GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202600126
Vonnis van 19 oktober 2026
in de zaak van
STICHTING PARTICULIER FONDS U & I REAL ESTATE, gevestigd in Curaçao, eiseres, gemachtigde: mr. C.S.F. Marshall,
tegen
[GEDAAGDE],
wonende in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. E. Frins,
Partijen worden hierna SPF en [gedaagde] genoemd.
Inleiding
Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde] de overeengekomen huur voor de door haar van SPF gehuurde woning heeft betaald. Daarvoor is van belang dat wordt vastgesteld welke huurprijs partijen hebben afgesproken. Het Gerecht komt tot het oordeel dat de huurprijs zoals opgenomen in het schriftelijke huurcontract geldt en dat [gedaagde] is tekort geschoten in haar verplichting om die huurprijs te betalen. Zij wordt veroordeeld tot betaling van de achterstand, behalve voor zover die is verjaard. Ook wordt de huurovereenkomst ontbonden. [gedaagde] moet de woning op een termijn van drie maanden verlaten.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 14 januari 2026, met producties;
de conclusie van antwoord, met producties;
de aanvullende producties 9 en 10 van SPF;
de mondelinge behandeling van 7 oktober 2026;
de pleitnotities van beide gemachtigden.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
De UBO van SPF is [betrokkene]. Hij is de zoon van [gedaagde]. [gedaagde] is op dit moment 85 jaar oud.
SPF is eigenaar van de woning gelegden aan de [adres 1]. [gedaagde] woont sinds ongeveer 2010 in die woning.
Op 1 augustus 2016 hebben partijen een huurcontract ondertekend. Dit stuk vermeldt als adres van [gedaagde] [adres 1]. Verder bepaalt het contract dat de huur Naf 1.300,00 bedraagt. Artikel 1 van het contract bepaalt: “Lease term on fully furnished house at [adres 2] [...]”.
gedaagde] heeft vanaf (in elk geval) 2020 op onregelmatige basis bedragen van maximaal Naf 650,00 aan SPF betaald. Vanaf oktober 2025 heeft [gedaagde] niets meer betaald.
Bij beschikking van 3 juli 2025 heeft het Gerecht afwijzend beslist op het verzoek van [betrokkene] om [gedaagde] onder curatele te plaatsen.
Bij brief van haar gemachtigde van 8 december 2025 heeft SPF [gedaagde] gesommeerd tot betaling van (volgens SPF) achterstallige huur. Ook heeft zij daarin aangekondigd dat zij zal overgaan tot ontbinding van de huurovereenkomst als [gedaagde] niet betaalt. Met toestemming van het Gerecht heeft SPF vervolgens op 18 december 2025 ten laste van [gedaagde] beslag doen leggen op haar bankrekening.
3. Het geschil
SPF vordert – samengevat – het volgende:
ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van de woning;
veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan SPF van Cg 73.450,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan SPF van Cg 2.250,00 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
veroordeling van [gedaagde] tot betaling van Cg 1.300,00 per maand vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van ontruiming;
veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
gedaagde] is het niet eens met de vordering en wil dat deze wordt afgewezen, met veroordeling van SPF in de proceskosten.
4. De beoordeling
Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst
Vast staat dat [gedaagde] al jaren in de woning aan de [adres 1] woont en dat zij vanwege het gebruik van de woning geldbedragen aan SPF heeft betaald. Dit betekent dat tussen partijen een huurovereenkomst tot stand is gekomen (zie de wettelijke omschrijving daarvan in artikel 7:201 BW). Hieraan doet niet af dat in het huurcontract uit 2016 wordt vermeld dat de huur betrekking heeft op een andere woning. Het gaat hier klaarblijkelijk om het kantooradres van SPF. Dit is een kennelijke vergissing. [gedaagde] weet immers zelf heel goed waar zij woont en voor welke woning zij betaalt, en dat is de woning aan de [adres 1]. Bovendien is dat adres in het contract ook vermeld als het adres van [gedaagde].
De huur bedraagt Cg 1.300,00
Het huurcontract is een zogenoemde onderhandse akte zoals bedoeld in artikel 136 Rv. Die akte is bedoeld om de afspraken tussen partijen vast te leggen. Van die afspraken levert de akte dwingend bewijs. Dat betekent dat de rechter moet uitgaan van het bestaan van die afspraken (artikel 130 lid 1 Rv). Wel kan daartegen nog tegenbewijs worden geleverd (artikel 130 lid 2 Rv).
Het huurcontract zegt met zoveel woorden dat de huur Naf (nu: Cg) 1.300,00 bedraagt. Vanwege de dwingende bewijskracht van de akte, staat deze afspraak vast, tenzij [gedaagde] tegenbewijs levert. Voor tegenbewijs is voldoende dat [gedaagde] genoeg twijfel zaait over de juistheid van de in de akte opgenomen huurprijs.
Het Gerecht is van oordeel dat [gedaagde] haar betwisting van de huurprijs van Cg 1.300,00 onvoldoende heeft onderbouwd. Het Gerecht licht dit oordeel als volgt toe.
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van [gedaagde] gesuggereerd dat het huurcontract inclusief de daarin genoemde huurprijs op onreglementaire wijze tot stand is gekomen. Namens [gedaagde] is deze suggestie verder niet onderbouwd of geconcretiseerd. Daarom gaat het Gerecht daaraan voorbij. Als dit gebrek aan onderbouwing het gevolg is van het feit dat [gedaagde] zelf niet tijdens de zitting aanwezig was, geldt dat dit een omstandigheid is die in haar risicosfeer ligt.
gedaagde] heeft erop gewezen dat SPF jarenlang geen aanspraak heeft gemaakt op betaling van enig bedrag door [gedaagde], laat staan van een bedrag hoger dan Cg 650,00. Bovendien heeft [betrokkene] in een spraakbericht aan zijn zuster (dochter van [gedaagde]) gesproken over maandelijkse betaling van Cg 650,00 en dat hij wil dat [gedaagde] die betalingen hervat. Ten slotte heeft [gedaagde] aangevoerd dat [betrokkene] lange tijd de beschikking had over de bankgegevens van [gedaagde]. Als hij dus vond dat hij altijd al recht had op een maandelijkse huur van Cg 1.300,00, is niet logisch dat hij er niet eenvoudigweg voor heeft gezorgd dat dit bedrag werd betaald.
Het enkele feit dat SPF jarenlang geen werk heeft gemaakt van de incasso van de uit het huurcontract blijkende huursom is, anders dan [gedaagde] meent, geen aanwijzing voor het standpunt dat partijen in werkelijkheid die huursom niet hebben afgesproken. Er kunnen talloze redenen zijn voor een schuldeiser om niet (direct) in actie te komen tegen een niet betalende schuldenaar. In dit geval heeft SPF ter zitting verklaard dat zij het er aanvankelijk bij heeft laten zitten, vanwege gevoeligheden in de verhouding tussen [betrokkene] en zijn moeder ([gedaagde]). Wat de reden voor het achterwege blijven van incassomaatregelen ook is, dit doet er niet aan af dat in principe bindend vast staat dat partijen de uit het huurcontract blijkende huursom wel hebben afgesproken. Hetzelfde geldt voor het feit dat [betrokkene] tegen zijn zuster heeft gezegd dat hij wilde dat hun moeder zou doorgaan met maandelijkse betaling van Cg 650,00. Zelfs als het zo zou zijn dat SPF (althans haar UBO) op dat moment genoegen zou hebben genomen met betaling van slechts Cg 650,00, dan volgt daaruit niet dat partijen in 2016 geen huurprijs van Cg 1.300,00 hebben afgesproken.
SPF heeft betwist dat [betrokkene] de beschikking heeft gehad over de bankgegevens van [gedaagde]. Het Gerecht laat dit verder in het midden. Ook als [betrokkene] toegang had tot de bankrekening van zijn moeder en het daarom zelf in zijn macht had om te zorgen voor betaling van Cg 1.300,00, dan volgt uit het achterwege blijven daarvan niet dat partijen in 2016 geen huurprijs van Cg 1.300,00 hebben afgesproken.
Voor de volledigheid voegt het Gerecht hier nog het volgende aan toe. Als ([betrokkene] namens) SPF gedurende een zekere tijd genoegen heeft genomen met betaling van bedragen lager dan Cg 1.300,00, dan kan daaruit ook niet worden afgeleid dat SPF afstand heeft gedaan van haar aanspraken op het meerdere of dat SPF haar recht heeft verwerkt alsnog aanspraak op dat meerdere te maken. Voor het aannemen van afstand van recht of van rechtsverwerking is meer nodig dan enkel stil zitten. Daarvoor is in elk geval onvoldoende dat uit een spraakbericht van [betrokkene] gericht aan zijn zuster wellicht een aanwijzing zou kunnen worden gehaald dat [betrokkene] tevreden zou zijn met een lager bedrag.
De conclusie is dat [gedaagde] haar betwisting van de uit het huurcontract blijkende huursom onvoldoende heeft onderbouwd. Het Gerecht stelt daarom vast dat tussen partijen een huursom van Cg 1.300,00 geldt.
[gedaagde] is tekort gekomen in de nakoming van de huurovereenkomst
Vast staat dat [gedaagde] nooit de huursom van Cg 1.300,00 heeft betaald. In zoverre staat ook vast dat sprake is van een tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van haar verbintenis om die huursom te betalen.
SPF heeft bij verzoekschrift gesteld dat de achterstand over de periode van 2020 tot en met 2025 een bedrag van Cg 73.450,00 bedraagt. Zij heeft dit onderbouwd aan de hand van een overzicht van (ontbrekende) betalingen over die periode. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] de juistheid van dit overzicht betwist, maar zij heeft die betwisting niet onderbouwd. Op [gedaagde] rust op dit punt de stelplicht, want zij beroept zich op het rechtsgevolg van haar stelling, namelijk het (gedeeltelijk) teniet gaan van haar verbintenis tot betaling van de huursom (artikel 129 Rv). Omdat [gedaagde] haar standpunt over de betalingen aan SPF onvoldoende heeft onderbouwd, neemt het Gerecht als vaststaand aan dat de achterstand in huurbetalingen over de genoemde periode is zoals door SPF gesteld.
De vordering is deels verjaard
Op grond van artikel 3:308 BW verjaart een vordering tot betaling van huur door verloop van vijf jaar nadat de betreffende termijn opeisbaar is geworden. [gedaagde] beroept zich op verjaring van een deel van de vordering. Dit beroep slaagt voor die termijnen die opeisbaar zijn geworden vóór 8 december 2020. Per brief van 8 december 2025 heeft SPF de lopende verjaring namelijk gestuit (zie artikel 3:317 BW). Dit betekent concreet dat het deel van de vordering dat betrekking heeft op het jaar 2020 verjaard is.
Volgens de onbetwiste stellingen van SPF heeft een bedrag van Cg 12.300,00 betrekking op de huur over 2020. Dit bedrag komt dus in mindering op het bedrag tot betaling waarvan [gedaagde] nog veroordeeld kan worden.
De vordering vanwege achterstallige huur is toewijsbaar tot Cg 61.150,00
Al het voorgaande brengt mee dat de vordering van SPF tot betaling door [gedaagde] van de achterstallige huur tot en met 2025 toewijsbaar is tot een bedrag van Cg 61.150,00. De wettelijke rente hierover is gevorderd vanaf de dag van dagvaarding. Het Gerecht neemt aan dat hiermee is bedoeld de dag van betekening van het verzoekschrift. Ook die vordering is toewijsbaar.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
Het niet betalen van de verschuldigde huur levert een tekortkoming op in de nakoming van de belangrijkste verbintenis van [gedaagde] als huurder. De achterstand is zodanig dat deze tekortkoming ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
Dit geldt al voor de achterstand die tot en met 2025 is opgelopen. Voor de volledigheid wijst het Gerecht er nog op dat, zoals tijdens de zitting is komen vast te staan, [gedaagde] in 2026 geen enkel bedrag aan huur heeft betaald. De achterstand is dus inmiddels nog verder opgelopen.
[gedaagde] moet de woning ontruimen
Omdat de huurovereenkomst wordt ontbonden, heeft [gedaagde] niet meer het recht om in de woning te blijven wonen. Zij moet de woning dus verlaten en ontruimen.
Het gaat hier om de woonruimte van iemand op vergevorderde leeftijd. Het gerechtvaardigde belang van [gedaagde] vergt dat zij binnen redelijke grenzen de tijd krijgt om elders onderdak te vinden. Daarom is de gevorderde ontruimingstermijn van veertien dagen onredelijk kort. Het Gerecht zal een termijn van drie maanden vaststellen.
Het Gerecht ziet geen aanleiding om aan de verplichting tot ontruiming een dwangsom te verbinden. Zo nodig kan SPF de ontruiming afdwingen met hulp van de sterke arm (artikel 444 in verbinding met artikel 557 Rv).
De vordering tot betaling van Cg 1.300,00 per maand is toewijsbaar
SPF vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van Cg 1.300,00 per maand vanaf 1 januari 2026 tot de datum van ontruiming. De grondslag hiervoor is de overeengekomen huur tot de datum van ontbinding en een gebruiksvergoeding vanaf de datum van ontbinding tot de dag van ontruiming. Deze vordering is toewijsbaar. Het Gerecht herhaalt hier dat [gedaagde] in 2026 nog geen enkel bedrag aan huur heeft betaald.
De vordering inzake buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen
SPF vordert een vergoeding wegens buitengerechtelijke incassokosten. SPF heeft echter niet gesteld dat zij dergelijke kosten heeft gemaakt. De in het dossier aangetroffen correspondentie moet worden beschouwd als voorbereiding op deze procedure. De proceskosten gelden daarvoor als vergoeding. De vordering wordt afgewezen.
[gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten
gedaagde] krijgt grotendeels ongelijk en wordt daarom in de proceskosten van SPF veroordeeld. Deze worden begroot als volgt:
griffierecht Cg 300,00
explootkosten Cg 326,50
salaris gemachtigde Cg 4.500,00
nakosten Cg 250,00
totaal Cg 5.376,50
Dit vonnis is direct uitvoerbaar
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.
5. De beslissing
Het gerecht:
ontbindt de huurovereenkomst en veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres 1] met al de zich daarin bevindende personen en roerende zaken, voor zover die laatste niet eigendom van SPF zijn, te ontruimen met afgifte van de sleutels en alles wat verder tot het gehuurde behoort, en aan SPF ter beschikking te stellen;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan SPF van een bedrag van Cg 61.150,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2026 tot aan de dag van betaling;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan SPF van Cg 1.300,00 per maand vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van ontruiming;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van SPF van Cg 5.376,50, verhoogd met Cg 150,00 in geval van betekening;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter, bijgestaan door R. Bodak, griffier, en in het openbaar uitgesproken.