GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202504138
Beschikking van 16 januari 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonend in [woonplaats],
verzoekster,
gemachtigde: mr. S.I. da Costa Gomez,
tegen
de naamloze vennootschap
MARINE NON DESTRUCTIVE TESTING SERVICES N.V.,
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
en
[verweerder]
wonende in [woonplaats],
verweerder,
gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez
Partijen worden hierna [verzoekster], MNDTS en [verweerder] genoemd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 9 oktober 2025 met producties,
het verweerschrift met producties,
de mondelinge behandeling van 19 december 2025.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. De feiten
MNDTS exploiteerde een bedrijf dat zich bezighield met inspecties van schepen, met name ten behoeve van verzekeraars, die schepen en hun lading verzekeren.
verweerder] is directeur, enig bestuurder en aandeelhouder van MNDTS.
verzoekster] is op 25 februari 2003 in dienst getreden bij MNDTS in de functie van Administratieve kracht voor laatstelijk een bruto maandsalaris van Cg 3.200.
In een brief van 9 september 2024 aan [verzoekster] staat, voor zover relevant:
(…) Met grote spijt moet ik u informeren dat ik heb besloten het bedrijf per 1 september 2024 te sluiten. Het is mij helaas niet gelukt om iemand te vinden met de benodigde certificaten om de inspectiewerkzaamheden voor te zetten, wat deze stap onvermijdelijk maakt. (…) Met vriendelijke groet, [verweerder]
verzoekster] heeft tot 1 oktober 2024 haar salaris uitbetaald gekregen.
Bij brief van 7 oktober 2024 heeft [verzoekster] de nietigheid van het ontslag ingeroepen en heeft zij doorbetaling van haar salaris en tewerkstelling gevorderd.
Op 14 oktober 2024 heeft MNDTS een verzoek ingediend bij het SOAW om toestemming te verkrijgen om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te beëindigen. Op 29 november 2024 heeft SOAW deze toestemming verleend.
In een verklaring van de Kamer van Koophandel Curaçao van 30 januari 2025 ten aanzien van verweerster staat voor zover relevant dat: ‘the business conducted bij abovementioned legal entity ceased operations as of January 29th, 2025’.
3. Het geschil
verzoekster] verzoekt – samengevat – dat het gerecht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
voor recht zal verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen verzoekster en verweerster nog steeds in stand is;
voor recht zal verklaren dat verzoekster aanspraak heeft op (door)betaling van het met verweerster overeengekomen salaris sinds oktober 2024, vermeerderd met de vertragingsboete en de wettelijke rente, totdat op rechtsgeldige wijze aan haar rechtsbetrekking met verweerster een einde is gekomen;
voor recht zal verklaren dat de directeur van verweerster in persoon aansprakelijk zal zijn voor al hetgeen verzoekster van haar werkgever te vorderen heeft;
verweerster en de directeur zal veroordelen in de kosten van dit geding;
subsidiair
voor recht zal verklaren dat het ontslag van verzoekster uit zijn arbeidsrechtelijke functie van 9 september 2024 nietig, althans kennelijk onredelijk is;
een billijke vergoeding aan hem toe zal kennen, vermeerderd met de wettelijke rente;
voor recht zal verklaren dat de directeur van verweerster in persoon aansprakelijk zal zijn voor al hetgeen verzoekster van haar werkgever te vorderen heeft, vermeerderd met de wettelijke rente;
verweerster en de directeur zal veroordelen in de kosten van dit geding;
MNDTS en [verweerder] hebben gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover voor de te nemen beslissing van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Ten aanzien van de verzoeken jegens [verweerder] is aangevoerd dat [verzoekster] niet-ontvankelijk is, dan wel dat het gerecht onbevoegd is om van de verzoeken kennis te nemen, omdat ten aanzien van [verweerder] sprake is van vraagstukken uit hoofde van vennootschapsrecht en aansprakelijkheidsrecht. Deze vraagstukken horen volgens [verweerder] niet thuis in een arbeidsrechtelijke EJ-procedure. Het gerecht overweegt dat het op zich juist is dat voornoemde vraagstukken in beginsel middels een AR-procedure worden afgedaan, maar dat in dit geval de verzoeken zien op dezelfde problematiek en er sprake is van zodanige samenhang, dat het gerecht uit hoofde van efficiëntie overweegt dat [verzoekster] ontvankelijk is in haar verzoeken jegens [verweerder] en het gerecht bevoegd is. Dit betekent dat het gerecht toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken jegens zowel MNDTS als [verweerder].
In deze zaak staat de vraag centraal of de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en MNDTS nog bestaat en of [verzoekster] recht heeft op loondoorbetaling.
verzoekster] stelt zich op het standpunt dat het ontslag in de brief van
9 september 2024 nietig is, omdat er geen sprake was van een dringende reden en er (op dat moment) geen toestemming was van SOAW de arbeidsovereenkomst te beëindigen. MNDTS en [verweerder] voeren aan dat de brief van 9 september 2024 geen ontslag inhield, maar ‘slechts’ een mededeling van bedrijfssluiting. Wat daar ook van zij, partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] niet op 9 september 2024 is beëindigd.
Vervolgens is de vraag of de arbeidsovereenkomst op enig ander moment is beëindigd. [verzoekster] stelt dat dit niet het geval is, aangezien MNDTS geen gebruik heeft gemaakt van de ontslagvergunning van SOAW. MNDTS voert aan dat de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd door het verkrijgen van de ontslagvergunning, omdat – alhoewel de opzegging niet is geformaliseerd in een brief – het voor [verzoekster] duidelijk moet zijn geweest dat de arbeidsrelatie was geëindigd naar aanleiding van de beschikking van SOAW. Immers, het salaris werd niet doorbetaald en er was geen enkel contact meer tussen partijen.
Het gerecht is van oordeel dat van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door MNDTS geen sprake is. MNDTS had de arbeidsovereenkomst binnen drie maanden na het verkrijgen van de ontslagvergunning (mondeling dan wel schriftelijk ) moeten opzeggen met inachtneming van de wettelijke vereisten (zoals de opzegtermijn) en heeft dat niet gedaan. Ook is er nimmer conform de wettelijke vereisten afgerekend met [verzoekster]. [verzoekster] heeft tot 1 oktober 2024 haar salaris betaald gekregen en dus niet gedurende de opzegtermijn. Ook heeft [verzoekster] geen eindafrekening en cessantia ontvangen.
De conclusie luidt dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] nimmer is geëindigd en dat de verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst nog in stand is, zal worden toegewezen. [verzoekster] heeft daarnaast een verklaring voor recht gevorderd dat zij aanspraak heeft op loondoorbetaling. Het gerecht overweegt hierover als volgt.
Nu de arbeidsovereenkomst nog bestaat, heeft [verzoekster] in beginsel recht op loondoorbetaling tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, voor zover zij bereid en beschikbaar was de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. In de brief van 7 oktober 2024 heeft [verzoekster] tewerkstelling gevorderd en zich hiermee dus bereid verklaard de werkzaamheden te verrichten. In deze zaak zal het gerecht de loondoorbetalingsverplichting echter matigen. Het gerecht zal de omstandigheden die de grondslag voor de matiging vormen hieronder uitleggen.
Tijdens de zitting is gebleken dat [verzoekster] al in juli 2024 is vrijgesteld van werk omdat er geen werk meer was. Zij heeft dus circa vier maanden salaris ontvangen zonder daarvoor werkzaamheden te hoeven verrichten. Op de vraag van het gerecht ter zitting hoe [verzoekster] sinds oktober 2024 rond is gekomen, heeft zij verklaard dat ze ongeveer drie maanden werk heeft gehad en verder heeft geleefd van haar spaargeld. Verder speelt mee dat verweerder in een moeilijke (financiële) situatie verkeerde en nog steeds verkeert. De werknemer, die als enige gecertificeerd was om de inspecties uit te voeren, is eerst lange tijd arbeidsongeschikt geweest na een ongeval en is vervolgens in juli 2024 overleden. [verweerder] heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij er alles aan heeft gedaan iemand te vinden om de inspectiewerkzaamheden voort te zetten, maar dat er niemand beschikbaar was met de juiste certificering. Daarom was hij gedwongen het bedrijf, dat hij al 30 jaar had, te sluiten.
Het gerecht is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat een loonuitkering ter hoogte van de cessantia (waar [verzoekster] recht op had gehad als de arbeidsovereenkomst was geëindigd door opzegging na het verkrijgen van de ontslagvergunning) in dit geval recht doet aan alle omstandigheden. Dit komt neer op een bedrag van Cg 19.570. Het gerecht ziet geen aanleiding dit te vermeerderen met de vertragingsboete, omdat geen sprake is van kwade wil bij MNDTS.
Wel zal de wettelijke rente met ingang van de datum van de beschikking van het SOAW worden toegewezen.
Ter zitting heeft de advocaat van [verzoekster] toegelicht dat de verklaring voor recht met betrekking tot de loondoorbetaling tevens moet worden begrepen als een verzoek tot loondoorbetaling. Het gerecht volgt dit en zal het hiervoor genoemde bedrag in het dictum toewijzen. Op deze manier wordt ook duidelijk gemaakt dat – alhoewel de arbeidsovereenkomst strikt genomen nog doorloopt – dit het bedrag is waar [verzoekster] in totaal nog recht op heeft en de loon(door)betaling niet doorloopt.
De verklaring voor recht dat [verweerder] als directeur van MNDTS in persoon aansprakelijk is, zal worden afgewezen. Om aansprakelijkheid van [verweerder] in persoon te kunnen aannemen voor handelingen die hij als bestuurder heeft verricht of heeft nagelaten te verrichten, moet sprake zijn van een verwijtbaar ernstig handelen en/of nalaten aan de zijde van [verweerder]. Dit heeft [verzoekster] in het licht van de gemotiveerde betwisting onvoldoende onderbouwd. Volgens [verzoekster] was sprake van privé-uitgaven door [verweerder] en is de vennootschap slechts als façade gebruikt voor persoonlijke belangen. [verzoekster] heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat hiervan sprake was. Volgens [verweerder] was het juist omgekeerd en heeft hij jarenlang privé geld moeten bijleggen om de vennootschap in leven te houden en de salarissen te kunnen betalen. [verweerder] heeft dit onderbouwd met financiële stukken en een verklaring van [belanghebbende 1], administratief consultant.
Het voorgaande brengt mee dat jegens MNDTS zal worden geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst nog in stand is en dat [verzoekster] recht heeft op een (achterstallige) loonbetaling van Cg 19.570.
Van het onvermogen van [verzoekster] is genoegzaam gebleken, zodat haar verlof kan worden verleend om kosteloos te procederen.
MNDTS zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [verzoekster] worden tot aan deze uitspraak begroot op
Cg 1.000 aan gemachtigdensalaris. Ten aanzien van [verweerder] zullen de proceskosten worden gecompenseerd, omdat door MNDTS en [verweerder] één verweer is gevoerd.
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.
5. De beslissing
Het gerecht:
verleent [verzoekster] verlof om kosteloos te procederen;
verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en MNDTS nog in stand is;
verklaart voor recht dat [verzoekster] aanspraak maakt op loondoorbetaling en veroordeelt MNDTS tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van Cg 19.570, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2024;
veroordeelt MNDTS in de proceskosten van [verzoekster] van Cg 1.000;
compenseert de proceskosten van [verweerder], in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman, rechter, bijgestaan door de griffier, griffier, en in het openbaar uitgesproken.