachtoffer 1] door [verdachte] doodgeschoten werd,
begonnen de boze blikken tussen [slachtoffer 2] en [verdachte]. (…) Wel had [slachtoffer 2] aan mij verteld dat hij heel boos was over het feit dat [slachtoffer 1] door [verdachte] doodgeschoten werd.
VV: Heb jij verder nog iets te verklaren?
Na de schietpartij had [verdachte] zich (…) omgekleed en stond hij bij de plaats delict.
Een proces-verbaal van verhoor getuige van 12 juni 2023, pagina 30 tot en met 35 van het einddossier Cloud, voor zover inhoudende de verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:
AG: Gedurende de schietpartij werd mijn vriend [slachtoffer 2] door de schutter [verdachte] dood geschoten. Nogmaals ik stond erbij en ik heb hem gezien en herkend.
VV: Hoe ver was de afstand tussen aankomende auto en jullie toen vuur werd geopend?
AV: het was een afstand van ongeveer 3 meter. Toen hij uit de auto stapte had ik hem gezien en herkend, hij schoot in onze richting ([slachtoffer 2] en ik).
Toen ik wegrende hoorde ik hoe hij mij te voet achtervolgde ik hoorde zijn voetstappen, hij bleef in mijn richting schieten. Ik hoorde het geluid van de kogels inslagen die de ijzeren poort/muren gingen. Het was een dag na de schietpartij dat ik merkte dat ik een schotverwonding had opgelopen, namelijk mijn linkerschouder is door een kogel geschramd.
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek in verband met een verwonding van [betrokkene 1] van 31 augustus 2023, pagina 226 tot en met 228 van het einddossier Cloud, voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant], zakelijk weergeven:
Dat het toegebrachte letsel aan de bovenzijde van het schouderblad van [betrokkene 1] pigmentatie loze plaatselijke verkleuring van de huid vertoont. Dit pigmentatie loze plaatselijke verkleuring van de huid, is ontstaan door genezing van een oppervlakkige huidbeschadiging. Dit oppervlakkige huidbeschadiging is mogelijk ontstaan, door een of ander voorwerp, die in aanraking is gekomen met de huid of vice versa.
Een proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris van 12 maart 2025, zover inhoudende de verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:
Wij ([slachtoffer 2] en ik) stonden naast elkaar. Ik zag dat ze op [slachtoffer 2] schoten. Vervolgens begonnen zij ook op mij te schieten.
Een proces-verbaal van bevinding uitlezen mobiele telefoon [verdachte] van 4 november 2024, pagina 261 tot en met 301, i.h.b. pagina 265, van het einddossier Cloud, voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant], zakelijk weergegeven:
De mobiele telefoon met aansluitnummer [telefoonnummer] behorende aan verdachte [verdachte] werd geanalyseerd.
[ingekopieerd screenshot, notitie 17-5-2023 “ Ga een rondje daarachter maken en kijkt of je “naam slachtoffer 2” ziet”]
Specifiek ten aanzien van feit 3 en feit 4 (Het Gerecht merkt op dat voor feit 4 de hiervoor en de hierna te noemen bewijsmiddelen met betrekking tot de gebruikte vuurwapens ook van toepassing zijn)
De door verdachte ter terechtzitting van 12 januari 2026 afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:
Ik zag de Sportage voorbijrijden. De tweede keer dat het langsreed zei [..] tegen mij dat er vier personen in zaten en dat het vreemd was.
(…) Ik heb gericht op die auto geschoten toen die stopte. Ik heb inderdaad twee keer geschoten. Toen de autodeuren opengingen, schoot ik.
Een proces-verbaal van aanhouding buiten heterdaad van 5 juli 2023, pagina 351 tot en met 354 van het einddossier Cloud, voor zover inhoudende de bevindingen van arrestatieteamleden 0617, 0801, 0039 en 0070, zakelijk weergegeven:
Op 5 juli 2023 hebben wij aangehouden op de [adres aanhouding] [verdachte]. Wij bevonden ons in een onopvallende auto. Gelijktijdig het stoppen werd door ons kenbaar gemaakt dat wij van de politie zijn. Die geschiedde door met luide stem het woord ‘POLITIE’ te schreeuwen. Het is hierna dat de verdachte met een vuistvuurwapen in ons richting wees en hiermede twee schoten achter elkaar loste.
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek aan een op vuurwapen gelijkende voorwerpen van 12 juli 2023, pagina 171 en 172 van het einddossier Cloud, voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant], zakelijk weergegeven:
Het op 5 juli 2023 bij verdachte [verdachte], inbeslaggenomen voorwerp is een pistool van het merk Glock, model 19, kaliber 9x19 mm. Tevens werden een patroonhouder inhoudende 12 scherpe patronen voor onderzoek aangeboden. De voor onderzoek aangeboden pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930. De voor onderzoek aangeboden scherpe patronen zijn munitie in de zin van Vuurwapenverordening 1930. Het aangeboden pistool is deugdelijk.
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek aan een op vuurwapen gelijkende voorwerpen van 12 juli 2023, pagina 232 tot en met 234 van het einddossier Cloud, voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant], zakelijk weergegeven:
Op maandag 12 juli 2023 heb ik, [verbalisant], twee (2) hulzen en twee projectielen
ontvangen van een proefschiettest verricht op voornoemde datum van een vuurwapen
die in beslag werd genomen van de verdachte genaamd:
— [verdachte], op 05 juli 2023,
(…)
1. Een pistool (vuurwapen A) van het merk Glock, model 19, kaliber 9 x 19
waarvan het serienummer mechanisch weg gevijld was;
2- Een bijbehorende patroonhouder van voornoemde vuurwapenen;
3. twaalf (12) scherpe patronen van het kaliber 9x 19 mm (of wel 9 mm Luger).
Op 12 juli 2023 heb ik een microscopisch vergelijkend munitieonderzoek
de In beslag genomen vuurwapen A en In beslag genomen hulzen van [adres aanhouding] ingesteld. Hierbij zag ik dat de systeemsporen(kraslijnen aanwezig vanwege onregelmatigheden van de slagpinindruk, stootbodemuitwerper) op HI en H2 van vuurwapen A, geen overeenkomsten vertoonden met hulzen
in beslag genomen op de plaatsen delict te [adres slachtoffer 2] en [adres slachtoffer 1].
Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 1 juli 2024, pagina 481 tot en met van 482 het einddossier Bliksem, voor zover inhoudende de verklaring van [verdachte], zakelijk weergegeven:
VV: bij je aanhouding was je in het bezit van een vuurwapen.
AV: In 2020 heb ik een vuurwapen gekocht. Het was een Glock 19.
Bewijsmiddelen met betrekking tot onderzoek Bliksem
Een proces-verbaal van bevindingen van 29 september 2022, pagina 1 en 2 van het einddossier Bliksem, voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisanten], zakelijk weergegeven:
Op 29 september 2022 werden wij omstreeks 6:15 uur gedirigeerd naar [adres] voor een schietpartij. Vervolgens zagen wij een man die in het balkon van voornoemd adres op zijn buik lag en hij lag in een plas bloed. Hij had verschillende perforaties aan zijn hoofd en bovenkant van zijn lichaam. Naast hem lagen een groot aantal kogelhulzen op de grond. De bewoonster verklaarde de naam van het slachtoffer [slachtoffer 1] was, geboren op [geboortedatum] in Curaçao en (…) woonachtig te [adres].
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek van 23 november 2022, pagina 214 tot en met 247 van het einddossier Bliksem, voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisanten], zakelijk weergegeven:
Op de plaats delict werden 34 hulzen van het kaliber 9 mm Luger aangetroffen. Gezien er hulzen op de plaats delict werden aangetroffen werd een pistool van het kaliber 9 mm Luger gebruikt en tenminste 34 schoten afgelost. Zeer waarschijnlijk stond de schutter bij de ingang van de veranda. Uit het bewijsmateriaal kan worden afgeleid dat zeer waarschijnlijk het slachtoffer op de stoel zat te eten toen hij eerste keer verschoten werd door de schutter (bloedspoor in vorm van een bloedveeg op de armlegger van de stoel en de muur). Hierna bewoog het slachtoffer, al gewond in de richting van de noordelijke muur, waar hij afgemaakt werd door meerdere doelgerichte schoten. Dit is te zien aan de verschillende kogelinslagen aan de noordelijke muur.
Een schriftelijk bescheid, zijnde een rapportage van het ADC van 30 september 2022, pagina 270 tot en met 285 van het einddossier Bliksem, voor zover inhoudende de bevindingen van [rapporteur], zakelijk weergegeven:
Name: [slachtoffer 1]
Birthdate: [datum]
The autopsy could reveal 31 gunshot trajectories with 47 gunshot wounds (including exit- and possible re-entry wound). 14 gunshots were penetrating (bullet inside the body).
Cause of death
Severe brain trauma and bleeding to death due to multiple gunshots on inner organs.
Estimation of the time of death
The exarhinatlons on the time since death at the scene suggest a calculated time of
death of ca. 3.5 hours up to 11 hours before the time of examination at 08.40 on
29.09.2022. This corresponds with a most likely median time interval of 7.25 hours (ca
01.30).
Een proces-verbaal van verhoor getuige van 3 januari 2024, proces-verbaalnummer 202401031505G, pagina 31 tot en met 37 van het einddossier Bliksem, voor zover inhoudende de verklaring van ([getuige ]), zakelijk weergegeven:
Op de avond voor de schietpartij, 28 september 2022, stond ik samen (…) de mannen [betrokkene], [betrokkene] (…) bij de elektrische kast aan het einde van de [adres]. Wij zaten die avond bij de elektrische kast te praten toen wij [bijnaam verdachte] zagen aankomen lopen. Bij verloop van de minuten zagen wij [slachtoffer 1] voorbij lopen. Toen [bijnaam verdachte] [slachtoffer 1] zag voorbij lopen zei hij het volgende tegen [betrokkene]: “Vandaag moet deze man doodgaan want hij heeft veel fouten”. Kennelijk bedoelde hij [slachtoffer 1] op dat moment. (…)
Wij zagen dat [slachtoffer 1] vanuit het feest was en richting de woning waar hij dood geschoten werd liep. (…)
Na enkele minuten zag ik dat "[bijnaam verdachte]" uit zijn woning kwam. (…) Ik zag dat hij een machinegeweer in handen hield (…). Het was gekomen
bij de woning waar [slachtoffer 1] werd doodgeschoten dat ik zag hoe [bijnaam verdachte] met het machinegeweer in handen in de richting van [slachtoffer 1] die opdat moment in het balkon zat begon te schieten. (…) Het waren een heleboel schoten.
Bewijsmiddelen zowel in onderzoek Cloud als Bliksem
Een proces-verbaal munitie vergelijkend onderzoek van 17 juli 2023 van verbalisant [verbalisant], pagina 168 tot en met 170 van het einddossier Cloud, zakelijk weergegeven:
Op 21 mei 2023 heb ik, [verbalisant] negenendertig (39) hulzen ontvangen van het onderzoek verricht op 19 mei 2023 te [adres slachtoffer 2] die op de boven voornoemde datum in beslag werden genomen.
Deze zijn de navolgende veiliggestelde voorwerpen:
• Negenendertig (39) hulzen (ter hoogte [adres slachtoffer 2]) van het kaliber 9 Luger (of wel 9 x 19 mm), voorzien van de bodemstempels "G.F.L (10x) en S&B(29x)";
• Een volmantel projectiel van het kaliber 9 mm Luger mm
Bedoeld hulzen op het plaats delict te [adres slachtoffer 2] werden gewaarmerkt als Stukken van overtuigingen (S.V.O's) 5, 6, 7, 7A, 8, 8A, 8B, 9, 10, 10A, 11, 12, 12A, 12B, 12C, 13,14,14A, 15, 16, 16A, 16B, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32 en 33.
VERGELIJKINGMATERIAAL 1:
Op 17 oktober 2022 heb ik vierendertig (34) hulzen en vijf gedeformeerde projectielen ontvangen van het onderzoek verricht op 29 september 2022 te [adres slachtoffer 1] die op de boven voornoemde datum in beslag werden genomen. Deze zijn de navolgende veiliggestelde voorwerpen:
• Vierendertig (34) hulzen van het kaliber 9 mm Luger (of wel 9 x 19 mm), voorzien van de bodemstempels “G.F.L(22x) en S&B(12x)”;
• Vijf (5) gedeformeerde projectielen
Bedoeld hulzen op het plaats delict te [adres slachtoffer 1] werden gewaarmerkt als Stukken van overtuigingen (S.V.O's) 2, 3, 6, 6A, 6B, 7, 8, 8A, 8B, 9, 10. 10A. 10B. 11, 11A, 11B, 11C, 11D, 11E. 11F, 12, 12A, 12B, 12C, 13, 13A, 13B, 13C, 13D, 13E, 14A, 14B, 15 en 15A.
VRAAGSTELLING; Verzocht werd om met deze veiliggestelde hulzen, een munitie vergelijkend onderzoek te verrichten waarbij bekeken zal worden of de hulzen afkomstig van het schietincident te [adres slachtoffer 2] in relatie kunnen worden gebracht met de in beslag genomen hulzen van vergelijkingsmateriaal 1 en 2.
RESULTAAT VERGELIJKINGSONDERZOEK:
Op 29 mei 2023 heb ik een microscopisch vergelijkend munitieonderzoek naar de in beslag genomen hulzen te [adres slachtoffer 2] en de veiliggestelde hulzen te [adres slachtoffer 1] (…), ingesteld. Hierbij zag ik dat het systeemspoor (kraslijnen aanwezig vanwege onregelmatigheden van de slagpinindruk, stootbodem en uitwerper) op de hulzen van [adres slachtoffer 2], overeenkomsten vertoonden met de hulzen van het voor onderzoek aangeboden vergelijkingsmateriaal 1 en 2. Voor wat betreft de S.V.O’s 5, 6, 7, 7A, 8, 8A, 8B, 9, 10, 10A, 11, 12, 12A, 12B, 12C, 13, 14, 14A, 15, 16, 16A, 16B, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25 en 26 ([adres slachtoffer 2]) zag ik tijdens onderzoek dat de systeemsporen van bedoelde hulzen overeenkomen met S.V.O 2, 3, 6, 6A, 6B, 7, 8, 8A, 8B, 9, 10. 10A, 10B, 11, 11A, 11B, 11C, 11D, 11E, 11F, 12, 12A, 12B, 12C, 13, 13A, 13B, 13C, 13D, 13E 14A, 14B, 15 en 15A ([adres slachtoffer 1] (…)
Interpretatie van bevinding (vergelijkingsonderzoek):
Het microscopisch vergelijkingsonderzoek verricht tussen de veiliggestelde hulzen (5, 6, 7, 7A, 8, 8A, 8B, 9, 10, 10A, 11, 12, 12A, 12B, 12C, 13, 14, 14A, 15, 16, 16A, 16B, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25 en 26) van het kaliber 9x19 mm te [adres slachtoffer 2] heeft uitgewezen dat de afvuursporen, met de hierin voorkomende kraslijnen en onregelmatigheden op de huls bodem, onderling aansluiting vertoonden met de huizen S.V.O 2, 3, 6, 6A, 6B, 7, 8, 8A, 8B, 9, 10, 10A, 10B, 11, 11A, 11B, 11C, 11D, 11E, 11F, 12, 12A, 12B, 12C, 13, 13A, 13B, 13C, 13D, 13E, 14A, 14B, 15 en 15A afkomstig van het schietincident te [adres slachtoffer 1].
Een aanvullend proces-verbaal van forensisch onderzoek van 9 december 2025, registratienummer 332/2025, voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant], zakelijk weergegeven:
Op verzoek van de officier van justitie werd door mij een forensisch-technisch onderzoek verricht naar munitiedelen afkomstig van de volgende schietincidenten:
[adres slachtoffer 1]– 19 mei 2023
Bij onderzoek aan de 39 aangetroffen hulzen werd vastgesteld dat:
De door mij waargenomen systeemsporen konden worden waargenomen als passend bij, en met een zekerheid grenzende waarschijnlijkheid overeenkomend met:
een Glock-pistool (Glock-systeemspoor);
een Beretta-pistool (Beretta-systeemspoor)
Hiermee werd vastgesteld dat op deze locatie minimaal twee verschillende pistolen zijn gebruikt.
[adres slachtoffer 2]– 29 september 2022
Bij onderzoek aan de 34 aangetroffen hulzen werd vastgesteld dat:
De door mij waargenomen systeemspoor kan worden waargenomen als passend bij en met een zekerheid grenzende waarschijnlijkheid overeenkomend met:
een Glock-pistool (Glock-systeemspoor);
samenvatting van bevindingen:
de munitiedelen van [adres slachtoffer 1] (29 september 2022) vertonen met een zekerheid grenzende waarschijnlijkheid systeemsporen van een pistool overeenkomend met een Glock-systeemspoor, gelijk aan het Glock-systeemspoor dat is vastgesteld op het plaats delict [adres slachtoffer 2].
De door verdachte ter terechtzitting van 12 januari 2026 afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat [bijnaam verdachte] mijn bijnaam is.
Ik stond in de avond van 28 september 2022 bij de elektrische kast, het was al donker. De elektrische kast is in de buurt van de woning van [getuige en betrokkene]. Ik was bij de kast onder andere met [getuige] en [betrokkene].
(…)
Ik was op 29 september 2022 aanwezig op de plaats delict toen de politie onderzoek deed naar het lichaam van [slachtoffer 1].
(…)
Ik ben gaan douchen en daarna weer naar buiten gegaan en toen weer naar de plek waar [slachtoffer 2] op straat lag gegaan om te kijken.