GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202602197
Vonnis in kort geding van 9 september 2026
in de zaak van
[EISER], wonende in Curaçao, eiser, gemachtigde: mr. A. Barendregt,
tegen
ANTILLEAN SOAP COMPANY B.V.,
gevestigd in Curaçao, gedaagde, gemachtigden: mrs. D.C.A. Crouch en A.I.N. Fräser.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 24 juni 2026,
de conclusie van antwoord,
de akte van gedaagde houdende overlegging deskundigenbericht,
de mondelinge behandeling van 26 augustus 2026, alwaar zijn verschenen eiser en, namens gedaagde, haar gemachtigden en dhr. […],
de pleitnotities van de gemachtigden.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Eiser, geboren in 1970, is in 2010 bij (een rechtsvoorganger van) gedaagde in dienst getreden als ‘sales representative’. Zijn salaris was laatstelijk Cg 5.721 bruto per maand. Daarnaast kon eiser privé gebruik maken van een bedrijfsauto en kwam hij in aanmerking voor een bonus.
Op 24 april 2025 heeft gedaagde eiser op staande voet ontslagen wegens, samengevat, het roekeloos toebrengen van schade aan de hem ter beschikking gestelde Kia Picanto en het in dat verband schenden van ‘company policy’. Gedaagde heeft eiser het hem toekomende loon betaald tot en met de datum van het ontslag.
Op 12 mei 2025 heeft de gemachtigde van eiser de nietigheid van het ontslag ingeroepen en daarbij vermeld dat eiser zich beschikbaar hield de overeengekomen arbeid te verrichten. Bij brief van 15 mei 2025 heeft gedaagde volhard bij het gegeven ontslag.
De ontslagbrief, de brief waarbij de nietigheid werd ingeroepen en gedaagdes reactie daarop luiden onder als volgt:
Ontslagbrief:
“Dear [naam eiser],
Through this letter, we would like to bring the following to your attention.
On April 15, 2025, you were suspended with pay pending investigation as a result of damage caused to company property, specifically involving the company vehicle assigned to you. This investigation was initiated following your report of an oil leak and conflicting accounts provided regarding the incident.
On the morning of April 14, 2025 at 07:22, you contacted your manager by phone to report that the company vehicle assigned to you was leaking oil and was parked in front of your residence. You stated that, due to the oil leak, you chose not to drive the vehicle and had arranged for a tow truck to retrieve it. When asked what had happened, you explained that you believed you had hit something on the road the previous night while driving in Seru Mahuma.
On April 16, 2025, in a written email submitted at our request, you claimed that the incident had occurred on April 14, not the night before. You also stated that after noticing the oil leak, you did not drive the vehicle again, and that it was parked awaiting collection by the tow truck.
However, several inconsistencies were identified between your phone report, your written account, and the facts uncovered during the investigation, including conflicting dates, locations, and vehicle usage.
As a result, you were suspended with pay on April 15, 2025, pending the outcome of an internal investigation into the incident and the damage caused to company property. An investigation was conducted, and the following has been concluded:
GPS Data confirms that on Monday April 14, 2025 you drove the vehicle from [straat 1] to [straat 2], made a U-turn, and returned home, this is contradictory to your report that the vehicle was not driven after the leak was discovered.
During a site visit conducted on April 15, 2025 visible oil traces revealed on [straat 2], further substantiating that the vehicle was operated after the vehicle was damaged.
You claimed to be driving uphill; however, GPS records and road markings indicate the vehicle was in fact moving downhill.
Timing Discrepancy: GPS data shows the vehicle returned to [straat 1] at 06:55 AM, yet your phone call reporting the issue was not made until 07:22 AM, suggesting a significant delay between the incident and your notification to management.
You failed to adhere to company policy that directly resulted in significant mechanical damage to the vehicle and caused severe financial consequences for the company, including repair costs, operational downtime, and additional administrative costs.
Your conduct on April 14, 2025, constitutes gross negligence and a serious breach of both company rules and your responsibilities, particularly given your signed acknowledgment of the procedures in place.
You failed to comply with your obligation to report any vehicle failure as referred to the Vehicle Agreement, signed on September 12, 2023,
You failed to report the issue immediately and continued to operate the vehicle, knowingly putting company property at risk.
Your behavior of April 14, 2025 is unacceptable especially as you are aware of the rule and regulations, additionally we refer to the Employee Handbook, specifically to the Code of Conduct, Appendix B, code: 11 and 12. The following circumstances are viewed by the company to constitute urgent reasons for immediate termination of an employee.
This incident is considered an urgent reason for immediate termination. Therefore, your employment with Antillean Soap Company is terminated effective immediate on April 24, 2025.
Please return all company property to the Human Resources Department.”
Nietigheidsbrief:
“(…) Hoe het ook zij, op 14 april 2025 reed client in Seru Mahuma. Hij reed steil de berg op en hoorde toen een geluid onder zijn auto. Client stapte uit en keek onder zijn auto. Hij zag niets aan de auto, maar wel zag hij een vrij grote steen op de weg. Client dacht dat hij de steen mogelijk had geraakt met de auto. Hij had de steen echter niet op tijd gezien, omdat hij dus steil omhoog reed op dat moment; als bestuurder zie je dan niet wat zich vlak voor je op het wegdek bevindt. Aangezien client echter geen schade kon vaststellen aan de auto, is hij daarna weer doorgereden.
De volgende ochtend zag client in het dashboard van de auto dat het oliepeil te laag was. Client heeft toen een U-turn gemaakt, is teruggegaan, heeft het oliepeil gemeten met de peilstok en daaruit bleek dat er geen olie meer in de olietank zat. Toen hij terugkwam waar de auto eerder geparkeerd stond, zag client daar een grote olievlek.
Client heeft de auto toen laten 'towen' en is met de auto naar de garage gegaan, hetgeen hij diezelfde ochtend om ca. 07:15 uur telefonisch aan zijn leidinggevende […] heeft gemeld. Nadien is, vanaf 08:06 uur, diverse keren contact geweest via email, waarbij client zijn leidinggevende nauwgezet op de hoogte hield.
De volgende dag is client geschorst vanwege een vermeend onderzoek naar de 'schade' aan de auto.
lk merk volledigheidshalve op, dat de schriftelijke bevestiging van de schorsing als datum 14 april 2025 vermeldt, terwijl dat moet zijn: 15 april, zoals ook later in de ontslagbrief bevestigd.
Op verzoek d.d. 15 april 2025 te 09:50 uur van de heer […] heeft client een verklaring gemaild over hetgeen was voorgevallen met de auto. Per email van 15 april 2025 te 10:35 uur heeft client bevestigd hetgeen hierboven is beschreven, namelijk dat hij (waarschijnlijk) op Seru Mahuma een steen had geraakt die hij niet had kunnen zien doordat hij steil omhoog reed. Wellicht ten overvloede merk ik op dat deze verklaring dus niet op 16 april door client werd verzonden, zoals later in de ontslag werd gesteld.
Negen dagen later, op 24 april 2025, ontving client het bericht dat hij op staande voet was ontslagen.
In die brief wordt een aantal redenen voor het ontslag gegeven, die niet stroken met de werkelijkheid.
Gesteld wordt dat client op maandag 14 april 2025 nog met de auto heeft gereden, terwijl hij zou hebben aangegeven dat hij niet meer met de auto had gereden nadat hij het probleem met de olie had ontdekt. Welnu, client heeft niet in zijn email of telefonisch verklaard dat hij niet meer met de auto heeft gereden op maandagochtend. Wel heeft hij — mondeling - verklaard dat hij na de ontdekking van het probleem niet meer met de auto had gereden, hetgeen ook juist is. Uit bovenstaande weergave van de feiten blijkt dat ook duidelijk: client reed en zag het brandende oliepeil lampje. Hij is toen omgekeerd en heeft het oliepeil gemeten, waarbij hij ook de olie op het wegdek aantrof. Er is dus inderdaad nog gereden op 14 april, maar niet meer nadat client het probleem had vastgesteld.
Uw stelling in de ontslagbrief bij het eerste bulletpoint is dan ook duidelijk niet juist. En ook de GPS gegevens bewijzen niets dat in het nadeel van client zou kunnen werken. Client heeft hier niet over gelogen.
Ook de stellingen bij de tweede bulletpoint bewijzen niets dat in het nadeel van client kan werken. De mogelijk aangetroffen olie op de [straat 2] kan daar enerzijds al langere tijd hebben gelegen en van een andere auto zijn. Daarnaast klopt het dat client op de [straat 2] heeft gereden en daarom is feitelijk wel denkbaar dat daar ook olie is gelekt. Zoals hierboven al aangegeven is client omgedraaid nadat hij zag dat het oliepeil lampje brandde.
De vraag is wat u met het derde bulletpoint wilt aantonen. Daarnaast rijst de vraag welke GPS gegevens u heeft nagekeken. Feit is dat er een steen is geraakt. Dat is niet met opzet gebeurt en ook niet het gevolg van bewuste roekeloosheid. Het is voort waarschijnlijk dat de steen de oorzaak is van het olielek, maar helemaal zeker weet niemand dat. Een technisch mankement en zelfs schade kan te alien tijde ontstaan. U kunt daaraan wettelijk gezien alleen arbeidsrechtelijke sancties en/of rechtsgevolgen verbinden indien u kunt bewijzen dat client daarbij opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld. Dat is in deze zaak absoluut niet het geval.
Onbegrijpelijk is hoe u bij het vierde bulletpoint kunt spreken van een significante vertraging tussen het vaststellen van het probleem en het opnemen van contact met de leidinggevende. Daar zitten slechts 27 minuten tussen. Met alle respect, maar dit is geen significante vertraging. Client heeft voortvarend gehandeld. Een uur later was ook nog zonder meer tijdig geweest. Voorts dient u er rekening mee te houden dat client in de tussentijd ook nog het oliepeil heeft gemeten en heeft gekeken wat er aan de hand was.
Na het vijfde bulletpoint beweert u dat client zich niet aan bedrijfsregels heeft gehouden. Hetzelfde geldt voor het zesde en zevende bulletpoint. Noch uit uw brief, noch uit bovenstaande feiten kan ik opmaken welke (bedrijfs)regels client geschonden zou hebben. Client heeft duidelijk als goed werknemer gehandeld. lk zie niet in hoe hier sprake kan zijn geweest van ernstige nalatigheid ('gross negligence'). U substantieert dat verder ook niet in uw brief.
Bij het achtste bulletpoint herhaalt u feitelijk hetgeen u bij het vierde punt ook al verweet. Ik verwijs u dan ook naar mijn commentaar t.a.v. onderdeel vier.
Gezien al het voorgaande ontbreekt iedere rechtsgrond voor een rechtsgeldig ontslag. Er is pertinent geen sprake van een dringende reden voor ontslag. Client heeft op geen enkele manier verwijtbaar gehandeld, maar juist adequaat. Dit betekent dat u voor dit ontslag voorafgaande toestemming nodig had van de Directeur van SOAW. Zo niet, dan had u het Gerecht in Eerste Aanleg om ontbinding van de arbeidsovereenkomst kunnen vragen (welke u o.b.v. bovenstaande feiten overigens niet gekregen zou hebben).
Namens client vernietig ik dan ook het ontslag zoals door u gegeven op 24 april 2025. lk sommeer u om het loon door te betalen tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst alsnog rechtsgeldig zal zijn geëindigd. lk verzoek u voorts om mij schriftelijk te bevestigen dat u aan deze sommatie gehoor zult geven en wel uiterlijk op 16 mei 2025. Mocht ik op die dag nog geen bevestiging van u hebben ontvangen, dan behoud ik mij het recht voor u zonder nadere aankondiging in rechte te betrekken. De kosten daarvan zullen geheel voor uw rekening worden gebracht.
In de tussentijd houdt client zich beschikbaar om het werk bij een eerste oproep daartoe te hervatten.”
De reactie van gedaagde:
“(…) Regarding the incident that led to the termination: the facts are clear. The incident occurred on April 14 between 6:00 and 7:00 AM, as originally acknowledged by your client in his email dated April 16 at 10:27 AM (Attachment D). The claim now that the incident happened in the evening of April 14, followed by an oil warning the next morning (April 15), contradicts both his prior written statement and the GPS data (Attachment E). From this letter we conclude that your client did not provide you with the factual information. It is your client that is (again) twisting the facts. Your client was suspended with pay on April 15, following the accident of April 14, and was given an opportunity to provide written clarification. The investigation was conducted promptly and based on objective data. There was no violation of due process.
Even assuming your client noticed the oil warning on April 15 and then made a U-turn to return home, this action already violates company policy which explicitly requires all employees to check vehicle oil levels and other key indicators before commencing use (see Attachment A).
Now following your client's own statement that he hit the stone on the road, made a U-turn, and returned home, we conclude that he already violated company policy which requires that he should have immediately notified the company, and as per Curacao law, also the road service. More critically, your client himself reported hearing a loud noise, first described as a "klap" and later a "knaal". The stone allegedly hit was later found at the site, covered in oil. Oil traces also extended from the location of the accident all the way back to your client's residence, where the vehicle was ultimately parked and was towed.
The volume and trail of oil make it highly unlikely that the damage went unnoticed at the time it occurred.
Additionally, the damage report indicate that the vehicle sustained severe damage (Attachment F). That said, your client not only acted recklessly (reckless behavior), but also did not comply with company policy. The argument that your client acted rather appropriately, is therefore incorrect and incomprehensible.
Your client's conflicting account of when and how the incident occurred, in combination with GPS data and the damage findings, establishes a serious breach of trust and duties as per his contractual obligations. The company incurred significant operational and financial losses, justifying the immediate termination under Curacao labor law and in accordance with our Code of Conduct, Appendix B of the Employee Handbook.
In view of the above, we stand by the termination for urgent reason on April 24, 2025, as justified and lawful. We therefore reject your client's claims regarding reinstatement, continued salary, or annulment of the dismissal.”
3. De vordering en de standpunten van partijen
Eiser vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad,
1. gedaagde te veroordelen aan eiser te betalen (…) maandelijks een bedrag van XCG 5.721,65 bruto aan salaris, ingaande 25 april 2025, zulks tot en met de dag waarop de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd alsnog rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
2. gedaagde te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW over reeds vervallen loonaanspraken;
3. gedaagde te veroordelen om aan eiser te verstrekken (…) deugdelijke specificaties van de bij de voormelde onderdelen verrichte betalingen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom (…);
4. gedaagde te veroordelen om eiser toe te laten de bedongen werkzaamheden te verrichten op straffe van een dwangsom (…);
5. gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding (…) te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten (…).
Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde hem ten onrechte op staande voet heeft ontslagen, dat hij daarvan de nietigheid heeft ingeroepen en dat hij zich beschikbaar heeft gehouden de overeengekomen werkzaamheden te verrichten.
Gedaagde heeft verweer gevoerd. Volgens haar is het gegeven ontslag rechtsgeldig.
4. De beoordeling
Nu sprake is van een vordering tot doorbetaling van loon, is het voor een kort geding vereist spoedeisend belang bij de vordering in beginsel gegeven. Aan de spoedeisendheid van de vordering staat niet in de weg dat eiser ruim een jaar na het inroepen van de nietigheid van het ontslag heeft laten verstrijken alvorens zijn vorderingen in te stellen. Eiser heeft in dat verband aangevoerd dat hij door financiële beperkingen, privéomstandigheden en als gevolg van de psychische impact van het ontslag niet eerder in staat was tot procederen. Aan de spoedeisendheid staat evenmin in de weg dat eiser sinds het ontslag (volgens eiser bescheiden) inkomsten heeft gehad als hulp-taxichauffeur, dit te meer omdat eiser eerder ook al, naast zijn werk voor gedaagde, taxi reed.
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is nodig dat in voldoende mate aannemelijk is dat die vordering ook in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
Vaststaat dat eiser met de hem door gedaagde ter beschikking gestelde Kia een steen heeft geraakt waardoor de olietank aan de onderkant van de auto is beschadigd en de auto olie is gaan lekken. Volgens gedaagde gebeurde dit op de avond van 13 april 2025. Gedaagde heeft erop gewezen dat uit eerdere verklaringen van eiser en diens gemachtigde volgde dat dit op 14 april 2025 gebeurde. Volgens eiser was dat een misverstand. Gedaagde heeft gesteld dat zij alleen nog beschikt over de GPS-gegevens van de auto van 14 april, niet van de dag daarvoor. In hoeverre de GPS-gegevens de door eiser genoemde datum van het voorval ondersteunen, valt dus niet na te gaan. Voor de beoordeling van het ontslag is echter niet relevant of de steen werd geraakt op 13 of 14 april. Van die gebeurtenis als zodanig maakt gedaagde eiser immers geen verwijt. Bovendien valt niet in te zien welk belang eiser erbij zou hebben om de ene of de andere datum te noemen, noch welk belang van gedaagde daarbij in het geding zou kunnen zijn.
De kern van het door gedaagde aan eiser gemaakte verwijt is dat hij bewust roekeloos met de auto is omgesprongen en dat hij doelbewust is blijven doorrijden terwijl de auto olie lekte. Gedaagde wijst erop dat eiser zelf heeft erkend dat hij de betreffende ochtend is vergeten het oliepeil voor zijn vertrek te checken, terwijl het door eiser in 2023 ondertekende ‘Vehicle Release Agreement’ bepaalt dat de werknemer dagelijks voor het rijden, samengevat, zo ongeveer alles moet controleren wat er aan een auto te controleren valt, waaronder de olie. Daardoor heeft eiser volgens gedaagde ‘interne smeerschade’ aan de auto veroorzaakt, waartoe zij verwijst naar rapporten van InspecZ en Concilium.
Naar het voorlopig oordeel van het gerecht is aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde verwijten aan het adres van eiser geen dringende reden opleveren voor ontslag op staande voet. In de eerste plaats geldt dat er geen aanwijzingen zijn dat eiser moedwillig of bewust roekeloos schade aan de auto heeft veroorzaakt. Door eiser is in dit verband betwist dat hij wist dat de auto olie lekte toen hij ermee (door)reed. Ook indien wordt aangenomen dat eiser het oliewaarschuwingslampje had kunnen zien branden en dat hij tekort is geschoten in zijn verplichting de auto en de olie voorafgaand aan het rijden te controleren, betreft dat geen doen of nalaten op grond waarvan van gedaagde als werkgever niet gevergd kon worden de arbeidsbetrekking nog langer te laten voortduren. Ontslag op staande voet was hier een te ingrijpende maatregel, zeker gelet op de gevolgen daarvan voor eiser, de duur van het dienstverband en gelet op het ontbreken van in dit verband voldoende zwaarwegende antecedenten. Lichtere maatregelen, zoals een waarschuwing of eventueel schadeverhaal, zouden passender zijn geweest.
Wat betreft de door gedaagde gestelde interne smeerschade aan de auto kan in dit kort geding overigens niet zonder meer worden aangenomen dat deze (overwegend) is veroorzaakt toen de auto nog in gebruik was bij eiser. Onbetwist is immers dat uit de GPS-gegevens blijkt dat met de auto nog is gereden nadat deze op 14 april met de takelwagen naar de garage was gebracht.
Naar voorlopig oordeel is de arbeidsovereenkomst tussen partijen dus nog van kracht, met de daaruit voor gedaagde voortvloeiende verplichting tot betaling van loon. Het gerecht acht aannemelijk dat in een bodemprocedure de loonvordering van eiser in elk geval deels zal worden toegewezen. Met name in de omstandigheid dat eiser lang heeft gewacht met dit kort geding en in de omstandigheid dat eiser gedaagdes weerwoord van 15 mei 2025 lang onweersproken heeft gelaten, zal de bodemrechter mogelijk aanleiding zien eisers loon over de achterliggende periode te matigen. Met inachtneming daarvan, zal eisers vordering tot betaling slechts gedeeltelijk worden toegewezen, zoals hierna in het dictum van dit vonnis omschreven.
De gevorderde verhoging als bedoeld in artikel 7A:1614q BW wegens de vertraging in de betaling van loon is toewijsbaar. Het gerecht ziet wel aanleiding om deze verhoging, die volgens de wet maximaal 50% kan zijn, in dit kort geding met het oog op de omstandigheden te matigen tot 10% en om deze te beperken tot het loon over de periode tot en met augustus 2025.
Ook de door eiser gevorderde wedertewerkstelling is toewijsbaar. Door gedaagde is aangevoerd dat, na haar overname in 2021 door de huidige eigenaar, een herstructurering van haar bedrijf heeft plaatsgevonden. Dat ontslaat gedaagde evenwel niet van haar verplichting om eiser toe te laten tot de bedongen arbeid. Het gerecht ziet wel aanleiding gedaagde een termijn te gunnen om de wedertewerkstelling van eiser voor te bereiden. Voor oplegging van een dwangsom bestaat vooralsnog onvoldoende aanleiding.
Op grond van het voorgaande zal worden beslist als hierna omschreven. De overige stellingen van partijen kunnen niet tot een ander oordeel leiden en behoeven geen bespreking. Er bestaat geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Gedaagde zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
5. De beslissing in kort geding
Het gerecht:
veroordeelt gedaagde aan eiser te betalen Cg 5.721,65 bruto per maand aan salaris over de periode van 25 april 2025 tot en met 31 augustus 2025, te vermeerderen met 10% aan vertragingsrente ex artikel 7A:1614q BW, en voorts met ingang van 1 juli 2026 tot en met de dag waarop de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd alsnog rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
veroordeelt gedaagde om eiser uiterlijk met ingang van 1 november 2026 toe te laten de bedongen werkzaamheden te verrichten;
veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, aan de zijde van eiser begroot op Cg 450 aan griffierecht, Cg 447,95 aan oproepingskosten en Cg 1.500 voor salaris gemachtigde, bij niet-tijdige voldoening te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten met ingang van de vijftiende dag na de uitspraak van dit vonnis;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, bijgestaan door J. de Wind, griffier, en in het openbaar uitgesproken.