Parketnummer: 500.00072/26
Uitspraak: 2 oktober 2026 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats] op het adres [adres],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2026. De verdachte is verschenen, bijgestaan door haar raadsman mr. S.N. Zahedi, advocaat in Curaçao.
De officier van justitie mr. T. Keller heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het primair ten laste gelegde (mensensmokkel) bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot:
Haar vordering behelst verder:
De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:
Primair:
zij, verdachte, in of omstreeks de periode 1 december 2025 tot en met 20 april 2026, te Curaçao en/of Aruba en/of Colombia, althans elders, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer perso(o)n(en), te weten:
behulpzaam is/zijn geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Curaçao en/of Aruba of doorreis door Curaçao en/of Aruba en/of verschaffen van verblijf in Curaçao en/of Aruba, of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, en/of die ander daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) daarvan een beroep of gewoonte heeft/hebben gemaakt en/of uit winstbejag heeft/hebben gehandeld,
immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s), onder meer:
voor die perso(o)n(en) een of meer cruisepakket(ten) en/of ticket(s) en/of boeking(en) voor de reis met het cruiseschip Serenade of the Seas en/of voor de reis van Cali naar Cartagena heeft/hebben geregeld en/of geboekt en/of gekocht en/of verstrekt, en/of
(artikel 2:154 lid 1 onder a en b juncto art 1:123 van het Wetboek van Strafrecht)
Subsidiair:
dat een of meer onbekende gebleven perso(o)n(en), in of omstreeks de periode van 1 december 2025 tot en met 20 april 2026, te Curaçao en/of Aruba en/of Colombia, althans elders, een of meer perso(o)n(en), te weten:
behulpzaam is/zijn geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Curaçao en/of Aruba en/of het zich verschaffen van verblijf in Curaçao en/of Aruba, of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, en/of die perso(o)n(en) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft, terwijl die perso(o)n(en) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang en/of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft,
immers heeft zij, verdachte, en/of haar mededader(s), onder meer:
(artikel 2:154 lid 1 onder a en b juncto art 1:124 van het Wetboek van Strafrecht)
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij, verdachte, in of omstreeks de periode 1 december 2025 tot en met 20 april 2026, te Curaçao en/of Aruba en/of Colombia, althans elders, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer perso(o)n(en), te weten:
behulpzaam is/zijn geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Curaçao en/of Aruba of doorreis door Curaçao en/of Aruba en/of verschaffen van verblijf in Curaçao en/of Aruba, zijnde een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, en/of die personen ander daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) daarvan een beroep of gewoonte heeft/hebben gemaakt en/of uit winstbejag heeft/hebben gehandeld,
immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s), onder meer:
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
1. In een proces-verbaal van bevindingen van 22 april 2026 relateert een verbalisant van de Immigratiedienst het volgende:
Op 20 april 2026 werd een lijst aangeleverd aan de Immigratiedienst. Op deze lijst stonden gegevens van passagiers van het cruiseschip “Serenade of the Seas”, die op 21 april 2026 zou aanmeren op Curaçao. De personen op deze lijst waren door het personeel van het cruiseschip opgevallen omdat zij enkel met handbagage reizen.
Na controle van de personen op de lijst in het Border Management Systeem, werd gezien dat [getuige 4] op 16 november 2025 de toegang tot Curaçao werd geweigerd op het vliegveld Curaçao International Airport.
2. De verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard:
Mijn werk is tickets boeken, ik heb een soort reisbureau. Ik heb de tickets geboekt voor [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5]. We waren met een groep van twaalf personen, inclusief ikzelf. We zijn eerst van Cali naar Cartagena gevlogen. Op 19 april 2026 zijn we in Cartagena op het cruiseschip gestapt waarmee we naar Curaçao, Aruba en Panama zouden varen. Vanaf Panama zouden we terugvliegen naar Colombia. Op het moment waarop ik de tickets boekte had ik wel een vermoeden dat de personen van de groep van plan waren op Curaçao of Aruba te blijven. Ik deed het toch, om geld te verdienen. Op het geld dat de personen van de groep aan mij gaven voor het boeken van de tickets hield ik per persoon een commissie in van USD 50,- over de gehele reis. De personen van de groep betaalden mij elk 5 miljoen Colombiaanse pesos: 3,5 of 4 miljoen voor de cruise, de rest voor de vliegtickets Cali-Cartagena en Panama-Cartagena. Een ticket Cali-Cartagena kost ongeveer USD 100,- tot 150,-.
3. De getuige [getuige 1] heeft op 21 april 2026 het volgende verklaard:
[voornaam verdachte] heeft tickets voor mijn neef [getuige 4] en mij gekocht.
We hebben beiden in eerste instantie 1.500.000 Colombiaanse pesos aan haar gestuurd, en later elk 3.300.000 Colombiaanse pesos. Verder had ik ook geld gestuurd om de kosten van de kade en het hotel in Cartagena te betalen.
Op 19 april 2026 zijn we met de cruiseboot vertrokken vanuit Cartagena.
Op 13 maart van dit jaar hebben we de aanbetaling gedaan en eind maart het restant op de rekening van [voornaam verdachte] gestort.
4. De getuige [getuige 1] heeft op 24 april 2026 het volgende verklaard:.
Mijn plan was om op Aruba te blijven om in de bouw te gaan werken. Mijn neef [voornaam getuige 4] zou ook op Aruba blijven. Vanaf het moment dat ik [voornaam verdachte] had opgebeld om het ticket voor mij te kopen, had ik tegen haar gezegd dat het mijn idee was om in Aruba te blijven.
5. De getuige [getuige 2] heeft op 21 april 2026 het volgende verklaard:
[voornaam verdachte] heeft voor mij het vliegticket en de cruise geboekt en gekocht. De route die de cruise zou nemen was Cartagena, Curaçao, Aruba, Panama, en weer terug naar Cartagena. Ik heb het geld aan [voornaam verdachte] gestuurd via BanColombia. De eerste betaling aan [voornaam verdachte] was 1.300.000 pesos. Het was vorige maand. De tweede betaling was op 17 april 2.885.000 pesos.
6. De getuige [getuige 2] heeft op 24 april 2026 het volgende verklaard:
Ik wilde een beter leven hebben door op Curaçao werk te zoeken. Ik wilde hier blijven tot december. [voornaam verdachte] wist daarvan.
Ik had van kennissen vernomen dat [voornaam verdachte] een soort reisbureau had. [voornaam verdachte] zou het een en ander kunnen regelen. De betalingen werden voldaan door mijn man. Hij heeft in twee delen betaald. Na deze twee betalingen, bleef [voornaam verdachte] mij nog meer geld vragen. Zij vroeg mij om tax te betalen en zij vroeg mij nog meer geld. [voornaam verdachte] had mij niet specifiek uitgelegd waarvoor ik moest betalen.
lk had een gesprek met [voornaam verdachte] en ik vroeg aan [voornaam verdachte] of het mogelijk zou zijn dat ik op Curaçao zou verblijven. [voornaam verdachte] zei tegen mij dat het mogelijk was, omdat er bij het aanmeren van de cruise geen controle van de immigratie zou zijn. Daarom zou ik makkelijk van het schip afkomen. Toen we al op zee waren met de cruise, zei [voornaam verdachte] op maandag tegen mij dat ik te veel kleding had meegenomen. [voornaam verdachte] zei tegen mij dat ik meerdere lagen kleding moest aantrekken, zodat ik een tas minder zou hebben bij vertrek van de cruise op Curaçao.
[voornaam verdachte] had tegen ons allemaal gezegd dat wij niet met de groep bij elkaar moesten blijven. Dit omdat wij als groep zouden opvallen. Wij moesten apart van elkaar gaan.
7. De getuige [getuige 3] heeft op 21 april 2026 het volgende verklaard:
Wij zijn met de cruise vanuit Cartagena vertrokken, met de bedoeling om op Aruba te gaan verblijven. Terwijl wij op cruise waren vanuit Cartagena, vernam ik van de anderen dat het beter was om op Curaçao te verblijven. lk had toen ook besloten om op Curaçao te verblijven. We waren in totaal met twaalf personen.
Alleen [voornaam verdachte] ken ik. Zij is de persoon die de reis had georganiseerd. Zij is de vrouw van mijn neef. Wij allemaal hebben haar betaald voor de cruisereis. lk weet dat [voornaam verdachte] te maken heeft met een reisbureau. Zij stelde mij voor om gewoon een reis te boeken middels een cruise. Zij had tegen mij gezegd dat je met deze reis bij aankomst gewoon op een van de eilanden kan verblijven.
[voornaam verdachte] heeft de reis geboekt. Ik heb [voornaam verdachte] tegen de vijf miljoen vierhonderd Colombiaanse pesos betaald. De anderen hebben hetzelfde betaald. Ik heb het geld cash aan [voornaam verdachte] betaald. Rond 20 maart denk ik.
8. De getuige [getuige 4] heeft op 24 april 2026 het volgende verklaard:
Op Whatsapp gebruik ik mijn telefoonnummer onder de naam [naam getuige 4]. [voornaam verdachte] staat onder de naam [voornaam verdachte] Viaje in mijn telefoon.
Mijn neef [voornaam getuige 1] (fonetisch) en ik waren van plan in Aruba te verblijven. [voornaam verdachte] was ervan op de hoogte dat ik en mijn neef in Aruba wilden verblijven. [voornaam verdachte] heeft ons geïnstrueerd dat wij niet met te veel bagage moesten reizen. Alleen met een tas van maximaal 10 kg en dat wanneer wij aankwamen in Aruba dat wij gewoon met onze tas van boord moesten gaan. Ik wilde in Aruba blijven om te werken.
In maart 2026 heb ik de eerste termijn betaald, dat was 1.300.000 Colombiaanse pesos. De tweede termijn heb ik in april 2026 betaald, ik weet niet meer precies hoeveel ik toen had betaald. Maar totaal had ik 4.800.000 Colombiaanse pesos betaald voor de reis. Het totale bedrag heb ik aan [voornaam verdachte] betaald.
De groepsapp is aangemaakt door [voornaam verdachte].
[voornaam verdachte] heeft tegen mij gezegd dat ik gewoon op de cruise moest gaan en dat ik dan met mijn tas en kleding erin van de boot moet gaan en in Aruba blijven als de boot aankomt in Aruba. [voornaam verdachte] herinnerde mij eraan dat ik met weinig bagage moest aankomen. Indien wij met veel bagage van boord zouden gaan zou dit opvallen voor de mensen op de cruise.
9. De getuige [getuige 5] heeft op 21 april 2026 het volgende verklaard:
Ik wilde vertrekken naar het buitenland om daar te gaan werken. Ik was van plan om in Aruba te gaan verblijven. Ik heb het reispakket gekocht bij doña [voornaam verdachte].
Ik heb het geld naar doña [voornaam verdachte] gestuurd via Ban Colombia, 5.000.000 Colombiaanse pesos. Ik heb het totale bedrag in 4 termijnen gestuurd, online via BanColombia, december 2025, januari 2026, februari 2026 en maart 2026. Doña [voornaam verdachte] wist dat ik zou verblijven in Aruba. Toen zij bezig was met het regelen van mijn reispakket vroeg zij aan mij waar ik zou willen verblijven en ik zei tegen haar in Aruba. Met verblijven bedoelde zij blijven wonen en werken, dus niet terugreizen naar Colombia.
10. De mobiele telefoon van verdachte is onderzocht en verbalisanten relateren de volgende bevindingen:
Aan de telefoon van [verdachte] was een Whatsappprofiel gekoppeld met de naam “[naam]” en het telefoonnummer +[telefoonnummer].
[getuige 3] telefoonnummer [telefoonnummer 1].
Ik zag dat er een Whatsappchat was met “[naam getuige 3]”. Fragmenten uit deze chat:
Op 19 februari 2026:
Zegt [voornaam getuige 3] tegen [voornaam verdachte] of het mogelijk is of [voornaam verdachte] een reis voor hem kan regelen om naar Curaçao te gaan maar middels vliegtuig, omdat hij geen geld zal hebben voor de deadline die [voornaam verdachte] heeft aangegeven om de cruise te betalen. Of anders moet [voornaam verdachte] wachten tot 02 april, dat hij op die dag wel het geld in cash zal hebben om voor de cruise te betalen.
Op 7 maart 2026:
Stuurt [voornaam verdachte] 4 spraakberichten van een Spaanstalige manspersoon naar [voornaam getuige 3]. De Spaanstalige man zegt samenvattend:
- Dat er nu veel werk is, dat ze zelf mensen nodig hebben om te werken.
- Dat indien ze nu aankomen, ze werk zullen krijgen.
- Vraagt wat voor werk doet hij, wat weet hij, wat kan hij doen.
- Dat zij zich geen zorgen moest maken, dat wanneer hij arriveert, de Spaanstalige man werk voor hem zal vinden.
Verder zegt [voornaam verdachte] tegen [voornaam getuige 3] dat zij denkt dat zij zelf hem tot daar moet brengen, zodat zij [voornaam getuige 3] met hen kan laten kennismaken. Dat zij haar liefhebben, omdat zij haar best doet zodat ze binnengelaten worden.
Hierop stuurt [voornaam getuige 3] een spraakbericht naar [voornaam verdachte] waarin hij [voornaam verdachte] bedankt, omdat [voornaam verdachte] werk voor hem heeft geregeld en dat hij [voornaam verdachte] niet zal teleurstellen.
Op 13 april 2026:
Vraagt [voornaam getuige 3] aan [voornaam verdachte] hoe groot zijn koffer moest zijn en hoeveel kilo's bagage hij kan meenemen op de reis. [voornaam verdachte] zegt 10 kilo's in een tas. Als hij zelf geen tas heeft, heeft [voornaam verdachte] te koop bij haar bureau.
[voornaam getuige 3] vraagt of hij dan alleen maar een kleine koffer of tas moet meenemen.
[voornaam verdachte] zegt ja een tas van 10 kilo's, want het is niet te adviseren dat men veel bagage meeneemt, want wanneer een passagier van boord gaat van de cruise, ze zogenaamd alleen naar de baai gaan. Dus ze moeten dan niet veel bagage meenemen.
11. De mobiele telefoon van [getuige 4] is onderzocht en de verbalisant relateert de volgende bevindingen:
De telefoon behoort toe aan [getuige 4] en is gekoppeld aan het nummer [telefoonnummer 2] met de naam [naam getuige 4].
Whatsapp gesprek tussen verdachte en [getuige 4]:
Ik zag een Whatsappcontact tussen de verdachte met de naam [voornaam verdachte] Viaje met telefoonnummer [telefoonnummer] en [getuige 4] met [telefoonnummer 2] en de naam [naam getuige 4]. Dit contact was zichtbaar vanaf 14-08-2025 en liep tot 18-04-2026.
Groepsgesprek Whatsapp:
De beheerder van de groepschat Crucero was [voornaam verdachte] Viaje met telefoonnummer [telefoonnummer]. [naam getuige 1] is [getuige 1]. [voornaam getuige 2] is [getuige 2]. [naam getuige 4] is [getuige 4]. [naam getuige 5] is [getuige 5]. [voornaam getuige 3] is [getuige 3].
Bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte betoogt dat de verdachte slechts tickets heeft verkocht en de (cruise)reis heeft georganiseerd en begeleid. Verdachte wist niet en zij had ook geen ernstige reden om te vermoeden dat de betrokken personen Curaçao illegaal wilden binnenkomen of daar wilden verblijven. De getuigenverklaringen kunnen niet zonder meer voor het bewijs worden gebruikt, omdat aan de verdediging een effectieve uitoefening van haar ondervragingsrecht is ontnomen. Verder zijn de getuigenverklaringen inhoudelijk onvoldoende betrouwbaar, omdat de getuigen er gezien hun kwetsbare positie belang bij hadden om de verantwoordelijkheid bij de verdachte te leggen. Bovendien zijn drie getuigen later bij een notaris teruggekomen op hun verklaringen.
Het Gerecht overweegt het volgende.
De uitoefening van het ondervragingsrecht
Het is aan het Openbaar Ministerie om te beslissen of een strafbaar feit wordt vervolgd en of een betrokkene in een onderzoek als verdachte of als getuige wordt aangemerkt. In dit geval heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen om de betrokken personen die Curaçao of Aruba illegaal wilden binnenkomen als getuigen te horen en hen vervolgens uit te zetten. Van enige procedurele onvolkomenheid tijdens en rondom het horen van de getuigen is niet gebleken. De rechter-commissaris heeft het verzoek van de verdediging om vier van de vijf getuigen te horen gehonoreerd. Op 29 juni 2026 is een rechtshulpverzoek uitgegaan naar de Colombiaanse autoriteiten. De raadsman heeft op 25 augustus 2026 het verzoek tot het horen van de getuigen ingetrokken. Daarop heeft de rechter-commissaris besloten dat de getuigen niet meer gehoord hoeven te worden en het rechtshulpverzoek gestaakt. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen. Het verweer wordt verworpen.
De betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen
De vijf getuigen hebben gedetailleerde verklaringen afgelegd die op essentiële onderdelen overeenkomen met elkaar. De verklaringen vinden bovendien steun in de Whatsapberichten en -gesprekken die op de telefoons van verdachte en [getuige 4] zijn aangetroffen. Het Gerecht acht de verklaringen van de vijf getuigen daarom betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
De raadsman heeft betoogd dat de getuigen een motief hadden om opzettelijk - onjuist - belastend te verklaren over verdachte. Het Gerecht ziet daarvoor geen aanknopingspunt in het dossier. [getuige 3] heeft na zijn terugzending een verklaring ondertekend die erop neerkomt dat hij bij de politie niet in vrijheid heeft kunnen verklaren. Er is niets bekend over de wijze van totstandkoming of het motief tot het afleggen van die verklaring. Daarbij komt dat [getuige 3] volgens het proces-verbaal van zijn verhoor bij de politie direct na aanvang daarvan, spontaan, heeft verklaard over de onderhavige mensensmokkel.
Wetenschap of ernstige reden te vermoeden dat de aanwezigheid van de ander wederrechtelijk is
Voor een bewezenverklaring van mensensmokkel als bedoeld in artikel 2:154, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is vereist dat de verdachte die een ander behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot Curaçao of een bij het genoemde Protocol aangesloten staat, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat de aanwezigheid van de ander daar wederrechtelijk is.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het Gerecht het volgende vast.
Alle vijf getuigen hebben verklaard dat zij aan de verdachte hebben gezegd dat zij van plan waren op Curaçao of op Aruba te blijven.
Uit het Whatsapp gesprek tussen [getuige 4] en verdachte leidt het Gerecht af dat verdachte regelmatig personen of groepen personen uit Colombia ‘binnenbrengt’ in Curaçao en Aruba. Zo heeft de verdachte ook al tweemaal eerder vliegtickets voor [getuige 4] geboekt om Aruba of Curaçao binnen te komen. Ook blijkt uit het gesprek dat verdachte naast vliegreizen het alternatief van een cruisereis aanbiedt.
Uit de berichtgeving in de groepsapp en de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 4] blijkt tenslotte dat de verdachte instructies heeft gegeven aan de getuigen om niet op te vallen bij het personeel van het schip en controle te voorkomen.
Het Gerecht is van oordeel dat de beschreven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, onmiskenbaar duiden op wetenschap van de verdachte. Het kan niet anders dan dat de verdachte wist dat de binnenkomst en aanwezigheid van de in de tenlastelegging genoemde personen in Curaçao en Aruba wederrechtelijk was.
In de uitoefening van beroep
Ook staat op grond van het voorgaande vast dat de verdachte van mensensmokkel een beroep of gewoonte heeft gemaakt. Zij hield zich immers al langere tijd op professionele wijze bezig met het boeken van vlieg- of cruisetickets voor personen die illegaal Curaçao of Aruba wilden binnenkomen. Zij organiseerde en faciliteerde die reizen. De verdachte runde daartoe een soort reisbureau en verschafte zich aldus een bron van inkomsten.
Voor zover de raadsman nog heeft betoogd dat het feit dat verdachte is meegegaan op reis een contra-indicatie is voor de wetenschap volgt het Gerecht dit betoog niet. Het meegaan en het begeleiden tijdens de reis is immers bij uitstek een handeling van iemand die behulpzaam is bij wederrechtelijke binnenkomst. Dit volgt ook uit het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 waarin de totstandkomingsgeschiedenis van het qua redactie nagenoeg gelijkluidende artikel 197a van het Nederlandse Sr wordt aangehaald en waarin diverse handelingen worden beschreven die kunnen duiden op behulpzaamheid.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Gerecht wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel zoals hiervoor bewezen is verklaard.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:154, eerste lid en onder a, Sr. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Een ander behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot Curaçao of een staat die is toegetreden tot het in artikel 2:154, eerste lid en onder a, Sr genoemde Protocol, en hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen, terwijl zij weet dat die toegang wederrechtelijk was en terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte heeft gemaakt, meermalen gepleegd.
Het Gerecht heeft ook bewezen verklaard dat de verdachte behulpzaam is geweest bij het verschaffen van illegaal verblijf in Curaçao dan wel Aruba. Dat is strafbaar gesteld in artikel 2:154, eerste lid en onder b, Sr mits daarbij uit winstbejag is gehandeld. Omdat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt dat verdachte op enigerlei wijze is verrijkt door het verschaffen van verblijf kan ‘het verschaffen van verblijf’ niet worden gekwalificeerd als een strafbaar feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor “mensensmokkel” als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien tot twaalf maanden gegeven. Als strafverhogende factor geldt dat verdachte van mensensmokkel een beroep of gewoonte heeft gemaakt.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel door vijf Colombianen bij hun illegale binnenkomst in Curaçao of in Aruba behulpzaam te zijn.
Met haar handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de Curaçaose en Arubaanse rechtsorde. Mensensmokkel ondermijnt immers het overheidsbeleid ter bestrijding van illegale toegang tot Curaçao en Aruba. Ook draagt mensensmokkel bij aan het in stand houden van een illegaal circuit, dat allerlei voor de samenleving ongewenste effecten met zich brengt. Extra kwalijk is dat verdachte van mensensmokkel haar beroep heeft gemaakt en daarmee dus in haar onderhoud voorzag.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Gerecht heeft acht geslagen op het feit dat de verdachte in Curaçao niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk misdrijf.
Het Gerecht komt met de officier van justitie tot de slotsom dat oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur in combinatie met oplegging van een geldboete passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
In beslag genomen voorwerpen
Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
Het onder de verdachte in beslag genomen geld is vatbaar voor verbeurdverklaring. Het geld behoort immers toe aan de verdachte en is geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde verkregen.
Het Gerecht zal daarom de verbeurdverklaring gelasten.
Het Gerecht is van oordeel dat zich geen strafvorderlijk belang verzet tegen teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen sieraden, het opbergtasje, de “Débito kaart” en het papier “Rifa es Esperanza”. Daarom zal daarvan de teruggave aan de verdachte worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:54, 1:58, 1:67, 1:68, 1:136 en 2:154 Sr zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 450 dagen;
bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 277 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van Cg 3.000,- (drieduizend gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis;
verklaart verbeurd het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geld;
gelast de teruggave aan de verdachte van de sieraden, het opbergtasje, de “Débito kaart” en het papier “Rifa es Esperanza”;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde straf.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. J.C.A.M. Los, bijgestaan door mr. C. Anselma-Bernsen (zittingsgriffier), en op 2 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.