GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202502272
Vonnis van 25 mei 2026
in de zaak van
DE ERFGENAMEN VAN WIJLEN [wijlen], wonend in [woonplaats], eisers, gemachtigde: mr. S.K. Snel,
tegen
1. de naamloze vennootschapBOUW & SUPPORT N.V.,
gevestigd in Curaçao,
2. [gedaagde 2],
wonend in [woonplaats], gedaagden, gemachtigde: mr. J.D.C. Sintiago,
Partijen worden hierna eisers enerzijds en Bouw & Support en [gedaagde 2], samen Bouw & Support c.s. anderzijds genoemd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 27 juni 2025 met producties,
de conclusie van antwoord,
de mondelinge behandeling van 28 april 2026, waar zijn verschenen de gemachtigden en [gedaagde 2],
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Op 3 november 2010 heeft [wijlen] (hierna: [wijlen]) met Bouw & Support een aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de bouw van een woonhuis, gelegen aan [adres] in [land].
Op 4 november 2010 heeft [wijlen], overeenkomstig hetgeen tussen partijen is overeengekomen, ter uitvoering van de overeenkomst een bedrag van Cg 63.630 aan Bouw & Support voldaan.
In de aannemingsovereenkomst is bepaald dat de werkzaamheden uiterlijk binnen 25 werkdagen na betaling van de eerste termijn zouden aanvangen en dat de woning binnen negen maanden na aanvang van de werkzaamheden zou worden opgeleverd.
De overeengekomen werkzaamheden zijn niet binnen de contractueel bepaalde termijn aangevangen en nimmer uitgevoerd.
Bij brief van 2 februari 2012 heeft [wijlen] Bouw & Support gesommeerd het betaalde bedrag uiterlijk op 1 maart 2012 terug te betalen.
Bij brief van 23 februari 2012 heeft [gedaagde 2] de schuld aan [wijlen] erkend en toegezegd een plan voor aflossing te maken. Aan deze toezegging is geen uitvoering gegeven en er is nimmer iets betaald door [gedaagde 2].
Bij brief van 6 februari 2023 heeft de gemachtigde van [wijlen] de overeenkomst ontbonden en Bouw & Support gesommeerd tot restitutie van het betaalde bedrag. Bouw & Support heeft geen gevolg gegeven aan voornoemde sommatie en het gevorderde bedrag onbetaald gelaten.
Op [overlijdensdatum] 2025 is [wijlen] overleden.
Na daartoe verkregen verlof is ten laste van Bouw & Support c.s. conservatoir derdenbeslag gelegd.
3. De vordering en de standpunten van partijen
Eisers vorderen dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Bouw & Support c.s. hoofdelijk veroordeelt, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tot (terug)betaling aan eisers als erfgenamen van [wijlen] van een bedrag van Cg 63.630, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, alsmede met de wettelijke rente over het gevorderde bedrag vanaf de datum van ingebrekestelling tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Bouw & Support c.s. in de proceskosten, waaronder begrepen de beslagkosten en het betaalde griffierecht.
Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat Bouw & Support tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en [gedaagde 2] in zijn betalingsverplichting uit hoofde van de op 23 februari 2012 ondertekende schuldbekentenis. Van verjaring is geen sprake, nu in de schuldbekentenis geen fatale termijn is opgenomen. Voorts hebben eisers aangevoerd dat de overeenkomst bij brief van 6 februari 2023 is ontbonden en dat het verzuim aan de zijde van Bouw & Support c.s. pas daarna is ingetreden.
Bouw & Support c.s. betwisten de vordering. Zij voeren daartoe aan dat niet vaststaat wie de erfgenamen van [wijlen] zijn en dat evenmin een machtiging van de erfgenamen aan hun gemachtigde is overgelegd. Voorts stellen zij dat de vordering is verjaard.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Wie zijn de erfgenamen?
Ter zitting is gebleken dat geen van de erfgenamen is verschenen en dat onduidelijk is wie als erfgenamen van [wijlen] moeten worden aangemerkt. Er is geen verklaring van erfrecht in het geding gebracht, waaruit dit blijkt en de gemachtigde van eisers beschikt niet over een machtiging van de erfgenamen. De voormalige buurman van [wijlen], die ter zitting aanwezig was, heeft verklaard dat hij contact heeft gehad met een zoon van [wijlen] over de zaak en hem daarmee heeft geholpen, maar niet weet of er nog meer erfgenamen zijn. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld wie als eisers in deze procedure optreden. Reeds om die reden moet de vordering worden afgewezen. Het gerecht ziet geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden, teneinde de gemachtigde alsnog in de gelegenheid te stellen hier duidelijkheid over te geven, nu de vordering hoe dan ook wegens verjaring zal worden afgewezen. Het gerecht overweegt daartoe als volgt.
Verjaring
Het gerecht stelt voorop dat ingevolge artikel 3:307 lid 1 BW een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst verjaart door verloop van vijf jaren na de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Op grond van de overeenkomst diende de woning in september 2011 te worden opgeleverd. Na sommatie van [wijlen], waarbij een uiterste termijn tot 1 maart 2012 is gesteld, is de vordering met ingang van die datum opeisbaar geworden, zodat de verjaringstermijn op 2 maart 2012 is aangevangen. Dat [gedaagde 2] vóór de opeisbaarheid van de vordering de schuld heeft erkend en heeft aangegeven met een aflossingsvoorstel te zullen komen zonder daarbij een termijn te noemen, brengt niet mee dat de vordering eerst op een later moment opeisbaar is geworden. Dit laat de aanvang van de verjaringstermijn dus onverlet, zodat de vordering in beginsel is verjaard op 2 maart 2017.
Niet is gesteld of gebleken dat vóór 2 maart 2017 een stuitingshandeling als bedoeld in artikel 3:316 BW heeft plaatsgevonden, dan wel dat sprake is geweest van een erkenning in de zin van artikel 3:318 BW. De brief van 6 februari 2023 kan niet als stuitingshandeling gelden, nu deze is verzonden nadat de verjaringstermijn was voltooid. De vordering is dus op 2 maart 2017 verjaard.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering wordt afgewezen.
Proceskosten
Omdat eisers in het ongelijk worden gesteld, worden zij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van Bouw & Support c.s. worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 1.500 aan gemachtigdensalaris.
5. De beslissing
Het gerecht:
wijst het gevorderde af;
veroordeelt eisers in de proceskosten van Bouw & Support c.s. van Cg 1.500;
verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman, rechter, bijgestaan door mr. S.K.V. Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken.