Parketnummer: 555.00130/25
Uitspraak: 20 februari 2026 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], adres: [adres],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. U.F. Dickens, advocaat in Curaçao.
Namens de benadeelde partij [benadeelde partij] is de heer [betrokkene] van de Uitvoeringsorganisatie Justitiële Zorg (UOJZ) aanwezig.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie mr. V.Z.B. Girigoria-Hernandez heeft ter terechtzitting gevorderd, dat het Gerecht het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.
Haar vordering behelst voorts de niet-ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij en de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen vuurwapen en de inbeslaggenomen munitie.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Voorts heeft de raadsman bepleit dat de verdachte van het onder feit 1 meer subsidiair en feit 2 zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zijn vordering behelst ten slotte de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
FEIT 1 – Primair
hij op of omstreeks 9 juli 2025, te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet, een vuurwapen heeft gericht en daarmee een of meerdere kogel(s) heeft afgevuurd in de richting van voornoemde [benadeelde partij], waardoor die [benadeelde partij] door een kogel aan zijn zitvlak werd geraakt, in elk geval aan zijn lichaam, terwijl de uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair
hij op of omstreeks 9 juli 2025, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon, te weten [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een schotwond in het zitvlak, heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een vuurwapen in de richting van voornoemde [benadeelde partij] te schieten en hem daarbij met een kogel te treffen, terwijl de uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Meer subsidiair
hij op of omstreeks 9 juli 2025 te Curaçao, tezamen en/of in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, althans opzettelijk mishandelend, [benadeelde partij], met gebruikmaking van een vuurwapen, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening 1931 en/of Vuurwapenverordening 1930, te weten een vuurwapen, althans een scherp voorwerp, in elk geval eenmaal of meerdere malen, gericht op het lichaam van [benadeelde partij] heeft geschoten, ten gevolge waarvan die [benadeelde partij] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
FEIT 2
hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 9 juli 2025, althans in of omstreeks de periode van 9 juli 2025 tot en met 10 juli 2025, te Curaçao, tezamen en
in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (vuist)vuurwapen in de
zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten:
- een zwarte pistool van het merk [vuurwapenmerk] (voorzien van de aanduiding “9x19” gegraveerd aan de linkerzijde van de slede), voorzien van een (zwarte) laser (aan de onderzijde van de kastgroep onder de slede van het merk [merk]),
althans een soortgelijk voor bedreiging en/ of afdreiging geschikt voorwerp, en/of een of meerdere munitie(s), te weten:
in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak van poging tot doodslag en poging zware mishandeling
Het Gerecht is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.
Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
Feiten en omstandigheden
Op 9 juli 2025 kreeg de politie melding van een schietincident waarbij een man door een kogel in zijn zitvlak is geraakt. Het slachtoffer is [benadeelde partij], geboren op [geboortedatum] 1994. Hij heeft verklaard dat hij bij een minimarket aan de [straat] stond toen hij een schot hoorde en voelde dat hij geraakt werd. Hij kon op dat moment niet aangeven wie op hem heeft geschoten en wilde hiervan ook geen aangifte doen. Het slachtoffer werd per ambulance naar het Curaçao Medical Center (CMC) gebracht voor medische behandeling, waarbij het projectiel werd verwijderd dat vervolgens door de politie in beslag is genomen. Pogingen van de politie om nader contact te leggen met het slachtoffer hebben geen resultaat opgeleverd.
Uit bevindingen van de politie is gebleken dat het schietincident niet bij een minimarket heeft plaatsgevonden, maar aan de [adres], waar de familie [verdachte] woont. De verdachte, bekend als “[verdachte]”, heeft met een vuurwapen geschoten en werd geïdentificeerd als [verdachte], geboren op [gebortedatum] 1999. Op 10 juli 2025 werd de verdachte [verdachte] aangehouden.
Veiliggestelde camerabeelden bij [adres] tonen dat op 9 juli 2025 rond 15:33 uur een wit voertuig voor het erf aan de [adres] stopte en de verdachte [verdachte] als bijrijder uitstapte. Kort daarna, om 15.35 uur, arriveerde een grijs voertuig waaruit het slachtoffer [benadeelde partij] stapte die vervolgens richting het erf van de woning van [verdachte] liep. Op de audio zijn meerdere stemmen te horen en is te horen dat een woordenwisseling plaatsvond. De camera is gericht op de openbare weg waardoor het schietincident zelf niet is te zien op de beelden.
De verdachte heeft tijdens zijn politieverhoor verklaard dat het slachtoffer in zijn woonkamer stond. In het verdere proces – bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting – heeft de verdachte verklaard dat het slachtoffer op zijn balkon stond. De verdachte sommeerde hem zijn erf te verlaten en gaf hem een duw. Het slachtoffer gaf hieraan geen gehoor en gaf de verdachte een klap in het gezicht. Vervolgens deed het slachtoffer zijn hand onder zijn T-shirt in zijn broek alsof hij een wapen pakte, aldus de verdachte. Ter zitting heeft de verdachte aangegeven dat hij en het slachtoffer op dat moment ongeveer op armbreedte afstand van elkaar stonden. Verdachte heeft vervolgens zijn vuurwapen gepakt, een schot gelost en het slachtoffer in het achterwerk geraakt. Op de audio van de camerabeelden is een schietgeluid waar te nemen. Op de camerabeelden is te zien dat het slachtoffer hinkend het erf verlaat en zijn voertuig instapt. Op de achterkant van zijn broek is in het midden van zijn zitvlak een rode vlek te zien.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte op korte afstand in de richting van het slachtoffer heeft geschoten en dat een kogel in het zitvlak gemakkelijk vitale organen had kunnen raken. Volgens de officier van justitie is voor de beoordeling van het voorwaardelijk opzet niet doorslaggevend dat het uiteindelijke letsel onduidelijk is gebleven.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. De billen bevatten immers geen vitale organen zoals hart of longen en het dossier biedt onvoldoende inzicht in de concrete gevaarzetting van de schotwond. Ten aanzien van zwaar lichamelijk letsel ontbreken, volgens de verdediging, medische stukken waaruit blijkt welk letsel het slachtoffer heeft opgelopen en wat de ernst daarvan was.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Het Gerecht merkt op dat feit 1. subsidiair op een bijzondere wijze ten laste is gelegd. De tekst behelst een verdenking van het voltooide feit “toebrengen van zwaar lichamelijk letsel”, waarna als laatste bijzin wordt benoemd dat de uitvoering niet is voltooid. Het Gerecht gaat er, gelet op hetgeen op zitting is besproken, vanuit dat is bedoeld ten laste te leggen: poging tot zware mishandeling.
Is er sprake van (voorwaardelijk) opzet bij de verdachte ten aanzien van het primair dan wel subsidiair tenlastegelegde?
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling moet worden vastgesteld dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van/bij het slachtoffer.
Het Gerecht ziet op grond van het dossier en de ter terechtzitting gedane verklaringen onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte ‘vol’ opzet had op één van deze gevolgen.
Het Gerecht ziet zich daarom voor de vraag gesteld of sprake was van voorwaardelijk opzet. Daarvan is sprake indien de kans dat een bepaald gevolg zal intreden naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te noemen is en de verdachte die aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard. Dit laatste kan worden aangenomen indien de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer zijn gericht op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op dat gevolg en deze ook heeft aanvaard. Binnen het kader van de “algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans”, waaronder moet worden verstaan de ‘in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid’, dient te worden beoordeeld of het handelen van de verdachte een dergelijke kans op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft doen ontstaan.
Beoordeling
Over het letsel en over het welzijn van het slachtoffer is weinig bekend. Pogingen van de politie om nader contact te leggen met het slachtoffer voor het opnemen van aanvullende verklaringen zijn zonder resultaat gebleven; het slachtoffer heeft geweigerd een nadere inhoudelijke verklaring af te leggen en heeft geen aangifte gedaan.
Wat bekend is, is dat het slachtoffer een kogel in zijn zitvlak heeft. Waar in zijn zitvlak de kogel zich bevond, is niet bekend. Blijkens de camerabeelden verlaat het slachtoffer na het incident hinkend het erf van verdachte, stapt in zijn voertuig en rijdt weg. Tot deze handelingen was hij blijkbaar in staat. De kogel is in het ziekenhuis verwijderd. In de stukken ontbreekt een medische verklaring of forensisch onderzoek waaruit de aard, ernst en mogelijke gevolgen van het letsel blijken.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in paniek heeft geschoten, van dichtbij. Bij de politie en bij de rechter-commissaris, ten tijde van de voorgeleiding, heeft de verdachte verklaard dat hij het slachtoffer in zijn achterwerk heeft geschoten. Tegen de reclasseringsmedewerker heeft de verdachte verklaard op de grond te hebben geschoten. Ter terechtzitting gevraagd in welke richting hij heeft geschoten, antwoordde de verdachte dat hij dat niet wist, dat hij daarover niet had nagedacht maar schoot ter zelfbescherming.
Op grond van deze bekend zijnde feiten en omstandigheden kan niet gesteld worden dat verdachte het voorwaardelijk opzet op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel had. Uiteraard kan schieten met een vuurwapen levensgevaarlijk zijn of tot ernstige verwondingen leiden. Hier heeft het geleid tot een niet direct ernstig lijkende schotwond in de bil. In de bil zitten geen vitale organen, zodat zonder verdere informatie niet kan worden gesteld dat het slachtoffer levensbedreigend of ernstig gewond is geraakt of zodanig is geraakt dat het tot zwaar lichamelijk letsel zou hebben kunnen leiden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het schieten in het zitvlak van een ander naar algemene ervaringsregels niet zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet oplevert, zodat niet kan worden gesproken van een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid als hiervoor bedoeld. Ook over de wijze van schieten door verdachte is te weinig bekend. De verdachte heeft wisselend verklaard, het slachtoffer heeft hierover niet verklaard. Zonder verdere essentiële gegevens over de toedracht van het schietincident en het letsel kan niet tot voorwaardelijk opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel worden geconcludeerd.
Conclusie
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1:
hij op 9 juli 2025 te Curaçao opzettelijk mishandelend [benadeelde partij] met gebruikmaking van een wapen, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening 1931 te weten een vuurwapen, eenmaal op het lichaam van [benadeelde partij] heeft geschoten, ten gevolge waarvan die [benadeelde partij] letsel heeft bekomen.
Feit 2:
hij op 9 juli 2025 te Curaçao een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten:
- een zwart pistool van het merk [vuurwapenmerk] voorzien van een zwarte laser
en munitie, te weten:
zijnde een vuurwapen en munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Voorts wordt daarbij opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsaanduidingen zijn gelegen in Curaçao.
1. De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting op 6 februari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 9 juli 2025 met een vuurwapen in de richting van [benadeelde partij] heb geschoten. Dat gebeurde op de [adres] . Ik heb hem geraakt in zijn bil. Het vuurwapen heb ik diezelfde dag aan mijn buurman in bewaring gegeven.
2. Het proces-verbaal van bevinding schietincident [adres] d.d. 10 juli 2025 (dossierpagina’s 14-15), voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisant:
Op woensdag 9 juli 2025 vond er een schietincident plaats, alwaar een man door een kogel aan zijn zitvlak werd geraakt. Het slachtoffer werd per ambulance naar het CMC overgebracht, alwaar hij aan een operatie werd onderworpen, om de kogel die bleef vastzitten te verwijderen.
Het slachtoffer bleek te zijn genaamd, [benadeelde partij].
3. Het proces-verbaal van bevinding bij inbeslagname [vuurwapenmerk] 9x19 d.d. 13 juli 2025 (dossierpagina’s 36-37) voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisant:
Op zaterdag 12 juli 2025 werd, in het belang van het onderzoek “Flower”, een plaatsaanwijzing verricht met de verdachte [verdachte]. Tijdens de plaatsaanwijzing wees de verdachte het perceel [adres 1] aan als de woning waar het vuurwapen werd bewaard. (…) De bewoner overhandigde een zakje waarin een zwart vuurwapen van het merk [vuurwapenmerk] voorzien van een laser zat. Het betreffende vuistvuurwapen werd inbeslaggenomen. In de patroonhouder bevonden zich vijf (5) patronen: drie (3) scherpe patronen met bodemstempel [stempel] 9 mm LUGER (2x) en [STEMPEL] 9mm LUGER, alsmede twee (2) hollow point-patronen met bodemstempel [stempel] 9mm LUGER.
4. Het proces-verbaal van inbeslaggenomen pistool en patronen d.d. 25 augustus 2025 (los proces-verbaal) voor zover inhoudende de verklaringen van verbalisanten:
De navolgende persoon werd als verdachte aangemerkt:
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1999.
Conclusie:
Het voor onderzoek aangeboden pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd;
De voor onderzoek aangeboden scherpe patronen zijn munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte een beroep op noodweer(exces) dan wel putatief noodweer toekomt.
Primair bepleit de verdediging dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte eerder verschillende keren door het slachtoffer werd lastiggevallen, geïntimideerd en bedreigd. Op de dag van het incident kwam het slachtoffer zonder toestemming het erf van de verdachte op, gedroeg zich agressief en sloeg de verdachte in het gezicht. Vervolgens maakte het slachtoffer een beweging richting zijn broeksband, waarbij het leek alsof hij een vuurwapen tevoorschijn zou halen. Hierdoor ontstond een directe dreiging. De verdachte heeft tegen deze onmiddellijke aanval zijn vuurwapen gebruikt om zichzelf te beschermen. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte in redelijkheid mocht aannemen dat een onmiddellijke, wederrechtelijke aanval op hem dreigde en dat hij zich hieraan niet behoefde te onttrekken. Ook is aangevoerd dat het afvuren van het schot proportioneel was gezien de dreigende situatie en het agressieve gedrag van het slachtoffer.
Het Gerecht overweegt als volgt
Feiten en omstandigheden
De verdachte bevond zich op 9 juli 2025 thuis in zijn woning aan de [adres]. De dagen ervoor werd hij naar zijn zeggen herhaaldelijk door het slachtoffer, bijgenaamd “[benadeelde partij]”, gebeld en bericht met dreigende en intimiderende boodschappen. De verdachte heeft de bedreigende chat- en voiceberichten opgeslagen. Uit de overgelegde berichten is gebleken dat de afzender – die in de telefoon van de verdachte is opgeslagen als “[benadeelde partij]” – herhaaldelijk dwingende en dreigende taal gebruikt in verband met een geldbedrag dat de verdachte verschuldigd zou zijn. De verdachte werd verweten het bedrag niet tijdig te hebben betaald. In de berichten heeft de afzender aangekondigd dat hij de verdachte thuis zal komen opzoeken omstreeks 15:30 uur. Tevens bevatten de berichten expliciete bedreigingen met geweld, waaronder het slaan en breken van het hoofd van de verdachte, en grove beledigingen. De afzender verklaart daarbij geen rekening te zullen houden met anderen en geeft aan zijn dreigementen serieus te menen.
Het slachtoffer is daadwerkelijk even na 15.30 uur naar de woning van verdachte gekomen. Verdachte bevond zich op dat moment in de badkamer en hoorde het slachtoffer schreeuwen. Verdachte heeft daar en toen besloten een doorgeladen vuurwapen in zijn broeksband te stoppen. Met het doorgeladen vuurwapen in zijn broek begaf hij zich daarop naar de woonkamer. Het slachtoffer stond op het balkon bij de voordeur. Volgens de verdachte schreeuwde het slachtoffer dat hij de verdachte zou doodschieten. De verdachte heeft hem een duw gegeven. Het slachtoffer sloeg hem vervolgens in het gezicht. Daarna maakte het slachtoffer een beweging richting zijn broeksband, waarop de verdachte zijn vuurwapen trok en schoot. Het slachtoffer liep daarna hinkend naar zijn voertuig en vertrok. De verdachte heeft verklaard geen vuurwapen bij het slachtoffer te hebben gezien. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij op dat moment uit paniek handelde en dacht: “hij of ik”.
Uit de inbeslaggenomen camerabeelden en de bijbehorende audio blijkt dat beide partijen een woordenwisseling hadden, waarbij over en weer (dreigende) uitlatingen werden gedaan. Rond 15.36 uur is een stem te horen die zegt: “kom naar buiten zwager, zal je zien” en “hou op met flikkergedoe.” Kort daarna, rond 15.37 uur, klinkt een stem die zegt: “loop van mijn erf weg”, waarna direct een schot klinkt. Op de beelden is te zien dat het slachtoffer vervolgens hinkend over het erf beweegt en naar zijn voertuig gaat.
Beoordelingskader noodweer
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf, eerbaarheid of goed (of van een ander) tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. In het vereiste dat de gedraging door de noodzakelijke verdediging geboden dient te zijn, worden zowel de subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze vereisten hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging in redelijke verhouding tot de wijze van aanranding stond.
In het tweede lid van artikel 1:114 van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao (Sr) wordt de verdediging tegen een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding verondersteld noodzakelijk te zijn geweest, indien de aanrander ten tijde van of direct voorafgaand aan de aanranding huisvredebreuk begaat of heeft begaan, behoudens voor zover het tegendeel blijkt.
Beoordeling
Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van het Gerecht genoegzaam komen vast te staan dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.
Het is het slachtoffer geweest die de confrontatie met de verdachte heeft opgezocht. Hij heeft daarbij het erf en het balkon van de woning van de verdachte betreden. Daarmee is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 1:114, tweede lid, Sr. Het slachtoffer heeft huisvredebreuk gepleegd, waarmee de noodzakelijkheid van de verdediging is komen vast te staan. Om die reden stelt het Gerecht vast dat sprake was van een wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich mocht verdedigen.
Echter moet ook zijn voldaan aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsvereiste. Daaromtrent overweegt het Gerecht als volgt.
Het standpunt dat de verdachte in de gegeven situatie niet anders kon of behoefde te handelen dan hij heeft gedaan, volgt het Gerecht niet. Zo blijkt uit het dossier niet dat de verdachte heeft geprobeerd om zich op een minder ingrijpende wijze te onttrekken aan de aanranding.
De verdachte heeft er blijkbaar voor gekozen om, terwijl hij zich in een andere ruimte bevond, zijn doorgeladen vuurwapen bij zich te steken en daarmee richting het slachtoffer te gaan. De verdachte heeft daarmee gekozen voor eigenrichting. Niet is aannemelijk geworden dat de verdachte op dat moment niet tot een andere reactie had kunnen besluiten, bijvoorbeeld de politie te bellen.
De verdachte heeft, naar eigen zeggen, geen vuurwapen gezien bij het slachtoffer. De verdachte heeft desondanks geschoten.
Het schot heeft het slachtoffer geraakt in zijn achterwerk. Dat roept eveneens de vraag op of op dat moment de verdediging nog wel noodzakelijk was. Het kan er immers op duiden dat het slachtoffer zich al had omgedraaid en onderweg was naar de uitgang. De verdachte heeft daarover verklaard dat ze met hun gezicht naar elkaar stonden op het moment dat verdachte ging schieten. Het slachtoffer draaide zich om maar toen had de verdachte al geschoten. Het Gerecht lijkt dit onwaarschijnlijk maar laat in het midden of dit een reëel scenario is, nu zij reeds heeft overwogen dat de verdachte sowieso niet had mogen schieten.
Op grond van de voorgaande feiten en omstandigheden concludeert het Gerecht dat de verdachte een verdedigingsmiddel ter hand heeft genomen en dit heeft aangewend op een wijze die in de gegeven omstandigheden niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Het handelen van de verdachte is derhalve disproportioneel geweest en voldeed evenmin aan het vereiste van subsidiariteit, nu de noodzakelijkheid van deze wijze van handelen ontbrak. Het handelen van de verdachte kan daarom niet als gerechtvaardigd worden aangemerkt.
Het beroep op noodweer faalt derhalve.
Noodweerexces
De verdediging heeft voorts een beroep op noodweerexces gedaan. De verdediging stelt dat de gehele situatie, waarbij verdachte werd bedreigd en vervolgens in zijn woning werd aangevallen, heeft geleid tot een hevige gemoedsbeweging, onder invloed waarvan de verdachte heeft geschoten.
Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is vereist dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die moet zijn veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding. Bij de beantwoording van de vraag of voormelde overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van die gemoedsbeweging komt betekenis toe aan de mate waarin door de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaart de verdachte dat hij op het moment van het lossen van het schot in paniek was.
Het Gerecht acht het voorstelbaar dat de wijze waarop de verdachte door het slachtoffer is benaderd gevoelens van onrust bij hem teweeg hebben gebracht. De eerdere intimiderende berichten, de aankondiging dat hij naar zijn woning zal komen, het feit dat hij er dan ook daadwerkelijk is en op zijn balkon door het slachtoffer geslagen wordt, zullen zeker angstig zijn geweest. Dat de intensiteit van deze gemoedsbeweging dusdanig was dat de verdachte verontschuldigbaar kon handelen zoals hij heeft gedaan, acht het Gerecht echter niet aannemelijk geworden.
Ook het beroep op noodweerexces wordt derhalve verworpen.
Putatief noodweer
De verdediging heeft tevens gesteld dat, indien het Gerecht het beroep op noodweer(exces) verwerpt bij gebrek aan een wederrechtelijke aanranding, hem een beroep op putatief noodweer toekomt. De verdachte heeft terecht gedacht dat hij met een vuurwapen werd aangevallen. Door de voorafgaande intimiderende berichten en het feit dat het slachtoffer daadwerkelijk de verdachte is komen opzoeken in zijn woning mocht de verdachte ervan uitgaan dat de handbeweging in de broek erop duidde dat het slachtoffer een vuurwapen ging pakken om daarmee de verdachte vervolgens te beschieten. De verdachte heeft daarmee verontschuldigbaar gedwaald omtrent het bestaan van een ogenblikkelijk dreigend gevaar.
Het Gerecht verwerpt ook dit verweer.
Zoals hiervoor is overwogen heeft het Gerecht geconcludeerd dat sprake was van een wederrechtelijke aanranding en dus van een noodweersituatie. Hiermee ontvalt aan het handelen van de verdachte het putatieve karakter. Voor zover het verweer ziet op een vermeend vuurwapen bij het slachtoffer overweegt het Gerecht dat verdachte geen vuurwapen heeft gezien bij het slachtoffer en er onvoldoende omstandigheden zijn gebleken waaruit verdachte mocht afleiden dat het slachtoffer over een vuurwapen zou beschikken.
Kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:273 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en wordt als volgt gekwalificeerd:
mishandeling gepleegd met gebruikmaking van wapenen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening 1931.
Het onder feit 2 bewezenverklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 en strafbaar gesteld in artikel 11 van diezelfde verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling met een wapen en vuurwapenbezit. Hij had thuis een geladen vuurwapen liggen en heeft hiermee op een mens geschoten. Het slachtoffer is gewond geraakt en heeft een operatie moeten ondergaan om de kogel uit zijn bil te verwijderen. Dat zal, op zijn zachtst gezegd, het slachtoffer niet in de koude kleren zijn gaan zitten.
Hoewel het slachtoffer de confrontatie bij de verdachte thuis heeft opgezocht, handelde de verdachte disproportioneel en koos hij voor een gewelddadige oplossing.
Het handelen van de verdachte tast tevens het gevoel van veiligheid in de maatschappij aan. Het is algemeen bekend dat vuurwapenbezit een groot probleem vormt in Curaçao. Het gebruik van een verboden wapen verhoogt het risico voor de veiligheid van anderen en vormt een inbreuk op de rechtsorde. Volgens de verdachte heeft hij het wapen aangeschaft vanwege een eerder incident bij zijn woning waarbij een ander een vuurwapen gebruikte. Het is zorgwekkend dat verdachte ervoor kiest een vuurwapen aan te schaffen en in zijn bezit te hebben in plaats van legale oplossingen te zoeken.
Het Gerecht rekent de verdachte deze keuzes zwaar aan.
Het Gerecht houdt rekening met de omstandigheid dat de verdachte blijkens zijn documentatie van 11 juli 2025 niet eerder is veroordeeld. Het Gerecht houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
In strafmatigende zin houdt het Gerecht rekening met het feit dat het slachtoffer degene is geweest die de confrontatie heeft gezocht, en daarbij zelfs zo ver is gegaan dat hij de verdachte thuis heeft opgezocht om op agressieve manier verhaal te gaan halen.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde desalniettemin niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
Deze straf is lager dan de straf die de officier van justitie heeft gevorderd, nu het Gerecht tot een andere bewezenverklaring is gekomen.
Schadevergoeding
De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt Cg 19.303,00, bestaande uit Cg 11.803,00 aan materiële schade (loonderving) en Cg 7.500,00 aan immateriële schade.
De verdediging stelt dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, gelet op de bepleitte vrijspraak dan wel het ontslag van rechtsvolging.
Materiële schade
Het Gerecht is van oordeel dat de gevorderde materiële schade onvoldoende met stukken is onderbouwd. De benadeelde partij heeft acht loonstroken overgelegd en gesteld dat hij via een uitzendbureau werkzaam was bij Curaçao Port Authorities (CPS), waarna zijn werkzaamheden na het schietincident om veiligheidsredenen niet zijn voortgezet. Dit standpunt is echter niet met concrete stukken onderbouwd.
Voorts ontbreekt medische informatie over het herstel van de benadeelde partij en over de vraag wanneer hij weer arbeidsgeschikt was. Dat de dienstbetrekking niet is voortgezet kan zonder nadere onderbouwing niet onbepaald op de verdachte worden verhaald. Het bieden van de gelegenheid om een nadere onderbouwing te geven zou een onevenredige belasting van het strafgeding betekenen, mede gelet op het feit dat de heer [benadeelde partij] op geen enkele oproep van justitie heeft gereageerd.
De benadeelde partij dient dan ook, voor zover de vordering ziet op vergoeding van materiële schade, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij op ‘andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Van een dergelijke aantasting is pas sprake indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Degene die zich hierop beroept, dient dit voldoende concreet te onderbouwen.
Uit de overgelegde stukken blijkt enkel van een verwijsbrief van de huisarts naar de psycholoog, gedateerd 5 februari 2026. In de toelichting op het schadevergoedingsrapport is – kort gezegd – vermeld dat de benadeelde partij onverwacht van achteren is neergeschoten terwijl hij zich buiten op een erf bevond in een ogenschijnlijk normale en niet-bedreigende situatie, zonder mogelijkheid zich te verdedigen. Het incident zou ingrijpende fysieke en psychische gevolgen hebben gehad, waaronder blijvende angst, onzekerheid, verlies van vertrouwen in zijn omgeving en een verminderd gevoel van veiligheid.
Het Gerecht overweegt dat uit de overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel, nu slechts een enkele verwijzing naar de psycholoog is overgelegd en nadere medische informatie over de aard en ernst van het letsel ontbreekt. Hoewel een schotwond traumatisch kan zijn, kan het Gerecht zonder de benodigde stukken de immateriële schade niet beoordelen. Daarbij komt dat de toelichting op het schadevergoedingsrapport geen aanknopingspunten biedt, nu de daarin opgenomen feiten en omstandigheden evident onjuist zijn. Er was sprake van een conflict waarbij de benadeelde partij op eigen initiatief naar de woning van de verdachte is gegaan, voorafgegaan door dreigingen van zijn zijde.
Dit alles leidt ertoe dat de benadeelde partij ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard en dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Het Gerecht zal bepalen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
In beslag genomen voorwerpen
Het in beslag genomen vuurwapen (aanbiedingsbrief 001414-25) van het merk [vuurwapenmerk], model onbekend, kaliber 9x19 en de munitie zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het bewezen feit is met betrekking tot voornoemde voorwerpen begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:75, 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, en op artikel 3 en 11 van de Vuurwapenverordening 1930, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 meer subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 24 (vierentwintig) maanden;
bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een vuurwapen van het merk [vuurwapenmerk], model onbekend, kaliber 9x19mm en vijf scherpe patronen, welken zijn voorzien van de bodenstempels “[STEMPEL]”, “[stempel]”, en “[STEMPEL]”;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.J. van Rijssen, bijgestaan door mr. M.S. Dip, (zittingsgriffier), en op 20 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.