ECLI:NL:OGEAC:2026:170

ECLI:NL:OGEAC:2026:170

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer CUR202504297 tot en met CUR202504302
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Belanghebbende woont in Nederland en verhuurt drie villa’s op Curaçao. Er heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden op basis waarvan aan belanghebbende onder meer naheffingsaanslag en vergrijpboetes OB zijn opgelegd. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende als belastingplichtige voor de omzetbelasting dient te worden aangemerkt. Er is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. Belanghebbende heeft geen concrete controleerbare gegevens overgelegd waarmee overtuigend wordt aangetoond dat de Inspecteur is uitgegaan van een onjuiste berekening van de verschuldigde omzetbelasting in verband met verhuur van de villa’s. De naheffingsaanslagen blijven gehandhaafd. De boetes worden verminderd.

Uitspraak

Uitspraak van 1 september 2026

BBZ nrs. CUR202504297 tot en met CUR202504302

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], woonachtig in Nederland,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1. PROCESVERLOOP

Aan belanghebbende is op 18 december 2024 een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) over het jaar 2019 opgelegd naar een verschuldigde belasting van NAf 11.773. Bij gelijktijdige beschikking is aan belanghebbende een vergrijpboete van NAf 2.943 opgelegd.

Aan belanghebbende is op 18 december 2024 een naheffingsaanslag OB over het jaar 2020 opgelegd naar een verschuldigde belasting van NAf 9.196. Bij gelijktijdige beschikking is aan belanghebbende een vergrijpboete van NAf 2.299 opgelegd.

Aan belanghebbende is op 18 december 2024 een naheffingsaanslag OB over het jaar 2021 opgelegd naar een verschuldigde belasting van NAf 10.799. Bij gelijktijdige beschikking is aan belanghebbende een vergrijpboete van NAf 2.699 opgelegd.

Aan belanghebbende is op 18 december 2024 een naheffingsaanslag OB over het jaar 2022 opgelegd naar een verschuldigde belasting van NAf 14.926. Bij gelijktijdige beschikking is aan belanghebbende een vergrijpboete van NAf 3.731 opgelegd.

Aan belanghebbende is op 18 december 2024 een naheffingsaanslag OB over de periode januari tot en met juni 2023 opgelegd naar een verschuldigde belasting van NAf 8.884. Bij gelijktijdige beschikking is aan belanghebbende een vergrijpboete van NAf 4.442 opgelegd.

Aan belanghebbende is op 18 december 2024 een naheffingsaanslag OB over de periode januari tot en met maart 2024 opgelegd naar een verschuldigde belasting van NAf 3.385. Bij gelijktijdige beschikking is aan belanghebbende een vergrijpboete van NAf 1.692 opgelegd.

Belanghebbende heeft op 24 december 2024 tegen de onder 1.1 tot en met 1.6 vermelde naheffingsaanslagen en vergrijpboetes bezwaar gemaakt.

Belanghebbende heeft op 23 oktober 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Cg 50.

De Inspecteur heeft op 10 februari 2026 verweerschriften ingediend.

Belanghebbende heeft op 16 februari 2026 een conclusie van repliek ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026 te Willemstad. Namens belanghebbende is mr. S.B. Delsol verbonden aan [X] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [A] en [B]. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

Ter zitting is het onderzoek aangehouden om de Inspecteur in de gelegenheid te stellen om nadere stukken in te brengen.

De Inspecteur heeft op 12 mei 2026 nadere stukken ingediend.

Belanghebbende heeft op 18 mei 2026 en 26 mei 2026 op gereageerd.

Het Gerecht heeft op 12 augustus 2026 het onderzoek gesloten.

2. FEITEN

Belanghebbende woont in Nederland.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken (villa’s), gelegen op [adres 1] en [adres 2]. Vanaf 2022 is belanghebbende eveneens eigenaar van de villa gelegen [adres 3]. De villa’s hebben de namen Villa [naam 1], Villa [naam 2] en Villa [naam 3] (hierna: de villa’s).

In opdracht van de Inspecteur heeft de Stichting Belasting Accountants Bureau (SBAB) betreffende belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld om te bepalen of en zo ja in hoeverre belanghebbende belastingplichtig is voor de inkomstenbelasting en/of de omzetbelasting. Aanleiding voor het onderzoek was het bezit van de in 2.2 vermelde villa’s en het vermoeden dat belanghebbende de villa’s aanbood voor de verhuur, zonder dat daarvan aangifte is gedaan. De controlerend ambtenaar is het onderzoek aangevangen in juli 2023 met het opvragen van gegevens bij belanghebbende. Feitelijk is het onderzoek uitgevoerd in maart 2024. In het uit het boekenonderzoek resulterende controlerapport is vermeld dat de villa’s voor de verhuur werden aangeboden op een tiental websites waaronder Micazu, Airbnb, VRBO, Despegar, Tripadvisors, RentByOwner.com en Marktplaats. Daarnaast is, omdat (volgens de controlerend ambtenaar) belanghebbende zelf geen gegevens heeft verschaft, een derden-onderzoek gedaan bij Aquaelectra voor het bepalen van de bezetting aan de hand van het verbruik van water en elektra. In het controlerapport is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

5 INKOMSTENBELASTING

(…)

Opbrengstgegevens van derden

Hierna volgen de gegevens welke zijn verzameld van het internet en van Aqualectra.

Ik heb de huuropbrengsten over de perioden januari 2018 tot en met maart 2024 berekend aan de hand van de gegevens van:

Aqualectra; voor het bepalen van de bezetting

De website van Micazu ; voor het bepalen van de tarieven

Bezetting

Volgens de gegevens van Aqualectra waren de onroerende goederen, op enkele maanden na in de jaren 2020 en 2021, voor 100% bezet.

Dit is hoogstwaarschijnlijk het gevolg van de COVID Pandemie. Ik verwijs naar bijlage 3 voor de berekening van de bezetting in de verschillende jaren.

Micazu

De volgende gegevens heb ik van de website van Micazu gehaald. De bedragen in onderstaande tabel zijn in Euro’s.

Onroerend goed

Tarief p/nacht

Borgsom

Eind Schoonmaak

Extra persoon

Maximaal aantal personen

Villa [naam 1]

100/110

450

125

15

6

Villa [naam 2

75/80

450

100

15

4

Villa [naam 3]

100/110

450

125

15

6

Op de website komen er twee verschillende tarieven voor, afhankelijk van het seizoen. Ik verwijs naar bijlage 3 voor de berekening van de tarieven bij een maximale bezetting. De volgende additionele informatie is vastgelegd op de website.

Tarief

Het basistarief geldt voor 2 personen.

Borgsom

Geldt per verblijf en is vereist. Met de borg worden aan het einde van de vakantie schoonmaakkosten en kosten water en elektra verrekend.

Eindschoonmaak

Villa [naam 1] en villa [naam 3]

Schoonmaakkosten zijn op basis van 2 slaapkamers (4 personen). Bij gebruik van 3 slaapkamers dient er een toeslag van 15 Euro te worden betaald. Deze kosten worden aan het einde van de vakantie met de borg verrekend.

Villa [naam 2]

Bij gebruik van 2 slaapkamers dient er een toeslag van 15 Euro te worden betaald. Deze kosten worden aan het einde van de vakantie met de borg verrekend.

Water en elektra

Het verbruik van water en elektra wordt verrekend met de borgsom.

Extra persoon

Voor elke extra persoon wordt 15 Euro per nacht in rekening gebracht. Het dient bij de boeking betaald te worden.

Aan de hand van bovenstaande informatie heb ik over de periode januari 2018 tot en met maart 2024 de volgende bedragen aan theoretische omzet berekend.

Omschrijving

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Huuropbrengst

165.511

156.852

122.383

143.826

199.157

237.282

47.961

Opbrengst eindschoonmaak

13.952

13.222

10.490

12.182

16.419

19.297

3.880

Theoretische omzet

179.463

170.074

132.873

156.008

156.566

256.579

51.841

Ik verwijs naar bijlage 3 voor de berekening van de theoretische omzet.

(…)

6 OMZETBELASTING

Algemeen

Er is OB verschuldigd ter zake van het verstrekken van logies in een hotel, logement, pension, appartement, woning of enig ander tot onderkomen dienende onroerende zaak, dan wel door middel van timeshare, aan personen die daar slechts voor een korte periode verblijven, op grond van artikel 2 letter a (belastbaar feit) juncto artikel 6 lid 2 letter a van de LOB (tarief OB). Het tarief met betrekking tot de huuropbrengst bedraagt 7%.

Er is OB verschuldigd ter zake van de dienstverlening van schoonmaak op grond van artikel 2 letter a (belastbaar feit) juncto artikel 6 lid 1 van de LOB (tarief OB). Het tarief met betrekking tot de schoonmaakopbrengst bedraagt 6%.

Omzetbelasting

Naar aanleiding van de in onderdeel 5.1.2 “Opbrengstgegevens van derden” berekende omzet dient OB nageheven te worden.

De verschuldigde OB wordt in onderstaande tabel weergegeven. Voor de berekening van de verschuldigde OB verwijs ik naar bijlage 4.

Omschrijving

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Huuropbrengst OB 7%

10.980

8.567

10.068

13.941

16.610

3.357

Opbrengst schoonmaak OB 6%

793

629

731

985

1.158

233

Totaal verschuldigde OB

11.773

9.196

10.799

14.926

17.768

3.590

Zoals reeds aangegeven in onderdeel 2.3 “ingediende aangiften” zijn in het jaar 2023 aangiften vanaf juli ingediend. Ik ga ervanuit dat de berekende verschuldigde OB voor de helft betrekking heeft op het eerste respectievelijk het tweede halfjaar.

De na te heffen aanslagen OB over de periode juli 2023 tot en met maart 2024 worden in onderstaande tabel berekend.

Omschrijving

2023

2024

Totaal verschuldigde OB

8.884

3.590

Aangegeven OB

608

205

Na te heffen

8.276

3.385

Ik stel voor om voor de periode januari 2019 tot en met juni 2023 ambtshalve aanslagen OB op te leggen voor de volgende bedragen.

Omschrijving

2019

2020

2021

2022

2023

Totaal verschuldigde OB

11.773

9.196

10.799

14.926

8.884

Aangegeven OB

0

0

0

0

0

Ambtshalve aanslagen

11.773

9.196

10.799

14.926

8.884

7 GEVOLGEN VOOR DE BELASTINGHEFFING

(…)

OB

Naar aanleiding van het boekenonderzoek wordt de inspecteur Omzetbelasting voorgesteld om voor de periode januari juli 2023 tot en met maart 2024 naheffingsaanslagen OB op te leggen voor de volgende bedragen:

2023

2024

Na te heffen OB

8.276

3.385

Naar aanleiding van het boekenonderzoek wordt aan de inspecteur Omzetbelasting voorgesteld om voor de periode januari 2019 tot en met juni 2023 ambtshalve aanslagen OB op te leggen voor de volgende bedragen:

2019

2020

2021

2022

2023

Ambtshalve aanslagen

11.773

9.196

10.799

14.926

8.884

(…)”

In het controlerapport is verder opgenomen dat door de onjuiste handelwijze van belanghebbende sprake is van (voorwaardelijke) opzet op grond waarvan de controlerend ambtenaar voorstelt om in principe vergrijpboetes van 50% op te leggen, die op grond van pseudo-samenloop voor de jaren 2019 tot en met 2022 dienen te worden verminderd tot 25%.

Bij brief van 10 juli 2024 is belanghebbende in kennis gesteld over het voornemen om naar aanleiding van het controlerapport vergrijpboetes op te leggen. Belanghebbende heeft hier op 22 juli 2024 op gereageerd.

De Inspecteur heeft vervolgens de onderhavige naheffingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd naar de in het controlerapport vermelde bedragen. Daarbij heeft de Inspecteur in de toelichting bij de opgelegde vergrijpboetes gesteld dat sprake is van grove schuld en dat de vergrijpboetes daarom 25% bedragen.

Het Gerecht heeft op 25 november 2025 (ECLI:NL:OGEAC:2025:257) uitspraak gedaan op het beroep van belanghebbende ter zake van de aan hem uit het hiervoor aangehaalde controlerapport voortvloeiende naheffingsaanslagen en verzuimboetes over de tijdvakken november 2023, december 2023 en januari 2024.

De Inspecteur heeft na afloop van de zitting een stuk overgelegd met als onderwerp “Mandatering door de Directeur van de Stichting Overheids Belastingaccountantsbureau ex artikel 2a van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen Curaçao” (hierna: “Vastlegging mandatering”) . Hierin is het volgende vermeld:

“(…) Dit is een vastlegging van mandatering door ondergetekende, Directeur van de Stichting Overheids Belastingaccountantsbureau. Op grond van mijn bevoegdheid namens de Inspecteur in de zin van Hoofdstuk VI van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen mandateer ik de hierna vermelde medewerker van de Stichting Overheids Belastingaccountantsbureau:

NAAM MEDEWERKER: [c]

ID MEDEWERKER: [ID 1]

MANDAATNUMMER: [mandaatnummer]

INGANGSDATUM: [datum 1]

MANDAAT GELDIG TOT EN MET: x

Aan de medewerker worden alle bevoegdheden die aan de Inspecteur op grond van Hoofdstuk VI van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen toekomen gemandateerd.

Datum:

09/10/2025

[directeur]

Directeur Stichting Overheids Belastingaccountantsbureau”

Daarnaast heeft de Inspecteur een aankondigingsbrief van het boekenonderzoek bij belanghebbende en een kopie van het dienstpasje van de betreffende SBAB-medewerker overgelegd.

3. GESCHIL

In geschil is of de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes OB over de jaren 2019 tot en met 2022 en de periodes januari tot en met juni 2023 en januari tot en met maart 2024 terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Net als voor de tijdvakken november 2023, december 2023 en januari 2024, waarover het Gerecht reeds uitspraak heeft gedaan (zie 2.8), is meer specifiek in geschil of belanghebbende als ondernemer voor de omzetbelasting kan worden aangemerkt.

Belanghebbende beantwoordt deze laatste vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend. Belanghebbende heeft zich daarbij op het (door de inspecteur betwiste) standpunt gesteld dat het boekenonderzoek door een niet bevoegde medewerker is uitgevoerd.

4. OVERWEGINGEN

Beroep niet tijdig beslissen

De bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes zijn op 24 december 2024 door de Inspecteur ontvangen.

Ingevolge artikel 30, lid 2 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 24 september 2025, een uitspraak heeft gedaan.

Ingevolge artikel 31, lid 1, ALL kan binnen twaalf maanden na voormelde periode van negen maanden, in dit geval dus uiterlijk op 24 september 2026, beroep worden ingesteld wegens het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.

Belanghebbende heeft op 23 oktober 2025, dus tijdig, beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren.

De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op de bezwaren genomen. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen dient derhalve gegrond te worden verklaard. Het Gerecht ziet evenwel om proces-economische redenen ervan af om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar en zal het geschil met instemming van partijen zelf inhoudelijk beslechten. Partijen hebben immers uitgebreid hun inhoudelijke standpunten toegelicht en verdedigd.

Mandaat SBAB

Belanghebbende betwist dat de medewerker van de SBAB bevoegd was om het onderhavige boekenonderzoek uit te voeren, omdat een rechtsgeldig mandaat daartoe ontbreekt. Belanghebbende stelt dat het niet kunnen overleggen van een geldig mandaat betekent dat de uit het boekenonderzoek voortvloeiende naheffingsaanslagen en – naar het Gerecht begrijpt eveneens – de boetes vernietigd dienen te worden.

De Inspecteur is onder verwijzing naar de door hem overlegde stukken van mening dat het door de SBAB uitgevoerde boekenonderzoek op een rechtsgeldige manier tot stand is gekomen.

Artikel 2 ALL luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

‘De belastingverordening verstaat onder:

(…)

c. Inspecteur: de Inspecteur der Belastingen en, uitsluitend voor de toepassing van Hoofdstuk VI, de Ontvanger en de Directeur van de Stichting Overheids Belastingaccountantsbureau en door de Minister bij ministeriële regeling, met algemene werking, aangewezen medewerkers van zelfstandige bestuursorganen;

(…).’

Hoofdstuk VI van de ALL betreft het hoofdstuk ‘Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing’. Het betreft onder meer de verplichting van een belastingplichtige om op verzoek van de Inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken en de inhoud van gegevensdragers ter inzage te verstrekken die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn (artikel 40, lid 1 ALL).

Artikel 2a ALL luidt als volgt:

‘1. De Inspecteur kan mandaat verlenen aan ambtenaren met de heffing en invordering van belasting belast en aan medewerkers van de Stichting Overheids Belastingaccountantsbureau [Gerecht: lees SBAB].

2. De Ontvanger en de Directeur van de Stichting Overheids Belastingaccountantsbureau Gerecht: lees SBAB] kunnen mandaat verlenen aan respectievelijk ambtenaren met de invordering van belasting belast en aan medewerkers van de Stichting Overheids Belastingaccountantsbureau [Gerecht: lees SBAB].

3. Het mandaat wordt schriftelijk verleend.

4. Het mandaat omvat alle bevoegdheden die uit de belastingverordening voortvloeien, maar kan door de Inspecteur worden beperkt.

5. De mandaatgever blijft bevoegd de gemandateerde bevoegdheid uit te oefenen.

6. De mandaatgever kan het mandaat te allen tijde intrekken.’

Het Gerecht stelt voorop dat de Directeur van de SBAB op grond van artikel 2, lid 2, letter c, in combinatie met artikel 40 ALL bevoegd is om bij belastingplichtigen onderzoek te doen naar het ondernemerschap en naar belaste opbrengsten. Op grond van artikel 2a, lid 2, ALL kan de Directeur mandaat verlenen aan de medewerkers van de SBAB met als gevolg dat zij bevoegd zijn om diezelfde werkzaamheden te verrichten.

Het Gerecht ziet, gelet op de inhoud van de door de Directeur van de SBAB opgestelde “Vastlegging mandatering” (zie 2.9), geen aanleiding om te twijfelen aan de tijdige mandaatverlening van de Directeur aan de betreffende SBAB-medewerker en dus van het tijdens het boekenonderzoek aanwezige mandaat. Dat in de “Vastlegging mandatering” ten onrechte is opgenomen dat het mandaat reeds vanaf 2002 was gebaseerd op artikel 2c ALL (die bepaling bestaat pas sinds 2013) doet daar niet aan af, alleen al niet nu het boekenonderzoek dateert van 2024.

De omstandigheid dat ten tijde van het bij belanghebbende ingestelde boekenonderzoek geen schriftelijk mandaat aanwezig was, vormt, gelet op artikel 2a, lid 3 ALL, een gebrek aan de gemandateerde bevoegdheid. Echter, gesteld noch gebleken is dat belanghebbende in het onderhavige geval door dit gebrek is benadeeld. Het Gerecht acht dan ook geen reden aanwezig om hieraan voor de Inspecteur nadelige gevolgen te verbinden (vgl. GEA Curaçao 12 april 2022, ECLI:NL:OGEAC:2022:79 en GEA Sint Maarten 16 februari 2024, ECLI:NL:OGEAM:2024:4).

Schending artikel 8 EVRM

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de gegevens uit het derden-onderzoek bij Aqualectra buiten beschouwing dienen te worden gelaten, omdat ten tijde van het opvragen van de gegevens nog niet vaststond dat hij belastingplichtig was en met het gebruik van deze gegevens een inbreuk wordt gemaakt op het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Het Gerecht overweegt als volgt. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat het derden-onderzoek bij Aqualectra in beginsel een inmenging in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM oplevert. Om te beoordelen of deze inmenging aan het gebruik van deze informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. In artikel 45, lid 1 ALL is bepaald dat met betrekking tot administratieplichtigen, waartoe Aqualectra als lichaam op grond van artikel 43, lid 1, sub c ALL behoort, de informatieverplichting van artikel 40, lid 3 ALL eveneens van toepassing is ten behoeve van de belastingheffing van derden (in het onderhavige geval belanghebbende). Het bij Aqualectra verrichte derden-onderzoek heeft rechtsgeldig plaatsgevonden. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2, EVRM: een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald, is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Ook is het opvragen van het verbruik niet disproportioneel. Van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake en het Gerecht ziet dan ook geen aanleiding om de verkregen informatie buiten beschouwing te laten.

Is belanghebbende belastingplichtig voor de omzetbelasting?

Op grond van artikel 2 van de Landsverordening omzetbelasting 1999 (hierna: Lv OB) wordt, voor zover hier van belang, onder de naam omzetbelasting een belasting geheven ter zake van de leveringen van goederen en verrichtingen van diensten, welke in het heffingsgebied door ondernemers in het kader van hun onderneming worden verricht.

Artikel 1a Lv OB bepaalt: ‘Ondernemer is een ieder die een bedrijf of beroep zelfstandig uitoefent, alsmede een ieder die een vermogensbestanddeel exploiteert om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen.’

De in artikel 1a Lv OB opgenomen zinsnede ‘alsmede een ieder die een vermogensbestanddeel exploiteert om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen’ is met ingang van 2012 ingevoerd ter voorkoming van discussies in de uitvoeringspraktijk. Hiermee is het niet langer nodig om te toetsen of de exploitatie moet worden aangemerkt als ‘bedrijf/beroep’ of als de exploitatie die ‘normaal vermogensbeheer’ te boven gaat. In beide gevallen is de betreffende persoon “ondernemer” en dus belastingplichtig in de zin van de omzetbelasting.

Daarbij dient blijkens het bepaalde in artikel 1a Lv OB voor de belastingplicht ter zake van de exploitatie van een vermogensbestanddeel nog wel voldaan te zijn aan de voorwaarde dat sprake is van een duurzame economische activiteit. Naar het oordeel van het Gerecht is daarvan zondermeer sprake. Belanghebbende is de eigenaar van twee, respectievelijk, drie villa’s en het komt het Gerecht volstrekt ongeloofwaardig voor dat deze villa’s louter en alleen voor privégebruik worden gebezigd. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift erkend de woningen aan derden ter beschikking te stellen voor korte duur als hij of zijn gezin de woningen niet in gebruik hebben. De woningen heeft hij – naar eigen zeggen – op meerdere websites gericht op verhuur aangemeld. Verder heeft het bij Aqualectra uitgevoerde derden-onderzoek uitgewezen dat de drie villa’s gedurende vrijwel de gehele gecontroleerde periode bezet waren.

Dat de opbrengst uit vakantieverhuur niet voorzienbaar is, dat er daardoor geen contractuele zekerheid is of vaste bron van inkomen en dat vakantieverhuur daarom alleen al onvoldoende is om te kwalificeren als het duurzaam verkrijgen van inkomsten, zoals wordt aangevoerd in het beroepschrift, oordeelt het Gerecht als niet juist.

Wellicht dat hetgeen belanghebbende stelt van invloed is voor het bronkarakter, zoals dat geldt in de Lv IB, maar voor de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen als bedoeld in de Lv OB is dat niet relevant.

Tot slot heeft belanghebbende nog aangevoerd dat de toepassing van artikel 1a Lv OB in strijd is met het ongestoorde genot van eigendom (artikel 1 Eerste Protocol EVRM).

Ook dit betoog faalt. Het onder het ondernemersbegrip scharen van het exploiteren van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen betekent op zichzelf niet dat de ‘fair balance’ is verstoord en dat dit een verboden inbreuk van het ongestoorde genot van eigendom oplevert. Naar het oordeel van het Gerecht is de wetgever met de invoering en toepassing van artikel 1a Lv OB gebleven binnen de ruime beoordelingsmarge die hem moet worden gegund (EHRM 14 mei 2013, nr. 66529/11 N.K.M. tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911). Evenmin is er sprake van dat belanghebbende is opgezadeld met een buitensporige last.

Dit alles maakt dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de drie villa’s door belanghebbende zijn geëxploiteerd om daaruit duurzaam opbrengsten te verkrijgen. Belanghebbende dient te worden aangemerkt als belastingplichtige voor de omzetbelasting.

De omstandigheid dat belanghebbende geen aangiften heeft ontvangen leidt er niet toe dat hij dan ook niet verplicht is om de verschuldigde omzetbelasting tijdig af te dragen. De verplichting tot betalen van omzetbelasting vloeit immers voort uit de wet en niet uit het al of niet ontvangen van een aangiftebiljet.

Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt evenmin tot een ander oordeel.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

Artikel 30, lid 6 en artikel 31, lid 3, ALL bepalen, voor zover van belang, dat het bezwaar respectievelijk beroep van de belastingplichtige moet worden afgewezen indien ten onrechte geen aangifte is gedaan of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 40, 40a, 41, 42 en 43 tenzij gebleken is, dat, en zo ja in hoeverre, de belastingaanslag respectievelijk uitspraak onjuist is (de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast).

De Inspecteur stelt in het verweerschrift dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de verplichting om gegevens en inlichtingen te verstrekken (artikel 40, lid 1 ALL). Ook heeft hij verwezen naar de administratieplicht (artikel 43, lid 2 en lid 5 ALL).

Los van de vraag of belanghebbende met de verhuur een beroep of bedrijf uitoefent en derhalve als administratieplichtige kan worden aangemerkt, is het Gerecht van oordeel dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard, omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de informatieplicht van artikel 40, lid 1 ALL.

Artikel 40 lid 1, letter a ALL bepaalt dat een ieder gehouden is aan de Inspecteur op diens verzoek de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing ten aanzien van hem van belang kunnen zijn. Ingevolge artikel 41 ALL dienen de gegevens en inlichtingen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, en wel binnen een door de Inspecteur te stellen termijn.

Aan belanghebbende zijn op 5 juli 2023 door de controle-medewerker vragenbrieven verstuurd. Er is nadien geen reactie gekomen van belanghebbende. Wel zijn voor de periode juli 2023 tot en met maart 2024 aangiften OB ingediend. De controle-medewerker heeft volgens het logboek op 4 maart 2024 telefonisch contact opgenomen met belanghebbende. Belanghebbende heeft aangegeven geen tijd te hebben om de controle-medewerker te ontmoeten. De controle-medewerker heeft vervolgens ook nog op diverse wijzen getracht met belanghebbende in contact te komen. Nu belanghebbende de vragenbrief niet beantwoord heeft en ook overigens niet heeft gereageerd op de pogingen van de controle-medewerker om met hem in contact te komen, heeft belanghebbende niet voldaan aan de inlichtingenplicht van artikel 40 ALL. Het niet voldoen aan deze verplichting is reden voor de omkering en verzwaring van de bewijslast. Anders dan in Nederland voorziet de wetgeving van Curaçao niet in het geven van een informatiebeschikking, zodat die stelling van belanghebbende wordt verworpen. De stelling van belanghebbende dat hij niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte is voor de informatieplicht van artikel 40 ALL niet relevant.

De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correctie niet naar willekeur vast te stellen. De naheffingsaanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting.

Het Gerecht stelt voorop dat, zoals overwogen in 4.15 tot en met 4.20, de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in de onderhavige jaren villa’s heeft geëxploiteerd om daaruit duurzaam opbrengsten te verkrijgen. Van een willekeurig door de Inspecteur ingenomen standpunt is in dat opzicht aldus geenszins sprake. De bezetting heeft de Inspecteur afgeleid uit het bij Aqualectra uitgevoerde derden-onderzoek en de huurprijzen van de websites waarop de villa’s worden aangeboden, hetgeen door belanghebbende niet wordt betwist. Bij de berekening is de Inspecteur ervan uitgegaan dat de gasten gemiddeld om de twee weken vertrekken. Om de twee weken vindt dus een eindschoonmaak, check-in/check-out en eventueel onderhoud plaats, waarvoor de Inspecteur is uitgegaan van drie dagen. Dit houdt in dat het onroerend goed per keer 11 dagen wordt verhuurd. Op basis van voornoemde informatie heeft de Inspecteur een schatting gemaakt van de omzet en daarover de verschuldigde omzetbelasting nageheven. Het Gerecht acht deze schatting redelijk. Nu sprake is van een redelijke schatting, kan vermindering slechts plaatsvinden indien belanghebbende overtuigend aantoont dat de schatting onjuist is.

Belanghebbende heeft geen concrete controleerbare gegevens overgelegd waarmee overtuigend wordt aangetoond dat de Inspecteur is uitgegaan van een onjuiste berekening van de verschuldigde omzetbelasting in verband met verhuur van de villa’s. Daarmee is hij niet geslaagd in het van hem verlangde bewijs. Gelet hierop blijven de naheffingsaanslagen in stand.

Vergrijpboetes

Ingevolge artikel 21 ALL kan de Inspecteur een boete opleggen van ten hoogste 100%, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan, niet of gedeeltelijk niet is betaald.

Het Gerecht stelt voorop dat de omstandigheid dat geen aangiften zijn uitgereikt niet in de weg staat aan het opleggen van vergrijpboetes. De verplichtingen tot het doen van aangifte en de betalingsverplichting vormen immers afzonderlijke verplichtingen (vgl. HR 22 februari 1984, BNB 1984/233 en BNB 1984/234). Het door de Inspecteur gestelde vergrijp wordt gevormd door de niet-betaling van de verschuldigde omzetbelasting en niet door het niet doen van aangiften.

In de Ministeriële regeling formeel belastingrecht is onder meer het boetebeleid van de Inspecteur neergelegd. Op grond van artikel 4.8, lid 2 van deze ministeriële regeling legt de Inspecteur een boete op van 25% ingeval van grove schuld en 50% ingeval van opzet.

Aan belanghebbende zijn vergrijpboetes opgelegd van 25% (OB 2019 tot en met 2021) en 50% (OB januari t/m juni 2023 en OB januari t/m maart 2024). Ter zitting heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat bij nader inzien de vergrijpboetes OB januari t/m juni 2023 en OB januari t/m maart 2024 moeten worden verminderd tot 25%, overeenkomstig de motivering dat sprake is van grove schuld op het aanslagbiljet. De boetes OB 2019 t/m 2022 dienen volgens de Inspecteur, rekening houdend met grove schuld en de door de Inspecteur gestelde pseudo-samenloop, daarnaast tot 12,5% te worden verminderd. Het vorenstaande brengt mee dat de boetes in ieder geval tot de volgende bedragen zullen worden verminderd:

- NAf 1.471 voor de OB 2019

- NAf 1.149 voor de OB 2020

- NAf 1.349 voor de OB 2021

- NAf 1.865 voor de OB 2022

- NAf 2.221 voor de OB januari t/m juni 2023

- NAf 846 voor de OB januari t/m maart 2024

Op de Inspecteur rust de last feiten en omstandigheden overtuigend aan te tonen (HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526) die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van (in het onderhavige geval) grove schuld. Grove schuld doet zich voor indien aan de belastingplichtige een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid kan worden verweten.

Het Gerecht acht de Inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Belanghebbende is als belastingplichtige omzetbelasting verschuldigd over de met de verhuur gegeneerde omzet. Dat belanghebbende de verschuldigde omzetbelasting niet heeft betaald, is aan te merken als grove schuld. Naar het oordeel van het Gerecht is geen sprake van een pleitbaar standpunt, zoals belanghebbende in zijn reactie op de kennisgeving van de vergrijpboetes heeft aangevoerd.

Bij de beoordeling of een boete in de omstandigheden van het geval telkens passend en geboden is, dient mede acht te worden geslagen op de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat hiertoe de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast (vgl. HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962).

In het onderhavige geval zijn de omzetten vastgesteld op basis van een redelijke schatting na toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast. Hoewel het Gerecht heeft geoordeeld dat de Inspecteur de naheffingsaanslagen niet willekeurig heeft vastgesteld, brengt deze wijze van vaststelling mee dat de exacte omvang van de verschuldigde belasting niet met volledige zekerheid kan worden vastgesteld. Het Gerecht ziet daarin in dit geval aanleiding bij de beoordeling van de boetehoogte een matiging van de boeten met 5% toe te passen.

Het vorenstaande brengt mee dat de vergrijpboeten (verder) zullen worden verminderd met 5%:

- NAf 1.397 voor de OB 2019

- NAf 1.091 voor de OB 2020

- NAf 1.281 voor de OB 2021

- NAf 1.771 voor de OB 2022

- NAf 2.109 voor de OB januari t/m juni 2023

- NAf 803 voor de OB januari t/m maart 2024

De boetes (na vermindering) acht het Gerecht passend en geboden.

Overschrijding van de redelijke termijn

Het Gerecht dient met betrekking tot een boete ambtshalve te beoordelen of inbreuk is gemaakt op het recht van belanghebbende op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn. De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als de rechter niet binnen twee jaar uitspraak doet na het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (vgl. HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006).

Het controlerapport is op 16 mei 2024 aan belanghebbende aangeboden. Het Gerecht neemt aan dat dit het eerste moment was waarop belanghebbende de verwachting heeft kunnen ontlenen dat aan hem boetes zouden worden opgelegd. Gerekend vanaf dat moment tot aan de onderhavige uitspraak van het Gerecht (28 augustus 2026) zijn, afgerond 2 jaar en 4 maanden verstreken.

Nu de boete voor de OB januari t/m maart 2024 minder bedraagt dan NAf 1000 zal het Gerecht volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853 en HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:50 r.o. 4.3.1). De overige boetes zal het Gerecht met 5% verminderen overeenkomstig de uitgangspunten zoals vermeld in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:2297).

Het vorenstaande brengt mee dat de boetes verder zullen worden verminderd tot:

- NAf 1.327 voor de OB 2019

- NAf 1.036 voor de OB 2020

- NAf 1.216 voor de OB 2021

- NAf 1.682 voor de OB 2022

- NAf 2.003 voor de OB januari t/m juni 2023

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslagen en boetes heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, overweegt het Gerecht als volgt.

Uit het controlerapport en het verhandelde ter zitting blijkt dat het boekenonderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, belanghebbende meermaals om informatie is verzocht en de aangebrachte correcties inzichtelijk en controleerbaar zijn gemotiveerd. Het Gerecht ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld, onvoldoende heeft gemotiveerd of anderszins in strijd heeft gehandeld met enig beginsel van behoorlijk bestuur.

Slotsom

Doende wat de Inspecteur behoorde te doen zal het Gerecht de bezwaren gegrond verklaren voor zover het ziet op de vergrijpboetes. De naheffingsaanslagen zullen worden gehandhaafd.

Verzoek om immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft tot slot verzocht om een immateriële schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn. De wet- en regelgeving van Curaçao voorziet echter niet in de bevoegdheid van de belastingrechter tot het toekennen van een schadevergoeding. Alleen de burgerlijke rechter is daartoe bevoegd. Belanghebbende dient dit verzoek derhalve te richten aan de burgerlijke rechter (vgl. HR 24 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:50).

Naar het oordeel van het Gerecht is de redelijke termijn van berechting evenwel niet overschreden. De op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op 24 december 2024 (datum indiening en ontvangst bezwaar) en geëindigd op 28 augustus 2026 (datum uitspraak Gerecht).

5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Belanghebbende heeft verzocht om een (proces)kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase.

Kosten bezwaarfase

Ingevolge artikel 32a, lid 1 ALL worden, op verzoek van belanghebbende, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd. Het verzoek moet ingevolge artikel 32a, lid 2 ALL worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in artikel 6.4 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht.

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De naheffingsaanslagen en boetes zijn niet door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht opgelegd.

Kosten beroepsfase

Het Gerecht ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor het instellen van beroep.

In artikel 15, lid 2, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, nr. CUR2016H00008, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).

Uitgangspunt is dat aan belanghebbende een vergoeding wordt verleend voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op forfaitaire basis. Van een forfaitaire vergoeding kan worden afgeweken in bijzondere omstandigheden (artikel 2, lid 3 van het Besluit).

Ingevolge vaste jurisprudentie is slechts sprake van bijzondere omstandigheden, en daarmee de mogelijkheid voor het toekennen van een integrale kostenvergoeding in het geval de Inspecteur het verwijt kan worden gemaakt dat hij een beschikking heeft gegeven of uitspraak heeft gedaan terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802), dan wel dat sprake is van in vergaande mate onzorgvuldig handelen door de Inspecteur (vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van 11.000 EUR aan kosten in verband met juridische bijstand. Het Gerecht wijst een verzoek om een integrale proceskostenvergoeding af. Er is geen sprake van in vergaande mate onzorgvuldig handelen door de Inspecteur door niet tijdig te beslissen op het bezwaar (vgl. GEA Curaçao 13 juli 2020, ECLI:NL:OGEAC:2020:189). Ook voor het overige is geen sprake van in vergaande mate onzorgvuldig handelen of van het geven van een beschikking of van het doen van uitspraak tegen beter weten in.

Het hiervoor overwogene laat evenwel onverlet dat belanghebbende wel in aanmerking komt voor een forfaitaire kostenvergoeding. In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Het Gerecht stelt voorop dat sprake is van samenhangende zaken. De kosten kunnen worden berekend op Cg 2.625 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van NAf 700, een wegingsfactor 1, vermenigvuldigd met een factor van 1,5 (4 of meer samenhangende zaken).

Met betrekking tot de overige kosten waar belanghebbende om heeft verzocht (administratieve last ad 1.500 EUR en eigen tijd 1.500 EUR) oordeelt het Gerecht dat geen, althans onvoldoende gebleken is dat, sprake is van kosten die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen. Tot slot overweegt het Gerecht dat de belastingrechter niet bevoegd is tot toekenning van wettelijke rente.

Griffierecht

Verder dient de op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van Cg 50 aan belanghebbende te vergoeden.

6. DE BESLISSING

Het Gerecht:

Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en uitgesproken op 1 september 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: Cg 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.M. de Leeuw van Weenen. De

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand