ECLI:NL:OGEAC:2026:200

ECLI:NL:OGEAC:2026:200

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 23-10-2026
Datum publicatie 27-10-2026
Zaaknummer CUR202603121
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Voorlopige voorziening tegen een verleende bouwvergunning. Stedelijk woongebied, zoals bedoeld in artikel 3 van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (EOP). Artikel 22, aanhef en onder 5 en 7, van de Bwv. Verbinden van voorschriften aan de vergunning. Onttrekken van een woning aan de woningvoorraad. Verzoek afgewezen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

in de zaak tussen:

[Verzoekers],

allen wonende in Curaçao,

verzoekers,

gemachtigde: [naam gemachtigde verzoekers],

tegen

de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning,

verweerder,

gemachtigde: mr. G.N. Hollander,

met als derde-belanghebbende:

Lunapark minimarket B.V.,

gevestigd in Curaçao,

vergunninghouder,

gemachtigde: [naam gemachtigde vergunninghouder].

Partijen worden hierna geduid als verzoekers, de minister en de vergunninghouder.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen de bouwvergunning voor het bouwen van een opslagloods aan [adres].

De minister heeft bij ministeriële beschikking van 14 augustus 2026 deze bouwvergunning verleend.

Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben het Gerecht vervolgens bij verzoekschrift van 14 september 2026 verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de bouwvergunning te schorsen.

De minister heeft op 23 september 2026 de op de bouwvergunning betrekking hebbende stukken in het geding gebracht.

Verzoekers hebben op 7 oktober 2026 aanvullende gronden ingediend.

Het Gerecht heeft het verzoek op 9 oktober 2026 op zitting behandeld. Verzoekers [naam verzoekers] zijn verschenen. De overige verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is namens de minister verschenen [naam waarnemend directeur], waarnemend directeur voor de uitvoeringsorganisatie ROP. De vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, tevens architect, [naam gemachtigde vergunninghouder].

De beoordeling van het Gerecht

Wat is relevant om te weten in deze zaak?

Vergunninghouder heeft op 12 november 2025 een bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een opslagloods aan [adres]. Vergunninghouder is eigenaar van het perceel. Aan het perceel is de bestemming ‘Stedelijk woongebied’ toegekend als bedoeld in artikel 3 van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (EOP).

Verzoekers wonen op percelen die tegenover het perceel van vergunninghouder liggen.

Volgens de minister voldoet het bouwplan aan alle daarop betrekking hebbende wettelijke voorschriften en doen de weigeringsgronden van artikel 22 van de Bouw- en woningverordening (Bwv) zich niet voor. Dat betekent volgens de minister dat hij de bouwvergunning moet verlenen.

Hebben verzoekers een spoedeisend belang?

Uit artikel 85 van de Lar volgt dat voor het vragen van een voorlopige voorziening een spoedeisend belang is vereist. Verzoekers voeren aan dat de bouwvergunning is verleend en dat de daartegen aangewende rechtsmiddelen geen schorsende werking hebben. Zonder schorsing kan de vergunninghouder de reeds aangevangen bouwwerkzaamheden voortzetten en bestaat de kans dat de opslagloods (grotendeels) zal zijn gebouwd op het moment dat de minister een beslissing zal nemen op het bezwaar. Verzoekers verzoeken het Gerecht daarom bij wijze van voorlopige voorziening de bouwvergunning te schorsen tot een beslissing is genomen op het bezwaar.

Naar het oordeel van het Gerecht hebben verzoekers voldoende onderbouwd dat zij een spoedeisend belang hebben. Daarbij betrekt het Gerecht dat vergunninghouder al is begonnen met de bouwwerkzaamheden.

Wat is het toetsingskader van het Gerecht bij een verzoek om voorlopige voorziening?

De indiener van een bezwaarschrift kan het Gerecht verzoeken de beschikking waartegen het bezwaar is gericht te schorsen op de grond dat de uitvoering daarvan een onevenredig nadeel met zich brengt in verhouding tot het met een onmiddellijke uitvoering te dienen belang. Ook kan een voorlopige voorziening worden getroffen ter voorkoming van bedoeld nadeel. Het oordeel van het Gerecht heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de hoofdzaak (in dit geval een eventueel beroep gericht tegen de beslissing op bezwaar van de minister). De gevraagde schorsing of voorlopige voorziening is in beginsel een tijdelijke maatregel, waardoor wordt voorkomen dat onomkeerbare gevolgen zich voordoen voordat op het bezwaar is beslist. Het Gerecht kan daarbij zijn verwachtingen over de uitkomst van de hoofdzaak alsmede het gewicht van de betrokken belangen betrekken.

Wat voeren verzoekers aan tegen de bouwvergunning en wat vindt het Gerecht?

Hinder door lawaai, stof en zicht

Verzoekers voeren aan dat het bouwplan zorgt voor hinder door lawaai, stof en zicht. Op dit moment is [adres] een rustige straat met weinig verkeer. Verzoekers zijn bang dat de opslagloods gaat zorgen voor veel en zwaar vrachtverkeer dat meerdere keren per dag naar de loods komt om vracht te laden en te lossen. Volgens verzoekers is er niet genoeg ruimte op het perceel om te laden en te lossen, waardoor dit deels op de openbare weg zal gebeuren. Door de korte afstand tussen de opslagloods en de woningen van verzoekers zal het geluid van stilstaande of rangerende vrachtwagens in de woningen te horen zijn, waardoor verzoekers hinder door lawaai ervaren. [Adres] is een onverharde weg en veelvuldig verkeer genereert veel stof, wat slecht is voor de longen, aldus verzoekers. Nu de opslagloods meer dan acht meter hoog is en nagenoeg het hele perceel breed is, zorgt dit ervoor dat het vrije uitzicht en het zicht op de Tafelberg en Bottelier verandert in zicht op een grijze kolos. Het bouwplan leidt tot ontsiering van de omgeving.

Het Gerecht stelt voorop dat artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv uitsluitend ruimte biedt voor weigering van een bouwvergunning indien aannemelijk is dat het bouwwerk wegens zijn ligging of bouwwijze de omgeving zal ontsieren dan wel hinderlijk of brandgevaarlijk zal zijn voor de omgeving. De beoordeling is dus beperkt tot de planologisch en bouwkundig relevante gevolgen van het vergunde bouwwerk.

Verzoekers betogen dat het bouwplan ontsierend is voor de omgeving. Een opslagloods van meer dan 1.700 m2 is volgens verzoekers naar aard en omvang niet passend in een woonwijk en is reeds daarom ontsierend. Het ROP miskent bovendien dat er wel karakteristieke woonhuizen staan waarvan sommige al bijna een eeuw oud zijn. Daarbij komt dat er geen panden in de [adres] staan die ook maar enigszins overeenkomen met de aard en vormgeving van de te bouwen loods.

Het ROP heeft het bouwplan getoetst en vindt dat het bouwplan inpasbaar is binnen de omgeving en geen afbreuk doet aan de ruimtelijke samenhang van de buurt. Er zijn geen historische of architectonische interessante gebouwen in de omgeving en het gebouw verschilt niet veel qua aard en vormgeving van de andere gebouwen in de directe omgeving. Hierdoor kan volgens de minister geen sprake zijn van een ontsierend effect.

Naar het oordeel van het Gerecht is het advies van ROP voldoende draagkrachtig gemotiveerd om het standpunt van de minister te kunnen dragen dat van een ontsierend effect geen sprake is. Het Gerecht stelt voorop dat de bestemming ‘Stedelijk woongebied’ bebouwing ten behoeve van uiteenlopende functies mogelijk maakt. De minister heeft gemotiveerd uiteengezet dat de omgeving rond het bouwperceel een gemengd karakter heeft waarin naast woningen ook andere functies voorkomen, zoals winkels en horecavoorzieningen. Dat op de onderhavige locatie een opslagloods wordt gerealiseerd maakt daarom op zichzelf nog niet dat sprake is van een ontsierende ontwikkeling. Uit het advies van het ROP blijkt dat gekeken is naar de samenhang tussen de beoogde loods en de bestaande bebouwing in de directe omgeving. Het ROP heeft geconcludeerd dat de opslagloods past binnen de aanwezige mix van woon- en commerciële functies en daarin niet uit de toon valt. Daarbij is van belang dat in dezelfde straat meer loodsen staan die wat betreft aard en verschijningsvorm vergelijkbaar zijn met de opslagloods waarop het bouwplan ziet. Hoewel de woonomgeving van verzoekers door de bouw van de opslagloods tegenover hun woningen een andere uitstraling krijgt, volgt het Gerecht verzoekers niet in hun standpunt dat sprake is van een voor de woonomgeving ontsierend bouwwerk. De opslagloods wijkt niet in zodanige mate af van de bebouwing op het aangrenzende perceel en van de overige bebouwing in de buurt dat daardoor de ruimtelijke samenhang wordt verstoord. Het Gerecht is daarom van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan gelet op de ligging en de bouwwijze geen afbreuk doet aan de ruimtelijke samenhang van de omgeving en dat de constructie en de verschijningsvorm van het gebouw aansluiten bij de bestaande bebouwing. Naar het voorlopig oordeel van het Gerecht treft het betoog van verzoekers dat de loods ontsierend is voor de omgeving geen doel.

Verzoekers voeren aan dat de opslagloods vanwege haar omvang, hoogte en situering leidt tot aantasting van hun uitzicht en hinderlijk zal zijn voor de omgeving. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 3, tweede lid en onder d, van het EOP pas bij een aanvraag voor bebouwing met een grotere bouwhoogte dan acht meter een afweging moet plaatsvinden tussen het met die grotere bouwhoogte te dienen belang en de mogelijke hinder of ontsiering voor de omgeving, welke door de grotere bouwhoogte eventueel kan ontstaan. In het ROP advies is geconcludeerd dat de beperkte overschrijding van de ingevolge het EOP toegestane bouwhoogte met 0,25 meter niet tot een relevante aantasting leidt van lichttoetreding, luchttoetreding, privacy of zicht van omwonenden. Dat de oprichting van een loods van 1.731 m² leidt tot een wijziging van het uitzicht vanuit de woningen van verzoekers is daarvoor onvoldoende. Een recht op een ongewijzigd of vrij uitzicht bestaat niet. Verzoekers hebben geen objectieve gegevens of deskundige bevindingen overgelegd die aanleiding geven om aan de juistheid of volledigheid van het ROP advies te twijfelen. De minister heeft het advies daarom aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen. Het Gerecht ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigeringsgrond van artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv zich in zoverre niet voordoet. Voor zover verzoekers aanvoeren dat het gebruik van de opslagloods zal leiden tot geluidshinder, stofhinder en (verkeers)overlast door vrachtverkeer, overweegt het Gerecht dat deze vrees hoofdzakelijk betrekking heeft op het toekomstige gebruik van de opslagloods. Dit betoog dient te worden beoordeeld in het licht van artikel 22, aanhef en onder 7, van de Bwv. Deze bepaling ziet onder meer op de vraag of het gebruik van het gebouw dan wel het gebruik van de zich aan, bij of in het gebouw bevindende faciliteiten de bereikbaarheid in de omgeving zal verminderen of door haar verkeer aantrekkend karakter de omgeving overlast zal bezorgen.

De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het beoogde gebruik als opslagloods een zeer laag verkeer aantrekkend karakter heeft en daarom niet tot overlast zal leiden. Daarbij heeft de minister in aanmerking genomen dat de loods uitsluitend zal worden gebruikt voor opslag ten behoeve van een bestaande minimarkt en dat voldoende ruimte aanwezig is voor parkeren op eigen terrein.

Het Gerecht volgt de minister niet zonder meer in zijn standpunt dat reeds uit de enkele omstandigheid dat sprake is van een opslagfunctie volgt dat het gebruik een zeer laag verkeer aantrekkend karakter heeft. De verkeer aantrekkende werking moet immers worden beoordeeld aan de hand van de concrete aard en omvang van het voorgenomen gebruik. Ter zitting is door (gemachtigde van) de vergunninghouder evenwel nader toegelicht dat de loods uitsluitend zal worden gebruikt voor de opslag van goederen ten behoeve van een bestaande minimarkt en dat laden en lossen uitsluitend op eigen terrein zal plaatsvinden. Verder heeft vergunninghouder verklaard dat uitsluitend vrachtwagens tot maximaal 20 foot het terrein zullen bezoeken, dat verkeersbewegingen zullen plaatsvinden tussen 08:00 uur en 18:00 uur, niet op zondagen, en dat het aantal verkeersbewegingen beperkt zal blijven tot enkele keren per dag met uitzondering van feestdagen zoals in de periode rond kerst.

Gelet op deze toelichting acht het Gerecht voorshands niet aannemelijk dat het gebruik van de loods een zodanige verkeer aantrekkende werking zal hebben dat daardoor sprake zal zijn van overlast of hinder als bedoeld in artikel 22, aanhef en onder 7, van de Bwv. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat verzoekers hun verwachting dat sprake zal zijn van frequente vrachtwagenbewegingen en structureel laden en lossen op de openbare weg niet met objectieve gegevens hebben onderbouwd. Op basis van de beschikbare stukken en het verhandelde ter zitting bestaat daarom vooralsnog onvoldoende grond voor het oordeel dat deze weigeringsgrond zich voordoet.

Het Gerecht acht de door vergunninghouder ter zitting gegeven toelichting evenwel van zwaarwegend belang voor de beoordeling van de te verwachten hinder voor de omgeving. Om die reden heeft het Gerecht met partijen besproken of de door vergunninghouder genoemde beperkingen kunnen worden verbonden als voorschriften aan de vergunning. Vergunninghouder heeft verklaard daartegen geen bezwaar te hebben en de minister heeft zich bereid verklaard dergelijke voorschriften aan de vergunning te verbinden. Wat betreft de mogelijkheid van het opnemen van eventuele geluidvoorschriften heeft de minister echter gesteld dat daarvoor nader onderzoek nodig is en afstemming dient plaats te vinden met de minister van GMN. Tegen deze achtergrond ziet het Gerecht onvoldoende aanleiding om vooruitlopend op de beslissing in bezwaar om deze reden een voorlopige voorziening te treffen.

Het onttrekken van een woning aan de woningvoorraad

Tot slot voeren verzoekers aan dat door het bouwplan een woning is onttrokken aan de woningvoorraad. Hiervoor is geen woning teruggekomen, waardoor sprake is van een schending van artikel 3, tweede lid, onder i, en onder 1 en 2, van het EOP.

Het Gerecht volgt verzoekers niet in hun betoog en motiveert dit als volgt. Artikel 3, tweede lid en onder i, van het EOP schrijft kort gezegd voor dat indien door de aanvraag van een bouwvergunning een bestaande woning aan het woningbestand onttrokken wordt, op de aanvraag in principe afwijzend wordt beslist ter bescherming van het bestaande woningbestand en het karakter van een woonbuurt tenzij: 1. de woning gelegen is in een buurt zonder duidelijk woonkarakter en vervangende woonruimte binnen het stedelijk gebied wordt gebouwd of;

2. het belang dat de aanvrager en/of de gemeenschap heeft bij woningonttrekking groter is dan het belang, dat met bescherming van de bestaande woningvoorraad of het karakter van een woonbuurt gediend is.

De minister heeft op de zitting benadrukt dat het bij dit bouwplan gaat om de onttrekking van slechts één woning, terwijl de totale woningvoorraad in de omgeving in de afgelopen maanden is toegenomen met name als gevolg van verdichting. Naar het oordeel van het Gerecht is, gelet op het advies van ROP, de door verzoekers onweersproken toelichting van de minister over de toename van de woningvoorraad en het feit dat met het bouwplan één wooneenheid van het woningbestand wordt onttrokken, geen sprake van handelen in strijd met artikel 3, tweede lid en onder i, van het EOP.

Conclusie en gevolgen

De gronden van verzoekers geven het Gerecht geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Beslissing

Het Gerecht wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gegeven op 23 oktober 2026 door mr. S.B. Smit-Colenbrander, rechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.B. Smit-Colenbrander

Griffier

  • mr. J.Y. Exterkate

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand