GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURACAO
Zaaknummer: CUR2026H00250
Beschikking van 15 oktober 2026
op het verzoek ex artikel 876 Rv om kosteloos te mogen procederen van:
[naam verzoekster],
verzoekster,
wonend in Hardegarijp, Nederland.
1. Het verzoek
Verzoekster heeft op 26 februari, 24, 25 en 29 september en 6 oktober 2026 e-mails naar het gerecht gestuurd. Die e-mails omvatten een verzoek ex artikel 876 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering om kosteloos te mogen procederen. Subsidiair grondt verzoekster dat verzoek op artikel 31 Landbesluit Tarieven in Burgerlijke Zaken.
Ter onderbouwing van haar verzoek heeft verzoekster een door de Raad voor de Rechtsbijstand in Nederland afgegeven inkomensverklaring overgelegd. Deze verklaring dateert van 18 mei 2026 en vermeldt dat verzoekster in peiljaar 2024 geen inkomen en vermogen had en dat er geen gegevens zijn over de status van haar inkomen.
Het verzoek heeft betrekking op een te voeren bodemprocedure tegen [naam]. Uit het door verzoekster meegestuurde ‘verzoekschrift bodemprocedure’ blijkt dat het gaat om een vordering tot verklaring voor recht dat:
“a. het faciliteren van online kansspelactiviteiten via truststructuren onrechtmatig is indien dit niet berust op een rechtsgeldige en objectief verifieerbare vergunningtitel;
b. de rechtsgeldigheid van de relevante vergunning- en mandaatconstructies en daarop gebaseerde sublicenties bepalend is voor de rechtmatigheid van de facilitering;
c. truststructuren niet kunnen dienen ter vervanging van een rechtsgeldige vergunningtitel, noch kunnen afdoen aan de vereiste van effectief publiekrechtelijk toezicht;
d. een vergunningtitel die voor derden niet objectief kenbaar en verifieerbaar is - waaronder begrepen titels die hun geldigheid ontlenen aan overgangs- of opvolgingsconstructies - geen voldoende publiekrechtelijke grondslag vormt voor facilitering;
e. facilitering van online kansspelactiviteiten, waaronder het aanbieden via servicelijndiensten of andere communicatienetwerken, niet rechtmatig kan plaatsvinden indien deze uitsluitend steunt op een overgangs- of opvolgingspositie zonder zelfstandige, rechtsgeldige en objectief verifieerbare publiekrechtelijke vergunningtitel;
f. facilitering van online kansspelactiviteiten op basis van verificatie van een natuurlijke persoon, in plaats van een objectief verifieerbare vergunningtitel, niet kan worden aangemerkt als facilitering onder publiekrechtelijk toezicht en derhalve geen publiekrechtelijke grondslag vormt voor exploitatie;
g. verificatie van betrokken natuurlijke personen geen zelfstandige publiekrechtelijke legitimatie vormt voor de facilitering van online kansspelactiviteiten.”
2. De beoordeling
Het verzoek is niet (fysiek) ter griffie ingediend, maar uitsluitend per e-mail. Gelet op het tijdsverloop en bij wijze van uitzondering zal het verzoek niettemin worden beoordeeld.
De volgende bepalingen worden tot uitgangspunt genomen:
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Artikel 876
1. De rechter bij wie een rechtsgeding of geschil moet worden aangevangen of hangende is, is bevoegd om aan personen die daarin als eiser of verweerder willen optreden of optreden, en die van hun onvermogen om proceskosten te dragen doen blijken, toelating te verlenen om kosteloos te procederen.
2. Arme en onvermogende vreemdelingen die geen ingezetenen zijn hier te lande, alsmede vreemde armendirecties of kerkbesturen zijn hiervan uitgesloten, tenzij bij verdrag anders is overeengekomen.
Artikel 877
1. Indien de eiser verlangt kosteloos te procederen, doet hij daartoe het verzoek in het verzoekschrift of bij zijn mondelinge voordracht.
2. (…)
Artikel 878
1. Het verzoekschrift of het schriftelijk antwoord mag op ongezegeld papier worden gesteld.
2. De verzoeker legt aan de rechter over een bewijs van zijn onvermogen om de proceskosten te betalen, afgegeven door een van de ambtenaren, daartoe bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aangewezen.
Artikel 879
Tenzij de rechter reeds bij voorraad bevindt dat de voorgenomen vordering of verdediging klaarblijkelijk van alle grond is ontbloot, onderzoekt hij of genoegzaam blijkt van het onvermogen van de verzoeker om de proceskosten te betalen; hij staat in dat geval het verzoek toe.
Artikel 887
Tegen de beslissingen van het Hof en van de rechter in eerste aanleg aangaande de toelating om kosteloos te procederen, staat geen hogere voorziening open.
Landsbesluit, houdende algemene maatregelen, van de 3de november 2005 ter uitvoering van artikel 878, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering
Artikel 1
1. Als ambtenaren, bedoeld bij artikel 878, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden aangewezen:
a. de Sector-directeur Arbeid van het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn of een door deze aan te wijzen ambtenaar;
b. (vervallen)
2. Bewijzen van onvermogen voor op andere dan in het eerste lid van dit artikel genoemde plaatsen wonende, in artikel 876 van genoemd Wetboek bedoelde personen worden door de daartoe bevoegde macht van hun woonplaats afgegeven en door de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht in eerste aanleg in het betrokken land voor gezien getekend.
Procesreglement Civiele Zaken
Artikel 10. Geldigheidsduur bewijs van onvermogen
Een bewijs van onvermogen moet zijn afgegeven niet eerder dan zes maanden vóór de indiening van het inleidend processtuk bij GEA of Hof. Voor hoger beroep zal een appellant in de regel een nieuw bewijs van onvermogen nodig hebben (artikel 880 lid 1 Rv).
Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken
Artikel 31
Op last van de president van het Hof of van de rechter in eerste aanleg wordt aan on- of minvermogenden voor het geheel of voor de helft, vrijstelling van rechten verleend in de gevallen, waarin niet is voorzien in de artikelen 876 tot en met 887 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Zodanige last wordt gegeven ten behoeve van personen die, onder overlegging van het in artikel 878 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering genoemde stuk, doen blijken dat hun financiële draagkracht tekort schiet voor het voldoen van de rechten.
Het verzoek stuit af op artikel 879 Rv. Op grond van die bepaling wordt het verzoek afgewezen indien de voorgenomen vordering klaarblijkelijk van alle grond is ontbloot. Dat is hier het geval, omdat verzoekster bij de voorgenomen vordering klaarblijkelijk geen processueel belang heeft. Zonder voldoende belang komt aan niemand een rechtsvordering toe. Dat geldt ook voor een vordering tot verklaring voor recht. Verzoekster moet een eigen, concreet en actueel belang hebben bij de gevorderde verklaringen. Het betreft echter verklaringen met een algemene strekking, over de rechtmatigheid van het faciliteren van online kansspelactiviteiten via truststructuren, vergunningconstructies en sublicenties. Er is geen sprake van andere vorderingen, zoals een verbod of schadevergoeding, die op de verklaringen zouden kunnen voortbouwen. De verklaringen zouden dus niet leiden tot een concreet rechtsgevolg voor verzoekster.
Dat de beoogde gedaagde als bestuurder van rechtspersonen betrokken is bij de kansspelbranche en mogelijk anders tegen de materie aankijkt dan verzoekster, maakt dit niet anders. Een meningsverschil over de uitleg van wet- en regelgeving is zonder eigen belang bij de gevorderde verklaringen niet voldoende voor een rechtsvordering. De voorgenomen vordering heeft dan ook geen kans van slagen.
Gelet op het voorgaande is onderzoek naar het onvermogen van verzoekster (artikel 879 Rv) en haar financiële draagkracht (artikel 31 LTBZ, voor zover van toepassing) niet aan de orde.
3. De beslissing
Het gerecht wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.R. Veerman, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.