GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202501696 en CUR202601230
Vonnis van 26 oktober 2026
in de zaak van
[EISERES], wonende in Curaçao, eiseres, in persoon,
tegen
FOUNDATION OF JEHOVAH'S WITNESSES OF CURAÇAO AND BONAIRE,
gevestigd in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. O.E. Kostrzewski,
en in de zaak van
[EISERES], wonende in Curaçao, eiseres, in persoon,
tegen
[gedaagden 1 t/m 7],
allen wonende in Curaçao,
gemachtigde: mr. O.E. Kostrzewski.
De gedaagde in de zaak CUR202501696 wordt hierna de stichting genoemd. De overige partijen worden hierna met hun achternaam genoemd. De gedaagden in de zaak CUR202601230 worden ook gezamenlijk als ‘[gedaagden 1 t/m 7]’ aangeduid.
Inleiding
[eiseres] is jarenlang lid geweest van de Jehovah’s Getuigen in Curaçao. Zij meent dat zij tijdens haar lidmaatschap en na beëindiging daarvan het slachtoffer is geworden van onrechtmatig handelen dat aan de stichting en aan [gedaagden 1 t/m 7] moet worden toegerekend. Volgens [eiseres] heeft zij onder andere jarenlang tegen haar wil onbetaalde werkzaamheden verricht. Na haar vertrek heeft zij te maken gekregen met sociale uitsluiting door de leden van de gemeenschap. Dit is het gevolg van hoe binnen de gemeenschap met uitgetreden leden moet worden omgegaan. Het gerecht wijst alle vorderingen af. Deels omdat [eiseres] haar verwijten niet voldoende heeft onderbouwd, deels omdat het handelen van gedaagden wordt beschermd door het recht op godsdienstvrijheid.
1. Het procesverloop
Het procesverloop in de zaak CUR202501696 blijkt uit:
het verzoekschrift van 23 mei 2025, met bijlagen;
de aanvullende stukken van [eiseres] ingediend op de rol van 6 oktober 2025;
de conclusie van antwoord, met bijlagen;
het proces-verbaal van de comparitie van 27 januari 2026;
de pleitaantekeningen van de stichting;
de akte van [eiseres] van 2 maart 2026, met aanvullende stukken;
de antwoordakte van de stichting.
Het procesverloop in de zaak CUR202601230 blijkt uit:
het verzoekschrift van 16 april 2026, met bijlagen;
de conclusie van antwoord, met bijlagen.
Beide zaken zijn gezamenlijk behandeld op de zitting van 12 oktober 2026. Voorafgaand aan deze zitting heeft het gerecht bij mail van 8 oktober 2026 vragen gesteld aan partijen, waarop [eiseres] twee aanvullende pleitnota’s in het geding heeft gebracht. Tijdens de zitting heeft [eiseres] nog een pleitnota overgelegd.
Tijdens de zitting hebben partijen ermee ingestemd dat alle stukken van beide procedures over en weer gelden als te zijn overgelegd in de andere procedure.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
De Jehovah’s Getuigen vormen een geloofsgemeenschap. In Curaçao zijn verschillende lokale gemeenten van deze gemeenschap actief, waaronder de gemeente in [plaats].
gedaagden 1 t/m 7] vormen gezamenlijk de ‘body of elders’ van de gemeente in [plaats]. De ‘body of elders’ geeft leiding aan de betreffende gemeente.
De stichting is het juridische vehikel dat de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen in Curaçao onderhoudt. In het register van de Kamer van koophandel is onder andere het volgende als ‘description’ opgenomen:
“1. To propagate “the gospel of the Kingdom of God” under Christ Jesus [...]
[...]
4. To form, organize, and oversee the local congregations of Jehovah’s Witnesses in Curaçao, and to organize, oversee, and conduct religious meetings and assemblies for the public worship.”
eiseres] is op dit moment 55 jaar. Zij is ongeveer veertig jaar lang lid geweest van de Jehovah’s Getuigen in Curaçao, de meeste tijd van de gemeente in [plaats]. Ook haar echtgenoot was in die tijd (en is nog steeds) lid van de Jehovah’s Getuigen.
In 2024 is [eiseres] vertrokken uit de gemeente. Begin 2025 hebben twee van [gedaagden 1 t/m 7] contact met haar gezocht om met haar te spreken over een mogelijke terugkeer in de gemeente. [eiseres] heeft laten weten dat zij geen prijs stelt op verder contact en ook dat zij niet wil dat haar vertrek in een samenkomst van de gemeente zou worden afgekondigd. Enige tijd later is het vertrek van [eiseres] aan de gemeente bekend gemaakt.
3. Het geschil
eiseres] vordert in zaak CUR202501696 – samengevat – dat het gerecht:
voor recht verklaart dat de stichting onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar gedurende decennia structureel te exploiteren en psychisch te beschadigen;
bepaalt dat hieruit volgende schadevergoeding wordt opgemaakt bij staat;
een onafhankelijk onderzoek gelast naar de interne machtsstructuren en sociale controlemechanismen binnen de gemeenschap, gelet op het gebrek aan externe toezichtmogelijkheden en de schadelijke gevolg voor kwestbare leden.
eiseres] vordert in zaak CUR202601230 – samengevat – dat [gedaagden 1 t/m 7] worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van Cg 400.000, met veroordeling van [gedaagden 1 t/m 7] in de proceskosten.
Gedaagden zijn het hier niet mee eens en willen dat de vorderingen in beide procedures worden afgewezen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
4. De beoordeling
Gezamenlijke beoordeling van beide zaken
Omdat de inhoudelijke geschilpunten in beide procedures sterk met elkaar verweven zijn en in elkaar overlopen, zal het gerecht beide zaken gezamenlijk beoordelen. Het navolgende geldt dus als de beoordeling in beide procedures. Voor zover nodig zal op onderdelen onderscheid gemaakt worden.
De standpunten van partijen
Het gerecht vat de verwijten die [eiseres] gedaagden maakt als volgt samen:
[eiseres] heeft zich ruim veertig jaar lang intensief ingezet voor de Jehovah’s Getuigen door het verrichten van allerlei werkzaamheden, zonder dat zij daarvoor enige beloning heeft ontvangen. Die inzet was niet vrijwillig, maar vond plaats onder sociale en religieuze dwang, omdat weigering zou leiden tot verlies van status en reputatie binnen de gemeenschap.
Als lid van de Jehovah’s Getuigen was [eiseres] verplicht een zogenoemde ‘bloedkaart’ bij zich te dragen, waarin staat dat zij geen bloedtransfusie wil ontvangen. Drie keer was een bloedtransfusie nodig, maar die heeft zij vanwege die bloedkaart niet gekregen. Op dit punt is sprake geweest van psychische dwang en mishandeling.
Na haar vertrek uit de gemeenschap heeft [eiseres] uitdrukkelijk laten weten dat zij niet wilde dat haar vertrek in de gemeente bekend zou worden gemaakt, omdat dit grote sociale gevolgen voor haar zou hebben. Toch is haar vertrek aan de gemeente meegedeeld, met alle gevolgen van dien. Hiermee hebben gedaagden de privacy van [eiseres] geschonden.
Na die bekendmaking heeft [eiseres] te maken gekregen met ernstige sociale uitsluiting, tot en met binnen haar eigen familie. Dit past binnen het officiële beleid van de Jehovah’s Getuigen om ieder contact met uitgetreden leden te verbreken. Dit is daarmee het directe gevolg van een systeem van manipulatie en onderdrukking waaraan de Jehovah’s Getuigen zich schuldig maken.
Verder heeft [eiseres] nog gewezen op ongepast gedrag van een ouderling (een andere dan [gedaagden 1 t/m 7] in deze procedure) jegens haar zoon. Het is het gerecht duidelijk dat [eiseres] hier boos over is, maar omdat zij hieraan geen onrechtmatig handelen jegens haarzelf verbindt en een dergelijk verband ook niet is gebleken, laat het gerecht dit verder buiten beschouwing.
Met de onder i. tot en met iv. weergegeven feiten hebben gedaagden volgens [eiseres] haar recht op vrijheid van godsdienst en recht op bescherming van de privacy geschonden. Dit geldt als onrechtmatige daad. Hiervoor houdt [eiseres] gedaagden aansprakelijk.
Gedaagden bestrijden de gemaakte verwijten. Zij voeren aan dat van dwang of misbruik geen sprake is geweest. Het verrichten van vrijwilligerswerk binnen de gemeenschap is de eigen keuze van een lid. Dat geldt ook voor de beslissing van een lid om bloedtransfusies te weigeren. Het klopt dat het vertrek van [eiseres] uit de gemeente bekend is gemaakt en dat het uittreden van een lid bepaalde gevolgen heeft voor hoe volgens de leer van de Jehovah’s Getuigen met zo iemand voortaan wordt omgegaan. Een en ander hangt nauw samen met en vloeit voort uit de wijze waarop volgens de Jehovah’s Getuigen bepaalde bijbelpassages moeten worden uitgelegd. Dit kan dus niet los worden gezien van de binnen de gemeenschap geldende geloofsovertuigingen. De vrijheid van godsdienst brengt mee dat de rechter zich moet onthouden van een oordeel daarover. Gedaagden betwisten dat zij gemeenteleden hebben geïnstrueerd om ieder contact met [eiseres] te vermijden. De mededeling over haar vertrek is strikt zakelijk geweest. Van onrechtmatig handelen van gedaagden is geen sprake geweest.
Toerekening van handelen van ambtsdragers aan de stichting
De stichting meent dat het handelen van [gedaagden 1 t/m 7] of andere ambtsdragers niet aan haar kan worden toegerekend. Zij is slechts het juridische vehikel die het functioneren van de geloofsgemeenschap van de Jehovah’s Getuigen in Curaçao mogelijk maakt, maar zij heeft niet de leiding over de afzonderlijke gemeenten.
Het gerecht verwerpt dit standpunt. Allereerst valt het standpunt van de stichting niet te rijmen met de beschrijving van haar activiteiten in het register van de Kamer van koophandel. Uit het hierboven opgenomen citaat volgt immers dat zij wel degelijk toezicht houdt op de locale gemeenten. Verder is van belang dat de verwijten van [eiseres] zien op uitlatingen en gedragingen van personen die binnen de geloofsgemeenschap van de Jehovah’s Getuigen een officiële functie vervullen, namelijk die van ouderling. Het gaat om uitlatingen en gedragingen die zij (volgens [eiseres]) hebben gedaan in de hoedanigheid van ouderling, dus namens de organisatie die de Jehovah’s Getuigen (ook) zijn. Iemand die meent schade te hebben geleden door toedoen van een ander die namens die organisatie heeft gehandeld, moet de mogelijkheid hebben zich tot die organisatie te wenden. Daarvoor kan [eiseres] dus de stichting aanspreken.
Het juridische kader
In deze zaak gaat het mede om het recht op vrijheid van godsdienst. Op grond van artikel 9 lid 1 EVRM heeft een ieder recht op vrijheid van godsdienst en omvat dit recht tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, en de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften. Dit recht kan alleen worden beperkt als dit bij wet is voorzien en “noodzakelijk is in het belang van [...] de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen” (artikel 9 lid 2 EVRM). In de rechtspraak van de Hoge Raad is aanvaard dat artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) een voldoende wettelijke grondslag vormt voor een beperking van de uitoefening van het recht op godsdienstvrijheid.
Hieruit volgt in de eerste plaats dat [eiseres] de vrijheid had en heeft om de gemeenschap van de Jehovah’s Getuigen te verlaten en daarin niet meer terug te keren. Gedaagden bestrijden deze vrijheid van [eiseres] niet.
In de tweede plaats volgt uit het recht op godsdienstvrijheid dat een geloofsgemeenschap zoals die van de Jehovah’s Getuigen autonomie en vrijheid heeft om zichzelf te organiseren en dat het niet aan de rechter is om een oordeel te geven over de inhoud van geloofsovertuigingen. Dit geldt ook voor besluiten over het toelaten en uitsluiten van leden. Het recht op godsdienstvrijheid geeft een individueel lid geen “right to dissent within a religious community.”
In deze zaak speelt ook het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer een rol. Op grond van artikel 8 EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven en zijn familie- en gezinsleven. Voor een beperking op dit recht geldt hetzelfde regime als weergegeven in 4.7.
Waar eerbiediging van het ene recht (hier: het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiseres]) leidt tot een beperking op het andere recht (hier: de vrijheid van godsdienst van de Jehovah’s Getuigen), moeten die twee fundamentele rechten tegen elkaar worden afgewogen. Bij die afweging moeten alle omstandigheden van dit geval in aanmerking worden genomen.
Onbetaalde arbeid
De stellingen van [eiseres] ten aanzien van verwijt i. zijn naar het oordeel van het gerecht onvoldoende concreet om aansprakelijkheid van gedaagden te kunnen aannemen. Het betoog van [eiseres] komt erop neer dat zij zich jarenlang zonder enige tegenprestatie voor de gemeenschap heeft uitgesloofd en dat dit in feite gedwongen was, omdat weigering binnen de gemeenschap grote sociale gevolgen zou hebben. De stichting heeft dit betwist. Volgens haar vond de inzet van [eiseres] plaats op basis van vrijwilligheid. Daarbij heeft de stichting erop gewezen dat het binnen organisaties zoals een geloofsgemeenschap gebruikelijk is dat leden zich voor de gemeenschap inzetten.
Op deze betwisting heeft [eiseres] in wezen niet gereageerd. Dat had wel gemoeten, omdat nu onvoldoende duidelijk is geworden dat wat de gemeenschap van Jehohah’ s Getuigen van [eiseres] verwachtte eigenlijk neerkwam op dwangarbeid. Het gerecht wijst erop dat het binnen veel organisaties waarin mensen samenkomen gebruikelijk is dat de leden zich op vrijwillige basis, dus zonder vergoeding, voor de organisatie inzetten. Dat geldt voor geloofsgemeenschappen, maar ook voor verenigingen op alle andere denkbare terreinen. Niet ongebruikelijk is dat dergelijke inzet binnen de betreffende organisatie van die leden wordt verwacht en dat, als een lid ‘duikt’ voor dergelijke klussen, dit bepaalde sociale gevolgen heeft, zoals afkeuring en het verlies van reputatie. Dat betekent nog niet dat personen die zich wel voor de organisatie inzetten in feite dwangarbeid verrichten. Uit de stellingen van [eiseres] kan niet worden afgeleid dat dit in haar geval wezenlijk anders was, ook niet als zou moeten worden aangenomen dat de sociale druk binnen de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen op leden om zich in te zetten veel groter is dan bij de meeste andere geloofsgemeenschappen.
De ‘bloedkaart’
Het systeem van de bloedkaart hangt samen met de (toenmalige) geloofsovertuiging van de Jehovah’s Getuigen dat bloedtransfusies op bijbelse gronden niet geoorloofd zijn. Zoals hierboven al overwogen, is het niet aan het gerecht om een oordeel te geven over die overtuiging. Tijdens de zitting heeft [eiseres] erop gewezen dat de Jehovah’s Getuigen hun standpunt over bloedtransfusies recent hebben herzien, maar dat maakt op dit punt geen verschil.
Op zichzelf sluit dit niet uit dat op dit punt onrechtmatig jegens [eiseres] kan zijn gehandeld, bijvoorbeeld als zou moeten worden aangenomen dat zij tegen haar wil is gedwongen om de bloedkaart bij zich te dragen. Tijdens de zitting heeft [eiseres] gesteld dat dit zo is, maar zij heeft dit op geen enkele wijze concreet gemaakt. Dat zij druk heeft ervaren om een bloedkaart bij zich te hebben, omdat zij immers lid was van een gemeenschap waarin dit van leden werd verwacht, is daarvoor onvoldoende. Ook op dit punt heeft zij haar stellingen daarom onvoldoende onderbouwd.
Mededeling vertrek
Vast staat dat in de gemeente van [plaats] mededeling is gedaan van het vertrek van [eiseres] uit de gemeenschap van de Jehovah’s Getuigen. Vast staat ook dat [eiseres] uitdrukkelijk had laten weten dat zij niet wilde dat zo’n mededeling zou worden gedaan. Gedaagden hebben die wens van [eiseres] dus genegeerd. Dit is op zichzelf een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiseres]. De vraag is of gedaagden met die inbreuk onrechtmatig hebben gehandeld. Dat is naar het oordeel van het gerecht niet het geval. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
Zoals hierboven al aan de orde kwam, wordt de vrijheid van geloofsgemeenschappen om zichzelf te organiseren en in dat verband regels op te stellen en te handhaven beschermd door artikel 9 EVRM. Hieronder valt ook het beleid binnen de gemeenschap van de Jehovah’s Getuigen om aan de gemeente mededeling te doen van het vertrek van een lid. In de antwoordakte in zaak CUR202501696 heeft de Stichting uiteengezet dat het informeren van de gemeente over het vertrek van leden binnen de gemeenschap als belangrijk wordt gezien, omdat daarmee duidelijkheid wordt gegeven over de religieuze status van de betrokkene. Tijdens de zitting hebben [gedaagden 1 t/m 7] toegelicht dat een publieke mededeling van het vertrek van een lid van vergelijkbaar belang is als de – eveneens publieke – doop van een nieuw lid. Het gerecht moet deze opvatting van gedaagden respecteren. Overigens valt ook buiten het kader van deze geloofsgemeenschap niet in te zien dat een organisatie achterblijvende leden niet zou mogen informeren over het vertrek van een lid.
De uitoefening van het recht op godsdienstvrijheid door gedaagden botst op dit punt met het recht van [eiseres] op bescherming van haar persoonlijke levenssfeer. [eiseres] heeft betoogd dat daaraan groot gewicht moet worden toegekend, omdat de mededeling van haar vertrek grote gevolgen heeft gehad en gedaagden moeten hebben geweten dat die gevolgen zich zouden voordoen. [eiseres] doelt hier, kort gezegd, op de sociale uitsluiting die zij na de mededeling heeft ondervonden en nog steeds ondervindt. Op het punt van de sociale gevolgen van uittreding gaat het gerecht hierna nader in. De conclusie daarvan is dat gedaagden op dat punt niet onrechtmatig hebben gehandeld. Gedaagden behoefden daarom ook niet, vanwege de mogelijk te verwachten gevolgen ervan voor [eiseres], af te zien van de mededeling omtrent haar vertrek. Dit zou wellicht anders zijn geweest als gedaagden zich bij het doen van die mededeling onnodig grievend over [eiseres] zouden hebben uitgelaten. Daarvan is echter niet gebleken. Gedaagden hebben ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat in een geval als dit altijd een louter zakelijke mededeling van iemands vertrek wordt gedaan en dat dit ook in het geval van [eiseres] is gebeurd. [eiseres] heeft dat op haar beurt niet weersproken, zodat het gerecht hiervan uit gaat.
Het gerecht komt tot de conclusie dat het belang van gedaagden bij uitoefening van het recht op godsdienstvrijheid op dit punt zwaarder weegt dan het belang van [eiseres] bij bescherming van haar persoonlijke levenssfeer. Gedaagden hebben daarom niet onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld door aan de gemeente mededeling te doen van haar vertrek.
Sociale gevolgen van uittreding
eiseres] stelt dat haar vertrek grote negatieve sociale gevolgen heeft gehad en dat dit komt door de binnen de Jehovah’s Getuigen levende opvattingen over hoe met uitgetreden leden moet worden omgegaan. Zij heeft concreet verklaard over de gevolgen voor haarzelf en die stellingen onderbouwd met een verklaring van haar behandelend psycholoog. Ter onderbouwing van haar stelling dat sociale uitsluiting het gevolg is van de opvattingen van de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen heeft [eiseres] verschillende teksten van de website van de stichting overgelegd evenals het leerstellige boekje “Keda den e amor di Dios”. In het hoofdstuk “Kon nos mester trata un persona ekspulsá?” staat onder andere het volgende:
“Pues, nos no ta papia tokante asuntunan spiritual ni tin trato sosial ku personanan ekspulsá. [...] Ta realmente necessario pa evitá tur kontakto ku e persona? Sí, anto pa vários motibu.”
Het hoofdstuk bevat verschillende verwijzingen naar passages uit de bijbel die, volgens de schrijver(s), steun bieden aan de weergegeven opvattingen.
Hiermee heeft [eiseres] haar stellingen voldoende onderbouwd. Gedaagden hebben de stellingen over de binnen hun gemeenschap bestaande opvattingen niet betwist. Gedaagden hebben ter zitting toegelicht dat deze opvattingen uiteindelijk tot doel hebben dat het uitgetreden lid tot het inzicht komt dat hij tot de gemeenschap moet terugkeren, maar dat is geen betwisting van het bestaan van die opvattingen. De stelling van [eiseres] over de sociale gevolgen van haar vertrek uit de gemeenschap hebben gedaagden wel betwist, maar in het licht van de onderbouwing daarvan door [eiseres] is die betwisting onvoldoende onderbouwd. De door [eiseres] gestelde feiten staan daarom vast. Het ligt voor de hand (en moet daarom worden aangenomen) dat de door [eiseres] ondervonden gevolgen van haar vertrek verband houden met de binnen de gemeenschap bestaande opvattingen.
Met hun opvattingen over hoe met vertrokken leden moet worden omgegaan handelen gedaagden op zichzelf niet onrechtmatig. De Jehovah’s Getuigen mogen die opvattingen hebben. Deze worden beschermd door het recht op vrijheid van godsdienst, dat meebrengt dat de rechter zich moet onthouden van een oordeel over een bepaalde leer. Hiertoe behoort ook het recht om die opvattingen binnen de gemeenschap uit te dragen, bijvoorbeeld door uiteenzettingen op de website of door middel van het hierboven aangehaalde boekje. Dat individuele leden van de gemeenschap zich vervolgens naar deze opvattingen gaan gedragen, bijvoorbeeld door ieder contact met [eiseres] uit de weg te gaan, maakt niet dat (het uitdragen van) die opvatting alsnog leidt tot een onrechtmatige gedraging van gedaagden. Dat geldt alleen al omdat een ieder zelf mag bepalen met wie hij sociale omgang heeft. Ook is een ieder vrij in zijn beweegredenen om met bepaalde mensen geen contact te willen hebben. Een recht op sociale omgang kan in het civiele recht niet worden afgedwongen. Vanzelfsprekend zou dit anders (kunnen) zijn als gedaagden de leden van de gemeenschap actief zouden aansporen om een uitgetreden lid lastig te vallen of te bedreigen. Iets dergelijks is in deze zaak echter niet aan de orde.
Dit betekent dat, hoewel vast staat dat [eiseres] negatieve gevolgen heeft ondervonden van haar vertrek uit de gemeenschap van de Jehovah’s Getuigen en dat aannemelijk is dat dit samenhangt met hun opvattingen over hoe met uitgetreden leden moet worden omgegaan, van onrechtmatig handelen van gedaagden geen sprake is.
Conclusie: geen onrechtmatig handelen
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat van onrechtmatig handelen niet is gebleken. Vorderingen i. en ii. in zaak CUR202501696 kunnen dus niet worden toegewezen. Dat geldt ook voor de vordering in zaak CUR202601230.
Geen grondslag voor gelasten van onderzoek
Met de vordering onder iii. in zaak CUR20250196 wil [eiseres] bereiken dat een onderzoek wordt ingesteld naar “de interne machtsstructuren en sociale controlemechanismen” binnen de gemeenschap van de Jehovah’s Getuigen. Volgens [eiseres] is dit nodig omdat externe toezichtmogelijkheden ontbreken en vanwege “de schadelijke gevolgen voor kwetsbare leden.”
De vordering is niet toewijsbaar. Om een vordering te kunnen toewijzen, moet de eisende partij om te beginnen voldoende belang hebben bij die vordering (artikel 3:303 BW). Dat voldoende belang ontbreekt hier. Het gaat [eiseres] met deze vordering kennelijk niet om haar eigen belang, maar om het meer algemene belang van “kwetsbare leden” binnen de gemeenschap. Het is niet aan [eiseres] om een dergelijk algemeen belang te behartigen. Voor een algemeen-belangactie is de regeling van artikel 3:305a BW bedoeld. Een dergelijke vordering kan worden ingesteld door een stichting of een vereniging.
Proceskosten
Alle vorderingen in beide zaken worden dus afgewezen. Daarom wordt [eiseres] veroordeeld in de proceskosten. Deze worden in zaak CUR202501696 begroot op Cg 3.750 aan gemachtigdensalaris en Cg 250 aan nakosten. Hier kan nog een bedrag bijkomen als het vonnis wordt betekend. De proceskosten in zaak CUR202601230 worden begroot op Cg 4.500 aan gemachtigdensalaris. Voor een afzonderlijke begroting van nakosten in deze zaak bestaat geen aanleiding.
In zaak CUR202501696 heeft de Stichting de wettelijke rente over de proceskosten gevorderd. Deze vordering is toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing vermeld.
5. De beslissing
Het gerecht:
wijst alle vorderingen af;
veroordeelt [eiseres] in zaak CUR202501696 in de proceskosten van de Stichting van Cg 4.000, te vermeerden met Cg 150 aan kosten in geval van betekening van dit vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na datum van dit vonnis;
veroordeelt [eiseres] in zaak CUR202601230 in de proceskosten van [gedaagden 1 t/m 7] van Cg 4.500;
verklaart dit vonnis voor wat betreft 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter, bijgestaan door C. Calmez, griffier, en in het openbaar uitgesproken.