Uitspraak van 26 februari 2026
BBZ nr. CUR202503723
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende] , wonende te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.
1. PROCESVERLOOP
De Inspecteur heeft op 29 december 2022 bij voor bezwaar vatbare beschikking (ex artikel 12 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL)) besloten geen (negatieve) aanslag inkomstenbelasting (IB) voor het jaar 2019 op te leggen (hierna: de beschikking geen aanslag).
Belanghebbende heeft daartegen op 8 december 2023 bezwaar gemaakt.
Belanghebbende heeft op 8 september 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.
De Inspecteur heeft op 2 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op 10 februari 2026 nadere stukken ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026 te Willemstad. Namens belanghebbende is (via videoverbinding) verschenen [A], verbonden aan [X] (de gemachtigde). Namens de Inspecteur is verschenen mr. [B].
2. OVERWEGINGEN
Het bezwaarschrift tegen de beschikking geen aanslag is op 8 december 2023 door de Inspecteur ontvangen.
Ingevolge artikel 30, lid 2 ALL is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 8 september 2024, een uitspraak heeft gedaan.
Ingevolge artikel 31, lid 1, ALL kan binnen twaalf maanden na voormelde periode van negen maanden, in dit geval dus uiterlijk op 8 september 2025, beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.
Anders dan de datum van 10 september 2025, welke genoemd is in het portaal en waar de Inspecteur vanuit gaat, stelt het Gerecht vast dat belanghebbende al eerder, namelijk op 8 september 2025, beroep heeft ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Dit beroep is tijdig ingesteld.
De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op het bezwaar genomen. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen dient derhalve gegrond te worden verklaard.
In dat geval kan het Gerecht de Inspecteur verzoeken alsnog een uitspraak op bezwaar te doen (artikel 31, lid 2 ALL). Het Gerecht ziet daartoe in deze situatie aanleiding. Het Gerecht overweegt in dit verband dat de feiten onvoldoende helder zijn om een voldragen oordeel te kunnen vormen. Daarbij neemt het Gerecht ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar het volgende in aanmerking.
Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift van 8 december 2023 gesteld dat hij het besluit dat geen aanslag wordt opgelegd niet heeft ontvangen en dat hij pas voor het eerst op 6 december 2023 van dat besluit in kennis is gesteld. Hierin ligt de betwisting van de tijdige verzending van de beschikking geen aanslag besloten (HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102). Dit betekent dat aangenomen moet worden dat belanghebbende heeft betwist dat de Inspecteur de beschikking geen aanslag tijdig naar hem heeft verzonden, ook zonder dat hij expliciet melding maakt van die stelling. In dat geval moet de Inspecteur bewijzen dat de beschikking geen aanslag wel tijdig en rechtsgeldig aan belanghebbende is verstuurd (vgl. HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8440; GEA Aruba 15 juni 2018, ECLI:NL:OGEAA:2018:361). De Inspecteur heeft dat bewijs vooralsnog niet geleverd.
Ingevolge artikel 31, lid 2 ALL draagt het Gerecht de Inspecteur op uiterlijk 24 mei 2026 alsnog uitspraak te doen op het bezwaar tegen de beschikking geen aanslag en/of teruggave 2019.
3. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Het Gerecht ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor het instellen van beroep wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar (vgl. HR 17 februari 2006, nr. 39602, ECLI:NL:HR:2006:AV1713).
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, nr. CUR2016H00008, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 700 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor van 0,5 (beroep wegens niet tijdig beslissen)).
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 50 aan belanghebbende te vergoeden.
6. DE BESLISSING
Het Gerecht:
- verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond;
- draagt de Inspecteur op uiterlijk 24 mei 2026 alsnog uitspraak te doen op het bezwaar tegen de aanslag;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 700; en
- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 50 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en uitgesproken op 26 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500