Uitspraak van 27 februari 2026
BBZ nrs. CUR202404218 tot en met CUR202404222
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende] , wonende te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.
1. PROCESVERLOOP
Aan belanghebbende zijn op 14 juli 2023 aanslagen inkomstenbelasting (IB), premies AOV/AWW en premie AVBZ voor het jaar 2019 opgelegd naar een belastbaar en premie-inkomen van NAf 231.264. Dit heeft geresulteerd in een te betalen bedrag aan belasting en premies van respectievelijk NAf 18.501 (IB), NAf 14.312 (AOV/AWW) en NAf 4.625 (AVBZ).
Aan belanghebbende zijn op 29 december 2022 aanslagen IB en premies AOV/AWW voor het jaar 2021 opgelegd naar een belastbaar inkomen en premie-inkomen van NAf 113.731. Dit heeft geresulteerd in een te betalen bedrag aan belasting en premies van respectievelijk NAf 11.373 (IB) en NAf 8.428 (AOV/AWW).
Belanghebbende heeft op 20 maart 2023 (2021) en 27 juli 2023 (2019) tegen bovengenoemde aanslagen bezwaar gemaakt.
Belanghebbende is op 7 november 2024 in beroep gekomen tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.
De Inspecteur heeft op 25 november 2024 uitspraken op bezwaar gedaan met betrekking tot de IB en de premies AOV/AWW en AVBZ voor het jaar 2019 en deze aanslagen verminderd tot nihil.
De Inspecteur heeft op 15 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn op 16 juli 2025 uitgenodigd voor een zitting op 27 augustus 2025.
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2025 te Willemstad. Belanghebbende is, samen met zijn echtgenote, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. [A]. Namens de Inspecteur is mr. [B] verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de Inspecteur en het Gerecht. Het onderzoek is ter zitting aangehouden om partijen in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in te dienen.
Op 1 september 2025 heeft het Gerecht belanghebbende verzocht bewijs over te leggen van het belastbaar inkomen van NAf 113.731 (oftewel USD 63.894) en aan te geven in welke hoedanigheid belanghebbende dit inkomen heeft genoten. .
Op 15 september 2025 heeft belanghebbende gereageerd op de e-mail van het Gerecht van 1 september 2025.
Op 5 november 2025 heeft belanghebbende nadere stukken (een W-2-formulier) aan het Gerecht toegezonden.
Op 5 december 2025 heeft de Inspecteur gereageerd op de e-mail van belanghebbende.
Op 19 december 2025 heeft belanghebbende aangegeven geen behoefte te hebben aan een reactie op de reactie van de Inspecteur.
Op 19 december 2025 heeft het Gerecht partijen geïnformeerd dat het onderzoek zal worden gesloten en dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan.
2. FEITEN
Belanghebbende woont sinds 2021 op Curaçao
Belanghebbende was als piloot in dienstbetrekking bij [X], een vliegtuigmaatschappij gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS). Voor wat betreft het jaar 2021 heeft belanghebbende feitelijk niet meer gevlogen voor genoemde vliegtuigmaatschappij, maar heeft nog wel doorbetaling van zijn salaris plaatsgevonden. .
Belanghebbende heeft op 15 augustus 2022 aangifte gedaan voor de IB en de premies AOV/AWW over het jaar 2021 en ten titel van pensioen een bruto-inkomen van NAf 113.731 (oftewel USD $ 63.894) aangegeven. Ter zake van dit inkomen is verzocht om aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.
Tot de stukken van het geding behoort een zogeheten ‘W-2 and earnings summary-formulier 2021’ waarop meer de volgende bedragen zijn vermeld: ‘wages, tips, other compensation’ USD 63.894,56, ‘federal income tax withheld’ USD 9.656,05, ‘social security wages’ USD 84.523,81, ‘social security tax withheld’ USD 5.240,48, ‘Medicare wages and tips’ USD 84.523,81 en ‘Medicare tax withheld’ USD 1.225,60.
3. GESCHIL
In geschil is of belanghebbende in het jaar 2021 premieplichtig is voor de premies AOV/AWW. Daarbij is beslissend of belanghebbende inkomsten uit tegenwoordige of vroegere arbeid heeft genoten.
Belanghebbende stelt dat het in 2021 ontvangen bedrag van US $ 63.894,56 volledig betrekking heeft op inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking bij [X]. Gedurende het jaar 2021 stelt belanghebbende geen pensioen (inkomsten uit vroegere arbeid) te hebben genoten. Belanghebbende stelt dat het door hem gespaarde pensioen in latere jaren is opgenomen. Voor zover hij in 2021 meer nodig had dan de inkomsten die zijn genoten van [X], is ingeteerd op privé-spaarrekeningen, aldus belanghebbende.
De Inspecteur stelt dat de genoten inkomsten voor wat betreft het jaar 2021 moeten worden aangemerkt als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking. De door belanghebbende gestelde tegenwoordige dienstbetrekking is niet met bewijsstukken onderbouwd. Daarbij heeft belanghebbende in zijn aangifte inkomstenbelasting 2021 zelf aangegeven dat sprake is van inkomsten uit vroegere dienstbetrekking. De Inspecteur is van mening dat, met hetgeen belanghebbende heeft overgelegd niet het bewijs is geleverd dat sprake is van loon uit tegenwoordige arbeid.
Voor wat betreft het jaar 2019 is de Inspecteur volledig tegemoetgekomen aan belanghebbende. Dat jaar is dan ook, behoudens de vraag of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding, niet langer in geschil.
4. OVERWEGINGEN
Beroep niet tijdig beslissen 2019
Belanghebbende heeft op 7 november 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar tegen de in 1.1 en 1.2 genoemde aanslagen. De Inspecteur heeft op 25 november 2024 alsnog uitspraken op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft derhalve geen belang meer bij dit beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Dit beroep is mitsdien niet-ontvankelijk.
Beroep niet tijdig beslissen 2021
Het bezwaarschrift is op 20 maart 2023 door de Inspecteur ontvangen.
Ingevolge artikel 30, lid 2, Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 20 december 2023, een uitspraak heeft gedaan.
Ingevolge artikel 31, lid 1, ALL kan binnen twaalf maanden, in dit geval dus uiterlijk op 20 december 2024, beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.
Belanghebbende heeft op 7 november 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Dit beroep is tijdig ingesteld.
Het Gerecht zal met instemming van partijen het verweerschrift aanmerken als een (reële) uitspraak op bezwaar. Het door belanghebbende ingestelde beroep van 7 november 2024 wordt ook geacht te zijn gericht tegen de (reële) uitspraak op bezwaar van 15 augustus 2025 (GEA Curaçao, 17 april 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:57).
Ontvankelijkheid bezwaar 2021
In de (reële) uitspraak op bezwaar (het verweerschrift) heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende niet ontvankelijk is in zijn bezwaar.
In artikel 29, lid 1, ALL is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.
De aanslagen IB en premies AOV/AWW zijn gedagtekend 29 december 2022. Het bezwaarschrift is op 20 maart 2023 ingediend. Dit bezwaarschrift is dus buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend.
Belanghebbende heeft betoogd dat de aanslagen per post op 8 maart 2023 zijn ontvangen, zodat de bezwaartermijn later zou zijn aangevangen. In hetgeen belanghebbende heeft verklaard ligt de betwisting van de tijdige verzending van het aanslagbiljet besloten (HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102). Dit betekent dat aangenomen moet worden dat belanghebbende heeft betwist dat de Inspecteur het aanslagbiljet tijdig aan hem heeft bekendgemaakt, ook zonder dat hij expliciet melding maakt van die stelling. In dat geval moet de Inspecteur aannemelijk maken dat de belastingaanslag wel tijdig en rechtsgeldig aan belanghebbende is bekendgemaakt (Vgl. HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8440).
De Inspecteur heeft in dat verband niets aangevoerd. De Inspecteur heeft aldus, tegenover de betwisting van belanghebbende, de (tijdige) verzending van de het aanslagbiljet niet aannemelijk gemaakt. De bezwaartermijn vangt in dat geval aan op het tijdstip dat belanghebbende eerst kennis heeft gekregen van de opgelegde aanslagen. In het onderhavige geval is dat op 8 maart 2023. Belanghebbende heeft vervolgens op 20 maart 2023, en derhalve tijdig, bezwaar gemaakt. Gelet op het voorgaande is het bezwaar ontvankelijk. De Inspecteur heeft het bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep dient reeds hierom gegrond te worden verklaard.
Juridische kader
Verzekerd voor de AOV en AWW zijn ingevolge artikel 5, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (LAOV) en artikel 6, aanhef en onderdeel a, van de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering (LAWW), degene die de leeftijd van 15 jaar, doch nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, indien hij ingezetene is.
Artikel 2, aanhef en onderdeel a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden (hierna: Landsbesluit AOV) bepaalt dat niet als verzekerde in de zin van de LAOV wordt aangemerkt: de ingezetene die buiten Curaçao arbeid verricht in het kader van een in dienstbetrekking en krachtens de wettelijke regeling van het land waarin hij werkt, voor de geldelijke gevolgen van ouderdom verzekerd is. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in artikel 1, aanhef en onderdeel a van het Landsbesluit Algemene Weduwen- en wezenverzekering (Landsbesluit AWW).
Inhoudelijk
Een ingezetene van Curaçao die volgens de hoofdregel verzekeringsplichtig en derhalve premieplichtig is voor de AOV en de AWW, is volgens de uitzondering van artikel 2, aanhef en onder a, van het Landsbesluit AOV en artikel 1, aanhef en onderdeel a van het Landsbesluit AWW niet in Curaçao verzekeringsplichtig voor de AOV en AWW als hij buiten Curaçao in het kader van een dienstbetrekking arbeid verricht én ter zake van die arbeid krachtens een in het land waar hij werkt geldende wettelijke regeling inzake geldelijke gevolgen van ouderdom is verzekerd.
Belanghebbende beroept zich op de in 4.14 genoemde bepalingen. Hij stelt dat hij in 2021 tot het tijdstip dat hij de 65-jarige leeftijd bereikte, fiscaal gezien buiten Curaçao in het kader van een dienstbetrekking arbeid verrichtte en dat hij ter zake van die arbeid in de VS was verzekerd op grond van de aldaar geldende ouderdomsregeling. Voorts voert belanghebbende aan dat hij in 2021, het jaar waarin hij 65 jaar werd, in zijn aangifte in de VS een bedrag van USD 63.894 (NAf 113.731) als ‘Wages’ (salaris) heeft aangegeven. In dit verband verwijst belanghebbende naar het tot de stukken van het geding behorende W2-formulier (zie 2.4). De vermelding van deze inkomsten onder de rubriek ‘pensioen’ in de aangifte IB 2021 is volgens belanghebbende per abuis geschied. Gelet hierop kan belanghebbende niet als verzekerde in de zin van de LAOV en LAWW worden aangemerkt en is hij dan ook niet premieplichtig.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende in 2021 tot het tijdstip waarop belanghebbende de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, verzekeringsplichtig is ingevolge de AOV/AWW, hetgeen meebrengt dat hij in dat jaar premieplichtig is, nu hij in dat jaar geen arbeid in het buitenland heeft verricht. Volgens de Inspecteur beroept belanghebbende zich ten onrechte op de in 4.14 genoemde bepalingen aangezien hij vanaf 2021 niet langer arbeid in dienstbetrekking verrichtte bij de Amerikaanse luchtvaartmaatschappij [X] in de zin van die bepaling. De Inspecteur stelt dat sprake is van inkomsten uit vroegere dienstbetrekking, temeer nu belanghebbende dit in zijn aangifte heeft aangegeven door de desbetreffende rubriek aan te vinken.
Het Gerecht heeft partijen na de zitting verzocht nadere toelichting te geven op de aard van het bedrag van NAf 113.731 (oftewel USD 63.894). Daarbij acht het Gerecht met name van belang op welke periode dit bedrag ziet, en in het bijzonder of dit bedrag mede ziet op de periode nadat belanghebbende de 65-jarige leeftijd heeft bereikt en derhalve wellicht als pensioen moet worden beschouwd.
Op basis van de stukken van het geding komt het Gerecht tot de conclusie dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem genoten inkomsten van NAf 113.731 moeten worden beschouwd als inkomsten genoten uit dienstbetrekking en dat deze inkomsten betrekking hebben op de periode van 1 januari 2021 tot en met de datum waarop belanghebbende de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Zulks volgt niet alleen uit de ter zitting overgelegde formulier U.S. Individual Income Tax Return 2021, maar eveneens uit de na afloop van de zitting overgelegde ‘2021 W2 and earnings summary’. Op beide formulieren (het door belanghebbende in de VS ingediende aangiftebiljet en de door de werkgever opgemaakte ‘loonbelastingkaart’) zijn de inkomsten van US $ 63.984,56 (de tegenwaarde van NAf 113.731) verantwoord onder de rubriek ‘wages, tips and other comp.’. Op het formulier U.S. Individual Income Tax Return 2021 is onder 5a een rubriek opgenomen ‘Pensions and annuities’. Bij die rubriek is niets ingevuld. Ook dit wijst er naar het oordeel van het Gerecht op dat belanghebbende in 2021 geen inkomsten uit vroegere arbeid heeft genoten Daarnaast heeft belanghebbende ter zitting en in nadere stukken, ingediend na afloop van de zitting, verklaard dat zijn pensioen niet wordt betaald door de (voormalig) werkgever [X]. Gedurende de periode dat hij in dienstbetrekking was bij [X] is een deel van zijn salaris apart gezet voor een pensioenspaarplan (de ‘Social Security rekening’). Deze rekening kan (fiscaal) belastingvrij renderen. Indien na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd opnames plaatsvinden van de ‘Social Security rekening’ vindt belastingheffing plaats, aldus nog steeds belanghebbende. Daarbij heeft belanghebbende een grote mate van vrijheid voor wat betreft het tijdstip waarop en de mate waarin hij gelden opneemt van de ‘Social Security rekening’. Belanghebbende heeft middels een afschrift laten zien dat hij op 22 mei 2024 een opname heeft gedaan van de ‘Social Security rekening’ tot een bedrag US $ 3.179. Belanghebbende heeft verklaard dat dit de eerste opname van genoemde rekening was.
Hetgeen belanghebbende heeft verklaard, acht het Gerecht geloofwaardig en is overigens door de Inspecteur niet, dan wel onvoldoende, betwist.
Dat belanghebbende in 2021 feitelijk niet meer heeft gevlogen, betekent naar het oordeel van het Gerecht niet dat geen inkomsten uit dienstbetrekking is genoten. De reden daarvan was onder andere gelegen in het feit dat vliegen sterk werd beperkt door COVID en belanghebbende een van de oudere, bijna pensioengerechtigde, piloten was.
Dat belanghebbende, per abuis, de door hem genoten inkomsten in de aangifte IB 2021 heeft aangegeven als pensioen, maakt het vorenoverwogene niet anders.
Naast dat sprake is van inkomsten genoten uit dienstbetrekking is het Gerecht van oordeel dat tevens wordt voldaan aan het wettelijk vereiste dat belanghebbende krachtens een wettelijke regeling van het land waarin hij werkt, voor de geldelijke gevolgen van ouderdom verzekerd is. Zulks blijkt overduidelijk uit de inhoudingen die hebben plaatsgevonden op de in 2021 genoten inkomsten afkomstig van [X]. Blijkens de ‘2021 W2 and earnings summary’ is US $ 5.240,48 aan ‘social security tax ingehouden en US $ 1.225,60 aan ‘Medicare tax’.
Slotsom
De slotsom moet dan ook zijn dat belanghebbende (ook) voor het jaar 2021 niet als verzekerde voor de LAOV en de LAWW dient te worden aangemerkt, uit dien hoofde dan ook niet premieplichtig is en dat het beroep voor wat betreft de aanslagen AOV/AWW voor het jaar 2021 dienen te worden vernietigd.
5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Kosten bezwaarfase
Ingevolge artikel 32a, lid 1 van de ALL worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd. Het verzoek moet ingevolge artikel 32a, lid 2 ALL worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in artikel 6.4 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht.
Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift verzocht om een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende daar geen recht op heeft. Aan een kostenvergoeding voor de bezwaarfase wordt toegekomen indien de Inspecteur tegen beter weten in een onrechtmatige belastingaanslag heeft opgelegd of beschikking heeft genomen. Naar het oordeel van het Gerecht is daarvan geen sprake.
Kosten beroepsfase
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 (hierna: LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, AB 2013, GT no. 512 (voorheen PB 2001, no. 127) (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.750. Daarbij wordt 0,5 punten toegekend voor het jaar 2019 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, waarde per punt NAf 700 en wegingsfactor 0,5) en 2 punten voor het jaar 2021 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700 en wegingsfactor 1).
De Inspecteur dient op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 50 aan belanghebbende te vergoeden.
6. DE BESLISSING
Het Gerecht:
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 27 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noel-van der Biezen BSc
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500