ECLI:NL:OGEAC:2026:25

ECLI:NL:OGEAC:2026:25

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 02-03-2026
Datum publicatie 09-03-2026
Zaaknummer CUR202403810
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Vordering tegen de Staat Libië en Libische vennootschappen ter zake een tegen Libië gewezen arbitraal vonnis. Staatsimmuniteit van executie. Gerecht onbevoegd.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202403810

Vonnis van 2 maart 2026

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van Turkije

ÜSTAY YAPI TAAHHÜT VE TICARET ANONIM ŞIRKETI, gevestigd in Istanbul, Turkije,eiseres,gemachtigden: mrs. A. Schennink, C. de Bres en F.W.J. Beunke,

tegen

1. de openbare rechtspersoon DE STAAT LIBIË,

zetelend in Tripoli, Libië,gedaagde,

niet in rechte verschenen,

en

2. de rechtspersoon naar het recht van Libië

LIBYAN FOREIGN INVESTMENT COMPANY,

gevestigd in Gharyan, Libië,

3. de rechtspersoon naar het recht van Libië NATIONAL OIL CORPORATION,

gevestigd in Tripoli, Libië,

4. de rechtspersoon naar het recht van Libië LIBYAN FOREIGN BANK,

gevestigd in Tripoli, Libië, gedaagden,

gemachtigden: mrs. M.F. Murray en J.M.K.P Cornegoor.

Partijen worden hierna ook Üstay, de Staat Libië en Lfico c.s. genoemd.

Inleiding

Üstay heeft overeenkomsten gesloten met de Staat Libië voor de aanleg in Libië van onder meer wegen. Bij arbitraal vonnis na een Franse arbitrage is de Staat Libië veroordeeld tot betaling aan Üstay van circa USD 20 miljoen exclusief rente. Üstay vordert erkenning van dat vonnis en veroordeling van Libië en de drie gedaagde Libische rechtspersonen tot betaling, nadat zij in Curaçao conservatoir beslag heeft gelegd op onder meer de aandelen in twee Curaçaose (dochter)vennootschappen.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:

het verzoekschrift van 7 oktober 2024;

het vonnis in het incident van 16 juni 2025 (afwijzing verzoek schorsing);

de conclusie van antwoord van Lfico c.s. van 8 september 2025;

de mondelinge behandeling (comparitie) van 28 januari 2026, alwaar zijn verschenen mrs. Schennink, Murray en Cornegoor, alsmede, namens Lfico c.s., via videoverbinding, mw. S. Gijsen;

de voorafgaand aan die mondelinge behandeling overgelegde producties 20 t/m 25 zijdens Üstay en de uitspraak van het Cour de Cassation zijdens Lfico c.s. en de op 28 januari 2026 door de gemachtigden voorgedragen en overgelegde pleitnotities.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2. De vordering

Üstay vordert – samengevat – dat het gerecht het arbitraal vonnis van

16 februari 2024 van de International Chamber of Commerce (nummer 22673/ZF/AYZ/ELU), gewezen tussen Üstay en de Staat Libië erkent en gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan Üstay van hetgeen bij dat arbitraal vonnis aan Üstay is toegewezen.

3. De beoordeling

De feiten

Bij arbitraal vonnis van 16 februari 2024 is de Staat Libië veroordeeld tot betaling aan Üstay van circa USD 20 miljoen, te vermeerderen met rente. Het arbitraal vonnis is gewezen door een scheidsgerecht overeenkomstig de regels van de International Chamber of Commerce. Het land van arbitrage was Frankrijk. Het arbitraal vonnis had betrekking op door Üstay aangenomen bouwprojecten voor de bouw van wegen bij de Libische steden Tobroek, Marada en Quamini.

De Staat Libië heeft voor de Franse rechter de vernietiging van het arbitraal vonnis gevorderd. Daarop is nog niet definitief beslist.

De Staat Libië heeft niet aan de veroordeling in het arbitraal vonnis voldaan. Na verkregen verlof heeft Üstay in Curaçao conservatoir beslag gelegd ten laste van Lfico c.s. op hun aandelen in de Curaçaose vennootschappen Oilinvest (Holdings) N.V. en Lafitrade N.V., alsmede op hetgeen die vennootschappen aan Lfico c.s. verschuldigd zijn.

De vernietigingsprocedure en het hoger beroep in de Etrak-zaak

In het incident vorderden Lfico c.s. dat het gerecht de zaak zou schorsen totdat in de vernietigingsprocedure definitief is beslist. Die vordering is afgewezen, waarna Lfico c.s. een conclusie van antwoord hebben genomen en de zaak ter zitting mondeling is behandeld. Bij de mondelinge behandeling waren partijen al bekend met de uitspraak van het Franse Cour de Cassation in de vernietigingsprocedure van 17 december 2025, waarbij de beslissing van het Cour d’Appel de Paris van 23 januari 2024 gedeeltelijk is vernietigd en de zaak naar dat hof is terugverwezen. De uitspraak van het Cour de Cassation is overgelegd. Geen van partijen heeft daarin aanleiding gezien (opnieuw) schorsing van de onderhavige zaak te vragen in afwachting van de uitkomst van de vernietigingsprocedure. Een argument voor aanhouding zou kunnen zijn dat de vorderingen in de onderhavige zaak (louter) op het arbitrale vonnis berusten. Als het arbitrale vonnis (geheel) vernietigd wordt, is daarmee de grondslag voor de vorderingen van Üstay weggevallen.

Partijen hebben evenmin verzocht om deze zaak aan te houden in afwachting van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof in het hoger beroep tegen het vonnis van dit gerecht van 4 december 2023 in de Etrak-zaak (CUR202001570), hierna het Etrak-vonnis. Een argument daarvoor zou zijn dat in die zaak identieke rechtsvragen spelen over onder meer rechtsmacht en staatsimmuniteit van executie.

Het gerecht ziet onvoldoende aanleiding de afdoening van deze zaak ambtshalve aan te houden in afwachting van de vernietigingsprocedure en/of het Etrak-appel bij het Hof. Daarbij is doorslaggevend dat partijen geen aanhouding maar vonnis verlangen.

Het Etrak-vonnis

In de onderhavige zaak liggen vergelijkbare feiten en nagenoeg dezelfde vorderingen en vragen voor als in de Etrak-zaak die door dit gerecht is beslist bij vonnis van 4 december 2023. In die zaak was de eiseres in conventie de (eveneens) Turkse rechtspersoon Etrak Insaat Taahut Ve Ticaret A.S. en waren de gedaagden in conventie dezelfde gedaagden als in de onderhavige zaak. De partijen werden in die zaak bijgestaan door dezelfde advocatenkantoren als in de onderhavige zaak. Ook in de Etrak-zaak werd erkenning gevorderd van een arbitraal vonnis ter zake bouwprojecten en werd de veroordeling van de Staat Libië en Lfico c.s. gevorderd tot betaling van hetgeen waartoe Libië bij dat arbitraal vonnis werd veroordeeld.

Het dictum van het Etrak-vonnis luidt (voor zover het betreft de conventie, anders dan in de onderhavige zaak werd in de Etrak-zaak in reconventie opheffing van de gelegde beslagen gevorderd):

wijst de vordering tot erkenning van het arbitrale vonnis van 22 juli 2019 af;

verklaart zich voor het overige onbevoegd om kennis te nemen van het geschil;

veroordeelt Etrak in de proceskosten [...]

Hoewel dit eigen Etrak-vonnis voor het gerecht geen bindende precedentwerking heeft, brengen onder meer het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel mee in dat gelijke zaken, waarbij geen sprake is van relevante andere omstandigheden of relevante andere stellingen en gronden, in beginsel zoveel mogelijk in gelijke zin wordt beslist. Het gerecht ziet mede daarin aanleiding bij de beoordeling van dit geschil aansluiting te zoeken bij het Etrak-vonnis en komt langs dezelfde weg tot dezelfde beslissingen.

Aanvullende overwegingen

Bij het voorgaande wordt nog het volgende overwogen.

De afwijzing van de vordering tot erkenning van het arbitraal vonnis

Voor de procedure tot verkrijging van verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis geldt artikel 1020 Rv, dat luidt:

1. Op een arbitrage is van toepassing de UNCITRAL Model Law on International Commercial Arbitration, hierna te noemen de Model Law, zoals laatstelijk vastgesteld door de United Nations Commission on International Trade Law, en zulks in de Engelstalige tekst daarvan.

2. De autoriteit bedoeld in artikel 6 van de Model Law is het gerecht in eerste aanleg. Titel 10 van Boek 1 is van toepassing.

Ter verkrijging van een exequatur voor een arbitraal vonnis is dus de verzoekprocedure (EJ-procedure) voorgeschreven. Üstay stelt die procedure niet te hebben willen volgen ter besparing van kosten en omdat een exequatur, anders dan een vonnis, niet in het gehele Koninkrijk ten uitvoer kan worden gelegd. Wat daar verder van zij, tot een beslissing tot “erkenning” als door Üstay in deze vorderingsprocedure (AR-procedure) gevorderd kan dat niet leiden. Het op dat punt door Lfico c.s. gevoerde verweer slaagt. Bovendien heeft Üstay bij een afzonderlijke beslissing met die strekking geen belang, te minder nu niet ook verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis wordt verzocht/gevorderd.

De onbevoegdverklaring ten aanzien van de vorderingen tot betaling

Geen van de partijen in deze zaak is gevestigd in Curaçao. Datzelfde gold in de Etrak-zaak. In overwegingen 4.5 tot en met 4.10 in het Etrak-vonnis is uiteengezet, samengevat, dat als Etrak wordt gevolgd in haar stelling dat Lfico c.s. met de Staat Libië vereenzelvigd moeten worden en de vermogensbestanddelen van Lfico c.s. worden aangemerkt als ‘property’ van de Staat Libië, de staatsimmuniteit van executie in de weg staat aan verhaal op die vermogensbestanddelen. Op die grond heeft het gerecht in reconventie de door Etrak gelegde beslagen opgeheven. Die beslagen hadden niet gelegd mogen worden en konden dus ook niet, op de voet van artikel 767 Rv, bevoegdheid scheppen van het gerecht om kennis te nemen van de vorderingen waarvoor de beslagen waren gelegd. Bij gebreke van een andere grondslag voor bevoegdheid, heeft het gerecht zich wat betreft de vorderingen tot betaling onbevoegd verklaard. De overwegingen 4.5 tot en met 4.10 uit het Etrak-vonnis moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

Üstay heeft betoogd dat de Hoge Raad in de Samruk-zaak (HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2013), waarop het oordeel in het Etrak-vonnis mede berust, uit de pas loopt met de in ‘andere toonaangevende jurisdicties’ aanvaarde criteria voor de beoordeling van staatsimmuniteit van executie. Dit betoog kan haar niet baten. De Hoge Raad is Curaçaos hoogste rechter.

Slotsom en kosten

Op grond van het voorgaande zal worden beslist als hierna omschreven. Üstay zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4. De beslissing

Het gerecht:

wijst de vordering tot erkenning van het arbitrale vonnis van 16 februari 2024 af;

verklaart zich voor het overige onbevoegd om kennis te nemen van het geschil;

veroordeelt Üstay in de proceskosten, aan de zijde van Lfico c.s. tot op heden begroot op Cg 18.000 voor gemachtigdensalaris en aan de zijde van de Staat Libië tot op heden begroot op nihil;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en in het openbaar uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.E. de Kort

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?