ECLI:NL:OGEAC:2026:172

ECLI:NL:OGEAC:2026:172

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 04-05-2026
Datum publicatie 04-09-2026
Zaaknummer CUR202402952
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Praktijkovereenkomst-ontbinding-schade- kwalificatie ovk

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202402952

Vonnis en beschikking van 4 mei 2026

in de zaak van

ANTILIAANS ADVENT ZIEKENHUIS, gevestigd in Curaçao, eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie, gemachtigde: mr. A.C. van Hoof, mr. E. Frins,

tegen

[gedaagde],

wonend in [woonplaats], gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, gemachtigde: mr. R.F. van den Heuvel, mr. D.A.H. Segbert,

Partijen worden hierna Advent en [gedaagde] genoemd.

1. Het verdere procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:

het (tussen)vonnis van 15 september 2025,

de op 13 november 2025 door SVB ingestuurde usb-stick met een overzicht van declaratie- en betalingsgegevens terzake [gedaagde] over de periode juli 2021 tot eind juli 2023;

de akte uitlating producties tevens houdende akte vermeerdering van eis aan de zijde van Advent met productie (middels een usb-stick) ingediend op 26 januari 2026;

de akte uitlating producties aan de zijde van [gedaagde] met producties (27 en 28) ingediend op 26 januari 2026;

de akte houdende wijziging eis aan de zijde van [gedaagde] van 20 maart 2026;

de mondelinge behandeling van 24 maart 2026;

de pleitnotities van beide partijen.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2. De vorderingen van partijen na wijziging van eis

Bij akte vermeerdering eis heeft Advent het bedrag dat zij in conventie vordert, verhoogd naar Cg 1.162.159,48, te vermeerderen met wettelijke rente.

Bij akte houdende wijziging eis heeft [gedaagde] zijn eis in reconventie onder 2 verhoogd naar Cg 100.000,- te vermeerderen met wettelijke rente, primair terzake ongedaanmakingsverbintenissen voortvloeiende uit de ontbinding van de praktijkovereenkomst en subsidiair terzake de afrekening van maak- en beoordelingskosten.

3. De verdere beoordeling

in conventie

Het gerecht zal allereerst het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] beoordelen, namelijk dat Advent de verkeerde partij heeft aangesproken. Volgens [gedaagde] is het niet gedaagde, maar zijn praktijkvennootschap D.C. Cardiology Practice N.V. die de praktijkovereenkomst, waarop Advent haar vorderingen baseert, is aangegaan. Volgens [gedaagde] zou dit moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van Advent in haar vorderingen.

Voor de beoordeling van dit verweer zal het gerecht de praktijkovereenkomst moeten uitleggen. Voor de uitleg van overeenkomsten is de Haviltex-maatstaf van belang. Hierbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en aan wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar wat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

De aanhef en ondertekening van de praktijkovereenkomst

In de aanhef van de praktijkovereenkomst staat (naast Advent) als partij aangeduid: [gedaagde], director and sole shareholder of D.C. Cardiology Practice N.V., established in Curaçao, hereinafter referred to as ‘the Cardiologist’.

Het gerecht overweegt dat de toevoeging director en sole shareholder in de aanhef alleen betekenis heeft als [gedaagde] voor zijn praktijkvennootschap optrad. Dit duidt erop dat [gedaagde] de overeenkomst is aangegaan in zijn hoedanigheid van directeur–groot aandeelhouder van zijn praktijkvennootschap en deze vennootschap dus vertegenwoordigde. De aanduiding the Cardiologist als partij bij de praktijkovereenkomst en de ondertekening met [gedaagde], Cardiologist wekt wellicht verwarring op, maar brengt niet zonder meer mee dat hiermee niet de praktijkvennootschap als partij bij de overeenkomst is bedoeld.

De inhoud en uitvoering van de overeenkomst

Voor de uitleg van de overeenkomst is ook de (verdere) inhoud van de overeenkomst en de uitvoering daarvan van belang. Het gerecht overweegt daarover dat de verplichtingen, zoals opgenomen in de overeenkomst, naar hun aard verplichtingen van de praktijkvennootschap zijn en niet van [gedaagde] in privé. Het gerecht legt dit als volgt uit.

Onderdeel van de praktijkovereenkomst was dat the Cardiologist his cardiology center, namely equipment and instruments zou inbrengen. De apparatuur en instrumenten waren eigendom van de praktijkvennootschap, zodat de verplichting deze in te brengen een verplichting van de vennootschap was en niet van [gedaagde] in privé. Dit geldt ook voor de financiële verplichtingen in de praktijkovereenkomst. Het was de praktijkvennootschap die maandelijks de vergoeding voor gebruik van de housing accomodation en de bijbehorende diensten in rekening gebracht kreeg en de vergoeding ontving voor the set-up and management of the cardiology department. Verder was de declaratieverplichting aan SVB (zolang Advent nog geen declaratiecodes had voor de maakkosten) en de afdrachtverplichting van de maakkosten aan Advent een verplichting van de praktijkvennootschap. Het was vervolgens de praktijkvennootschap die het geld ontving van SVB na declaratie en geld doorbetaalde aan Advent voor de maakkosten en niet [gedaagde] in privé. Dat het [gedaagde] zelf was die de afdeling tijdelijk zou managen en cardiologen en staf zou opleiden, staat niet aan het oordeel in de weg dat de praktijkovereenkomst in essentie is aangegaan met de praktijkvennootschap.

De conclusie is dan ook dat Advent de praktijkovereenkomst is aangegaan met de praktijkvennootschap. Dat dit verweer niet in de eerdere kortgedingprocedure tussen partijen is aangevoerd door [gedaagde], maakt niet dat het verweer niet (meer) in deze procedure gevoerd kan worden.

Wat betekent dit voor de vorderingen in conventie?

Nu de vorderingen van Advent ter zake maakkosten, loonkosten en de server met patiëntgegevens (gebaseerd op de praktijkovereenkomst), zijn gericht tegen [gedaagde] in privé, kunnen deze niet worden toegewezen. Het gerecht zal dit hieronder per post verduidelijken.

Maakkosten

Volgens artikel 2.1. van de praktijkovereenkomst zou Advent zelf haar maakkosten declareren bij SVB behalve voor holters, 24 HBP en stress machines. Daaraan zij later nog echo’s toegevoegd. Totdat Advent in augustus 2023 zelf over de declaratiecodes voor deze verrichtingen beschikte, rustte op de praktijkvennootschap de verplichting na declaratie bij SVB te betalen aan Advent. De maakkosten werden ook daadwerkelijk gestort op de bankrekening van de praktijkvennootschap en werden vanaf die rekening betaald aan Advent. Kortom: het betalen van de maakkosten aan Advent was dus een verplichting van de praktijkvennootschap en niet van [gedaagde] in privé.

Loonkosten

De vordering ter zake loonkosten is ook gebaseerd op artikel 2.1 van de praktijkovereenkomst waarin staat dat dat the Cardiologist zijn eigen staf zou gebruiken om te assisteren, totdat de staf van Advent was getraind. Niet in geschil is dat er direct staf van Advent is ingezet en dat Advent daarvoor loonkosten heeft moeten maken. Voor zover uit de praktijkovereenkomst al zou volgen dat deze loonkosten vergoed moeten worden, vloeit deze verplichting voort uit een overeenkomst met de praktijkvennootschap. Het betreffen immers bespaarde loonkosten voor de praktijkvennootschap (waar de staf in dienst was) en niet voor [gedaagde] in privé.

Server

Tot slot is ook de verklaring voor recht met betrekking tot de server met patiëntgegevens een vordering die Advent baseert op de praktijkovereenkomst (en de bijbehorende inventarisatielijst), zodat ook deze vordering niet ten aanzien van [gedaagde] in privé kan worden toegewezen. Voor zover de server tot de overeengekomen ingebrachte inventaris behoorde, betrof dit inventaris die de praktijkvennootschap en niet [gedaagde] in privé verplicht was in te brengen op grond van de praktijkovereenkomst.

De slotsom in conventie luidt dat de vorderingen zullen worden afgewezen.

in reconventie

Voor de beoordeling van de vorderingen in reconventie is allereerst van belang dat de praktijkvennootschap - voor zover de reconventionele vorderingen die in deze zaak zijn ingesteld vorderingen zijn die in werkelijkheid bij de praktijkvennootschap berusten - al haar vorderingen op Advent aan gedaagde in conventie, [gedaagde] dus, heeft gecedeerd in een akte van cessie van 22 november 2024. Dit betekent dat [gedaagde] in privé de procespartij in reconventie voor de vorderingen van de praktijkvennootschap is, omdat hij nu de juridische eigenaar van deze vorderingen is.

Ontbinding praktijkovereenkomst (1)

gedaagde] vordert in reconventie allereerst onder 1 een verklaring voor recht dat de praktijkovereenkomst is ontbonden. Volgens [gedaagde] is deze overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden in de pleitnota van zijn gemachtigde tijdens het kort geding op 3 september 2024 op grond van wanprestatie. Die wanprestatie bestond volgens [gedaagde] uit (i) de poging om hem met powerplay buiten de deur te werken, (ii) de verduistering van zijn computerserver en de diefstal van de informatie vanaf zijn server en de verwijdering daarvan en (iii) de verhindering van zijn praktijkuitoefening gedurende twee maanden in combinatie met een onterechte en willekeurige schorsing.

Het gerecht volgt het verweer van Advent, dat van ontbinding geen sprake kan zijn omdat de overeenkomst al was geëindigd, niet. Uit de wet, in het bijzonder artikel 6:265 BW, volgt namelijk niet dat een overeenkomst alleen ontbonden kan worden als deze nog voortduurt. Dat een reeds uitgevoerde overeenkomst kan worden ontbonden volgt wel expliciet uit artikel 6:278 BW.

Advent heeft daarnaast aangevoerd dat geen sprake was van een wanprestatie. Ook hierin volgt het gerecht Advent niet. Vasstaat dat Advent [gedaagde] ten onrechte gedurende twee maanden (van 23 februari 2024 tot 22 april 2024) heeft belemmerd zijn praktijk, zoals overeengekomen in de praktijkovereenkomst, uit te oefenen. De onderzoekscommissie heeft – kort gezegd – over de schorsing geconcludeerd dat er geen bewijs is van wangedrag aan de zijde van [gedaagde] en dat er geen gevaar voor patiëntenzorg is geweest. Volgens de onderzoekscommissie was sprake van ‘Premature suspension by the CEO, mistakenly taken as serious misconduct without evidence of warning or other types of prior sanctions’. Dit levert naar het oordeel van het gerecht wel degelijk een tekortkoming in de nakoming van de praktijkovereenkomst op.

Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt ten aanzien van wederkerige overeenkomsten dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

In geval van een tekortkoming is een vordering tot ontbinding in beginsel dus toewijsbaar. De bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming kan daaraan echter in de weg staan. Soms zal alleen algehele ontbinding zijn uitgesloten, maar is een vorm van gedeeltelijke ontbinding wel mogelijk (TM, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1005). Uit het voorgaande moet niet worden afgeleid dat de uitzondering van het slot van lid 1 slechts bij uitzondering van toepassing is. Inhoudelijk komt de bepaling erop neer dat alleen een tekortkoming van voldoende gewicht ontbinding rechtvaardigt. De tenzij-structuur van het slot van lid 1 dient om de bewijslastverdeling aan te geven: die rust op de tekortschietende schuldenaar. De afweging of de tekortkoming ontbinding rechtvaardigt, geschiedt aan de hand van alle omstandigheden van het geval en dus niet alleen aan de hand van de in de wet genoemde gezichtspunten.

In dit geval ziet het gerecht aanleiding te verklaren voor recht dat de praktijkovereenkomst niet geheel, maar ‘slechts’ gedeeltelijk is ontbonden, te weten voor de duur van de schorsing. Naar het oordeel van het gerecht rechtvaardigt de tekortkoming een algehele ontbinding van de overeenkomst niet. Ook niet als daarbij de andere verwijten die [gedaagde] aan het adres van Advent maakt, worden betrokken. Het zwaartepunt van de wanprestatie ligt naar het oordeel van het gerecht bij de onterechte schorsing.

Dat Advent zich niet expliciet op de tenzij-bepaling van artikel 6:265 lid 1 BW heeft beroepen, staat niet aan een gedeeltelijke (in plaats van de gevorderde gehele) ontbinding in de weg. In het verweer van de schuldenaar dat geen sprake is van een tekortkoming, kan, afhankelijk van de daartoe aangevoerde feiten en omstandigheden, immers het (subsidiaire) betoog besloten liggen dat de tekortkoming gelet op de omstandigheden van het geval niet de gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Bovendien kunnen naast de in artikel 6:265 lid 1 BW genoemde gezichtspunten (bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming; gevolgen van de ontbinding) alle overige omstandigheden van het geval van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of de ontbinding in het concrete geval gerechtvaardigd is.

In dit geval acht het gerecht de volgende omstandigheden van belang. De praktijkovereenkomst is ruim tweeënhalf jaar naar tevredenheid van partijen uitgevoerd. Na die tweeënhalf jaar zijn er bij Advent zorgen ontstaan over het functioneren en het gedrag van [gedaagde], waarna hij is geschorst en er een onderzoek is ingesteld. Vervolgens heeft [gedaagde] er toen niet voor gekozen de overeenkomst te ontbinden, maar heeft – nadat de onderzoekscommissie heeft geoordeeld dat de schorsing onterecht was – zijn werk weer hervat. Pas maanden later heeft hij de praktijkovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, terwijl de overeenkomst toen al was geëindigd en [gedaagde] dus niet meer met (een tekortschietend) Avent verder hoefde. Dit alles rechtvaardigt naar het oordeel van het gerecht niet een algehele ontbinding. De (achteraf gezien) onterechte schorsing, kan bovendien eenvoudiger worden gecompenseerd door het toekennen van een schadevergoeding ter hoogte van de inkomensderving over de twee maanden, zoals (ook) door [gedaagde] is gevorderd.

Gelet op het voorgaande zal het gerecht voor recht verklaren dat de praktijkovereenkomst gedeeltelijk (voor de periode van 23 februari 2024 tot 22 april 2024) is ontbonden.

Ongedaanmakingsverbintenissen (2 primair)

De volgende vraag is of en in hoeverre de vordering van Cg 100.000,- onder 2, die primair op de (gehele) ontbinding van de praktijkvennootschap is gebaseerd, kan worden toegewezen. Het gerecht overweegt daarover als volgt.

Het gevolg van een ontbinding is dat partijen hun prestaties over en weer ongedaan moeten maken (artikel 6:271 BW) en – voor zover deze niet ongedaan kunnen worden gemaakt – daarvoor een waardevergoeding in de plaats treedt (artikel 6:272 BW). In de twee maanden van de schorsing zijn er geen prestaties over een weer verricht, die voor (waarde)vergoeding in aanmerking komen. [gedaagde] heeft geen werkzaamheden verricht en Advent heeft over die periode geen maakkosten van [gedaagde] ontvangen, omdat Advent deze kosten in die periode zelf declareerde bij SVB. Voor zover [gedaagde] meent dat er over die twee maanden een compensatie voor het gebruik van de apparatuur die door de praktijkvennootschap is ingebracht, moet plaatsvinden, overweegt het gerecht dat daarvoor geen aanleiding bestaat. Verwezen wordt naar hetgeen hieronder in 3.31. is overwogen.

De vordering onder 2 op de primaire grond (terzake van ongedaanmakingsverbintenissen voortvloeiende uit de ontbinding van de praktijkovereenkomst) zal dus worden afgewezen.

Afrekening maak- en beoordelingskosten (2 subsidiair)

Het gerecht zal de vordering onder 2 vervolgens op de subsidiaire grondslag (terzake de afrekening van maak- en beoordelingskosten) beoordelen.

[gedaagde] stelt dat hij een bedrag van Cg 8.960,- te veel aan maakkosten heeft betaald aan Advent en deze dus nog te goed heeft. Verder vordert hij Cg 92.781,- aan ECG- beoordelingskosten, waarvan Advent heeft erkend deze nog schuldig te zijn aan [gedaagde]. Hij rondt zijn vordering af op Cg 100.000,-.

Advent betwist dat [gedaagde] te veel maakkosten aan Advent heeft betaald. In tegendeel, volgens Advent heeft zij nog een fors bedrag (zoals in conventie gevorderd) aan maakkosten van [gedaagde] te goed. Uit de overzichten van SVB blijkt volgens Advent dat [gedaagde] in de periode van juli 2021 tot en met juli 2023 in totaal een bedrag van Cg 1.857.117,16 van SVB heeft ontvangen aan maakkosten, terwijl hij daarvan ‘slechts’ Cg 694.525,68 aan Advent heeft doorbetaald. Volgens Advent had [gedaagde] de door hem ontvangen gelden van SVB voor maakkosten één op één (tegen het door [gedaagde] ontvangen veelal ‘hogere’ tarief) moeten doorbetalen en was sprake van een hoger aantal verrichtingen dan het aantal op basis waarvan [gedaagde] zijn berekening baseert. Volgens [gedaagde] hoefde hij alleen het lagere AAH-tarief door te betalen aan Advent, dus ook als hij het hogere DCCP-tarief voor een verrichting had ontvangen. Volgens [gedaagde] kan het niet zo zijn dat Advent meer zou ontvangen dan op basis van het voor Advent vastgestelde AAH-tarief. Verder is er volgens [gedaagde] vanaf 1 augustus 2021 en dus niet vanaf 1 juli 2021 uitvoering gegeven aan de overeenkomst, zodat de maakkosten pas vanaf die datum aan Advent moesten worden betaald. Tot slot heeft [gedaagde] betoogd dat een deel van de door Advent opgevoerde maakkosten in feite beoordelingskosten zijn en dus niet aan Advent hoefden te worden doorbetaald, zodat ook daar het verschil door verklaard kan worden.

Ten aanzien van dat laatste punt heeft [gedaagde] naar aanleiding van de overzichten van SVB uitvoerig uiteengezet welke (van de 13) verrichtingscodes van SVB in feite geheel of deels beoordelingskosten en dus geen maakkosten zijn. Dat betekent volgens hem dat de verrichtingen die onder die codes vallen dus niet aan Advent hoefden te worden doorbetaald, hetgeen (onder meer) het verschil met de berekening van Advent verklaart. Het komt erop neer volgens [gedaagde] ‘alleen’ de verrichtingen met de codes: [code 1], [code 2], [code 3], [code 4], [code 5] en [code 6 (deze laatste voor de helft) onder maakkosten vallen en dus aan Advent moesten worden doorbetaald. In zijn berekening na de laatste wijziging van eis in de pleitnota staan echter ‘alleen’ de codes [code 7], [code 2], [code 8]en [code 3] als zijnde de codes van de verrichtingen die volgens [gedaagde] hadden moeten worden doorbetaald als maakkosten. Het gerecht kan deze berekening dus niet volgen en (reeds) vanwege deze tegenstrijdigheid kan de (terugbetalings)vordering die ziet op de maakkosten niet worden toegewezen.

De vordering ten aanzien van de ECG-beoordelingskosten voor een bedrag van Cg 92.781,- kan wel worden toegewezen, aangezien Advent heeft erkend dat zij deze kosten nog moeten betalen aan [gedaagde].

Teruggave zaken en gegevens (3)

Ten aanzien van de vordering in reconventie Advent te veroordelen tot teruggave aan [gedaagde] van alle zaken en gegevens die in het kader van de overeenkomst aan Advent zijn overgedragen of ter beschikking zijn gesteld, overweegt het gerecht als volgt.

Deze vordering is gedaan in het kader van de algehele ontbinding van de praktijkovereenkomst en is betwist door Advent. Het gerecht ziet in de gedeeltelijke ontbinding van ‘slechts’ twee maanden geen aanleiding tot teruggave van zaken en gegevens die bijna drie jaar daarvoor zijn overdragen dan wel ter beschikking zijn gesteld aan Advent. De zaken en gegevens zijn overgedragen en ter beschikking gesteld in het kader van de overdracht van de hele cardiologiepraktijk van [gedaagde] met het oog op het naderende pensioen van [gedaagde]. De praktijkovereenkomst is per 1 juni 2021 aangegaan voor een periode van twee jaar met de mogelijkheid tot verlenging. Naar het oordeel van het gerecht volgt hieruit dat de zaken en gegevens van [gedaagde] na ommekomst van die periode (op 1 juni 2023) in ieder geval in eigendom zijn overgegaan op Advent. Ten aanzien van de zaken en gegevens was de overeenkomst dus volbracht op het moment van de (gedeeltelijke) ontbinding na die datum, zodat geen teruggave hoeft plaats te vinden. Deze vordering zal dus worden afgewezen.

Schade wegens uitschrijving SVB en praktijksluiting (4)

De vordering tot betaling van de schade tot eind 2026, althans een voorschot daarop van Cg 1.108.084,80 wegens [gedaagde]’s gedwongen uitschrijving als medewerkend arts bij SVB en de daarmee samenhangende praktijkstaking, zal worden afgewezen. Het gerecht zal dit hieronder uitleggen.

gedaagde] stelt dat, als gevolg van de ontbinding, niet meer kan worden uitgegaan van zijn eerdere intentie per eind 2024 met pensioen te gaan en dat enige verplichting om zich bij SVB uit te schrijven hoe dan ook is vervallen. Het dwingen tot uitschrijving was volgens hem een onrechtmatige executie van het kortgedingvonnis van 7 oktober 2024.

Het gerecht volgt [gedaagde] hierin niet. Niet valt in te zien dat, als gevolg van de ontbinding, niet meer worden uitgegaan van zijn eerdere intentie per eind 2024 te stoppen. Het hele doel van de praktijkovereenkomst was dat [gedaagde] met pensioen zou gaan en hij heeft zelfs meermaals (waaronder in de brief aan SVB van 11 december 2023) aangeven dat het zijn intentie was eind december 2024 te stoppen.

gedaagde] heeft zich uiteindelijk pas per 31 januari 2025 uitgeschreven als SVB-medewerkende. Dit, terwijl de kortgedingrechter [gedaagde] heeft veroordeeld zich binnen zeven dagen na de betekening van het vonnis uit te schrijven en het vonnis is betekend op 21 oktober 2024. [gedaagde] heeft zijn praktijk, nadat de praktijkovereenkomst per 31 mei 2024 eindigde, aansluitend elders voortgezet en heeft dus tot dat moment SVB-inkomsten kunnen genieten. Dit is geheel in lijn met zijn eigen intentie eind 2024 met pensioen te gaan, zodat niet valt in te zien welke schade Advent zou moeten vergoeden.

Gederfde inkomsten (5)

Vervolgens zal het gerecht de vordering tot betaling van gederfde inkomsten, althans een voorschot daarop van Cg 184.453,60 omdat [gedaagde] ten onrechte twee maanden zijn praktijk niet heeft kunnen uitoefenen, beoordelen. Advent heeft deze vordering betwist, omdat [gedaagde] volgens haar terecht was geschorst.

Uit artikel 6:277 BW volgt dat de partij die een overeenkomst ontbindt en ook schade heeft geleden, naast ontbinding ook schadevergoeding kan vorderen, waarbij de benadeelde financieel in de positie wordt gebracht alsof een overeenkomst wél tot stand is gekomen en deugdelijk is nagekomen. In dit geval is de overeenkomst gedeeltelijk, voor twee maanden, ontbonden. Zoals hiervoor reeds overwogen was van een gegronde reden voor schorsing geen sprake. [gedaagde] moet dus in de positie worden gebracht alsof de praktijkovereenkomst gedurende die twee maanden wel deugdelijk is nakomen. Als de overeenkomst deugdelijk was nagekomen, had [gedaagde] zijn praktijk kunnen uitoefenen en inkomsten kunnen genereren. De misgelopen twee maanden aan inkomsten komen op grond van het voorgaande voor rekening van Advent.

gedaagde] heeft ter onderbouwing van de hoogte van zijn gemiste inkomsten jaarrekeningen overgelegd en komt in zijn berekening van twee gemiddelde maandomzetten voor 2024 uit op Cg 184.453,60. Advent heeft de hoogte van de gestelde inkomensschade niet (separaat) betwist. Dat de berekening van [gedaagde] met betrekking tot de maakkosten niet wordt gevolgd, zoals hiervoor overwogen, maakt niet dat de berekening van zijn gederfde inkomsten en dus de hoogte daarvan niet kan kloppen. De berekening van de maakkosten, die [gedaagde] nog van Advent te goed stelt te hebben, ziet immers op de periode 2021-2023, terwijl de gemiste inkomsten zien op de periode van de schorsing van

23 februari 2024 tot 22 april 2024.

Het voorgaande brengt mee dat een bedrag van Cg 184.453,60 aan gederfde inkomsten zal worden toegewezen.

Loondoorbetaling als medisch directeur (6)

gedaagde] vordert loondoorbetaling van Cg 12.000,- per maand voor zijn werkzaamheden als medisch directeur van Advent tot het rechtsgeldige einde van de arbeidsovereenkomst. Volgens [gedaagde] is sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die niet rechtsgeldig is geëindigd.

EJ-procedure

Advent heeft zich ten aanzien van deze vordering op het standpunt gesteld dat deze moet als een EJ-zaak moet worden aangebracht en naar de EJ-procedure moet worden verwezen.

Het gerecht stelt voorop dat op grond van artikel 429b lid 2 Rv inderdaad geldt dat in zaken betreffende een arbeidsovereenkomst een beschikking wordt afgegeven en dat deze als EJ-zaak moeten worden aangebracht. Desalniettemin zal het gerecht de loonvordering – met het oog op de goede procesorde en de samenhang – in deze procedure inhoudelijk behandelen. Daarbij speelt mee dat Advent niet in haar belangen is geschaad. Zij heeft haar standpunten op meerdere momenten in de procedure naar voren gebracht, zodat het debat in volle omvang heeft kunnen plaatsvinden.

Kwalificatie van de overeenkomst

De vraag die vervolgens centraal staat is of de overeenkomst tussen partijen kwalificeert als overeenkomst van opdracht of arbeidsovereenkomst. Voor de beantwoording van die vraag zal het gerecht aansluiten bij de wet en de uitgangspunten die de Hoge Raad in dit soort zaken hanteert, zoals hieronder weergegeven.

Artikel 7A:1613a BW bepaalt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst wanneer de ene partij, de werknemer, zich verbindt om in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Het gaat dus om de elementen arbeid, loon, in dienst van (gezagsverhouding of ondergeschiktheid), en gedurende een zekere tijd.

Alvorens over te gaan tot kwalificatie van de overeenkomst tussen partijen zal eerst door uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf moeten worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen (HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020: 1746). Daarbij kunnen de bedoelingen van partijen en hun maatschappelijke positie een rol spelen.

Als de overeengekomen rechten en verplichtingen vervolgens voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, dan moet de overeenkomst ook zo worden aangemerkt. Voor die kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst al dan niet onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.

Of de overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst hangt af van alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij kunnen onder meer (maar niet alleen) van belang zijn de volgende gezichtspunten (HR 23 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 (Deliveroo/FNV)).

Het gaat dan om a) de aard en duur van de werkzaamheden, b) de wijze waarop de werkzaamheden en werktijden worden bepaald, c) de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, d) het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, e) de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen, f) de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, g) de hoogte van deze beloning en h) de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn i) of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen.

De Hoge Raad heeft in het Deliveroo-arrest geen rangorde aangebracht tussen de genoemde omstandigheden die onder meer van belang kunnen zijn. Ook in HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319 heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien voor het aanbrengen van een rangorde.

Het gerecht zal hieronder naar aanleiding van deze gezichtspunten de door partijen gepresenteerde feiten en omstandigheden in deze zaak bespreken.

a. de aard en duur van de werkzaamheden

Niet in geschil is dat [gedaagde] ruim twee jaar onafgebroken (van

1 november 2021 tot 22 februari 20224) werkzaamheden als medisch directeur heeft verricht en dat dit een functie van structurele aard was (en nog steeds is). Er was geen sprake van een tijdelijk project of iets dergelijks waar [gedaagde] voor was ingeschakeld. [gedaagde] heeft tijdens de eerste mondelinge behandeling uiteengezet waar zijn werkzaamheden uit bestonden. Volgens hem vergde de functie minimaal 8 uur per week, vaak meer, en geregeld in de avonduren. Het werk was gevarieerd en betrof eindverantwoordelijke taken (zoals de coördinatie van de opleiding voor verpleegkundigen, overleg met GMN, CMC, de Inspecteur en de directie van Advent, de beoordeling van nieuwe specialisten en vergunningsaanvragen, interne conflictoplossing en arbeidsrechtelijke dossiers (waarvan twee specifiek benoemd).

Advent heeft niet betwist dat [gedaagde] deze werkzaamheden verrichtte. Volgens Advent was de functie echter slechts symbolisch en ceremonieel van aard. Volgens de interne reglementen en organisatie van Advent dient er een medisch directeur te zijn en dat moet bovendien één van de aan Advent verbonden artsen/specialisten te zijn. De taken van de medisch directeur betreffen volgens Advent slechts plichtplegingen. Bovendien kwam [gedaagde] volgens Advent vaak niet opdagen en liet hij het werk veelal over aan ondergeschikten.

Het gerecht overweegt over dit gezichtspunt als volgt. [gedaagde] heeft gedurende geruime tijd in een functie van structurele aard werkzaamheden verricht. Dit wijst op het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Dat een functie slechts symbolisch of ceremoniaal van aard is – voor zover dat al het geval was – en in slechts 8 uur per week uitgevoerd kan worden, staat het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet in de weg. Het gaat erom of er werkzaamheden worden verricht, loon wordt betaald en sprake is van een gezagsverhouding. Dat [gedaagde] volgens Advent zijn werkzaamheden niet goed uitvoerde, maakt ook niet dat geen sprake kan zijn van een arbeidsrelatie. Advent had [gedaagde] daar – los van zijn hoedanigheid als werknemer of opdrachtnemer – op kunnen aanspraken. Bovendien is het in dat licht van die stelling bijzonder te noemen dat de overeenkomst op 29 januari 2024 nog is verlengd.

b. de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald

gedaagde] had als medisch directeur geen aangewezen vaste werktijden, maar hij kon deze wel alleen tijdens de reguliere openingstijden/werkuren verrichten (omdat hij toezicht moest houden op de dagelijkse operaties en beschikbaar zijn voor overleg en vergaderingen). Volgens [gedaagde] had hij in de praktijk dus wel degelijk vaste werktijden en verrichtte hij zijn werkzaamheden op grond van de door Advent opgestelde functieomschrijving. Advent betwist dit. Volgens Advent richtte [gedaagde] zich fulltime op zijn werk als cardioloog en is het logisch dat hij aanwezig was bij Advent, aangezien hij daar zijn praktijk had.

Volgens [gedaagde] ontving hij omtrent de werkzaamheden directe instructies van de CEO en rapporteerde hij aan haar. Advent heeft dit niet betwist. In de functieomschrijving staat over de positie binnen Advent: ‘receives hierarchical guidance from the CEO’ en ‘ (…) Submit quarterly report to the Chief Executive Officer. Dit wijst op een gezagsverhouding. Advent heeft niet betwist dat hij instructies ontving van de CEO en aan haar rapporteerde.

Het gerecht overweegt gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden dat de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden werden bepaald enerzijds wijst op een overeenkomst van opdracht gelet op de grote vrijheid en zelfstandigheid van [gedaagde] zijn werktijden als medisch directeur te bepalen en anderzijds op een arbeidsovereenkomst, omdat niet is betwist dat hij zijn werkzaamheden volgens de functieomschrijving uitvoerde en instructies ontving en moest rapporteren aan de CEO, hetgeen wijst op een gezagsverhouding.

c. de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht.

Naar het oordeel van het gerecht is sprake van inbedding. De medisch directeur is het gezicht van het ziekenhuis. Zo staat dat ook in de functieomschrijving .De werkzaamheden van [gedaagde] als medisch directeur maakten structureel deel uit van de kernactiviteiten van Advent en waren essentieel voor de bedrijfsvoering. Dit gezichtspunt wijst dus op het bestaan van een arbeidsovereenkomst.

d. het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren

Niet in geschil is dat [gedaagde] verplicht was zijn werkzaamheden persoonlijk uit te voeren, hetgeen wijst op een arbeidsovereenkomst.

e. de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen

Advent is verplicht volgens de interne reglementen een medisch directeur te hebben en dat moet één van de aan Advent verbonden artsen/specialisten zijn. Bij het vertrek van de vorige directeur, ging Advent op zoek naar een nieuwe directeur binnen de organisatie en dat is [gedaagde] geworden. Advent heeft [gedaagde] daartoe een aanbod gedaan, waarna een overeenkomst en een functieomschrijving door Advent is opgesteld.

Het gerecht overweegt dat het feit dat Advent de overeenkomst en de functieomschrijving heeft opgesteld wijst op een arbeidsovereenkomst. Dat [gedaagde] als consultant in de overeenkomst wordt aangeduid, zegt op zich niets over de kwalificatie van de overeenkomst. Verder is niet gebleken dat er bewust is gekozen voor een opdrachtrelatie of dat er ‘stevige’ onderhandelingen (bijvoorbeeld over de beloning) hebben plaatsgevonden, die in de richting van een overeenkomst van opdracht wijzen.

f. de wijze waarop de beloning werd bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd

Volgens Advent werd de functie van medisch directeur, voordat [gedaagde] die functie aanvaardde, altijd onbezoldigd verricht. Na het vertrek van de vorige directeur kon geen van de artsen/specialisten bereid worden gevonden om het onbezoldigd te blijven doen. Nadat er een vergoeding tegenover gesteld is, was er wel animo en is [gedaagde] medisch directeur geworden. [gedaagde] heeft betwist dat de functie van medisch directeur voor zijn aantreden onbezoldigd was. Hij heeft hiervoor verwezen naar een whatsapp bericht met zijn voorgangster die op de vraag ‘medical director, you were paid for that?’ antwoordt: ‘Si un extra na mi salario’. Volgens [gedaagde] ging het om een bedrag van circa Cg 10.000,- bovenop haar salaris als internist. Tijdens de zitting van 15 april 2025 is naar voren gekomen dat de huidig medisch directeur in loondienst is bij Advent en tevens als GP, huisarts, aldaar.

Wat daar ook van zij, vaststaat dat [gedaagde] een vast bedrag van

Cg 12.000,- per maand overgemaakt kreeg. [gedaagde] ontving geen loonstroken en er werden geen wettelijke inhoudingen verricht. [gedaagde] ook had geen ‘employee nummer’ bij Advent. Dit wijs meer op een overeenkomst van opdracht.

Anderzijds ontving [gedaagde] de Cg 12.000,- ongeacht het aantal uren of specifieke taken die hij uitvoerde. Het bedrag werd rechtstreeks uitbetaald aan [gedaagde] in privé, zonder facturen of tussenkomst van zijn praktijkvennootschap. Dit wijst meer op een arbeidsovereenkomst.

Het gerecht overweegt over de wijze waarop de beloning werd bepaald dat sprake was van een aanbod van Advent en dat niet duidelijk is geworden in hoeverre is onderhandeld over de hoogte daarvan. De wijze van uitkering wijst naar het oordeel van het gerecht meer in de richting van een arbeidsovereenkomst vanwege de overmaking aan [gedaagde] in privé zonder facturen. Ook het feit dat de huidig medisch directeur in loondienst is en dus loon ontvangt, wijst op het bestaan van den arbeidsovereenkomst.

g. de hoogte van de beloning

Het is niet eenvoudig vast te stellen of de hoogte van de beloning meer past bij een arbeidsrelatie of bij een overeenkomst van opdracht. De beloning lijkt op het eerste gezicht vrij hoog voor het verrichten van werkzaamheden voor 8 uur per week, maar anderzijds betreft het een verantwoordelijke functie. Het is niet bekend wat de huidig medisch directeur aan loon ontvangt. De hoogte van de beloning vormt dus geen aanwijzing voor het kwalificeren van de overeenkomst.

h. commercieel risico

Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake was van een commercieel risico. [gedaagde] ontving iedere maand een vast bedrag, ongeacht gemaakte uren of resultaten. Hij hoefde geen facturen of urenverantwoording te sturen. Dit duidt op een arbeidsrelatie.

i. ondernemerschap

gedaagde] was naast zijn aanstelling als medisch directeur werkzaam als zelfstandig cardioloog bij Advent. Hij was – zoals ook Advent erkent – daarmee fulltime verbonden aan Advent en had dus geen mogelijkheid om elders commerciële activiteiten te verrichten. Dit gezichtspunt duidt op een arbeidsovereenkomst.

Conclusie met betrekking tot de kwalificatie

Op grond van alle bovenstaande gezichtspunten, in onderlinge samenhang bezien, is het gerecht van oordeel dat de tussen partijen overeengekomen rechten en verplichtingen moeten worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst.

Nu de overeenkomst tussen partijen moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, is deze overeenkomst niet met de opzegging door Advent geëindigd. Er was immers geen toestemming van SOAW voor de opzegging. Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel recht heeft op loondoorbetaling, totdat de overeenkomst rechtsgeldig is geëindigd.

Volgens Advent is de overeenkomst in ieder geval geëindigd op 30 oktober 2024, omdat dat de contractuele einddatum van de (laatste) overeenkomst was. Volgens [gedaagde] is er vanwege de ketenregeling een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan

Ketenregeling

Ingevolge artikel 7a:1615fa BW geldt de laatste dienstbetrekking als aangegaan voor onbepaalde tijd vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen (a) dienstbetrekkingen voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden; dan wel (b) meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane dienstbetrekkingen elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van minder dan drie maanden.

In dit geval is op 22 december 2021 voor het eerst een arbeidsovereenkomst gesloten met een looptijd van 1 november 2021 tot en met 30 oktober 2022 op grond waarvan [gedaagde] als medisch directeur bij Advent is aangesteld. Vervolgens is op 28 oktober 2022 een tweede overeenkomst gesloten voor de periode van

1 november 2022 tot en met 30 oktober 2023. Op 29 januari 2024 is er vervolgens een derde overeenkomst gesloten voor de periode van 1 november 2023 tot en met 30 oktober 2024.

Niet in geschil is dat [gedaagde] tot zijn schorsing op 22 februari 2024 werkzaamheden heeft verricht al medisch directeur, in totaal ruim twee jaar. De dienstbetrekkingen hebben de periode van 36 maanden dus niet overschreden. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of sprake is van meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane dienstbetrekkingen.

gedaagde] stelt dat de overeenkomsten voor bepaalde tijd steeds stilzwijgend zijn verlengd. De derde overeenkomst zou volgens [gedaagde] dan zijn verlengd tot en met 28 oktober 2024 en de overeenkomst (die pas op 24 januari 2024 schriftelijk is gesloten) voor de periode van 1 november 2023 tot en met 30 oktober 2024 zou dan het vierde contract zijn, zodat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Het gerecht volgt [gedaagde] hierin niet.

Naar het oordeel van het gerecht is er geen sprake van stilzwijgende verlenging, maar zijn er telkens nieuwe schriftelijke overeenkomsten gesloten. Dat de schriftelijke vastlegging van de overeenkomsten soms later heeft plaatsgevonden, maakt dat niet anders. Uit de overeenkomst en de uitvoering daarvan volgt bovendien dat is bedoeld de overeenkomsten telkens tot en met 31 (en dus niet 30) oktober te laten lopen en dus voor één jaar (365 en niet 364 dagen). In de overeenkomsten staat ook expliciet vermeld dat deze zijn aangegaan voor één jaar, zodat daarvan redelijkerwijs moet worden uitgegaan. Er is aldus sprake van in totaal sprake van drie voor bepaalde tijd aangegane dienstbetrekkingen, waarvan de laatste is geëindigd op 31 oktober 2024.

Het gerecht gaat dan ook uit van een einde van rechtswege van de overeenkomst per 31 oktober 2024. De overeenkomst is nadien noch schriftelijk, noch stilzwijgend verlengd. In beginsel heeft [gedaagde] dus tot die datum recht op loondoorbetaling.

Volgens Advent heeft [gedaagde] na 21 mei 2024 geen recht op loondoorbetaling, omdat hij zich na die datum nooit beschikbaar heeft gesteld om zijn functie als medisch directeur voort te zetten. Bovendien heeft hij geen procedure opgestart om op te komen tegen de beëindiging van het contract. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist onder verwijzing naar de brief die op

29 mei 2024 naar Advent is gestuurd, waarin hij (i) stelt dat sprake is een arbeidsovereenkomst die niet rechtsgeldig is opgezegd en dus nog doorloopt, (ii) zich beschikbaar houdt zijn werkzaamheden als medisch directeur uit te voeren en (iii) loondoorbetaling vordert.

De conclusie is dat [gedaagde] zich dus wel degelijk beschikbaar heeft gehouden zijn werkzaamheden uit te voeren, tijdig (binnen zes maanden) is opgekomen tegen de opzegging bij de werkgever en tijdig (binnen vijf jaar) een loonvordering (als reconventionele vordering) heeft ingesteld, zodat de loonvordering kan worden toewezen.

Het voorgaande betekent dat de loonvordering voor een bedrag van

Cg 12.000,- per maand van 21 mei 2024 tot en met 31 oktober 2024 zal worden toegewezen. De wettelijke verhoging (gematigd tot 10%) en de wettelijke rente daarover zijn eveneens toewijsbaar.

Kosten onderzoek server (7)

De door [gedaagde] gevorderde kosten voor het onderzoek door een deskundige aan de server zullen worden afgewezen.

Het gerecht volgt Advent in haar standpunt dat de server met patiëntengegevens onderdeel uitmaakte van de praktijkovereenkomst en in eigendom is overgaan op Advent. De bedoeling van de overeenkomst was immers dat [gedaagde] met het oog op zijn pensioen zijn hele cardiologiepraktijk aan Advent zou overdragen en de zorg voor zijn patiënten na zijn vertrek gecontinueerd zou worden. Niet valt in te zien hoe dit zou moeten zonder de gegevens van die patiënten.

gedaagde] betwist dat hij de server met patiëntgegevens heeft overgedragen, omdat de server niet met zoveel woorden op de inventarisatielijst bij de overeenkomst staat. In het voorstel van [gedaagde] van 21 januari 2021, in aanloop naar de overeenkomst, staat echter dat ‘the whole Cardiology Equiqment of (…) DCCP and (…) [gedaagde], hard- and software will be donated to (…) AAH so AAH will be the sole owner.’ Ook hieruit volgt naar het oordeel van het gerecht de server (hard- and software) met patiëntengegevens over zou gaan naar Advent. Daarnaast staat in de praktijkovereenkomst in artikel 4.4. ‘the medical records remain in the Foundation. The Cardiologist retains the right to inspect his medical records.’ De medische dossiers zouden dus in het ziekenhuis blijven en [gedaagde] zou ‘slechts’ het recht hebben de medische dossiers te raadplegen. Zowel tijdens de eerste mondelinge behandeling in deze procedure als in het kort geding heeft Advent bevestigd dat [gedaagde] zijn patiëntengegevens altijd zelf mocht blijven raadplegen. Daarnaast heeft Advent onbetwist aangevoerd dat zij patiënten altijd op verzoek een kopie van zijn of haar medisch dossier heeft meegegeven. In het licht daarvan volgt het gerecht het betoog van Advent dat de kosten om de informatie op de server te herstellen onnodig zijn gemaakt en dus niet voor vergoeding in aanmerking komen. De vordering zal dus worden afgewezen.

Kosten opheffingskortgeding terzake dwangsommen (8)

De vordering tot vergoeding van de geliquideerde kosten voor het opheffingskortgeding ter zake van dwangsommen, ten bedrage van Cg 3.323,50, wordt afgewezen. Het gerecht overweegt daartoe als volgt.

gedaagde] stelt dat Advent ten onrechte dwangsommen heeft aangezegd en is gaan executeren, omdat [gedaagde] niet aan de veroordeling in kort geding (SVB-uitschrijving binnen zeven na betekening van het vonnis op 21 oktober 2024) zou hebben voldaan. Dit, terwijl de gemachtigden volgens [gedaagde] de SVB-uitschrijving per eind januari 2025 hadden besproken. Dit heeft er toe geleid dat [gedaagde] een kort geding aanhangig moest maken om het beslag op te heffen en nodeloos kosten heeft moeten maken die hij vergoed wil hebben.

Advent heeft gemotiveerd betwist dat er op het moment van het aanzeggen van de dwangsommen sprake was van overeenstemming over een uitschrijving per 31 januari 2025. Het verzoek van [gedaagde] zich pas per mei 2025 uit te schrijven was door Advent van de hand gewezen en Advent heeft voldoende onderbouwd dat er nog geen overeenstemming was over een andere datum. Dit maakt dat Advent de dwangsommen op 18 november 2024 terecht heeft aangezegd en mocht executeren, nadat het kortgedingvonnis (ruim daarvoor) was betekend. De kosten voor het opstarten van het opheffingskortgeding komen dan ook voor rekening en risico van [gedaagde].

Verdere buitengerechtelijke incassokosten (9)

De vordering tot vergoeding van verdere buitengerechtelijk incassokosten ter hoogte van Cg 9.000,- is door Advent betwist en zal worden afgewezen. [gedaagde] heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat daadwerkelijk en in redelijkheid buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt, die niet zijn gedekt door de proceskostenvergoeding, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak op grond van artikel 63 Rv.

Overige schade (10)

gedaagde] heeft tot slot onvoldoende onderbouwd dat sprake is van mogelijk overige schade, waaronder in de toekomst nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, die Advent zou moeten vergoeden. Deze vordering wordt ook afgewezen.

Proceskosten in conventie

Omdat Advent in het ongelijk wordt gesteld, wordt Advent veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [gedaagde] worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 18.000,- aan gemachtigdensalaris.

Proceskosten in reconventie

Omdat Advent grotendeels in het ongelijk wordt gesteld, wordt Advent veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [gedaagde] worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 7.500,- aan gemachtigdensalaris.

De gevorderde wettelijke rente en de nakosten worden toegewezen zoals hierna onder de beslissing vermeld.

De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.

Voor wat betreft de arbeidsrechtelijke loonaanspraak is deze uitspraak een beschikking. Voor het overige is de uitspraak een vonnis.

4. De beslissing

Het gerecht:

in conventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Advent in de proceskosten van [gedaagde] van Cg 18.000,-;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

veroordeelt Advent tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van

Cg 92.781 (aan ECG-beoordelingskosten) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van betaling;

veroordeelt Advent tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van

Cg 184.453,60 (aan gederfde inkomsten) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2023 tot aan de dag van betaling;

veroordeelt Advent tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van

Cg 12.000,- per maand aan loon vanaf 22 mei 2024 tot 22 oktober 2024, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10% en de wettelijke rente met ingang van de datum waarop elke maandelijkse loonbetaling verschuldigd is geworden;

veroordeelt Advent in de proceskosten van [gedaagde] van Cg 7.500,-;

verklaart dit vonnis en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit vonnis en deze beschikking is gewezen door mr. M. Woerdman, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Woerdman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand