GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202603136
Vonnis in kort geding van 29 september 2026
in de zaak van
B.V. BETONBOUW CURACAO, gevestigd in Curaçao, eiseres, gemachtigden: mrs. D.M. Wildeman en D.E. van Voorst,
tegen
TRIANGLE CURAÇAO DEVELOPMENT B.V.,
gevestigd in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. X.A. Chelius.
Partijen worden hierna Betonbouw en Triangle genoemd.
Inleiding
Betonbouw wil dat de door Triangle gelegde beslagen worden opgeheven en dat de tenuitvoerlegging van het kort geding vonnis van 5 juni 2026 wordt geschorst totdat in een bodemprocedure is beslist. Het gerecht wijst de vorderingen van Betonbouw af.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 16 september 2026, met producties;
het verweerschrift met producties;
de akte aanvullende producties van Betonbouw;
de mondelinge behandeling van 25 september 2026;
de pleitnotities van de gemachtigden van partijen.
Uitspraak is bepaald op vandaag. Op de na de zitting van partijen ontvangen berichten is omwille van de goede procesorde en gelet op artikel 31 Procesreglement Civiele zaken geen acht geslagen.
2. De feiten
Op 1 november 2024 hebben Triangle als opdrachtgever en Betonbouw als opdrachtnemer een aannemingsovereenkomst gesloten. Het werk bestaat uit de bouw van 42 woningen met zwembad op het project La Vie in Curaçao voor een aanneemsom van Cg 10.612.000.
Betonbouw heeft eind 2025 twee modelwoningen opgeleverd. Betonbouw heeft vervolgens in maart 2026 de werkzaamheden gestaakt na discussie over de betaling van openstaande facturen en aanpassing van de aanneemsom.
Op 5 juni 2026 heeft het gerecht in een kort geding (zaaknummer CUR202601176) tussen Triangle als eiser en Betonbouw als gedaagde vonnis gewezen. Triangle vorderde kort gezegd nakoming van de aannemingsovereenkomst door Betonbouw. Het gerecht heeft als volgt beslist:
“6.1 beveelt Betonbouw om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, de werkzaamheden aan het werk volledig te hervatten en voort te zetten conform de tussen partijen overeengekomen planning en aanneemsom;
bepaalt dat Betonbouw een dwangsom verbeurt van Cg 5.000 per dag dat zij niet (volledig) voldoet aan het onder 6.1 bepaalde, dit tot een maximum van Cg 500.000;
(…)”
Tegen het kort geding vonnis van 5 juni 2026 is geen hoger beroep ingesteld.
3. De vordering
Betonbouw vordert samengevat:
het gelegde executoriale beslag door Triangle op de bankrekening(en) van Betonbouw per omgaande op te heffen;
de tenuitvoerlegging van het vonnis van 5 juni 2026 te schorsen totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist;
Triangle te verbieden het vonnis ten uitvoer te leggen, op straffe van een dwangsom;
Triangle te veroordelen in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen.
Triangle is van mening dat de vordering moet worden afgewezen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna onder de beoordeling en voor zover relevant, ingegaan.
4. De beoordeling
Juridisch kader
Aan een executant komt de bevoegdheid toe een ten gunste van hem gewezen uitspraak ten uitvoer te leggen. De tenuitvoerlegging van een executoriale titel mag zo min mogelijk worden belemmerd. Als er onenigheid ontstaat tussen partijen in relatie tot de executie, kan een executiegeschil aanhangig worden gemaakt op grond van artikel 438 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
In een executiegeschil kan aan de orde komen of er dwangsommen zijn verbeurd. Het gerecht moet in dat geval beoordelen of de voorwaarden waaronder de dwangsom is verschuldigd, zijn vervuld. Het is niet aan het gerecht om de vordering in het eerdere kort geding opnieuw te beoordelen. De beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, moet (wanneer sprake is van een veroordeling om iets te doen) plaatsvinden door een toetsing van de handelingen die ter uitvoering van het veroordelend vonnis zijn verricht aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij de uitleg zijn het doel en de strekking van de daarin opgenomen veroordelingen leidend. De rechter mag bij de uitleg van de veroordeling maatstaven van redelijkheid en billijkheid hanteren.
De stelplicht en bewijslast dat dwangsommen zijn verbeurd rusten op Triangle als executant. Daarbij is voldoende dat Triangle aannemelijk maakt dat Betonbouw niet aan de veroordelingen uit het kort geding vonnis van 5 juni 2026 heeft voldaan. In kort geding is er geen plaats voor nadere bewijslevering. Het gerec Het gerecht beoordeelt de stellingen van partijen daarom aan de hand van de beschikbare stukken en wat op de mondelinge behandeling naar voren is gebracht.
Verbeurde dwangsommen
Betonbouw is door het gerecht veroordeeld het werk volledig te hervatten en voort te zetten overeenkomstig de tussen partijen overeengekomen planning en aanneemsom. Volgens Triangle houdt Betonbouw zich hier niet aan. Betonbouw is alleen verdergegaan met kavel 717. Betonbouw betwist niet dat tot op heden alleen het werk aan kavel 717 is opgepakt, maar voert aan dat Triangle het haar onmogelijk maakt het vonnis na te komen door derden in te schakelen en voorstellen voor het herijken van de planning en begroting af te wijzen.
Uit de door Triangle overgelegde correspondentie kan worden opgemaakt dat partijen na het vonnis van 5 juni 2026 verschillende keren hebben geprobeerd afspraken te maken over een planning voor de bouw van de overige woningen. Die zijn op niets uitgelopen. Betonbouw liet op 2 augustus 2026 aan Triangle weten dat zij niet akkoord ging met een tegenvoorstel van Triangle en dat zij daarop terug zou komen. Gesteld noch gebleken is dat Betonbouw dat heeft gedaan.
Bij deze stand van zaken kan niet aan Triangle worden tegengeworpen dat – voor zover al noodzakelijk - geen nadere afspraken tot stand zijn gekomen over de bouw van de overige woningen. Verder geldt dat inderdaad een derde is ingeschakeld om een deel van de woningen te bouwen. Triangle heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat dit met instemming van Betonbouw is gebeurd. Uit het gespreksverslag van 7 juli 2026 volgt dat partijen hebben besproken dat er een andere aannemer zou starten met de bouw van de eerste huizen. Te lezen is dat Betonbouw daarmee akkoord is gegaan. Er blijkt niet dat Betonbouw nadien tegen dit specifieke punt in het verslag heeft geprotesteerd.
De conclusie is dat Betonbouw alleen de bouw van de woning op kavel 717 heeft opgepakt. Betonbouw is niet begonnen aan de bouw van de overige woningen. Er blijkt vooralsnog niet dat dit te wijten is aan Triangle, zoals Betonbouw heeft aangevoerd. Het afmaken van een enkele woning kan niet worden gezien als de beoogde volledige hervatting van de werkzaamheden als bedoeld in het vonnis van 5 juni 2026. Ook niet in het licht van eventuele nadere afspraken zoals het overnemen van een deel van de woningen door een derde. Dan nog had Betonbouw kunnen en moeten starten met de bouw van de resterende 20 woningen. Een volledige hervatting van de werkzaamheden lijkt Betonbouw overigens ook niet serieus na te streven. Tijdens de zitting is namens Betonbouw benadrukt dat een voortzetting van de aannemingsovereenkomst voor haar verliesgevend is.
Gelet op het voorgaande is naar het voorlopige oordeel van het gerecht voldoende aannemelijk dat dwangsommen zijn verbeurd. De gelegde beslagen zijn dus niet in die zin onrechtmatig.
Opheffing beslagen en schorsing/verbod tenuitvoerlegging vonnis 5 juni 2026
Opheffing van een executoriaal beslag of schorsing van de tenuitvoerlegging van een executoriaal vonnis (als er geen rechtsmiddel meer openstaat) is mogelijk als Triangle mede gelet op de belangen van Betonbouw die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van de bevoegdheid om tot executie over te gaan (artikel 3:13 BW). Dat zal het geval kunnen zijn als het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of als de tenuitvoerlegging op grond van de na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van Betonbouw een noodtoestand zal doen ontstaan waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
Betonbouw voert aan dat handhaving van de beslagen leidt tot een acute bedreiging van de bedrijfscontinuïteit van Betonbouw. Zij zal door de beslagen op de bankrekeningen geen uitvoering kunnen geven aan lopende projecten, geen salarissen kunnen betalen, enzovoort. Dat is zonder verdere toelichting, niet meteen een grond voor het opheffen van een beslag. Over het algemeen hebben executiemaatregelen grote (financiële) gevolgen voor de geëxecuteerde. Daar tegenover staat echter het zwaarwegende belang van de executant dat het vonnis wordt nageleefd. In het midden kan daarbij blijven of, zoals Betonbouw heeft aangevoerd, er geen geld op de bankrekeningen stond en de beslagen geen doel hebben getroffen.
Het gerecht ziet gelet op het voorgaande geen reden de beslagen op te heffen of de tenuitvoerlegging van het vonnis van 5 juni 2026 te schorsen/te verbieden. Daarbij betrekt het gerecht mede dat zijdens Betonbouw geen concrete voorstellen zijn gedaan om tot afronding van de werkzaamheden te komen, noch concrete voorstellen tot (het stellen van zekerheid voor) de voldoening van de verbeurde dwangsommen. Het gerecht wijst de vorderingen van Betonbouw af.
Proceskosten
Omdat Betonbouw in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van Triangle worden tot aan deze uitspraak begroot op
Cg 1.500 aan gemachtigdensalaris.
De gevorderde nakosten worden toegewezen zoals hierna onder de beslissing vermeld.
5. De beslissing in kort geding
Het gerecht:
wijst de vorderingen van Betonbouw af;
veroordeelt Betonbouw in de proceskosten van Triangle van Cg 1.500, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, bijgestaan door
mr. A.F. Lipman, griffier, en in het openbaar uitgesproken.