GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202602039 Datum beschikking: 31 augustus 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in Curaçao,eiser in het verzoek,
verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
gemachtigde: mr. M.F. Murray,
tegen
de besloten vennootschap HBN LAW & TAX B.V.,
gevestigd in Curaçao, gedaagde in het verzoek,
eiseres in het (voorwaardelijk) tegenverzoek, gemachtigde: mr. W. ten Veen.
Partijen zullen hierna [eiser] en HBN worden genoemd.
De zaak in het kort
Gedaagde is als advocaat sinds 2007 in dienst bij HBN. Hij verzoekt ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst op grond van gewijzigde omstandigheden. Het Gerecht wijst het verzoek toe, maar zonder de verzochte ontslagvergoeding. De gewijzigde omstandigheden zijn niet aan HBN te wijten.
1. Het procesverloop
eiser] heeft op 15 juni 2026 een verzoekschrift met producties ingediend. HBN heeft 8 juli 2026 een verweerschrift met producties ingediend. Het verzoek is mondeling behandeld op 9 juli 2026. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben [eiser] en de gemachtigde van HBN het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities. Daarna hebben partijen vragen van de rechter beantwoord en op elkaars standpunten gereageerd.
Ter zitting is afgesproken dat partijen nog een keer bij elkaar zouden komen om te onderzoeken of zij tot een minnelijke regeling zouden kunnen komen. Bij emailbericht van 29 juli 2026 hebben partijen laten weten dat die minnelijke regeling niet tot stand is gekomen en zij hebben vonnis gevraagd. De datum van de beschikking is vastgesteld op vandaag.
2. De feiten
[eiser] is op 1 januari 2007 bij (de rechtsvoorgangster van) HBN in dienst getreden als advocaat-stagiair. Vanaf 1 november 2010 is [eiser]werkzaam als advocaat-medewerker, in een full-time dienstverband met een vast salaris per maand en een omzetdelingsregeling. Op de arbeidsrelatie van [eiser] is geen CAO van toepassing.
Bij HBN Curaçao heeft per 1 januari 2023 een bestuurswissel plaatsgevonden. [partner 1] (managing partner) en [partner 2] (vestigingsmanager Curaçao en verantwoordelijk voor onder meer HR) namen het bestuur over van [ex-partner HBN] en [ex-partner 2].
Op 8 december 2025 heeft [eiser] zich ziek gemeld. Sinds die datum is hij formeel 100% arbeidsongeschikt.
In 2026 hebben HBN en [eiser] een mediation traject gevolgd, dat niet tot een overeenkomst heeft geleid. De mediation is op 10 juni 2026 geëindigd. Hierna heeft [eiser] op 15 juni 2026 zijn verzoekschrift in deze procedure ingediend. 3. Het geschil
eiser] verzoekt het Gerecht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven:
1. De tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 september 2026, althans per een door het Gerecht in goede justitie te bepalen datum, ex art. 7A:1615w BW te ontbinden wegens gewichtige redenen, onder toekenning van een door HBN aan [eiser] te betalen vergoeding van XCG 634.524,- bruto, althans - subsidiair - een door het Gerecht in goede justitie te bepalen vergoeding die recht doet aan alle feiten en omstandigheden van het geval;
2. HBN te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 11.846,88 ter compensatie van het wegvallen van de door HBN gedragen ziektekostenverzekering ten behoeve van [eiser] en diens inwonende gezinsleden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot aan de dag der algehele voldoening;
3. HBN te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van XCG 25.863,75 ter compensatie van het wegvallen van de door HBN betaalde werkgeversbijdrage ten behoeve van de pensioenregeling van [eiser] bij Ennia, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot aan de dag der algehele voldoening;
4. HBN te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag gelijk aan EUR 207,84 per maand wegens de vanaf maart 2026 ten onrechte niet door HBN voldane premie voor de ziektekostenverzekering van [eiser]s dochter ([naam]) over de periode van maart 2026 tot aan de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop iedere afzonderlijke maandpremie verschuldigd werd tot aan de dag der algehele voldoening;
5. HBN te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van XCG 4.879,48 ter zake van de in de periode oktober 2019 tot en met augustus 2020 ten onrechte op het salaris van [eiser] ingehouden telefoonkosten, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7A:1614q BVV tot het wettelijke maximum van 50%, zijnde XCG 2.439,74, en voorts het totaalbedrag daarvan (ad. XCG 7.319.22) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
6. HBN te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van XCG 9.412,50 ter zake van de op 1 januari 2022 opeisbaar geworden jubileumuitkering wegens het bereiken van vijftien dienstjaren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7A:1614q BW tot het wettelijke maximum van 50%, zijnde XCG 4.556,25, en voorts het totaalbedrag daarvan (ad XCG 13.968,75), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
7. HBN te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van XCG 19.551,70 ter zake van 35 niet-genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot aan de dag der algehele voldoening;
8. HBN te veroordelen om binnen veertien dagen na de datum van de beschikking aan [eiser] te verstrekken een volledig en actueel overzicht van diens pensioenopbouw, pensioenrechten en de ten behoeve van hem afgedragen pensioenpremies gedurende de volledige duur van het dienstverband vanaf 1 januari 2007 tot aan de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van XCG 10.000,— per dag of gedeelte daarvan dat HBN hiervan in gebreke blijft;
9. HBN te veroordelen om in de periode van 15 juni 2026 tot de datum van de beschikking, althans de datum waartegen de arbeidsovereenkomst bij die beschikking wordt ontbonden, alle verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst jegens [eiser] volledig na te komen, waaronder begrepen maar niet beperkt tot:
( a) de volledige doorbetaling van het overeengekomen loon, inclusief alle vaste looncomponenten, zulks te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7A:1614q BW tot het wettelijke maximum van 50% over alle loonbedragen die niet tijdig zijn of worden voldaan, alsmede de wettelijke rente over die loonbedragen — telkens berekend over het bruto verschuldigde bedrag inclusief de wettelijke verhoging — vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag der algehele voldoening; en(b) de volledige nakoming van alle overige uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, waaronder pensioenafdrachten, ziektekostenvoorzieningen en overige arbeidsvoorwaarden, te vermeerderen met de wettelijke rente over de ter zake verschuldigde bedragen vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag der algehele voldoening;
10. voorwaardelijk, voor het geval en voor zover HBN, in de periode tussen de datum van indiening van dit verzoekschrift en de datum van de in deze te wijzen beschikking, althans de datum waartegen de arbeidsovereenkomst bij die beschikking wordt ontbonden, [eiser] geheel of gedeeltelijk zal afsluiten van, beperken in of anderszins zal belemmeren in zijn toegang tot kantoor, e-mail, digitale dossiers, administratieve systemen, clientcommunicatie en/of overige kantoorvoorzieningen, HBN te veroordelen tot vergoeding van alle schade die [eiser] dientengevolge heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. te vermeerderen met de wettelijke rente over het uiteindelijk vast te stellen schadebedrag vanaf de datum van het schadeveroorzakende handelen tot aan de dag der algehele voldoening;
11. HBN te veroordelen in de kosten van deze procedure, met bepaling dat indien de betaling van deze kosten niet binnen een termijn van veertien (14) dagen na de datum van het in deze te wijzen beschikking zal plaatsvinden, deze kosten zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf de vijftiende dag na de datum van het in deze te wijzen vonnis.
eiser] legt aan zijn verzoek een aantal door hem gestelde feiten en omstandigheden ten grondslag. Deze leveren volgens hem evident gewichtige redenen in de zin van artikel 7A:1615w lid 1 BW op, primair bestaande uit veranderingen in de omstandigheden als bedoeld in artikel 1615w lid 2 BW en subsidiair uit omstandigheden die een dringende reden in de zin van artikel 7A:1615q BW zouden hebben opgeleverd indien de dienstbetrekking deswege onverwijld was beëindigd. Onder deze omstandigheden bestaat geen reëel perspectief meer op een gezonde en duurzame voortzetting van het dienstverband en kan van [eiser] in redelijkheid niet langer worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten.
HBN heeft gemotiveerd verweer gevoerd. HBN heeft bovendien een zelfstandig verzoek ingediend tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zonder toekenning van een vergoeding. HBN legt hieraan ten grondslag dat door het toedoen van [eiser] zelf gezien zijn houding en opstelling, een situatie is ontstaan dat HBN geen vertrouwen meer heeft in [eiser], meer in het bijzonder niet in een noodzakelijke vruchtbare samenwerking in de toekomst.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Inleiding
[eiser] verzoekt dat zijn arbeidsovereenkomst met HBN wordt beëindigd. HBN heeft als zelfstandig tegenverzoek datzelfde verzocht. De vraag is of HBN aan [eiser] een vergoeding moet betalen, zoals [eiser] vordert. [eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat er veranderingen in de omstandigheden zijn die van dien aard zijn, dat de dienstbetrekking behoort te eindigen. Het Gerecht zal daarom moeten beoordelen of sprake is van dergelijke omstandigheden.De beoordeling van het functioneren van [eiser]
In een uitgebreide e-mail van 23 februari 2026 aan HBN heeft [eiser] de argumenten uiteengezet waarom hij van mening is dat zijn arbeidsongeschiktheid te wijten is aan HBN.[eiser] stelt voorop dat tot het aantreden van het huidige bestuur per 1 januari 2022 zijn functioneren binnen HBN altijd naar volledige - wederzijdse - tevredenheid heeft plaatsgevonden. De interne beoordelingen zijn in die gehele periode consequent positief geweest, aldus [eiser].HBN heeft hiertegenover een aantal functionerings- en gesprekverslagen in het geding gebracht vanaf 2016.
Uit de overgelegde verslagen blijkt niet van kwalitatief onvoldoende presteren van [eiser]. Op inhoudelijke kennis en kunde scoort hij bovengemiddeld. Wel is als belangrijkste aandachtspunt terug te lezen dat het hem jarenlang niet lukt het aantal normuren te halen. Dat laatste is onder meer van belang in verband met de verschillende malen door [eiser] geuite wens om aandeelhouder te worden. Omdat een aandeelhouderschap volgens HBN vooralsnog niet aan de orde was, stelden partijen in 2018 een concept-overeenkomst op, waarbij [eiser] als ZZP’er aan HBN verbonden zou blijven en zou delen in de omzet. In verband met persoonlijke problemen van [eiser] wordt deze overeenkomst in 2019 op zijn verzoek voorlopig niet uitgevoerd.
Op 5 oktober 2022 meldt [eiser] in een email aan de heer [ex-partner HBN] van het toenmalige bestuur van HBN het volgende:
“Zoals je weet, heb ik de afgelopen jaren te maken gekregen met gezondheidsklachten, onder meer gerelateerd aan een burn-out. In die periode, tot op de dag van vandaag, heb ik veel ondernomen om daarvan te herstellen en weer de oude te worden. Helaas is me dat echter (nog) niet gelukt en kamp ik nog steeds met diezelfde gezondheidsklachten, deels in verergerde vorm. Mede op basis van professioneel-medisch advies lijkt op dit moment de conclusie te zijn dat om daadwerkelijk tot herstel te komen het noodzakelijk is dat ik (opnieuw) enige tijd afstand neem van mijn werk. In overleg met voornoemde professionele begeleiding kan hierbij gedacht worden aan een periode van 4 tot 6 maanden.”
[ex-partner HBN] antwoordt daarop:
“Dat is geen goed nieuws. Maar je gezondheid staat voorop dat uiteraard kun je alle support van kantoor/het bestuur rekenen die nodig is.”
Uit het verslag van een functioneringsgesprek van 7 december 2022 volgt dat [eiser] in de tussentijd geen medische onderbouwing van zijn gezondheidsklachten heeft gegeven. HBN is er desondanks mee akkoord dat [eiser] in een periode van 4-6 maanden geen nieuwe zaken zal behandelen. [eiser] gaat ervan uit dat hij binnen een periode van 6 maanden hersteld zal zijn en dat zijn salaris in die periode doorbetaald zal worden.
Het verslag van een voortgangsgesprek met onder meer [ex-partner HBN] op 8 augustus 2023 vermeldt dat vanwege veelvuldig ziekteverzuim in het verleden, [eiser] niet de mogelijkheid heeft gehad om zich bij te scholen, maar dat het verzoek van HBN was om dat weer te gaan doen, omdat [eiser] inmiddels niet meer arbeidsongeschikt is. Over de arbeidsvoorwaarden heeft [eiser] meegedeeld dat hij zijn prestatie eerst wil verbeteren en voldoen aan zijn urennorm. [ex-partner HBN] benadrukt dat [eiser] tot eind december moet laten zien dat zijn prestaties weer op het gewenste niveau zijn en dat hij zijn urennorm haalt. Daarnaast zou [eiser] de hogere werkdruk aan moeten kunnen en dit qua gezondheid volhouden.
In het verslag van het functioneringsgesprek op 21 november 2024 wordt vermeld dat [eiser] aangeeft dat het goed met hem gaat. Hij meldt dat het werkaanbod op dat moment goed is en er zijn wat hem betreft geen knelpunten. Wel streeft [eiser] naar verhoging van het werkaanbod. Hij wil zich daar ook voor inzetten. De productiviteit van [eiser] lag op dat moment rond 70% van zijn norm. Het lukt niet om in 2024 de norm te halen. Het streven is toe te groeien naar de norm. Tussenconclusie
Het Gerecht verwerpt de stelling van [eiser] dat er sprake is van een structureel patroon waarbij zijn arbeidsvoorwaarden, inkomenspositie en eerder gemaakte afspraken niet worden gerespecteerd, wat heeft geleid tot een wezenlijke uitholling van zijn positie binnen kantoor. Uit het voorgaande blijkt dat HBN het [eiser] in ieder geval tot 2025 niet zeer lastig heeft gemaakt. Er wordt blijkbaar niet moeilijk gedaan over de afwezigheid van onderbouwing van zijn gezondheidsklachten. Daarnaast zijn er telkens zorgen gemeld over de productiviteit van [eiser]. HBN heeft berekend dat [eiser] in de jaren 2021 tot en met 2024 nog geen 50% van de gebruikelijke en overeengekomen productie draait. Dat heeft er niet toe geleid dat HBN heeft ingezet op een beëindiging van de relatie. De maatschapsovereenkomst
Eind 2024 verzoekt [eiser] HBN alsnog uitvoering te geven aan de in 2018 opgestelde maatschapsovereenkomst. Dat het bestuur van HBN hierop heeft gereageerd door te verlangen dat [eiser] eerst moeten laten zien weer helemaal terug te zijn en ook zijn normuren te kunnen halen, vindt het Gerecht gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden niet onredelijk.De toedeling van werk
Uit de stellingen van beide partijen volgt dat [eiser] in het verleden met enige regelmaat werk toebedeeld heeft gekregen van toenmalig bestuurslid en advocaat [ex-partner HBN]. Een verplichting voor HBN om dat na het vertrek van [ex-partner HBN] voort te zetten blijkt niet uit de arbeidsovereenkomst van [eiser], terwijl HBN onweersproken heeft aangevoerd dat de collega’s van [eiser] in de praktijk zelf actief op zoek gaan naar werk, als daar behoefte aan is. Bovendien volgt uit de overgelegde oudere gespreksverslagen dat door HBN aan [eiser] is meegedeeld dat van hem verwacht wordt dat hij zelf zaken acquireert en zich daar voor inzet. Van een uitholling van de positie van [eiser] is daarom geen sprake.Werkplek en faciliteiten
[eiser] beklaagt zich er ook over dat hij al jarenlang niet meer beschikt over een vaste of anderszins adequaat ingerichte werkplek binnen het kantoor. [eiser] was gedurende het jaar 2023 geruime tijd afwezig. HBN merkt op dat het kantoor van [eiser] in die periode door een andere medewerker werd gebruikt. Overigens was [eiser] het daar zelf ook mee eens. Bovendien heeft hij er na de COVID-periode voor gekozen om drie dagen thuis te werken. Dat hij op kantoor daarom van een flexplek gebruik moest maken, komt het Gerecht niet onredelijk voor. Ook niet, als die plek niet op een voordelige plaats binnen het kantoor was gelegen, zoals [eiser] stelt. Het Gerecht gaat daarom verder aan deze klacht voorbij.De samenwerking in dossier zaak “X”
[eiser] was juridisch adviseur voor een bepaald aannemingsbedrijf. Voor bijstand aan deze cliënt werd hij aanvankelijk bijgestaan door [ex-partner HBN], totdat die het kantoor verliet. Een in 2025 door [eiser] aangespannen kort geding voor deze cliënt werd verloren. Een van de partners van HBN heeft vervolgens verlangd dat een andere partner met [eiser] zou ‘meekijken’. Advocaat en bestuurslid [partner 1] heeft die samenwerking op zich genomen. [eiser] en HBN hebben van beide zijden uitvoerig toegelicht hoe die samenwerking in 2025 in dit dossier niet goed is gegaan. Zij verwijten elkaar daarin het nodige. Het Gerecht zal daar verder niet op in gaan, maar merkt hierover op dat onenigheid over de aanpak in een bepaalde zaak in het algemeen niet zou mogen leiden tot een arbeidsconflict, met een ontslag tot gevolg. Zelfs als juist is dat [partner 1] in de samenwerking niet goed is opgetreden – wat HBN dus gemotiveerd heeft betwist – dan geldt nog dat het een conflict met een collega advocaat is en niet met HBN als werkgever. Hieraan kan niet afdoen dat [partner 1] ook bestuurder bij HBN was. Arbeidsvoorwaarden
Als reactie op de stelling van [eiser] dat HBN zijn arbeidsvoorwaarden niet heeft gerespecteerd, heeft HBN aangevoerd dat zij [eiser] ondanks zijn achterblijvende omzet alle jaren zijn volledige salaris heeft betaald, zijn pensioenbijdrage heeft voldaan en de volledige vergoeding van zijn ziektekostenpremie. Hierop heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling niet gereageerd, zodat het Gerecht verder aan deze stelling voorbijgaat.
Arbeidsongeschiktheid 2025/2026
In oktober 2025 heeft [eiser] aan HBN opnieuw gezondheidsklachten gemeld. De afdeling HR maakte vervolgens voor [eiser] een afspraak bij Arbodienst Optima.
Op 3 december 2025 heeft het bestuur van HBN met [eiser] gesproken over zijn gezondheidssituatie, de achterblijvende productie en de samenwerking met Pas in de zaak “X”. Na dit gesprek heeft [eiser] zich op 8 december 2025 formeel ziekgemeld.
Arbodienst Optima vermeldt in een emailbericht van 9 december 2025 het volgende:
“Feit is dat de arboarts [eiser] vanaf het eerste gesprek eigenlijk al niet inzetbaar vond. [eiser] had echter vijf belangrijke zaken die hij per se wilde afronden, en dat heeft hij ook gedaan. Gisteren had ik opnieuw een gesprek met hem om te beoordelen hoe het nu met hem gaat. [eiser] was behoorlijk onrustig, gespannen en emotioneel. Hij was echt op. Ik heb hem duidelijk aangegeven dat het blijven doorwerken hem in deze toestand heeft gebracht. Aan de ene kant is het natuurlijk positief en verantwoordelijk dat hij zijn werkzaamheden wilde afronden, maar aan de andere kant was het niet verstandig om door te blijven gaan. Daarnaast speelt mee dat zijn echtgenote over twee dagen moet bevallen, wat uiteraard ook een emotionele belasting meebrengt. Zijn ouders en schoonouders zijn bovendien overgekomen uit Nederland voor de bevalling. Tot slot had hij een functioneringsgesprek met [partner] dat voor hem ook niet positief uitpakte. In overleg met dr. [naam], bedrijfsarts, heeft besloten om hem voorlopig arbeidsongeschikt te houden, om te voorkomen dat [eiser] volledig uitvalt.”
Een verslag van Optima van 6 januari 2026 vermeldt het volgende:
“Dhr. [eiser] heeft nog zodanige klachten dat hij voorlopig niet inzetbaar is in het werk. Hij heeft de geëigende behandelingen. Het effect is echter nog niet merkbaar. (…) Het kan weken tot maanden duren voordat hij volledig is gere-integreerd.”
Vier weken later rapporteert Optima als volgt:
“Het herstel bij dhr. [eiser] verloopt nog wisselend. Hij heeft nog zodanige klachten dat hij naar het oordeel van de bedrijfsarts voorlopig niet inzetbaar is in het werk. Hij zou graag vanuit huis lopende zaken willen blijven handelen en ervaart het moeten overdragen van zijn lopende zaken als stress verhogend. Er lijkt sprake te zijn van een (dreigend) arbeidsconflict. Partijen moeten zo snel mogelijk met elkaar aan tafel om duidelijkheid te scheppen.”
HBN heeft in deze periode de aanwijzingen van de Arbodienst gevolgd en [eiser] niet verplicht om voor haar te werken. Anders dan [eiser] ter zitting heeft aangevoerd, was het niet de bedrijfsarts die het wenselijk vond dat hij binnen bepaalde kaders nog zijn werkzaamheden zou voortzetten, maar is dat de eigen wens van [eiser] geweest. Van enige tegenwerking door HBN is geen sprake geweest.In overleg met [eiser] is wel een mediationtraject gestart. Naar het oordeel van het Gerecht is HBN ook op dit onderdeel niets te verwijten.Conclusie
Op grond van het voorgaande komt het Gerecht tot de conclusie dat er veranderingen in de omstandigheden zijn die van dien aard zijn, dat de dienstbetrekking behoort te eindigen. Aan HBN valt als werkgever van die veranderingen echter geen verwijt te maken. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 september 2026 is daarom toewijsbaar, maar zonder dat HBN aan [eiser] daarvoor een geldelijke vergoeding verschuldigd is. De overige verzoeken
De in 3.1 onder 2. en 3. vermelde verzoeken zullen worden afgewezen als gevolg van de beslissing over het eerste verzoek.
Verzoek 4. zal worden toegewezen; HBN heeft erkend dat zij dit eerder had moeten regelen. De verzochte wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf vandaag.
Verzoek 5. heeft betrekking op telefoonkosten, die op het salaris van [eiser] zijn ingehouden. In een e-mail van 22 juli 2020 aan [ex-partner HBN] heeft [eiser] uiteengezet dat de kosten voor gebruik van zijn mobiele telefoon enorm zijn toegenomen en dat aan HBN in rekening gebrachte kosten voor een deel aan hem zijn doorberekend en op zijn salaris zijn ingehouden. Hierop heeft het toenmalige bestuur niet gereageerd. Bij e-mail van 27 januari 2021 heeft [eiser] het bestuur hieraan herinnerd. Uit de door [eiser] overgelegde reactie van HBN daarop blijkt niet dat de toenmalige financieel directeur heeft toegezegd dat de inhoudingen alsnog zouden worden gecorrigeerd, zoals [eiser] stelt. Die reactie hield immers slechts in dat het punt ter besluitvorming voor kantoorbeleid voor lag en dat het bestuur er nog op zou terugkomen.
Het Gerecht is het met [eiser] eens dat het onbehoorlijk van HBN is geweest om hem daarna niet te antwoorden. Op 17 april 2025 heeft [eiser] dit onderdeel opnieuw onder de aandacht van HBN gebracht. Gelet op de inhoud van zijn e-mail van 22 juli 2020, moeten de e-mails van 27 januari 2021 en 17 april 2025 worden beschouwd als stuitingsbrieven. Het beroep van HBN op verjaring van de vordering slaagt daarom niet.
De desbetreffende tekst van de bruikleenovereenkomst van 23 augustus 2007 luidde: “De standaard kosten van het Blackberry abonnement (data) zijn voor rekening van HBN Law”. Dat [eiser] op grond daarvan van mening was dat alle kosten voor data voor rekening van HBN kwamen, omdat HBN wellicht een abonnement voor onbeperkt dataverkeer had afgesloten, is niet onbegrijpelijk.HBN heeft zich op het standpunt gesteld dat bij haar bestendig beleid is dat advocaten een telefoon van de zaak krijgen met een beperkt beltegoed. Dat standpunt wordt bevestigd door de inhoud van het Handboek Personeel HBN Law. Hierin wordt vermeld:
“De abonnementsvorm wordt bepaald door HBN Law, te weten: (…) of Alléén de datakosten (Naf 80,-) zijn voor rekening van HBN Law. De abonnementskosten en eventuele bijkomende gesprekskosten zijn voor rekening van de medewerker en worden maandelijks op het salaris ingehouden door HBN Law (tenzij daarover aparte afspraken zijn gemaakt).”
Er zijn geen aparte afspraken gemaakt. Door bedragen boven Naf 80,- en de maandelijkse abonnementskosten aan [eiser] in rekening te brengen, heeft HBN gehandeld volgens het ook op [eiser] toepasselijke beleid. Dit verzoek is daarom niet toewijsbaar.
Verzoek 6. ziet op niet gedane jubileum-uitkeringen. HBN heeft toegelicht dat de jubileum-uitkeringen in beginsel alleen voor ondersteunend personeel zijn bedoeld en dat het beleid ook al jarenlang zo wordt toegepast. Ter zitting heeft HBN echter bevestigd dat een dergelijke uitkering, zoals [eiser] had aangevoerd, inderdaad ook eerder aan een collega advocaat is gedaan. Gezien de niet helemaal heldere tekst van het toepasselijke Handboek Personeel en het standpunt van HBN ter zitting dat zij om die reden het verzoek niet langer wilde weerspreken, zal dit verzoek worden toegewezen. Dat geldt voor de uitkering per 1 januari 2022, omdat de aanspraak op eerdere uitkeringen is verjaard. Daarnaast zal het Gerecht een wettelijke verhoging van 10% toewijzen.
Verzoek 7. is niet toewijsbaar. Ter zitting is besproken dat volgens een oude, maar nog steeds geldende wettelijke regeling, een werknemer geen vakantiedagen opbouwt, als deze langer dan 6 maanden arbeidsongeschikt is. Dat is hier het geval. Wel komen nog 10 vakantiedagen voor vergoeding in aanmerking, die [eiser] in 2025 had opgebouwd.
HBN heeft verklaard geen probleem te hebben met toewijzing van verzoek 8, zodat dat zal worden toegewezen als verzocht. Voor het opleggen van een dwangsom bestaat geen aanleiding.
Volgens artikel 10 van de geldende arbeidsovereenkomst bestaat de verplichting tot doorbetaling van het salaris bij arbeidsongeschiktheid gedurende 26 weken. Die termijn eindigde in dit geval op 15 juni 2026. HBN heeft echter toegezegd ondanks deze bepaling aan haar doorbetalingsverplichting te zullen blijven voldoen tot de datum van de uitspraak in deze zaak. Verzoek 9. is in zoverre dan ook toewijsbaar.
Het onder 10. vermelde voorwaardelijke verzoek is ingesteld onder de voorwaarde dat [eiser] door HBN zal worden afgesloten van fysieke en digitale toegang tot het kantoor van HBN. Die voorwaarde is niet vervuld, zodat hierover geen beslissing hoeft te worden genomen.Proceskosten
[eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van HBN tot op heden begroot op Cg 8.000 (2 punten x tarief 9) aan salaris voor de gemachtigde van HBN.Zelfstandig verzoek HBN
Het Gerecht verwijst naar wat het hiervoor onder 4.21 heeft overwogen. Het zelfstandig tegenverzoek is daarom ook toewijsbaar.
5. 5. De beslissing
Het Gerecht:
in het verzoek van [eiser] en het tegenverzoek van HBN
ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 september 2026 volgens artikel 7A:1615w BW wegens gewichtige redenen;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van HBN tot op heden begroot op Cg 8.000;
in de overige verzoeken van [eiser]
veroordeelt HBN om aan [eiser] te betalen EUR 207,84 per maand vanaf maart 2026 tot en met augustus 2026 aan premie voor de ziektekostenverzekering van [eiser]s dochter (naam), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vandaag tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt HBN om aan [eiser] te betalen XCG 9.412,50 voor jubileumuitkering wegens het bereiken van vijftien dienstjaren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW van 10%, het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt HBN om aan [eiser] te betalen de vergoeding voor 10 niet-genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vandaag tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt HBN om binnen veertien dagen na vandaag aan [eiser] te verstrekken een volledig en actueel overzicht van diens pensioenopbouw, pensioenrechten en de ten behoeve van hem afgedragen pensioenpremies gedurende de volledige duur van het dienstverband vanaf 1 januari 2007 tot 1 september 2026;
veroordeelt HBN tot volledige doorbetaling van het overeengekomen loon, inclusief alle vaste looncomponenten en de volledige nakoming van alle overige uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen tot en met 31 augustus 2026,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos, rechter, en op 31 augustus 2026 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.