GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
in het geding tussen:
[eiser 1], [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4]
eisers,
wonende te Curaçao,
gemachtigde: mr. M.R. Hammoud,
en
de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning,
verweerder,
gemachtigde: mr. A.C. van Hoof,
met als derde-belanghebbende:
Stadsrust Private Foundation,
vergunninghouder,
gemachtigde: mr. P. Blom.
Partijen worden in deze uitspraak hierna eisers, de minister en Stadsrust genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eisers tegen de beslissing van de minister tot afwijzing van hun verzoek om handhavend op te treden tegen de stalen constructie en de ophoging van de grond van het beoogde bouwproject van Stadsrust.
De minister heeft zijn beslissing tot afwijzing van het handhavingsverzoek genomen op 29 januari 2025 (de bestreden beschikking). Deze beschikking is aan eisers uitgereikt op 31 januari 2025.
Eisers hebben op 14 maart 2025 pro forma beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking en op 8 juli 2025 aanvullend beroepsgronden ingediend. De minister heeft op 1 september 2025 met een verweerschrift op het beroep gereageerd. Stadsrust heeft op 15 september 2025 een zienswijze ingediend.
Het Gerecht heeft het beroep op 10 november 2025 ter zitting behandeld. Eisers [eiser 1] en [eiser 3] zijn verschenen, vergezeld van hun gemachtigde en adviseur [naam adviseur]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, jurist mevrouw mr. E.A.M.J. van den Berg en [naam waarnemend directeur], waarnemend directeur van de Uitvoeringsorganisatie Ruimtelijke Ordening en Planning (UO ROP). Verder is de gemachtigde van Stadsrust verschenen.
Na afloop van de zitting heeft de minister op verzoek van het Gerecht een kopie van de brief van de minister aan Stadsrust van 29 januari 2025 -waarnaar in de bestreden beschikking werd verwezen- overgelegd. Daarop heeft het Gerecht op
12 november 2025 het onderzoek gesloten.
Beoordeling door het Gerecht
Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eisers gegrond is.
De bestreden beschikking bevat ten aanzien van de stalen constructie een motiveringsgebrek. De minister had op grond van zijn motivering namelijk toewijzend in plaats van afwijzend moeten beslissen op het handhavingsverzoek voor zover dat zag op het bovenste deel van de stalen constructie.
Verder heeft de minister verzuimd te beslissen op het deel van het handhavingsverzoek dat zag op ophoging van de grond. De bestreden beschikking bevat dus ook een zorgvuldigheidsgebrek.
De bestreden beschikking wordt daarom vernietigd.
Het Gerecht ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden beschikking in stand te laten. Het bovenste deel van de stalen constructie is inmiddels verwijderd. Verder heeft de minister tijdens de zitting zijn standpunt over het ophogen van de grond toegelicht. Het Gerecht kan die toelichting volgen voor zover de minister ter onderbouwing overweegt dat voor het ophogen van grond geen vergunning vereist is.
Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
Stadsrust is voornemens een appartementencomplex te realiseren op het terrein van landhuis Stadsrust. Ter uitvoering van de aanvankelijk verleende bouwvergunning van 10 juli 2018 is een stalen constructie gebouwd. Ook is volgens eisers de grond opgehoogd. Op 19 november 2020 heeft de minister de bouwvergunning op verzoek van Stadsrust ingetrokken. Eisers dienen op 8 december 2020 een verzoek in bij de minister om handhavend op te treden tegen de stalen constructie en de opgehoogde grond. Op 25 mei 2022 heeft Stadsrust een nieuwe bouwvergunning aangevraagd die op 6 maart 2023 door de minister werd verleend. Op 10 maart 2023 heeft de minister het handhavingsverzoek afgewezen.
Op 11 juni 2024 heeft het Gerecht twee uitspraken gedaan op beroepen van (onder meer) eisers (zaaknummers CUR202204660 respectievelijk CUR202301184 en CUR202400114). De beroepen van eisers waren kort gezegd gericht tegen de afwijzende beslissing op het handhavingsverzoek van 10 maart 2023 en tegen de bouwvergunning van 6 maart 2023. Het Gerecht heeft zowel de afwijzing van het handhavingsverzoek als de bouwvergunning vernietigd. Bij de vernietiging van het handhavingsverzoek heeft het Gerecht overwogen dat in ieder geval voor het bovenste gedeelte van de stalen constructie geen concreet zicht op legalisatie bestond ten tijde van de afwijzing van het handhavingsverzoek, omdat het beoogde gebouw A waarvoor de stalen constructie zal worden gebruikt lager is dan de stalen constructie. De bouwvergunning is vernietigd omdat de minister de bouwhoogte in strijd met het EOP heeft vastgesteld, het bouwplan wat betreft de gevelrooilijnen in strijd is met het verkavelingsplan en er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de afwatering. De minister is door het Gerecht opgedragen binnen zes weken opnieuw te beslissen op het handhavingsverzoek van 8 december 2020 met inachtneming van beide uitspraken van het Gerecht.
Eisers hebben zich vervolgens opnieuw tot het Gerecht gewend met het verzoek te bepalen dat de minister alsnog gevolg geeft aan de uitspraak van het Gerecht van 11 juni 2024 betreffende het handhavingsverzoek. Bij uitspraak van 4 december 2024 heeft het Gerecht bepaald dat de minister binnen twee weken alsnog op het handhavingsverzoek moet beslissen (CUR202403407).
Volledigheidshalve wordt vermeld dat de minister tegen de uitspraak van het Gerecht betreffende de vernietiging van de bouwvergunning hoger beroep heeft ingesteld (CUR202301184 en CUR202400114).
Waarom heeft de minister het handhavingsverzoek (opnieuw) afgewezen?
4. De minister heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de bouwaanvraag van 25 mei 2022 weer door UO ROP in behandeling is genomen waarbij de aanvraag volledig wordt getoetst, dus niet alleen op het door het Gerecht vernietigde onderdeel (bouwhoogte, gevelrooilijn en afwatering). Er is concreet zicht op legalisatie voor gebouw A tot twee bouwlagen met plat dak. Volgens UO ROP zijn er geen redenen om de bouwaanvraag af te wijzen. Bovendien is van Stadsrust vernomen dat er al werkzaamheden zijn verricht om de toplaag van de stalen constructie te verwijderen. Op grond van deze overwegingen heeft de minister besloten om het verzoek tot handhaving niet te honoreren.
In de bestreden beschikking informeert de minister verzoekers dat aan Stadsrust een brief is gestuurd en dat van Stadsrust wordt verwacht dat zij binnen acht weken het bovenste gedeelte van de stalen constructie, dat hoger is dan de in de bouwvergunning van 10 juli 2018 (het Gerecht begrijpt 6 maart 2023) vastgestelde bouwhoogte, volledig verwijdert.
De genoemde brief aan Stadsrust van 29 januari 2025 is na de zitting overgelegd en bevat nagenoeg dezelfde tekst als de bestreden beschikking.
Op 7 november 2025 heeft de minister de nieuwe bouwvergunning van 27 oktober 2025 overgelegd.
Wat voeren eisers aan en wat vindt het Gerecht daarvan?
De stalen constructie
5. Eisers betogen dat de minister had moeten beslissen om handhavend op te treden tegen de stalen constructie.
Dit volgde voor het verwijderen van bovenste deel van de stalen constructie al uit de uitspraak van het Gerecht. Eisers betwisten verder dat de verwijdering van het bovenste deel gaande was op het moment van het geven van de beschikking.
Eisers zijn bovendien van mening dat de gehele stalen constructie illegaal is zonder zicht op legalisatie, dus niet alleen het (inmiddels verwijderde) bovenste deel. Zij voeren daartoe aan dat er nog geen sterkteberekeningen conform de op 29 april 2025 ontvangen conceptvergunning zijn ingediend. Ook is volgens eisers niet gebleken dat de stalen constructie zal overeenkomen met gebouw A van de conceptvergunning.
6. Deze beroepsgrond slaagt voor zover het de motivering van de bestreden beschikking raakt. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.
Het Gerecht overweegt dat hij in de vorige uitspraak betreffende handhaving al heeft vastgesteld dat voor het bovenste deel van de stalen constructie geen concreet zicht op legalisatie bestond. Ook in de nieuwe bouwaanvraag, die voortborduurt op het voorgaande bouwplan, wordt een gebouw A met twee bouwlagen met plat dak beoogd, dat lager is dan het oorspronkelijk beoogde gebouw waarvoor de stalen constructie was opgericht. Ter zitting heeft de minister bevestigd dat de stalen constructie zonder de bovenste laag in de nieuwe bouwvergunning zal worden gebruikt voor gebouw A. Het Gerecht volgt eisers daarom niet in hun betoog dat de minister het handhavingsverzoek had moeten toewijzen voor de gehele stalen constructie. De omstandigheid dat er nog geen sterkteberekeningen voor de stalen constructie zijn ingediend is onderdeel van de uitvoering van de nieuwe bouwvergunning en speelt in de onderhavige handhavingskwestie geen rol.
Het Gerecht stelt vast dat het bovenste deel van de stalen constructie in strijd is met de nieuwe bouwvergunning. Ten tijde van de besluitvorming was het bovenste deel van de stalen constructie nog niet (volledig) afgebroken. Er was dus op dat moment sprake van een overtreding. Als uitgangspunt geldt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Van redenen om van handhavend optreden af te kunnen zien, is het Gerecht niet gebleken. Daarom had de minister toewijzend op het handhavingsverzoek moeten beslissen.
Doordat de minister het handhavingsverzoek afwijst en tegelijkertijd van Stadsrust verwacht dat zij het bovenste deel van de stalen constructie volledig verwijdert, en met dat laatste feitelijk wel handhavend optreedt, is zijn beschikking innerlijk tegenstrijdig. De motivering kan zijn genomen beslissing niet dragen.
Dat betekent dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd.
Ophoging van de grond
7. Eisers betogen dat de minister heeft verzuimd te beslissen op het handhavingsverzoek voor zover dat ziet op ophoging van de grond. Eisers erkennen dat geen vergunning nodig is voor het ophogen van grond, maar het ophogen raakt volgens eisers wel de wijze van meten van de bouwhoogte. De minister moest volgens de eerdere uitspraak van het Gerecht bij het nemen van een nieuwe handhavingsbeslissing acht slaan op de uitspraak betreffende de bouwvergunning van 6 maart 2023, die onder meer is vernietigd vanwege het niet conform de wet meten van de bouwhoogte. De conceptvergunning gaat uit van een situatie waarin de grond nog niet bouwrijp is gemaakt. Dit leiden eisers af uit de passage in de conceptvergunning dat het perceel bouwrijp moet worden gemaakt na overleg met UO ROP. Stadsrust dient dus eerst de ophoging van de grond ongedaan te maken. Daarom had de minister moeten beslissen om te handhaven vanwege de ophoging van de grond, aldus eisers.
8. Deze beroepsgrond slaagt. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
De minister heeft ter zitting bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt over de ophoging van de grond toegelicht. De minister stelt voorop dat ophoging van de grond niet heeft plaatsgevonden. Het terrein onder het toekomstige gebouw A betrof een heuvel, die is afgegraven om de grond te egaliseren en bouwrijp te maken. De bouwrijp gemaakte grond ligt dus lager dan de oorspronkelijke maaihoogte. Bovendien is volgens de minister voor het ophogen of afgraven van grond, oftewel het bouwrijp maken van grond, geen vergunning nodig. Ook daarom is geen sprake van een overtreding. De minister erkent dat hij heeft verzuimd te beslissen over het handhaven betreffende ophoging van de grond, maar geeft aan dat zijn toelichting zijn afwijzende beslissing op het handhavingsverzoek niet anders zou maken.
Het Gerecht is van oordeel dat de bestreden beschikking vernietigd moet worden omdat de minister niet volledig heeft beslist op het handhavingsverzoek. Dat is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Kunnen de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden beschikking in stand blijven?
9. Het Gerecht ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van de bestreden te vernietigen beschikking in stand te laten en overweegt daartoe het volgende.
Tussen partijen is niet in geschil dat het bovenste deel van de stalen constructie inmiddels is verwijderd. In dat opzicht hebben eisers geen belang meer bij het handhavingsverzoek.
Verder heeft de minister ter zitting een toelichting gegeven over het onderdeel ophoging van de grond en het Gerecht kan die beslissing volgen voor zover de minister ter onderbouwing overweegt dat voor het ophogen of verlagen van grond in het kader van het bouwrijp maken van de grond, geen vergunning vereist is. Als al sprake zou zijn van ophoging van grond, kan dus niet worden vastgesteld dat er een overtreding is begaan.
Conclusie en gevolgen
10. Omdat de beroepsgronden van eisers tegen de bestreden beschikking slagen, is hun beroep gegrond. De bestreden beschikking wordt om die reden vernietigd. Het Gerecht ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden beschikking in stand te laten. Dat betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft.
11. Omdat het beroep gegrond is, zal het Gerecht de minister veroordelen in de proceskosten die eisers hebben gemaakt. Het Gerecht begroot die kosten op Cg 1.400,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde per punt Cg 700,-). Het Gerecht zal verder bepalen dat de minister het door eisers betaalde griffierecht van Cg 150,- aan hen moet vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.