ECLI:NL:OGEAC:2026:209

ECLI:NL:OGEAC:2026:209

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 14-08-2026
Datum publicatie 03-11-2026
Zaaknummer CUR202601753
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

In de kern gaat het in deze zaak over de vraag of de Stichting, verzoekster terecht op staande voet heeft ontslagen en, als dit niet het geval is, welke (financiële) gevolgen dit heeft.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202601753

Beschikking van 14 augustus 2026

in de zaak van [verzoekster], wonende in [woonplaats], verzoekster, gemachtigde: mr. M. Noor,

tegen

[stichting],

gevestigd in Curaçao, verweerster, gemachtigden: mrs. J. Lovert & S. Ehigiene.

Partijen worden hierna ‘[verzoekster]’ en ‘de Stichting’ genoemd.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:

het verzoekschrift van 25 mei 2026, met producties;

het verweerschrift van 17 juli 2026, inhoudende een (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek, met producties;

de mondelinge behandeling van 17 juli 2026;

de pleitnotities.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2. Waar gaat deze zaak over?

In de kern gaat het in deze zaak over de vraag of de Stichting [verzoekster] terecht op staande voet heeft ontslagen en, als dit niet het geval is, welke (financiële) gevolgen dit heeft.

3. De feiten

De Stichting exploiteert een huisartsenpost waar in samenwerking met lokale huisartsen spoedeisende huisartsenzorg wordt verleend buiten de reguliere werktijden van de huisartspraktijken.

verzoekster] is op 1 juni 2024 in dienst getreden bij de Stichting in de functie van doktersassistente voor de duur van zes maanden. Dit contract is tweemaal verlengd. [verzoekster] was voor het laatst werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst ingaande op 1 juni 2025 die van rechtswege zou eindigen op 30 november 2025.

Binnen de huisartsenpost vervullen de doktersassistenten de rol van triagist. [verzoekster] was in die hoedanigheid belast met de telefonische triage van patiënten die in de avonden, nachten, weekenden en op feestdagen met de huisartsenpost contact opnemen.

Op 7 oktober 2024 en 16 mei 2025 heeft [verzoekster] schriftelijke waarschuwingen ontvangen voor respectievelijk ‘het niet documenteren van belangrijke gegevens in het patiëntendossier’, ‘het onjuist handelen tijdens triage’ en ‘structureel ongepast werkgedrag’.

Op 29 augustus 2025 omstreeks 00:35 uur heeft (de familie van) een patiënt contact opgenomen met de huisartsenpost. [verzoekster] heeft het gesprek aangenomen en als triagist het gesprek met de patiënt en diens familieleden gevoerd. Nadat de verbinding was weggevallen, heeft de patiënt nogmaals contact opgenomen met de huisartsenpost en wederom met [verzoekster] gesproken. [verzoekster] heeft aan het einde van het telefoongesprek de patiënt geadviseerd om zo spoedig mogelijk naar de huisartsenpost te komen.

Enige tijd daarna heeft de familie van de patiënt opnieuw contact opgenomen met de huisartsenpost. De familie van de patiënt heeft toen met een collega van [verzoekster] gesproken. Deze collega constateerde op basis van de gegevens in het systeem dat de patiënt kort daarvoor met [verzoekster] had gesproken. Omdat er op dat moment nog geen verslag van het gesprek dat [verzoekster] met de patiënt had gevoerd in het systeem stond en de collega daarom niet over de noodzakelijke context beschikte, heeft zij de familie van de patiënt laten weten dat [verzoekster] hen zo spoedig mogelijk zou terugbellen. De collega heeft na afronding van het gesprek de casus overgedragen aan [verzoekster].

verzoekster] heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met de familie van de patiënt. De familie van de patiënt heeft haar tijdens dit telefoongesprek laten weten dat de patiënt inmiddels buiten bewustzijn was geraakt en dat zij zelf een ambulance hadden gebeld. De patiënt is diezelfde nacht in het ziekenhuis overleden.

De Stichting heeft naar aanleiding van dit incident een intern onderzoek ingesteld.

Naar aanleiding van het onderzoek heeft de Stichting tijdens een gesprek op 31 augustus 2025 [verzoekster] op staande voet ontslagen.

De Stichting heeft bij brief van 2 september 2025 het ontslag op staande voet schriftelijk bevestigd aan [verzoekster].

Bij brief van 16 oktober 2025 heeft [verzoekster] de nietigheid van het door de Stichting gegeven ontslag op staande voet ingeroepen. De Stichting heeft volhard in het gegeven ontslag.

4. Het verzoek en het zelfstandig verzoek

Het verzoek van [verzoekster]

verzoekster] verzoekt het gerecht om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht te verklaren dat het op 31 augustus 2025 gegeven ontslag op staande voet nietig is, waardoor de arbeidsovereenkomst voortduurde en [verzoekster] recht behoudt op doorbetaling van haar loon tot de rechtmatige einddatum van 30 november 2025;

de Stichting te veroordelen tot betaling van het bruto totaalbedrag van

Cg 10.500 aan [verzoekster] wegens achterstallig loon over de periode september tot en met november 2025;

voor recht te verklaren dat [verzoekster] cessantia heeft opgebouwd vanaf de datum van indiensttreding op 1 juni 2024 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, conform de toepasselijke wettelijke bepalingen;

de Stichting te veroordelen tot betaling van de opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen, alles vermeerderd met de wettelijke verhoging en met de wettelijke rente vanaf 30 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

de Stichting te veroordelen in de proceskosten.

Het zelfstandig verzoek van de Stichting

De Stichting verzoekt het gerecht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

de arbeidsovereenkomst tussen de Stichting en [verzoekster] per 31 augustus te ontbinden wegens gewichtige redenen, bestaande uit dringende redenen, althans veranderingen in omstandigheden, zonder toekenning van enige vergoeding aan [verzoekster];

[verzoekster] te veroordelen in de proceskosten, alsmede de nakosten en de wettelijke rente.

5. De beoordeling

Inzake het verzoek van [verzoekster]

Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig

De vraag die in deze zaak centraal staat, is of [verzoekster] terecht op staande voet is ontslagen door de Stichting. Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet moet aan drie vereisten zijn voldaan: 1) er moet een dringende reden zijn voor het ontslag, 2) het ontslag moet onverwijld worden gegeven, en 3) de dringende reden moet onverwijld aan de werknemer worden medegedeeld. Het gerecht stelt voorop dat het ontslag op staande voet een uiterst middel is. Omdat een ontslag op staande voet voor een werknemer verstrekkende gevolgen heeft, mag dit middel alleen in uitzonderlijke gevallen worden ingezet.

Tussen partijen is in geschil of er sprake is van een dringende reden voor het ontslag. In artikel 7A: 1615p lid 1 BW is bepaald dat voor de werkgever als dringende redenen worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Volgens de ontslagbrief van 2 september 2025 is [verzoekster] op staande voet ontslagen vanwege haar handelen tijdens de telefonische triage van 29 augustus 2025. De Stichting verwijt haar dat zij, ondanks meerdere officiële waarschuwingen, de urgentie van de situatie niet juist heeft ingeschat en heeft nagelaten voor de patiënt een ambulance in te schakelen. Daarbij neemt de Stichting in aanmerking dat [verzoekster] eerder uitdrukkelijk is gewezen op het belang van correct en tijdig handelen bij triage, het strikt toepassen van de NHG Triagewijzer, het zorgvuldig documenteren van patiëntgegevens en het aannemen van een professionele werkhouding. Volgens de Stichting heeft [verzoekster] tijdens het ongeveer negen minuten durende gesprek bovendien onprofessioneel gereageerd richting de patiënt.

De Stichting heeft toegelicht waarom strikte naleving van de triagewijzer essentieel is. De triagewijzer is bedoeld om de patiëntveiligheid te waarborgen: hij biedt structuur aan het triagegesprek en helpt om levensbedreigende of acute medische situaties snel te herkennen. Juist daarom moet een triagist de triagewijzer consequent toepassen. [verzoekster] is volgens de Stichting herhaaldelijk op dit belang gewezen. Ook heeft zij, op kosten van de Stichting, verschillende cursussen gevolgd om haar vaardigheden in het toepassen van de triagewijzer te verbeteren. Daarnaast is [verzoekster] eerder schriftelijk gewaarschuwd wegens het niet, althans niet juist, toepassen van de triagewijzer.

Volgens [verzoekster] werd zij door de patiënt en diens familie overspoeld met informatie en sloeg zij op enig moment aan op het feit dat de patiënt eerder die dag bij een specialist was geweest en daar was behandeld. [verzoekster] heeft verder aangevoerd dat een arts haar gesprek met de patiënt heeft opgevangen en haar vervolgens geïnstrueerd heeft om de patiënt te vragen direct naar de huisartsenpost te komen. Volgens [verzoekster] heeft zij enkel aan die instructie opvolging gegeven.

Het gerecht is van oordeel dat het feit dat [verzoekster], ondanks eerdere waarschuwingen, tijdens de telefonische triage op 29 augustus 2025 (wederom) heeft nagelaten de triagewijzer toe te passen, waardoor zij niet in staat is geweest de urgentie juist in te schatten, een dringende reden voor ontslag oplevert. [verzoekster] heeft met haar handelswijze de uitdrukkelijke instructies van de Stichting genegeerd en de patiëntveiligheid ernstig in gevaar gebracht. De triagewijzer is ontworpen om, aan de hand van gerichte vragen, zo snel mogelijk de mate van urgentie vast te kunnen stellen. Daarbij is het de taak van de triagist om de regie te voeren over het gesprek en de patiënt de vragen te laten beantwoorden die op basis van de triagewijzer moeten worden gesteld. [verzoekster] heeft dat niet gedaan en is daarmee ernstig tekortgeschoten in haar functioneren. Daarbij lijkt [verzoekster] in het algemeen het belang van het toepassen van de triagewijzer niet in te zien. [verzoekster] volhardt immers in haar standpunt dat zij, ondanks dat zij de triagewijzer niet heeft toegepast, het gesprek op correcte wijze heeft afgehandeld. Dat het de Stichting aan vertrouwen ontbreekt dat [verzoekster] een volgende keer anders zal handelen, is dan ook begrijpelijk.

Het is verder niet gebleken dat [verzoekster] tijdens het telefoongesprek van 29 augustus 2025 op advies van een arts heeft gehandeld en om die reden van de triagewijzer is afgeweken. [verzoekster] heeft hiervan niets vastgelegd, terwijl het protocol dit wel vereist, en de verklaring van de betreffende arts die de Stichting heeft overgelegd, spreekt dit tegen.

Het gerecht is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van de Stichting kon worden verlangd dat zij, na het incident op 29 augustus 2025, de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] liet voortduren. Nu tussen partijen niet ter discussie staat dat het ontslag onverwijld is gegeven en dat de reden voor het ontslag onverwijld aan [verzoekster] is medegedeeld, komt het gerecht tot het oordeel dat het ontslag op staande voet van 31 augustus 2025 rechtsgeldig is. De door [verzoekster] verzochte verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet nietig is, wordt daarom afgewezen.

[stichting] hoeft geen loon aan [verzoekster] door te betalen

Nu het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, is de arbeidsovereenkomst op 31 augustus 2025 geëindigd. Het verzoek van [verzoekster] om [stichting] te veroordelen tot betaling van het loon over de periode van september tot en met november 2025 wordt daarom afgewezen.

[stichting] moet de opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen uitbetalen voor zover zij dat nog niet heeft gedaan

De Stichting is gehouden de opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen tot en met 31 augustus 2025 aan [verzoekster] uit te betalen. Het gerecht leidt uit de stukken af dat de Stichting in een brief van 17 maart 2026 heeft toegezegd tot uitbetaling hiervan over te gaan. Tijdens deze procedure is niet duidelijk geworden of de Stichting dit inmiddels heeft gedaan. Het gerecht zal daarom de Stichting veroordelen tot betaling van de opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen tot en met 31 augustus 2025 voor zover zij deze nog niet heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 30 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

[verzoekster] kan geen aanspraak maken op een cessantia-uitkering

Omdat de arbeidsovereenkomst door toedoen van [verzoekster] is geëindigd, kan [verzoekster] geen aanspraak maken op een cessentia-uitkering van de Stichting. De verzochte verklaring voor recht terzake wordt daarom afgewezen.

[verzoekster] moet de proceskosten van [stichting] betalen

Omdat [verzoekster] grotendeels in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van de Stichting worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 1.500 aan gemachtigdensalaris. De rente en nakosten worden toegewezen zoals hierna onder de beslissing vermeld.

Inzake het (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek van de Stichting

Het (voorwaardelijk) verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen

In het voorwaardelijk verzoek gaat het om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden op grond van artikel 7A:1615w lid 1BW. Uit het vorenstaande volgt dat het gerecht van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 31 augustus 2025 rechtsgeldig is geëindigd met het ontslag op staande voet. Slechts voor het geval in hoger beroep het ontslag op staande voet zou worden vernietigd, en de arbeidsovereenkomst daardoor niet reeds op 31 augustus 2025 is geëindigd, overweegt het gerecht nog als volgt.

Op grond van artikel 7A:1615w lid 1 BW kan de werkgever de rechter te allen tijde verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige redenen. Daaronder vallen omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in artikel 7A:1615o lid 1 BW zouden hebben opgeleverd, maar ook veranderingen in de omstandigheden die maken dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

De Stichting verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen. Zij baseert dit verzoek primair op een dringende reden en subsidiair op een verandering van omstandigheden. Ter onderbouwing verwijst de Stichting naar de hiervoor besproken feiten, de eerdere waarschuwingen en het feit dat [verzoekster] meermalen is afgeweken van de protocollen. Zij vormt hiermee volgens de Stichting een risico voor de veiligheid van patiënten en de betrouwbaarheid van de spoedzorgverlening. Voortzetting van het dienstverband is daarom onverantwoord, aldus de Stichting.

Het gerecht is van oordeel dat de gedragingen van [verzoekster], zoals hiervoor omschreven en beoordeeld, een dringende reden voor ontslag opleveren, die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Het (voorwaardelijk) verzoek van de Stichting wordt daarom toegewezen. Voor toekenning van een vergoeding naar billijkheid bestaat onder deze omstandigheden geen aanleiding.

De proceskosten worden gecompenseerd

Het gerecht ziet aanleiding om de proceskosten in het voorwaardelijk tegenverzoek te compenseren, in die zin dat elke partij de eigen proceskosten draagt.

Inzake de verzoeken van [verzoekster] en de Stichting

Uitvoerbaar bij voorraad

De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen een rechtsmiddel tegen deze beslissing instelt.

6. De beslissing

Het gerecht:

Inzake het verzoek van [verzoekster]

veroordeelt de Stichting tot betaling aan [verzoekster] van de opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen tot en met 31 augustus 2025, voor zover zij nog niet tot betaling daarvan is overgegaan, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 30 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van de Stichting van Cg 1.500, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening;

bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;

Inzake het voorwaardelijk zelfstandig verzoek van de Stichting

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen de Stichting en [verzoekster] met ingang van 31 augustus 2025;

compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

Inzake de verzoeken van [verzoekster] en de Stichting

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. I. Tubben, rechter, bijgestaan door mr. D. Meijer, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I. Tubben

Griffier

  • mr. D. Meijer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand