ECLI:NL:OGEAC:2026:195

ECLI:NL:OGEAC:2026:195

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 21-10-2026
Datum publicatie 19-10-2026
Zaaknummer CUR202602214
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Bodemzaak

Samenvatting

Ontbindingsbeschikking als bedoeld in artikel 2:25 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Evenredigheidsbeginsel. Het Gerecht vernietigt de beschikking van de Kamer van Koophandel (KvK) waarin de rechtspersoon is ontbonden omdat hij meer dan één jaar de handelsregisterbijdrage niet had betaald. Uit de wetsgeschiedenis van de vereenvoudigde ontbindingsregeling blijkt dat de bevoegdheid tot ontbinding van de KvK vooral is bedoeld voor rechtspersonen die feitelijk niet meer actief zijn, zijn verlaten of niet meer bereikbaar zijn. De wetgever heeft hierbij onvoldoende onderkend dat deze vereenvoudigde ontbindingsregeling ook actieve rechtspersonen kan treffen. Ontbinding kan voor een actieve rechtspersoon zeer verstrekkende gevolgen hebben. Nu niet is gebleken dat de rechtspersoon feitelijk inactief, verlaten of onbereikbaar was, komt toepassing van artikel 2:25 BW zodanig in strijd met het evenredigheidsbeginsel dat die achterwege moet blijven.

Uitspraak

Uitspraak

in het geding tussen:

de stichting TRIAS TRUST ESCROW FOUNDATION,

gevestigd in Curaçao,eiseres, vertegenwoordigd door: mr. E. Bokkes en mr. B. Hendriks,

tegen

de Kamer van Koophandel en Nijverheid van Curaçao (KvK),verweerder, gemachtigde: mr. A.C. van Hoof.

Partijen worden hierna aangeduid als TTEF en de KvK.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van TTEF tegen de beslissing van de KvK van 18 mei 2026 om TTEF op grond van artikel 2:25 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te ontbinden (de ontbindingsbeschikking).

TTEF heeft op 26 juni 2026 beroep ingesteld tegen de ontbindingsbeschikking.

De KvK heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Het Gerecht heeft het beroep op 16 september 2026 op zitting behandeld. TTEF heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bokkes en mr. Hendriks. De KvK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Hoof. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer CUR202602213.

Beoordeling door het Gerecht

2. Het beroep is gegrond. Hoewel TTEF langer dan één jaar de handelsregisterbijdrage niet heeft betaald, had de KvK artikel 2:25 van het BW in dit geval buiten toepassing moeten laten. Uit de Memorie van Toelichting blijkt namelijk dat deze regeling vooral is bedoeld om lege, verlaten of onbereikbare rechtspersonen uit het handelsregister te verwijderen. Van zo’n situatie is bij TTEF niet gebleken. TTEF was alleen nalatig met betaling van de handelsregisterbijdrage, terwijl ontbinding voor haar zeer ingrijpende gevolgen heeft. Daarom is toepassing van artikel 2:25, eerste lid, van het BW in dit concrete geval onevenredig. De ontbindingsbeschikking wordt vernietigd. De KvK moet de beslissing op het beroep inschrijven in het handelsregister en de vernietiging van de ontbindingsbeschikking publiceren op haar website, de Landscourant en in een of meer dagbladen. Tot slot wordt de KvK veroordeeld in de proceskosten.

Welke wettelijke regels zijn van toepassing in deze zaak?

De wettelijke bepalingen die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of de KvK TTEF terecht heeft ontbonden zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Kortgezegd komt het toetsingskader in deze zaak erop neer dat de KvK een ingeschreven rechtspersoon moet ontbinden als:

a. er gedurende één jaar geen bestuurder in het handelsregister staat ingeschreven en/of;

b. de bijdrage om in het handelsregister ingeschreven te staan ten minste één jaar niet is betaald.

Voordat de KvK definitief tot ontbinding overgaat, moet eerst een voornemen tot ontbinding bekend worden gemaakt. Dit gebeurt door de rechtspersoon op een ontbindingslijst te plaatsen. Deze ontbindingslijst moet worden gepubliceerd op de website van de KvK, in de Landscourant en in een of meer dagbladen. Ná deze bekendmaking heeft de rechtspersoon zes weken de tijd om ervoor te zorgen dat de hiervoor onder a. en b. genoemde omstandigheden zich niet meer voordoen. Als de rechtspersoon daar niet voor zorgt, dan moet de KvK de rechtspersoon ontbinden. De eisen die de wet stelt aan de publicatie van de ontbindingsbeschikking, zijn dezelfde als voor het voornemen tot ontbinding.

Wat is relevant om te weten in deze zaak?

TTEF is op 28 juni 2019 opgericht en heeft als doelstelling ‘Beheers- en administratiekantoor voor aandelen en andere waardepapieren’. TTEF is per jaar een handelsregisterbijdrage van Cg 125,- verschuldigd.

Op 18 mei 2026 heeft de KvK TTEF ontbonden omdat zij langer dan één jaar de jaarlijkse bijdrage voor inschrijving in het handelsregister niet had voldaan.

De KvK heeft eerst een voornemen om tot ontbinding over te gaan bekend gemaakt door de naam van TTEF op 13 januari 2026 te plaatsen op de ontbindingslijst, bekendgemaakt op de webpagina van de KvK op 30 januari 2026. Daarnaast heeft de KvK de mededeling van de bekendmaking van de ontbindingslijst geplaatst in de Landscourant van Curaçao van 30 januari 2026 en de Extra van 26 maart 2026.

De KvK heeft vervolgens op 18 mei 2026 geconstateerd dat de reden voor ontbinding van TTEF zich nog steeds voordeed. De KvK heeft TTEF daarom bij de ontbindingsbeschikking ontbonden.

De KvK heeft de ontbindingsbeschikking bekend gemaakt door opname in het Handelsregister. Op 21 mei 2026 heeft de KvK de naam van TTEF geplaatst op een lijst van ontbindingsbeschikkingen op de webpagina van de KvK. De mededeling van de bekendmaking van de lijst van ontbindingsbeschikkingen is geplaatst in de Landscourant van Curaçao van 22 mei 2026, en het Antilliaans Dagblad en de Extra, beide van 25 mei 2026.

TTEF heeft tijdig beroep ingesteld tegen de ontbindingsbeschikking. Op 23 juni 2026 heeft TTEF de achterstallige jaarlijkse bijdragen betaald.

Heeft de KvK TTEF terecht ontbonden?

In deze zaak staat niet ter discussie dat TTEF een betalingsachterstand had van Cg 750,- en dus langer dan één jaar het bedrag om in het handelsregister ingeschreven te staan niet heeft voldaan.

TTEF voert aan dat zij niet effectief in kennis is gesteld van het voornemen om tot ontbinding over te gaan. De KvK had niet mogen volstaan met een algemene publicatie van een ontbindingslijst maar zij had TTEF daarvan op de hoogte moeten stellen op het in het register vermelde correspondentieadres, zodat zij daadwerkelijk de gelegenheid had om de tekortkoming te herstellen. Door de ontbinding verliest TTEF haar normale rechtspositie, haar vermogen komt onder vereffening te staan en zij wordt feitelijk uitgesloten van het normale rechtsverkeer. Deze zeer verstrekkende rechtsgevolgen staan volgens TTEF niet in verhouding tot het doel van artikel 2:25 van het BW. Daar komt bij dat het belang van de KvK bij instandhouding van de ontbinding is weggevallen met de betaling van de openstaande jaarlijkse bijdrage door TTEF. Volgens TTEF moet de ontbindingsbeschikking dan ook worden vernietigd vanwege strijd met het evenredigheidsbeginsel.

De KvK stelt daartegenover dat zij TTEF op grond van artikel 2:25, eerste lid, van het BW moest ontbinden. Volgens de KvK staat vast dat TTEF de jaarlijkse bijdrage voor inschrijving in het handelsregister langer dan één jaar niet had betaald, dat het voornemen tot ontbinding op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt en dat TTEF de betalingsachterstand niet binnen de wettelijke termijn van zes weken had opgeheven. Daarmee is volgens de KvK voldaan aan de wettelijke voorwaarde voor ontbinding en moest zij gelet op het gebonden karakter van haar bevoegdheid overgaan tot ontbinding. Ter zitting heeft de KvK toegelicht dat een ontbindingsbeschikking weliswaar zeer verstrekkende gevolgen heeft voor een actieve rechtspersoon zoals TTEF, maar dat daar geen rekening mee kan worden gehouden. Volgens de KvK biedt artikel 2:25 van het BW geen ruimte voor nader onderzoek, een individuele belangenafweging of toetsing aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat TTEF na de ontbindingsbeschikking alsnog heeft betaald, kan volgens de KvK evenmin tot een ander resultaat leiden, omdat de wet niet voorziet in (ambtshalve) herroeping van een eenmaal genomen ontbindingsbeschikking.

die is neergelegd in een wet in formele zin. Het is vaste rechtspraak dat een bepaling van een wet in formele zin niet exceptief kan worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, zoals het evenredigheidsbeginsel. Dat neemt niet weg dat toepassing van zo’n bepaling in een concreet geval achterwege kan blijven wanneer zich bijzondere omstandigheden voordoen die de wetgever niet of niet volledig heeft verdisconteerd. Daarvoor is vereist dat toepassing van de wettelijke bepaling, gelet op die omstandigheden, zozeer in strijd komt met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht dat toepassing achterwege moet blijven. Naar het oordeel van het Gerecht doet die uitzonderlijke situatie zich hier voor.

Met de landsverordening van 20 december 2016 is Boek 2 van het BW gewijzigd. In de artikelen 2:25, 2:25a en 2:25b van het BW is een regeling opgenomen die ontbinding van rechtspersonen door de KvK mogelijk maakt. Volgens de Memorie van Toelichting is deze regeling ingevoerd met het oog op internationale verplichtingen op het gebied van transparantie en informatie-uitwisseling en ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. De regeling beoogt te voorkomen dat rechtspersonen die feitelijk niet langer actief zijn, geen bereikbaar bestuur hebben of geen bevoegde vertegenwoordiger hebben, blijven voortbestaan en daardoor het rechtsverkeer en internationale informatie-uitwisseling bemoeilijken. Ook voldoen deze rechtspersonen daarnaast veelal niet aan de verplichting om het voor inschrijving in het handelsregister verschuldigde bedrag te betalen. De Toelichting benadrukt dat lege of verlaten rechtspersonen bovendien risico’s opleveren voor oneigenlijk gebruik. Vanwege het grote aantal inactieve rechtspersonen in Curaçao is een grootschalige opschoning van het handelsregister noodzakelijk en moet de regeling eenvoudig en efficiënt uitvoerbaar zijn. Daarom is gekozen voor duidelijke criteria en een gestandaardiseerde bekendmakingsprocedure, zodat het handelsregister snel en zorgvuldig kan worden opgeschoond. Volgens de Toelichting strekt de rol van de KvK als vereffenaar zich voorts tot wat noodzakelijk wordt geacht om de verlaten rechtspersoon te ontbinden en om de daarmee verband houdende procedure af te sluiten. De uitsluiting van aansprakelijkheid wordt volgens de wetgever tot slot gerechtvaardigd geacht door de beperkte, uitvoerende rol van de KvK binnen de ontbindingsprocedure en de doelstelling om misbruik van verlaten rechtspersonen tegen te gaan. De voorafgaande bekendmaking, de mogelijkheid tot herstel binnen zes weken, beroep bij het Gerecht en heropening van de vereffening bieden daarbij volgens de wetgever voldoende rechtsbescherming.

Naar het oordeel van het Gerecht blijkt uit de Toelichting dat de wetgever de ontbindingsregeling een passend instrument vindt voor ontbinding van rechtspersonen waarvan het bestaan onduidelijk is of die feitelijk niet meer actief zijn. Dit volgt ook uit de wijze van bekendmaking waarvoor de wetgever heeft gekozen. Vóór 20 december 2016 moest de KvK nog een aanmaning sturen voor de betaling van de handelsregisterbijdrage en werd het voornemen tot ontbinding schriftelijk aan alle ingeschreven bestuurders toegezonden. De regeling zoals die geldt sinds 20 december 2016 voorziet daarentegen alleen nog in plaatsing van de rechtspersoon op een ontbindingslijst op de website van de KvK, met een mededeling daarvan in de Landscourant en in dagbladen. Volgens de Toelichting is daarvoor gekozen omdat individuele kennisgeving vaak niet goed mogelijk is, juist omdat het gaat om rechtspersonen die niet of moeilijk bereikbaar zijn. Ook de beperkte rol die de KvK volgens de Toelichting in dit proces als vereffenaar heeft en de uitsluiting van haar aansprakelijkheid onderschrijven naar het oordeel van het Gerecht dat de wetgever bij de invoering van deze regeling vooral oog heeft gehad op rechtspersonen waarvan geen bekende baten of activiteiten in het maatschappelijk verkeer meer te verwachten zijn. Nergens blijkt dat de wetgever daarbij heeft onderkend dat deze vereenvoudigde regeling ook actieve en bereikbare rechtspersonen met reële activa en lopende rechtsverhoudingen treft en dat die rechtspersonen uitsluitend wegens een betalingsachterstand in de jaarlijkse handelsregisterbijdrage worden ontbonden, terwijl de gevolgen daarvan zeer verstrekkend zijn. Na ontbinding kan de ontbonden rechtspersoon zijn oorspronkelijke activiteiten immers niet langer voortzetten. Op grond van artikel 2:28, eerste lid, van het BW is zijn doel vanaf dat moment beperkt tot de vereffening van zijn vermogen en tot wat daarvoor dienstig is. Dat betekent dat de rechtspersoon alleen nog handelingen kan verrichten die nodig zijn voor de afwikkeling van bestaande zaken. Hij kan geen nieuwe verplichtingen aangaan die zijn gericht op voortzetting van zijn activiteiten. Daarbij komt dat de gevolgen van ontbinding niet eenvoudig ongedaan kunnen worden gemaakt. Voor een doorstart zal in beginsel een nieuwe rechtspersoon moeten worden opgericht en zullen die rechtspersoon en de daarvoor benodigde activa, contracten, vergunningen en andere rechten en verplichtingen opnieuw moeten worden ingericht of overgedragen. Dat brengt juridische en administratieve werkzaamheden mee en kan aanzienlijke kosten veroorzaken. Bovendien kunnen bestaande contractuele relaties, vergunningen en andere rechten niet steeds zonder meer worden overgenomen. Een ontbinding kan daardoor een feitelijke en financiële belemmering vormen voor voortzetting van de rechtspersoon, met alle ingrijpende gevolgen van dien.

Het Gerecht concludeert dat de wetgever met de invoering van de eenvoudige en efficiënte regeling voor het ontbinden van ‘lege’ rechtspersonen door de KvK niet heeft onderkend dat daarmee ook rechtspersonen die nog volop activiteiten verrichten in het maatschappelijk verkeer uitsluitend wegens een betalingsachterstand op eenvoudige wijze kunnen worden ontbonden. Niet is gebleken dat de ingrijpende gevolgen daarvan bij de vaststelling van die regeling zijn verdisconteerd.

Bij de beoordeling van de vraag waar deze conclusie toe moet leiden, acht het Gerecht nog het volgende van belang. De verplichting tot de jaarlijkse betaling van een bedrag om ingeschreven te staan in het Handelsregister volgt uit artikel 14, eerste lid, van de Handelsregisterverordening. Gelet op het achtste lid van die verordening heeft de KvK de mogelijkheid om bij gebreke van betaling van de handelsregisterbijdrage tot aanmaning en invordering over te gaan. Desgevraagd heeft de KvK ter zitting verklaard dat ieder jaar één brief wordt verzonden om rechtspersonen te herinneren aan hun betalingsverplichting op grond van het eerste lid van artikel 14 van de Handelsregisterverordening en dat weinig tot geen gebruik wordt gemaakt van mogelijkheden om deze bijdrage op andere wijze te innen. Niet is gebleken dat de KvK TTEF heeft aangemaand de achterstallige bijdrage te betalen. De KvK heeft ter zitting verder toegelicht dat het niet haar bedoeling is om rechtspersonen zoals TTEF, die nog volop activiteiten verrichten in het maatschappelijk verkeer, te ontbinden. Ook onderkent zij de verstrekkende gevolgen daarvan voor TTEF. Zij ziet zich echter gedwongen om over te gaan tot ontbinding als aan één van de voorwaarden van artikel 2:25, eerste lid, van het BW is voldaan. De KvK heeft tot slot gesteld onvoldoende middelen ter beschikking te hebben om in alle gevallen waarin een rechtspersoon wordt ontbonden op de grond dat de jaarlijkse handelsregisterbijdrage niet is voldaan, te onderzoeken of die rechtspersoon nog volop maatschappelijk actief is.

In dit geval is TTEF alleen ontbonden omdat zij langer dan één jaar de handelsregisterbijdrage niet heeft betaald. Niet is gebleken dat TTEF geen bestuurder had, onbereikbaar was, feitelijk niet meer actief was of anderszins behoorde tot de groep lege of verlaten rechtspersonen waarop de regeling in het bijzonder ziet. Ook heeft de KvK niet geprobeerd de verschuldigde bijdrage op een andere wijze te innen. Daartegenover staan de ingrijpende gevolgen van ontbinding en vereffening door de KvK. TTEF is niet langer in staat haar gewone activiteiten voort te zetten en voor haar belangen op te komen. Dat zij de civiele rechter om heropening van de vereffening kan verzoeken, zoals de KvK stelt, doet niet af aan de ernst van de gevolgen. Ook dan kan zij immers haar activiteiten niet voortzetten maar alleen die activiteiten verrichten voor zover deze dienstbaar zijn aan de vereffening. Nu TTEF een volop maatschappelijk actieve rechtspersoon is voor wie de gevolgen zeer verstrekkend zijn en het uitsluitend gaat om het niet betalen van de handelsregisterbijdrage, leidt toepassing van artikel 2:25, eerste lid, van het BW onder deze omstandigheden tot een uitkomst die zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing in dit geval achterwege moet blijven.

Uit het voorgaande volgt dat de KvK weliswaar terecht heeft vastgesteld dat aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 2:25, eerste lid, van het BW was voldaan, maar dat toepassing van die bepaling in dit concrete geval toch achterwege had moeten blijven. De KvK heeft TTEF daarom ten onrechte ontbonden.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepsgrond van TTEF slaagt. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de ontbindingsbeschikking van de KvK wordt vernietigd. De KvK hoeft geen nieuwe beschikking te nemen. De KvK moet op grond van artikel 2:25a, tweede lid, van het BW wel de beslissing op het beroep inschrijven in het handelsregister. Daarnaast moet de KvK op grond van het derde lid van dit artikel van de vernietiging van de ontbindingsbeschikking mededeling doen op haar website, in de Landscourant en in een of meer dagbladen.

7. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt het Gerecht de KvK in de door TTEF gemaakte proceskosten. Gelet op artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden samenhangende zaken beschouwd als één zaak. Als samenhangende zaken worden aangemerkt door een of meer belanghebbende ingestelde beroepen tegen nagenoeg identieke beschikkingen op vergelijkbare gronden die door de bestuursrechter gelijktijdig worden behandeld en waarin de rechtsbijstand wordt verleend door dezelfde persoon of personen. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak CUR202602213. In die zaak is de rechtsbijstand verleend door dezelfde personen als in deze zaak en zijn vergelijkbare gronden naar voren gebracht. Ook in die zaak wordt het beroep door het Gerecht gegrond verklaard. De proceskostenvergoeding wordt voor beide zaken bepaald op een totaalbedrag van Cg 1.400,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde per punt Cg 700,- en wegingsfactor 1). Dat betekent dat de proceskostenvergoeding in deze zaak wordt bepaald op Cg 700,- (de helft van het totaalbedrag van Cg 1.400,-). Verder zal het Gerecht bepalen dat de KvK het door TTEF betaalde griffierecht ter hoogte van Cg 150,- aan haar moet vergoeden.

Beslissing

Het Gerecht:

Aldus vastgesteld door mr. S.B. Smit-Colenbrander, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat géén hoger beroep open. Dat volgt uit artikel 2:25a, eerste lid, van het BW.

Het wettelijk kader

Artikel 2:25 van het BW

1. Een in het handelsregister ingeschreven naamloze vennootschap, besloten vennootschap, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, vereniging, stichting of stichting particulier fonds, wordt door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Nijverheid ontbonden, indien de Kamer is gebleken dat ten minste een van de navolgende omstandigheden zich voordoet:

a. gedurende ten minste een jaar staan geen bestuurders van de rechtspersoon in het register ingeschreven, terwijl ook geen opgaaf tot inschrijving is gedaan, dan wel er doet zich, indien er wel bestuurders staan ingeschreven, een van de navolgende omstandigheden voor:

1°. alle bestuurders zijn overleden;

2°. alle bestuurders zijn niet bereikbaar gebleken op het in het register vermelde adres van de rechtspersoon.

b. blijkens de administratie van de Kamer heeft de rechtspersoon gedurende ten minste een jaar niet voldaan aan de verplichting om het voor inschrijving in het handelsregister verschuldigde bedrag te voldoen.

2. De Kamer maakt het voornemen tot ontbinding van de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, bekend, met vermelding van de omstandigheden waarop het voornemen is gegrond.

3. De bekendmaking van het voornemen vindt plaats door opname van de statutaire naam van de rechtspersoon op een lijst, aan te duiden als ontbindingslijst, die geplaatst wordt op de webpagina van de Kamer.

4. Tevens doet de Kamer van de plaatsing van de ontbindingslijst mededeling in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst en in een of meer hier te lande verschijnende dagbladen.

5. Na verloop van zes weken na de mededeling, bedoeld in het vierde lid, ontbindt de Kamer de rechtspersoon bij beschikking, tenzij voordien aan de Kamer is gebleken dat de omstandigheden bedoeld in het eerste lid zich niet of niet meer voordoen.

6. De beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon wordt bekendgemaakt door opname daarvan in het handelsregister en door bekendmaking overeenkomstig het derde en vierde lid.

Artikel 2:25a van het BW

1. Ten aanzien van een beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon als bedoeld in artikel 25, eerste lid, zijn de artikelen 55 en 75 van de Landsverordening administratieve rechtspraak niet van toepassing.

2. Indien tegen een beschikking tot ontbinding beroep ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak wordt ingesteld, schrijft de Kamer dat in het handelsregister in. De beslissing op het beroep wordt tevens ingeschreven.

3. Indien de beslissing op beroep strekt tot vernietiging van de beschikking doet de Kamer daarvan een mededeling opnemen op de webpagina van de Kamer en doet zij daarvan mededeling in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst en in een of meer hier te lande verschijnende dagbladen.

4. Gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon na de beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon had opgehouden te bestaan, is er een verlengingsgrond als bedoeld in artikel 320 van Boek 3 ten aanzien van de verjaring van rechtsvorderingen van of tegen de rechtspersoon.

Artikel 2:25b van het BW

1. De Kamer kan in de beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 25, eerste lid, een vereffenaar aanwijzen.

2. De Kamer treedt op als vereffenaar van het vermogen van de ontbonden rechtspersoon, indien geen vereffenaar is aangewezen als bedoeld in het eerste lid, noch als bedoeld in artikel 29, eerste lid.

3. De Kamer die optreedt als vereffenaar, handelt overeenkomstig de bepalingen van artikel 31, vijfde en zesde lid. Artikel 25, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de mededeling, bedoeld in artikel 31, vijfde en zevende lid.

4. De Kamer bewaart de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden rechtspersoon, voor zover deze onder haar berusten, gedurende tien jaren ten kantore van het handelsregister.

5. De Kamer is niet aansprakelijk voor de gevolgen van de beschikking tot ontbinding, de benoeming van een vereffenaar of de vereffening op grond van dit artikel.

Artikel 14 van de Handelsregisterverordening

1. Bij de eerste inschrijving van een onderneming, rechtspersoon, trust of nevenvestiging en vervolgens jaarlijks na het jaar van inschrijving, zijn voor elke ingeschreven onderneming, rechtspersoon, trust of nevenvestiging aan de Kamer van Koophandel verschuldigd, op grondslag van het in de onderneming, rechtspersoon, trust of nevenvestiging aanwezige eigen vermogen, de door de Kamer van Koophandel vast te stellen bedragen, […].

8. De Kamer geeft kennis aan belanghebbende van de bedragen verschuldigd ingevolge de voorgaande bepalingen, welke bedragen dan binnen een maand na dagtekening van de mededeling moeten zijn voldaan. Bij gebreke van betaling zijn van overeenkomstige toepassing de bepalingen die bij wanbetaling van de kohierbelastingen gelden.

Artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht1. Samenhangende zaken worden voor de toepassing van artikel 2, sub a, beschouwd als één zaak.

2. Samenhangende zaken zijn: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door één of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke beschikkingen op vergelijkbare gronden ingediende bezwaarschriften dan wel beroepen, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, sub a, is verleend door één of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand