ECLI:NL:OGEAC:2026:16

ECLI:NL:OGEAC:2026:16

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 18-02-2026
Datum publicatie 23-02-2026
Zaaknummer CUR202404191
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Het Gerecht overweegt dat nu de Sectordirecteur heeft volstaan met de mededeling dat het bezwaar bij het uitblijven van een nadere motivering zou worden afgewezen, zonder daarbij expliciet te vermelden dat het niet herstellen van het vormverzuim tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar zou kunnen leiden, belanghebbende niet op duidelijke en juiste wijze is gewezen op de mogelijke processuele gevolgen van het niet (tijdig) herstellen van het verzuim. Het Gerecht is van oordeel dat het ontbreken van een tijdige motivering in dit geval niet aan ontvankelijkheid van het bezwaar in de weg behoort te staan. Het bezwaarschrift dient derhalve ontvankelijk te worden verklaard. Hetgeen partijen verder verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of de goederen (airco’s en de keuken inbouwapparatuur) al dan niet kunnen worden gerangschikt onder de in artikel 2, lid 1, letter c ten tweede LBI. Het Gerecht is van oordeel dat de hiervoor genoemde goederen naar hun aard en functie zijn bestemd voor de bouw van gelegenheden tot verblijf en ontspanning ter bevordering van het vreemdelingenbezoek. Belanghebbende heeft dan ook recht op de vrijstelling van invoerrechten.

Uitspraak

Uitspraak van 18 februari 2026

BBZ nr. CUR202404191

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], gevestigd te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE SECTORDIRECTEUR FISCALE ZAKEN, zetelend in Curaçao,

de Sectordirecteur.

1. PROCESVERLOOP

Belanghebbende heeft de Sector Fiscale Zaken op 17 juli 2023 verzocht om te worden aangemerkt als een bedrijf in de zin van artikel 1, tweede lid, onderdeel b van de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen (hierna: LBI). Bij het verzoekschrift is een invoerlijst gevoegd met goederen die volgens belanghebbende in aanmerking komen voor de vrijstelling van invoerrechten.

Bij beschikking van 24 november 2023 heeft de Sectordirecteur Fiscale Zaken (hierna: de Sectordirecteur) het verzoek van belanghebbende ingewilligd en vrijstelling verleend voor een aantal (maar niet alle) op de invoerlijst vermelde goederen (hierna: de beschikking). Bij het afgeven van de beschikking met invoerlijst zijn de goederen waarvoor geen vrijstelling is verleend door de Sectordirecteur doorgestreept.

Op 18 januari 2024 heeft belanghebbende ter behoud van rechten pro forma bezwaar gemaakt tegen de beschikking.

Op 11 maart 2024 wordt belanghebbende schriftelijk verzocht om, uiterlijk 22 april 2024, het bezwaarschrift nader te motiveren. In de brief is vermeld dat bij het uitblijven van een nadere motivering op genoemde datum, het bezwaarschrift zal worden afgewezen.

Op 4 november 2024 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.

De Sectordirecteur heeft op 31 maart 2025 een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2025 te Willemstad. Namens belanghebbende zijn verschenen, mr. [A] en mr. [B], verbonden aan [X]. Namens de Sectordirecteur zijn verschenen [C] en [D].

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen en een afschrift daarvan overhandigd aan de wederpartij en het Gerecht.

2. FEITEN

Belanghebbende is opgericht op 27 juli 2021 met als doel (o.m.) het ontwikkelen van exclusieve, luxe appartementen en woningen in [adres 1] te Curaçao om het toeristen- en vreemdelingenbezoek te bevorderen. Praktisch gesproken betekent het vorenstaande dat belanghebbende in Curaçao investeert door het ontwikkelen van appartementen en woningen die – nadat deze zijn verkocht aan buitenlandse investeerders – voor de vakantieverhuur kunnen worden aangeboden.

Ter realisering van haar doel heeft belanghebbende een overeenkomst gesloten met het [Y], voor de grondontwikkeling van [circa 53.000 m²], zijnde [adres 1] fase kavels [adres 2] en [adres 3].

In het kader hiervan is er een optieovereenkomst getekend tussen belanghebbende en [Y] waarin staat dat dat belanghebbende de investering in de infrastructuur van de gronden zal verrichten en dat [Y] de bedoelde gronden in erfpacht zal uitgeven aan belanghebbende met de bedoeling om de grond te ontwikkelen tot 51 luxe turn-key villa’s.

De totale investering van het project is begroot op NAf 42.900.000.

Bij beschikking van 24 november 2023 heeft de Sectordirecteur het volgende besloten:

‘Artikel 1

De onderneming van de besloten vennootschap [belanghebbende] wordt aangemerkt als bedrijf in de zin van de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen.

De in deze beschikking genoemde faciliteiten gelden uitsluitend voor de in de overweging genoemde activiteiten.

Artikel 2

(…)

Artikel 3

1. Vrijstelling van invoerrechten wordt verleend op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onder 2º en artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen voor de duur van vijf jaren te rekenen vanaf 1 januari 2024 (zie aangehechte invoerlijst).

2. Op basis van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onder 2º, van de Landsverordening belastingfaciliteiten komt [belanghebbende] enkel in aanmerking voor vrijstelling van invoerrechten voor materialen en goederen bestemd voor de bouw van onroerende zaken en de aanleg of bouw van gelegenheden tot verblijf en ontspanning ter bevordering van vreemdelingenbezoek en dat in dat kader de invoerlijst is aangepast (…)’.

De goederen, vermeld op de invoerlijst, waarvoor geen vrijstelling is verleend en ter zake waarvan de invoerlijst is aangepast, en die thans nog in geschil zijn, betreffen uitsluitend de airco’s en de keuken inbouwapparatuur.

Tot de stukken van het geding behoort een door belanghebbende overgelegd schrijven van 26 maart 2024, waarin de motivering van het bezwaar is opgenomen.

3. GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

In geschil is of:

I. belanghebbende ontvankelijk is in haar bezwaar en beroep;

II. de Sectordirecteur terecht de vrijstelling ter zake van invoer heeft geweigerd ten aanzien van de op de invoerlijst vermelde airco’s en keuken inbouwapparatuur;

III. er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij ontvankelijk is in haar beroep omdat de Sectordirecteur niet tijdig heeft beslist op het bezwaar en belanghebbende daar tijdig beroep tegen heeft aangetekend. Tevens is belanghebbende van mening dat zij ontvankelijk is in haar bezwaar omdat zij niet alleen tijdig pro forma bezwaar heeft aangetekend maar tevens binnen de gestelde termijn het bezwaarschrift van een nadere motivering (26 maart 2024) heeft voorzien.

Voor wat betreft de vrijstelling van goederen bij invoer is belanghebbende primair van mening dat voor de beantwoording van deze vraag uitsluitend van belang is of de goederen aard en nagelvast verbonden zijn met de onroerende zaak. Dat is volgens belanghebbende het geval, omdat (ook) de op de invoerlijst doorgestreepte goederen niet zonder aanzienlijke schade kunnen worden gescheiden van de onroerende zaak. Subsidiair beroept belanghebbende zich op het gelijkheidsbeginsel, stellende dat in naar haar mening vergelijkbare gevallen voor soortgelijke goederen wél een vrijstelling van invoerrechten is verleend.

De Sectordirecteur stelt dat hij de motivering van het bezwaarschrift (van 26 maart 2024) nooit heeft ontvangen en dat hij daarom geen uitspraak op bezwaar heeft kunnen doen. Hij is van mening dat het bezwaarschrift vanwege de niet tijdige motivering niet ontvankelijk is en dat daarom ook het beroep niet ontvankelijk is.

Voor wat betreft de vrijstelling van invoerrechten is de Sectordirecteur van mening dat de vrijstelling alleen van toepassing is op materialen en goederen bestemd voor de bouw van een onroerende zaak en daar vallen de airco’s en keuken inbouwapparatuur niet onder. De betreffende goederen vormen volgens de Sectordirecteur onderdeel van de (eerste) inrichting van de onroerende zaak en daarvoor geldt geen vrijstelling. Met betrekking tot het door belanghebbende gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de Sectordirecteur gesteld dat hij niet kan uitsluiten dat in een ander geval mogelijk een vrijstelling is verleend, maar dat, indien dit het geval is geweest, dit ten onrechte zou zijn gebeurd en daaraan geen rechten kunnen worden ontleend.

4. OVERWEGINGEN

I. Ontvankelijkheid beroep

Het Gerecht stelt voorop dat het standpunt van de Sectordirecteur dat, als het bezwaar niet ontvankelijk is door het ontbreken van een motivering, dan ook het beroep niet ontvankelijk is, niet juist is. De ontvankelijkheid van het beroep dient zelfstandig, dus los van het bezwaar, te worden beoordeeld. Het Gerecht overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 30, lid 2, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur (lees: Sectordirecteur) niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 18 oktober 2024, een uitspraak heeft gedaan.

Ingevolge artikel 31, lid 1, ALL kan binnen twaalf maanden, in dit geval dus uiterlijk op 18 oktober 2025, beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.

Belanghebbende heeft op 4 november 2024, dus tijdig beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De Sectordirecteur heeft nog immer geen uitspraak op bezwaar gedaan. Dat betekent dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Uit proceseconomische overwegingen ziet het Gerecht evenwel aanleiding de zaak niet terug te wijzen en de Sectordirecteur op te dragen alsnog uitspraak op bezwaar te doen. Partijen hebben immers de gelegenheid gehad om hun standpunten toe te lichten en te onderbouwen en het Gerecht is thans zelf in staat het geschil inhoudelijk te beslechten.

Ontvankelijkheid bezwaar

Ingevolge artikel 29, lid 1, ALL kan degene die bezwaar heeft tegen een (onder andere) voor bezwaar vatbare beschikking binnen twee maanden na de dagtekening van de beschikking een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Inspecteur (lees: Sectordirecteur). Een beslissing met betrekking tot toepassing van belastingfaciliteiten wordt genomen door de Sectordirecteur bij een voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 9, lid 2 van de LBI). Voor wat betreft het maken van bezwaar en instellen van beroep tegen een hiervoor genoemde beschikking is Hoofdstuk IV van de ALL van toepassing (artikel 14 LBI). Het vorenstaande betekent dat artikel 29 tot en met 32a ALL ook van toepassing zijn voor de door de Sectordirecteur genomen voor bezwaar vatbare beschikkingen.

Als hoofdregel geldt dat een bezwaar niet ontvankelijk is als het niet (tijdig) is gemotiveerd. Belanghebbende heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zij haar bezwaarschrift reeds op 26 maart 2024 van een motivering heeft voorzien. Ter zitting heeft belanghebbende echter verklaard dat zij niet aannemelijk kan maken dat deze motivering daadwerkelijk (tijdig) is verzonden en door de Sectordirecteur is ontvangen.

Nu de bewijslast ter zake van de (tijdige) verzending en ontvangst van de motivering op belanghebbende rust, en zij niet heeft kunnen onderbouwen dat de gestelde motivering van 26 maart 2024 is verzonden of ontvangen, verwerpt het Gerecht dit primaire standpunt.

De in 4.6 vermelde hoofdregel kan uitzondering leiden als belanghebbende niet op juiste wijze door het bestuursorgaan is gewezen op het feit dat niet gemotiveerd is. Daarbij geldt het volgende. Anders dan in artikel 7, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken is in de ALL voor de bezwaarprocedure geen bepaling opgenomen die ziet op het herstel van vormverzuimen. In het fiscale procesrecht is de bezwaarprocedure cruciaal waarbij de belanghebbende recht heeft op een zorgvuldige behandeling. De Hoge Raad heeft hierover in het arrest van 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1614 geoordeeld:

“2.3.2 Een zorgvuldige behandeling van een bezwaarschrift brengt mee dat het bestuursorgaan bij het aan de indiener van het bezwaarschrift stellen van een als fataal bedoelde termijn voor het herstellen van een verzuim, erop dient te wijzen dat overschrijding van die termijn ertoe kan leiden dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard. Daaraan doet niet af dat artikel 6:6 van de Awb het doen van die mededeling niet uitdrukkelijk eist. Indien het bestuursorgaan heeft verzuimd die mededeling te doen, zal aan de hand van de omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld of de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand kan blijven (zie HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1048, rechtsoverweging 2.3.2).

Anders dan het Hof heeft geoordeeld, kan de omstandigheid dat bij het instellen van bezwaar namens de belanghebbende een gemachtigde optreedt die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, op zichzelf beschouwd niet de gevolgtrekking dragen dat de belanghebbende ook zonder nadrukkelijke waarschuwing van de kant van de heffingsambtenaar op de hoogte was van de mogelijke gevolgen van het niet (tijdig) herstellen van het verzuim de gronden van het bezwaar kenbaar te maken.”

In het schrijven van de Sectordirecteur (11 maart 2024), werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld om het vormverzuim (de ontbrekende motivering), uiterlijk 22 april 2024 te herstellen. Hierin werd vermeld dat bij het uitblijven van een nadere motivering op genoemde datum, het bezwaarschrift zou worden afgewezen.

Afwijzing van een bezwaar veronderstelt een inhoudelijke beoordeling van een ontvankelijk bezwaar. Afwijzing en niet-ontvankelijkverklaring zijn derhalve rechtens niet gelijk te stellen en hebben verschillende rechtsgevolgen. Nu de Sectordirecteur in zijn schrijven van 11 maart 2024 heeft volstaan met de mededeling dat het bezwaar bij het uitblijven van een nadere motivering zou worden afgewezen, zonder daarbij expliciet te vermelden dat het niet herstellen van het vormverzuim tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar zou kunnen leiden, is het Gerecht van oordeel dat belanghebbende niet op duidelijke en juiste wijze is gewezen op de mogelijke processuele gevolgen van het niet (tijdig) herstellen van het verzuim. Daarbij hoefde belanghebbende niet te beseffen dat de Sectordirecteur met “afwijzing” van het bezwaar kennelijk heeft bedoeld “niet ontvankelijk” verklaring van het bezwaar. Dat namens belanghebbende een gemachtigde optreedt maakt dat niet anders.

Het Gerecht neemt bij het voorgaande tevens in aanmerking dat de Sectordirecteur ook na het verstrijken van de hersteltermijn uitspraak op bezwaar had kunnen doen, waarbij indien daartoe aanleiding bestond, het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk had kunnen worden verklaard dan wel inhoudelijk had kunnen worden beoordeeld op basis van de voorliggende gegevens. Dat belanghebbende niet een keer contact met de Sectordirecteur heeft opgenomen met de vraag wat de status is van de afhandeling van het bezwaarschrift, is naar het oordeel van het Gerecht niet van belang.

Gelet op het voorgaande, en in het licht van het beginsel van zorgvuldige rechtsbescherming in de bezwaarprocedure, is het Gerecht van oordeel dat het ontbreken van een tijdige motivering in dit geval niet aan ontvankelijkheid van het bezwaar in de weg behoort te staan. Het bezwaarschrift dient derhalve ontvankelijk te worden verklaard.

II. Is voor bepaalde goederen op de invoerlijst terecht de vrijstelling onthouden?

In de LBI is, voor zover voor de onderhavige zaak van belang, het volgende bepaald (tekst geldend van 1 januari 2020 tot en met 15 mei 2024):

“Artikel 1

1. (…).

2. Onder bedrijf wordt voor de toepassing van de landsverordening en de daarop berustende bepalingen verstaan:

a. (…)

b. een onderneming die zich grondontwikkeling ten doel stelt, waarbij percelen braakliggende grond tot ontwikkeling worden gebracht, door het bouwrijp maken van de grond, het aanleggen van infrastructuur al dan niet in combinatie met de bouw van onroerende zaken, waarvan de ontwikkeling buiten de waarde van de grond een investering vergt van ten minste NAf 5.000.000 en welke gericht is op de bevordering van het vreemdelingenbezoek dan wel op sociale woningbouw;

c. (…)

(…).

Artikel 2

1. Krachtens deze landsverordening wordt vrijstelling verleend van:

a. (…)

b. (…)

c de invoerrechten, bedoeld in de Landsverordening tarief van invoerrechten op:

1º materialen en goederen ten behoeve van de bouw en eerste inrichting van bedrijfspanden bestemd voor de uitoefening van de uitoefening van een bedrijf;

2º materialen en goederen bestemd voor de aanleg van wegen, de bouw van onroerende zaken en de aanleg of de bouw van gelegenheden tot verblijf en ontspanning ter bevordering van vreemdelingenbezoek en sociale woningen op de percelen grond bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel b;

3º bedrijfsmiddelen, ten behoeve van de eerste inrichting van een onderneming, die als bedrijf wordt aangemerkt, voor zover vaststaat dat de aanwending van die bedrijfsmiddelen tot het wezen van het bedrijf behoort;

(…).

Artikel 3

1. De vrijstelling van invoerrechten wordt verleend ten aanzien van:

a. (…)

b. het in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, genoemde materialen en goederen, voor een periode van vijf jaren nadat voor het eerst een beroep wordt gedaan op deze landsverordening;

c. (…)

(…).”

Hetgeen partijen in wezen verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of de door de Sectordirecteur op de invoerlijst doorgestreepte goederen (zie 2.6) al dan niet kunnen worden gerangschikt onder de in artikel 2, lid 1, letter c ten tweede LBI bedoelde materialen en goederen.

Het Gerecht is met partijen van oordeel dat de onderneming van belanghebbende dient te worden aangemerkt als een bedrijf als bedoeld in artikel 1, lid 2, onderdeel b LBI. Alsdan zijn, beoordeeld naar de letter van de LBI, vrijgesteld materialen en goederen die bestemd zijn voor de ontwikkeling en bouwrijp maken van de grond en de bouw van het verblijf ter bevordering van vreemdelingenbezoek (artikel 2, lid 1, letter c, ten tweede LBI). In tegenstelling tot hetgeen is bepaald in artikel 2, lid 1, letter c, ten eerste en ten derde LBI strekt de vrijstelling in artikel 2, lid 1, letter c, ten tweede, LBI zich niet mede uit tot materialen en goederen ten behoeve van de eerste inrichting. De wetgever maakt aldus onderscheid tussen ‘bouw’ en ‘eerste inrichting’. Op goederen die moeten worden gerangschikt onder het begrip ‘eerste inrichting’ is de vrijstelling niet van toepassing. Het Gerecht zal eerst de vragen beantwoorden wat moet worden verstaan onder het begrip ‘eerste inrichting’ en of de in geding zijnde goederen onder die categorie vallen.

De LBI zelf geeft geen definitie van het begrip ‘eerste inrichting’. Ook uit de wetsgeschiedenis kunnen geen aanknopingspunten worden gevonden op grond waarvan het begrip ‘eerste inrichting’ kan worden geduid. Grammaticaal bezien is het Gerecht van oordeel dat het begrip ‘inrichting’ met name ziet op het gereedmaken voor gebruik of bewoning door in de daartoe bestemde ruimtes meubels, accessoires en decoratie te plaatsen en die ruimtes te stofferen. Het begrip ‘eerste’ brengt tot uitdrukking dat het om materialen en goederen gaat die bij de eerste ingebruikname worden geplaatst en veelal vervangbaar zijn door een tweede, derde, en volgende inrichting.

Anders dan de Sectordirecteur betoogt, is het Gerecht van oordeel dat de airco’s en de keuken inbouwapparatuur naar hun aard en functie niet kunnen worden gelijkgesteld met goederen van ‘eerste inrichting’, zoals meubels, accessoires of decoratieve elementen. Eerst vermelde goederen zijn bestemd om duurzaam onderdeel uit te maken van de onroerende zaak en blijven naar verkeersopvatting bij overdracht of ingebruikname van de woning achter als blijvend aangebrachte en functioneel noodzakelijke onderdelen daarvan. Zij onderscheiden zich daarmee wezenlijk van goederen die slechts dienen ter stoffering of inrichting van de woning en die bij wisseling van gebruiker of eigenaar plegen te worden verwijderd.

Vervolgens is de vraag aan de orde of deze goederen moeten worden aangemerkt als materialen en goederen bestemd voor de bouw van onroerende zaken in de zin van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, ten tweede, van de LBI.

Deze bepaling voorziet in een vrijstelling voor materialen en goederen bestemd voor de bouw van gelegenheden tot verblijf en ontspanning ter bevordering van het vreemdelingenbezoek. Daarbij is van belang dat het hier gaat om een belastingfaciliteitenregeling, die beoogt de economische ontwikkeling van Curaçao te stimuleren door belemmeringen voor investeringen in de toeristische sector weg te nemen.

Gelet op deze doelstelling en gegeven het feit dat het in de onderhavige zaak gaat om de bouw van luxe vakantiewoningen, laat het zich naar het oordeel van het Gerecht niet wel denken dat dergelijke woningen in dit marktsegment zouden worden gerealiseerd zonder de aanwezigheid van airco’s en keuken inbouwapparatuur. Deze voorzieningen zijn naar verkeersopvatting essentieel voor het gebruik en de exploitatie van de woningen als volwaardige vakantiewoningen.

De airco’s en keuken inbouwapparatuur maken daarom integraal deel uit van de bouw van deze onroerende zaken. Zonder deze voorzieningen kunnen de woningen niet worden aangemerkt als zelfstandige, voor het vreemdelingenbezoek geschikte verblijfsobjecten. Het begrip ‘bouwen’ kan, anders dan de Sectordirecteur stelt, in dit verband niet worden beperkt tot louter ruwbouw of traditionele bouwmaterialen (vgl. GEA Curaçao 15 juli 2025, ECLI:NL:OGEAC:2025:165).

Voor zover partijen hun betoog mede hebben toegespitst op de vraag of de airco’s en de keuken inbouwapparatuur naar civielrechtelijke maatstaven als aard- en nagelvast met de onroerende zaak zijn verbonden, overweegt het Gerecht dat dit criterium in het kader van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, ten tweede, van de LBI niet beslissend is. Het gaat bij deze bepaling niet om de civielrechtelijke kwalificatie van goederen als roerend of onroerend, maar om de vraag of zij naar hun aard en functie zijn bestemd voor de bouw van gelegenheden tot verblijf en ontspanning ter bevordering van het vreemdelingenbezoek. Die vraag is hiervoor bevestigend beantwoord.

Het Gerecht ziet daarom geen aanleiding dit criterium verder te bespreken.

III. Is er sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel?

Nu het beroep van belanghebbende reeds op grond van het voorgaande slaagt, behoeft het subsidiaire beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel geen verdere bespreking.

Slotsom

Het beroep moet gegrond worden geacht. Voor zover het de goederen betreffen die in 2.6 worden genoemd, dient de Sectordirecteur alsnog, een vrijstelling van invoerrechten te verlenen.

5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Kosten bezwaarfase

Ingevolge artikel 32a, lid 1 van de ALL worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd. Het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur (lees: Sectordirecteur) op het bezwaar heeft beslist.

Belanghebbende heeft in de bezwaarfase niet verzocht om een kostenvergoeding. Gelet op het bepaalde in artikel 32a, lid 2, ALL komt belanghebbende dan niet in aanmerking voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Kosten beroepsfase

Het Gerecht ziet aanleiding de Sectordirecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor het instellen van beroep.

In artikel 15, lid 2, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, nr. CUR2016H00008, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).

In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).

Verder dient de op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 150 aan belanghebbende te vergoeden.

6. DE BESLISSING

Het Gerecht:

Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en uitgesproken op 18 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: Cg 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.M. de Leeuw van Weenen. De

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?