Uitspraak
op het verzoek om voorlopige voorziening en met toepassing van artikel 95 van de Lar, op het beroep in de zaak tussen:
de vereniging CURAÇAO BANKERS ASSOCIATION,
gevestigd in Curaçao,eiseres, vertegenwoordigd door: mr. H.W. Braam,
tegen
de Kamer van Koophandel en Nijverheid van Curaçao (KvK),verweerder, gemachtigde: mr. A.C. van Hoof.
Partijen worden hierna aangeduid als CBA en KvK.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van CBA tegen de beslissing van de KvK van 18 mei 2026 om CBA op grond van artikel 2:25 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te ontbinden (de ontbindingsbeschikking). Daarnaast beoordeelt het Gerecht het verzoek van CBA om een voorlopige voorziening te treffen.
CBA heeft op 13 augustus 2026 beroep ingesteld tegen de ontbindingsbeschikking en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
De KvK heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Het Gerecht heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 16 september 2026 op zitting behandeld. CBA heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Braam. De KvK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Hoof.
Kortsluiten
Het Gerecht is van oordeel dat een nader onderzoek naar de feiten niet noodzakelijk is. Om die reden zal het Gerecht met toepassing van artikel 95, eerste lid, aanhef en onder b, van de Lar niet alleen uitspraak doen op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroepschrift.
Doordat het Gerecht uitspraak zal doen op het beroepschrift, bestaat geen aanleiding voor het toewijzen van het verzoek om voorlopige voorziening. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Beoordeling door het Gerecht
3. Het beroep is gegrond. Hoewel CBA haar beroep na afloop van de beroepstermijn heeft ingesteld, is die termijnoverschrijding verschoonbaar. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat voldoende aannemelijk is geworden dat CBA niet bekend was met de betalingsachterstand van de handelsregisterbijdrage en dat zij niet hoefde te voorzien dat zij om die reden op een ontbindingslijst zou worden geplaatst. Onder die omstandigheden kon van CBA niet verlangd worden dat zij de ontbindingslijsten in de gaten zou houden om tijdig beroep in te kunnen stellen. Ook de ontbinding zelf kan niet in stand blijven. Hoewel CBA de handelsregisterbijdrage langer dan één jaar niet heeft betaald, had de KvK artikel 2:25 van het BW in dit geval buiten toepassing moeten laten. Uit de Memorie van Toelichting blijkt namelijk dat deze regeling vooral is bedoeld om lege, verlaten of onbereikbare rechtspersonen uit het handelsregister te verwijderen. Van zo’n situatie is bij CBA niet gebleken. CBA was alleen nalatig met betaling van de handelsregisterbijdrage, terwijl ontbinding voor haar zeer ingrijpende gevolgen heeft. Daarom is toepassing van artikel 2:25, eerste lid, van het BW in dit concrete geval onevenredig. De ontbindingsbeschikking wordt vernietigd. De KvK moet de beslissing op het beroep inschrijven in het handelsregister en de vernietiging van de ontbindingsbeschikking publiceren op haar website, de Landscourant en in een of meer dagbladen. Tot slot wordt de KvK veroordeeld in de proceskosten.
Welke wettelijke regels zijn van toepassing in deze zaak?
De wettelijke bepalingen die van belang zijn in deze zaak zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Uit artikel 16 van de Lar volgt dat een overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar is als de indiener aantoont dat sprake is van bijzondere omstandigheden die hem niet kunnen worden toegerekend. Ook moet hij beroep hebben ingesteld zodra dat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht. Is aan beide voorwaarden voldaan, dan leidt de termijnoverschrijding niet tot nietontvankelijk verklaring van het beroep.
Het toetsingskader voor ontbinding van rechtspersonen door de KvK op grond van artikel 2:25 van het BW houdt kortgezegd in dat de KvK tot ontbinding van een ingeschreven rechtspersoon moet overgaan als:
a. er gedurende één jaar geen bestuurder in het handelsregister staat ingeschreven en/of;
b. de bijdrage om in het handelsregister ingeschreven te staan ten minste één jaar niet is betaald.
Voordat de KvK definitief tot ontbinding overgaat, moet eerst een voornemen tot ontbinding bekend worden gemaakt. Dit gebeurt door de rechtspersoon op een ontbindingslijst te plaatsen. Deze ontbindingslijst moet worden gepubliceerd op de website van de KvK, in de Landscourant en in een of meer dagbladen. Ná deze bekendmaking heeft de rechtspersoon zes weken de tijd om ervoor te zorgen dat de hiervoor onder a. en b. genoemde omstandigheden zich niet meer voor doen. Als de rechtspersoon daar niet voor zorgt, dan moet de KvK de rechtspersoon ontbinden. De eisen die de wet stelt aan de publicatie van de ontbindingsbeschikking, zijn dezelfde als voor het voornemen tot ontbinding.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
CBA is op 21 februari 1972 opgericht en heeft als doel ‘het behartigen van de belangen van commerciële banken en het bankwezen op Curaçao in het algemeen, in de ruimste zin van het woord’. CBA is per jaar een handelsregisterbijdrage van (thans) Cg 125,- verschuldigd.
Op 18 mei 2026 heeft de KvK CBA ontbonden omdat zij langer dan één jaar de jaarlijkse bijdrage voor inschrijving in het handelsregister niet had voldaan.
De KvK heeft eerst een voornemen om tot ontbinding over te gaan bekend gemaakt door de naam van CBA op 13 januari 2026 te plaatsen op de ontbindingslijst, bekendgemaakt op de webpagina van de KvK op 30 januari 2026. Daarnaast heeft de KvK de mededeling van de bekendmaking van de ontbindingslijst geplaatst in de Landscourant van Curaçao van 30 januari 2026 en de Extra van 26 maart 2026.
De KvK heeft vervolgens op 18 mei 2026 geconstateerd dat de reden voor ontbinding van CBA zich nog steeds voordeed. De KvK heeft CBA daarom bij de ontbindingsbeschikking ontbonden.
De KvK heeft de ontbindingsbeschikking bekend gemaakt door opname in het Handelsregister. Op 21 mei 2026 heeft de KvK de naam van CBA geplaatst op een lijst van ontbindingsbeschikkingen op de webpagina van de KvK. De mededeling van de bekendmaking van de lijst van ontbindingsbeschikkingen is geplaatst in de Landscourant van Curaçao van 22 mei 2026, en het Antilliaans Dagblad en de Extra, beide van 25 mei 2026.
CBA heeft op 13 augustus 2026 beroep ingesteld tegen de ontbindingsbeschikking en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Is het beroep ontvankelijk?
CBA voert aan dat zij pas op 7 augustus 2026 kennis heeft genomen van de ontbindingsbeschikking en dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Zij was niet op de hoogte van een betalingsachterstand over de jaren 2023 en 2024. Zij heeft geen betalingsherinneringen ontvangen en zij is bij de betaling aan de KvK van de handelsbijdrage over het jaar 2025 ook niet gewezen op een betalingsachterstand over voorgaande jaren. Zij kon niet voorzien dat zij om die reden ontbonden zou (kunnen) worden zodat voor haar geen aanleiding bestond om de publicaties van ontbindingslijsten in de gaten te houden. CBA heeft zo spoedig mogelijk nadat zij op de hoogte was van de ontbindingsbeschikking beroep ingesteld bij het Gerecht.
Het Gerecht stelt vast dat de bekendmaking van de ontbindingsbeschikking heeft plaatsgevonden op de bij artikel 2:25 van het BW voorgeschreven wijze. Op grond van artikel 16, eerste en tweede lid, van de Lar is de beroepstermijn aangevangen op 26 mei 2026, de dag na de mededeling in het Antilliaans Dagblad en de Extra. De beroepstermijn is geëindigd op 6 juli 2026. CBA heeft op 13 augustus 2026 haar beroepschrift ingediend. CBA heeft haar beroep na het verstrijken van de beroepstermijn, dus te laat ingesteld.
Bij de beantwoording van de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is, neemt het Gerecht tot uitgangspunt wat is overwogen in de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 14 februari 2024. In deze uitspraak heeft het Hof, onder verwijzing naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024 onderschreven dat er voor bestuursorganen en bestuursrechters reden is om bij de handhaving van bezwaar- en beroepstermijnen minder strikt te zijn. Het Hof heeft zich aangesloten bij wat in 2 tot en met 6 van de uitspraak van het CBb is overwogen. Het CBb heeft het beoordelingskader verder verduidelijkt in de uitspraak van 27 augustus 2024. Daarin is overwogen dat de bestuursrechter enige ruimte heeft om ook in gevallen waarin sprake is van slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan de indiener toe te rekenen. Volgens het CBb geldt die overweging niet alleen in geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, maar ook als het gaat of medegaat om het handelen of nalaten van het bestuursorgaan of als zich andere redenen voordoen of mede voordoen.
Het Gerecht beoordeelt of de termijnoverschrijding redelijkerwijs aan CBA kan worden toegerekend. Het Gerecht is van oordeel dat dit niet het geval is en dat de termijnoverschrijding voor het instellen van beroep verschoonbaar is. Daartoe wordt het volgende overwogen.
De verplichting tot de jaarlijkse betaling van een bedrag om ingeschreven te staan in het Handelsregister volgt uit artikel 14, eerste lid, van de Handelsregisterverordening. Op grond van het achtste lid kan de KvK bij gebreke van betaling van de handelsregisterbijdrage overgaan tot aanmaning en invordering. De KvK heeft ter zitting verklaard dat jaarlijks één brief wordt verzonden om rechtspersonen aan deze betalingsverplichting te herinneren. Van de mogelijkheid om aan te manen en in te vorderen om de verschuldigde bijdrage alsnog te innen wordt volgens de KvK weinig tot geen gebruik gemaakt. Voorts heeft de KvK toegelicht dat het niet haar bedoeling is om rechtspersonen zoals CBA, die nog activiteiten verrichten in het maatschappelijk verkeer, te ontbinden. Zij beschikt echter over onvoldoende middelen om in alle gevallen waarin een rechtspersoon wordt ontbonden op de grond dat de jaarlijkse handelsregisterbijdrage niet is voldaan, te onderzoeken of die rechtspersoon nog volop maatschappelijk actief is
Met de landsverordening van 20 december 2016 is Boek 2 van het BW gewijzigd. In de artikelen 2:25, 2:25a en 2:25b van het BW is een regeling opgenomen die ontbinding van rechtspersonen door de KvK mogelijk maakt. Volgens de Memorie van Toelichting is deze regeling ingevoerd met het oog op internationale verplichtingen op het gebied van transparantie en informatie-uitwisseling en ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. De regeling beoogt te voorkomen dat rechtspersonen die feitelijk niet langer actief zijn, geen bereikbaar bestuur hebben of geen bevoegde vertegenwoordiger hebben, blijven voortbestaan en daardoor het rechtsverkeer en internationale informatie-uitwisseling bemoeilijken. Ook voldoen deze rechtspersonen daarnaast veelal niet aan de verplichting om het voor inschrijving in het handelsregister verschuldigde bedrag te betalen. De Toelichting benadrukt dat lege of verlaten rechtspersonen bovendien risico’s opleveren voor oneigenlijk gebruik. Vanwege het grote aantal inactieve rechtspersonen in Curaçao is een grootschalige opschoning van het handelsregister noodzakelijk en moet de regeling eenvoudig en efficiënt uitvoerbaar zijn. Daarom is gekozen voor duidelijke criteria en een gestandaardiseerde bekendmakingsprocedure, zodat het handelsregister snel en zorgvuldig kan worden opgeschoond.
Naar het oordeel van het Gerecht blijkt uit de Toelichting dat de wetgever heeft gekozen voor een vereenvoudigde en efficiënte ontbindingsprocedure door de KvK vanwege de noodzaak voor grootschalige opschoning van het handelsregister van lege, verlaten of onbereikbare rechtspersonen. Moest de KvK vóór 20 december 2016 nog een aanmaning sturen voor de betaling van de handelsregisterbijdrage en werd het voornemen tot ontbinding schriftelijk aan alle ingeschreven bestuurders toegezonden, de regeling zoals die geldt sinds 20 december 2016 voorziet daarentegen alleen nog in plaatsing van de rechtspersoon op een ontbindingslijst op de website van de KvK, met een mededeling daarvan in de Landscourant en in dagbladen. Volgens de Toelichting is daarvoor gekozen omdat individuele kennisgeving vaak niet goed mogelijk is, juist omdat het gaat om rechtspersonen die niet of moeilijk bereikbaar zijn. Voor deze rechtspersonen biedt de regeling volgens de wetgever voldoende rechtsbescherming middels de voorafgaande bekendmaking, de mogelijkheid tot herstel binnen zes weken, beroep bij het Gerecht en heropening van de vereffening.
Nu de vereenvoudigde regeling niet langer het versturen van aanmaningen en individuele kennisgevingen voorschrijft en de KvK weinig tot geen gebruik maakt van haar bevoegdheid de handelsregisterbijdrage eerst op andere wijze te innen, is naar het oordeel van het Gerecht voldoende aannemelijk geworden dat CBA niet op de hoogte was van haar betalingsachterstand. Het wekt dan ook geen bevreemding dat CBA er geen rekening mee heeft gehouden dat zij vanwege een betalingsachterstand ontbonden zou worden. De wijze van bekendmaking van ontbindingsbeschikkingen brengt onder deze omstandigheden het risico met zich dat rechtspersonen, zoals CBA, die geen concrete aanleiding hebben dat zij zullen worden ontbonden en daarom de gepubliceerde lijsten niet nauwlettend volgen, pas na het verstrijken van de beroepstermijn van de ontbinding op de hoogte raken. Ook is van belang dat de vereenvoudigde ontbindingsregeling is bedoeld voor niet of moeilijk bereikbare rechtspersonen. Die regeling mag er niet toe leiden dat actieve rechtspersonen, voor wie de gevolgen van ontbinding zeer ingrijpend kunnen zijn, onvoldoende gelegenheid krijgen om tegen de ontbinding op te komen. Gelet op deze omstandigheden kan de termijnoverschrijding CBA slechts in geringe mate worden verweten en redelijkerwijs niet aan haar worden toegerekend. Niet in geschil is dat het beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend. Dit betekent dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is en niet-ontvankelijk verklaring van het beroep om die reden achterwege blijft.
Heeft de KvK CBA terecht ontbonden?
In deze zaak staat niet ter discussie dat CBA een betalingsachterstand had en langer dan één jaar het bedrag om in het handelsregister ingeschreven te staan niet heeft voldaan.
CBA voert aan dat zij ten onrechte is ontbonden nu zij niet op de hoogte was van een betalingsachterstand en de gevolgen heel ernstig zijn, niet alleen voor haarzelf maar ook voor de banken en het bankwezen op Curaçao in het algemeen voor wie zij de belangen behartigt. Het belang dat door de KvK wordt nagestreefd met de opschoning van het handelsregister, staat volgens CBA niet in verhouding tot de gevolgen die ontbinding van CBA met zich brengt.
De KvK stelt daartegenover dat zij CBA op grond van artikel 2:25, eerste lid, van het BW moest ontbinden. Volgens de KvK staat vast dat CBA de jaarlijkse bijdrage voor inschrijving in het handelsregister langer dan één jaar niet had betaald, dat het voornemen tot ontbinding op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt en dat CBA de betalingsachterstand niet binnen de wettelijke termijn van zes weken had opgeheven. Daarmee is volgens de KvK voldaan aan de wettelijke voorwaarde voor ontbinding en moest zij gelet op het gebonden karakter van haar bevoegdheid overgaan tot ontbinding. Volgens de KvK biedt artikel 2:25 van het BW geen ruimte voor nader onderzoek, een individuele belangenafweging of toetsing aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Het Gerecht overweegt als volgt. De ontbindingsbeschikking berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een wet in formele zin. Het is vaste rechtspraak dat een bepaling van een wet in formele zin niet exceptief kan worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, zoals het evenredigheidsbeginsel. Dat neemt niet weg dat toepassing van zo’n bepaling in een concreet geval achterwege kan blijven wanneer zich bijzondere omstandigheden voordoen die de wetgever niet of niet volledig heeft verdisconteerd. Daarvoor is vereist dat toepassing van de wettelijke bepaling, gelet op die omstandigheden, zozeer in strijd komt met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht dat toepassing achterwege moet blijven. Naar het oordeel van het Gerecht doet die uitzonderlijke situatie zich hier voor.
Onder verwijzing naar 6.6 en 6.7 wordt overwogen dat uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever bij de invoering van de vereenvoudigde ontbindingsregeling door de KvK vooral oog heeft gehad op de ontbinding van rechtspersonen waarvan geen bekende baten of activiteiten in het maatschappelijk verkeer meer te verwachten zijn. Dit blijkt niet alleen uit de algemene wijze van bekendmaking waarvoor de wetgever in de ontbindingsprocedure heeft gekozen, maar wordt ook onderstreept door de beperkte rol die de KvK volgens de Toelichting in dit proces als vereffenaar heeft en de uitsluiting van haar aansprakelijkheid. Als vereffenaar doet de KvK volgens de Toelichting alleen dat wat noodzakelijk wordt geacht om de verlaten rechtspersoon te ontbinden en om de daarmee verband houdende procedure af te sluiten. De uitsluiting van aansprakelijkheid wordt door de wetgever voorts gerechtvaardigd geacht door de beperkte, uitvoerende rol van de KvK binnen de ontbindingsprocedure en de doelstelling om misbruik van verlaten rechtspersonen tegen te gaan. Nergens blijkt dat de wetgever heeft onderkend dat deze vereenvoudigde regeling ook actieve en bereikbare rechtspersonen met reële activa en lopende rechtsverhoudingen treft en dat die rechtspersonen uitsluitend wegens een betalingsachterstand in de jaarlijkse handelsregisterbijdrage worden ontbonden, terwijl de gevolgen daarvan zeer verstrekkend zijn. Na ontbinding kan de ontbonden rechtspersoon zijn oorspronkelijke activiteiten immers niet langer voortzetten. Op grond van artikel 2:28, eerste lid, van het BW is zijn doel vanaf dat moment beperkt tot de vereffening van zijn vermogen en tot wat daarvoor dienstig is. Dat betekent dat de rechtspersoon alleen nog handelingen kan verrichten die nodig zijn voor de afwikkeling van bestaande zaken. Hij kan geen nieuwe verplichtingen aangaan die zijn gericht op voortzetting van zijn activiteiten. Daarbij komt dat de gevolgen van ontbinding niet eenvoudig ongedaan kunnen worden gemaakt. Voor een doorstart zal in beginsel een nieuwe rechtspersoon moeten worden opgericht en zullen die rechtspersoon en de daarvoor benodigde activa, contracten, vergunningen en andere rechten en verplichtingen opnieuw moeten worden ingericht of overgedragen. Dat brengt juridische en administratieve werkzaamheden mee en kan aanzienlijke kosten veroorzaken. Bovendien kunnen bestaande contractuele relaties, vergunningen en andere rechten niet steeds zonder meer worden overgenomen. Een ontbinding kan daardoor een feitelijke en financiële belemmering vormen voor voortzetting van de rechtspersoon, met alle ingrijpende gevolgen van dien.
Het Gerecht concludeert dat de wetgever met de invoering van de eenvoudige en efficiënte regeling voor het ontbinden van ‘lege’ rechtspersonen door de KvK niet heeft onderkend dat daarmee ook rechtspersonen die nog volop activiteiten verrichten in het maatschappelijk verkeer uitsluitend wegens een betalingsachterstand op eenvoudige wijze kunnen worden ontbonden. Niet is gebleken dat de ingrijpende gevolgen daarvan bij de vaststelling van die regeling zijn verdisconteerd.
In dit geval is CBA alleen ontbonden omdat zij langer dan één jaar de handelsregisterbijdrage niet heeft betaald. Niet is gebleken dat CBA geen bestuurder had, onbereikbaar was, feitelijk niet meer actief was of anderszins behoorde tot de groep lege of verlaten rechtspersonen waarop de regeling in het bijzonder ziet. Ook heeft de KvK niet geprobeerd de verschuldigde bijdrage op een andere wijze te innen. Daartegenover staan de ingrijpende gevolgen van ontbinding en vereffening door de KvK. CBA is niet langer in staat haar gewone activiteiten voort te zetten en voor haar belangen op te komen. Dat zij de civiele rechter om heropening van de vereffening kan verzoeken, zoals de KvK stelt, doet niet af aan de ernst van de gevolgen. Ook dan kan zij immers haar activiteiten niet voortzetten maar alleen die handelingen verrichten voor zover deze dienstbaar zijn aan de vereffening. Nu CBA een volop maatschappelijk actieve rechtspersoon is voor wie de gevolgen zeer verstrekkend zijn en het uitsluitend gaat om het niet betalen van de handelsregisterbijdrage, leidt toepassing van artikel 2:25, eerste lid, van het BW onder deze omstandigheden tot een uitkomst die zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing in dit geval achterwege moet blijven.
Uit het voorgaande volgt dat de KvK weliswaar terecht heeft vastgesteld dat aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 2:25, eerste lid, van het BW was voldaan, maar dat toepassing van die bepaling in dit concrete geval toch achterwege had moeten blijven. De KvK heeft CBA daarom ten onrechte ontbonden.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
8. De beroepsgrond van CBA slaagt. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de ontbindingsbeschikking van de KvK wordt vernietigd. De KvK hoeft geen nieuwe beschikking te nemen. De KvK moet op grond van artikel 2:25a, tweede lid, van het BW wel de beslissing op het beroep inschrijven in het handelsregister. Daarnaast moet de KvK op grond van het derde lid van dit artikel van de vernietiging van de ontbindingsbeschikking mededeling doen op haar website, in de Landscourant en in een of meer dagbladen.
9. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt het Gerecht de KvK in de door CBA gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op Cg 1.400,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Cg 700,-, wegingsfactor 1). Verder zal het Gerecht bepalen dat de KvK het door CBA betaalde griffierecht ter hoogte van Cg 150,- aan haar moet vergoeden.
Het Gerecht:
Aldus vastgesteld door mr. S.B. Smit-Colenbrander, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat géén hoger beroep open. Dat volgt uit artikel 2:25a, eerste lid, van het BW.
Het wettelijk kader
Artikel 16 van de Landsverordening administratieve rechtspraak
1. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die waarop de beschikking is gegeven.
2. De dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt, geldt als de dag waarop deze is gegeven.
4. Wanneer het beroepschrift na afloop van de daarvoor gestelde termijn is ingediend, blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien de indiener aantoont dat de termijnoverschrijding het gevolg is van niet aan hem toe te rekenen bijzondere omstandigheden en dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.
Artikel 85 van de Landsverordening administratieve rechtspraak
1. Een beschikking waartegen een beroepschrift bij het Gerecht is ingediend, of waaromtrent een bestuurlijke heroverweging plaatsvindt als bedoeld in hoofdstuk 4, kan op verzoek van de indiener van het beroepschrift onderscheidenlijk de bezwaarde geheel of gedeeltelijk door het Gerecht worden geschorst op grond dat de uitvoering van de beschikking voor hem een onevenredig nadeel met zich mee zal brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van de beschikking te dienen belang. Ook kan op zijn verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen ter voorkoming van onevenredig nadeel als in de eerste volzin bedoeld.
Artikel 95 van de Landsverordening administratieve rechtspraak
1. Indien een verzoek als bedoeld in artikel 85, eerste lid, is gedaan kan het Gerecht onmiddellijk uitspraak op het beroepschrift doen:
a. in de gevallen, genoemd in artikel 79, eerste lid; of
b. indien het Gerecht oordeelt dat de feiten geen nader onderzoek vergen.
Artikel 2:25 van het BW
1. Een in het handelsregister ingeschreven naamloze vennootschap, besloten vennootschap, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, vereniging, stichting of stichting particulier fonds, wordt door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Nijverheid ontbonden, indien de Kamer is gebleken dat ten minste een van de navolgende omstandigheden zich voordoet:
a. gedurende ten minste een jaar staan geen bestuurders van de rechtspersoon in het register ingeschreven, terwijl ook geen opgaaf tot inschrijving is gedaan, dan wel er doet zich, indien er wel bestuurders staan ingeschreven, een van de navolgende omstandigheden voor:
1°. alle bestuurders zijn overleden;
2°. alle bestuurders zijn niet bereikbaar gebleken op het in het register vermelde adres van de rechtspersoon.
b. blijkens de administratie van de Kamer heeft de rechtspersoon gedurende ten minste een jaar niet voldaan aan de verplichting om het voor inschrijving in het handelsregister verschuldigde bedrag te voldoen.
2. De Kamer maakt het voornemen tot ontbinding van de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, bekend, met vermelding van de omstandigheden waarop het voornemen is gegrond.
3. De bekendmaking van het voornemen vindt plaats door opname van de statutaire naam van de rechtspersoon op een lijst, aan te duiden als ontbindingslijst, die geplaatst wordt op de webpagina van de Kamer.
4. Tevens doet de Kamer van de plaatsing van de ontbindingslijst mededeling in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst en in een of meer hier te lande verschijnende dagbladen.
5. Na verloop van zes weken na de mededeling, bedoeld in het vierde lid, ontbindt de Kamer de rechtspersoon bij beschikking, tenzij voordien aan de Kamer is gebleken dat de omstandigheden bedoeld in het eerste lid zich niet of niet meer voordoen.
6. De beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon wordt bekendgemaakt door opname daarvan in het handelsregister en door bekendmaking overeenkomstig het derde en vierde lid.
Artikel 2:25a van het BW
1. Ten aanzien van een beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon als bedoeld in artikel 25, eerste lid, zijn de artikelen 55 en 75 van de Landsverordening administratieve rechtspraak niet van toepassing.
2. Indien tegen een beschikking tot ontbinding beroep ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak wordt ingesteld, schrijft de Kamer dat in het handelsregister in. De beslissing op het beroep wordt tevens ingeschreven.
3. Indien de beslissing op beroep strekt tot vernietiging van de beschikking doet de Kamer daarvan een mededeling opnemen op de webpagina van de Kamer en doet zij daarvan mededeling in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst en in een of meer hier te lande verschijnende dagbladen.
4. Gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon na de beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon had opgehouden te bestaan, is er een verlengingsgrond als bedoeld in artikel 320 van Boek 3 ten aanzien van de verjaring van rechtsvorderingen van of tegen de rechtspersoon.
Artikel 2:25b van het BW
1. De Kamer kan in de beschikking tot ontbinding van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 25, eerste lid, een vereffenaar aanwijzen.
2. De Kamer treedt op als vereffenaar van het vermogen van de ontbonden rechtspersoon, indien geen vereffenaar is aangewezen als bedoeld in het eerste lid, noch als bedoeld in artikel 29, eerste lid.
3. De Kamer die optreedt als vereffenaar, handelt overeenkomstig de bepalingen van artikel 31, vijfde en zesde lid. Artikel 25, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de mededeling, bedoeld in artikel 31, vijfde en zevende lid.
4. De Kamer bewaart de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden rechtspersoon, voor zover deze onder haar berusten, gedurende tien jaren ten kantore van het handelsregister.
5. De Kamer is niet aansprakelijk voor de gevolgen van de beschikking tot ontbinding, de benoeming van een vereffenaar of de vereffening op grond van dit artikel.
Artikel 14 van de Handelsregisterverordening
1. Bij de eerste inschrijving van een onderneming, rechtspersoon, trust of nevenvestiging en vervolgens jaarlijks na het jaar van inschrijving, zijn voor elke ingeschreven onderneming, rechtspersoon, trust of nevenvestiging aan de Kamer van Koophandel verschuldigd, op grondslag van het in de onderneming, rechtspersoon, trust of nevenvestiging aanwezige eigen vermogen, de door de Kamer van Koophandel vast te stellen bedragen, […].
8. De Kamer geeft kennis aan belanghebbende van de bedragen verschuldigd ingevolge de voorgaande bepalingen, welke bedragen dan binnen een maand na dagtekening van de mededeling moeten zijn voldaan. Bij gebreke van betaling zijn van overeenkomstige toepassing de bepalingen die bij wanbetaling van de kohierbelastingen gelden.