Uitspraak van 12 maart 2026
BBZ nr. AUA202403724
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende], gevestigd op Aruba,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN, zetelend in Aruba,
de Inspecteur,
1. PROCESVERLOOP
Belanghebbende heeft op 5 maart 2024 op aangiftedocument [nummer 1] onder andere plastic artikelen (hierna: goederen) ten invoer aangegeven. Bij brief van 12 augustus 2024 heeft de douane belanghebbende geïnformeerd dat de aangegeven goederen aangehouden zullen blijven aangezien de goederen verboden zijn in te voeren.
Belanghebbende heeft op 5 september 2024 hiertegen bezwaar gemaakt.
Op 8 oktober 2024 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan op het bezwaar en dit niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende is op 28 oktober 2024 in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 150,-.
De Inspecteur heeft op 23 december 2024 een verweerschrift met producties ingediend.
Partijen zijn opgeroepen tot het bijwonen van een zitting op 10 juli 2025. Namens belanghebbende is zonder bericht niemand verschenen. De belastinggriffie van het Gerecht heeft bij e-mailbericht van 22 mei 2025 de gemachtigde van belanghebbende uitgenodigd voor de zitting. Dit bericht is gestuurd naar het mailadres van de gemachtigde van belanghebbende. Het Gerecht gaat daarom ervan uit dat belanghebbendes gemachtigde op regelmatige wijze is uitgenodigd voor de zitting. Namens de Inspecteur is mr. M.N. Robles en mr. C.V. Cabenda verschenen. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Een afschrift hiervan is bij de uitspraak gevoegd.
2. FEITEN
Belanghebbende heeft op 5 maart 2024 diverse artikelen voor haar winkel ten invoer aangegeven. Een aantal goederen is door de Inspecteur aangehouden.
Bij brief van 8 augustus 2024 heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om de goederen vrij te geven. Bij brief van 12 augustus 2024 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd dat de aangegeven goederen niet zullen worden vrijgegeven, nu het gaat om goederen waarvan de invoer verboden is. In die brief is voor zover van belang de volgende passage opgenomen:
“In uw brief geeft u aan dat het cargobedrijf uw klant heeft geïnformeerd dat de goederen in beslag zijn genomen. Hierop wil ik u berichten dat de constaterende ambtenaar (..) de heer (…) heeft geïnformeerd dat de goederen zullen worden aangehouden o.g.v. artikel 223 juncto artikel 224 van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer, voor verder onderzoek. De goederen zijn in dit geval dus niet inbeslaggenomen zoals door uw klant wordt gesteld, maar aangehouden voor verder onderzoek door de douane.
(…)
Ter bescherming van het milieu in Aruba heeft de regering van Aruba de invoer van bepaalde goederen verboden. Dit verbod is vastgelegd in de Landsverordening verbod voor het milieu schadelijke producten. (…) In artikel 2 lid 1 van de Landsverordening verbod voor het milieu schadelijke producten worden de producten genoemd die naar hun aard bestemd zijn voor eenmalig gebruik en die opgenomen zijn in Bijlage I, delen A en B verboden in te voeren.
(…)
Bijlage I (…) verwijst naar “van plastic vervaardigde” (…)
Op vrijdag 9 augustus jl. werd contact opgenomen met de Directie Natuur en Milieu om nadere oordeel op de goederen in kwestie te verkrijgen. De DNM bevestigt dat de betreffende goederen beschouwd moeten worden als “fancy, single use plastics” producten. Deze producten vallen hierdoor onder de producten die naar aard en bestemming zijn voor eenmalig gebruik (...) en derhalve verboden zijn in te voeren.
Tot slot wordt u geïnformeerd dat de goederen aangegeven op [nummer 1] van 5 maart 2024 (…) en die genoemd worden in eerder genoemde Bijlage I, A en B van de Landsverordening (…) aangehouden zullen blijven aangezien deze goederen verboden zijn in te voeren.
Tot de gedingstukken (produktie 2 verweerschrift) behoort een e-mail (9 augustus 2024) van (een medewerker van) de Directie Natuur en Milieu (hierna: DNM) die op de vraag van de douane of de desbetreffende goederen op basis van de Landsverordening verbod en voor het milieu schadelijke producten (hierna: Landsverordening) verboden zijn voor de invoer, het volgende antwoordt:
“Mi a discuti e caso un rato cu mi colega jurista. Riba e website di e manufacturer [(manufacturer)] ta para cu nan ta bende disposable dinnerware. Tambe por wak riba e verpakking cu bo no por hinka e product den dishwasher. Basa ariba esaki, DNM ta considera e productonan aki fancy’single use plastics’. Productonan asina ta wordo uza hopi pa por ehempel beach weddings etc. Despues di e evento nan ta tira tur cos afo (enbez di laba nan cu man y usa di dos biaha). “
Belanghebbende heeft bij brief van 5 september 2024 tegen de beslissing van de Inspecteur bezwaar gemaakt. Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift aangevoerd dat artikel 97 letter c van de Landsverordening in-, uit-, en doorvoer (hierna: LIUD) geen bevoegdheid aan de douane toekent om de goederen (onbeperkt) aan te houden. Volgens belanghebbende moet zij de beschikking krijgen over de goederen om deze uit te voeren. Verder wordt aangevoerd dat de wet niet de invoer van plastic artikelen verbiedt maar alleen die welke voor eenmalig gebruik zijn. Volgens belanghebbende zijn de betrokken goederen niet voor eenmalig gebruik bestemd.
In de uitspraak op bezwaar (8 oktober 2024) is vermeld dat de Inspecteur niet bevoegd is om het bezwaar in behandeling te nemen. Het bezwaar wordt om die reden niet-ontvankelijk verklaard. In de uitspraak is vermeld dat belanghebbende wordt aangeraden om het geschil voor te leggen aan de bevoegde instantie die wel een uitspraak kan doen over de toepassing van de Landsverordening.
Tot de gedingstukken (produktie 5 van het verweerschrift) behoort een e-mail (20 november 2024) van de Inspecteur waaruit blijkt dat het bezwaarschrift van belanghebbende is doorgestuurd naar de DNM voor verdere afhandeling. In desbetreffende e-mail is de gemachtigde van belanghebbende in gekopieerd.
3. GESCHIL EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
In geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard, of de douane de bevoegdheid heeft om de goederen aan te houden en of de goederen verboden zijn in de zin van de Landsverordening.
Belanghebbende stelt – samengevat – dat het bezwaar wel ontvankelijk is omdat juist de douane op basis artikel 3 lid 1 van de Landsverordening belast is met de toezicht op de invoer. Het is de douane ‘die de beslissing heeft genomen om de goederen aan te houden en aangehouden te behouden’, aldus belanghebbende. Voorts voert belanghebbende aan dat artikel 97 letter c van de LIUD de douane geen bevoegdheid toekent om goederen (onbeperkt) aan te houden en dat de desbetreffende artikelen niet voor eenmalig gebruik zijn en om die reden niet door de wet worden verboden. Belanghebbende verzoekt om het beroep gegrond te verklaren, de bestreden beslissing te vernietigen, verweerder te bevelen om de aangehouden goederen aan haar ter beschikking te stellen en de Inspecteur te veroordelen in de kosten van de procedure.
De Inspecteur stelt – samengevat – dat het bezwaar terecht niet ontvankelijk is verklaard, en dat de douane bevoegd is om de goederen aan te houden.
4. BEOORDELING VAN HET GESCHIL
Het Gerecht stelt voorop dat de LIUD op bepaalde onderdelen, sterk is verouderd. Hierdoor is de procedure bij invoer niet altijd transparant hetgeen de rechtszekerheid van betrokkenen, niet ten goede komt. Alvorens het vraagstuk van de ontvankelijkheid te behandelen zal het Gerecht daarom het wettelijk kader voor het optreden van de douane weergeven.
LIUD
In de artikelen 92 LIUD tot en met 96 LIUD (“Hoofdstuk II, Afdeling 7, “Verboden, onbekende en onbeheerde” goederen) is bepaald wat met verboden goederen dient te gebeuren. Ingevolge artikel 92 LIUD kunnen goederen die ten invoer zijn aangegeven en waarvan de invoer is verboden dadelijk weer worden teruggevoerd of, verzegeld of bewaakt, op kosten van belanghebbende worden opgeslagen. In de artikelen 93 LIUD tot en met artikel 96 LIUD is bepaald binnen welke termijn de goederen moeten worden teruggevoerd en de gevolgen van niet terugvoeren.
In artikel 97 LIUD zijn de goederen vermeld waarvan de invoer verboden is. Ingevolge artikel 97 LIUD sub c zijn verboden goederen waarvan de vrije in-, uit- of doorvoer bij of krachtens landsverordening verboden is.
Het Gerecht merkt op dat de aanhouding van goederen opgenomen in artikel 223 LIUD van het Hoofdstuk ‘Vervolging en straffen’ of inbeslagname van toepassing is bij overtreding van enig wettelijke bepaling. De Inspecteur heeft terecht te kennen gegeven dat van een inbeslagname in dit geval geen sprake is.
Landsverordening
Artikel 2 van de Landsverordening luidt als volgt:
De invoer, vervaardiging, verkoop of gratis aanbieding van de producten die vervaardigd zijn van plastic of polystereen, die naar hun aard bestemd zijn voor eenmalig gebruik, en die zijn opgenomen in Bijlage I, Delen A en B, is verboden.
Ingevolge artikel 3, lid 1 zijn de douaneambtenaren belast met de toezicht op de invoer. De bevoegdheden van de ambtenaren en personen die belast zijn met de toezichthoudende taken is geregeld in de leden 2, 3 en 4.
Beslissing aanhouding
De wettelijke basis voor het optreden van de douane is neergelegd in de hiervoor vermelde bepalingen van de LIUD en de Landsverordening. Het Gerecht leidt uit artikel 92 LIUD en volgende af dat verboden goederen niet in vrije verkeer mogen komen, dat zij onder douanetoezicht moeten blijven en dat zij kunnen worden uitgevoerd. De Inspecteur heeft in dit verband ter zitting verklaard dat de aangever op de hoogte is gesteld dat de goederen kunnen worden uitgevoerd.
Bezwaar tegen de aanhouding mogelijk?
Ingevolge artikel 128b, lid 1 van de LIUD kan de aangever die bezwaar heeft tegen de berekening van invoerrechten of de toepassing van het tarief, binnen een maand na dagtekening van de aangifte een bezwaarschrift indienen bij de Inspecteur. Tegen de beslissing van de Inspecteur is vervolgens beroep mogelijk bij de belastingrechter.
Voor zover het bezwaar gericht is tegen de aanhouding (een feitelijke handeling) bestaat daartegen geen rechtsingang bij de Inspecteur. De Inspecteur heeft het bezwaar op dit punt daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen deze beslissing is ongegrond. Voor rechtsbescherming tegen deze feitelijke handeling dient belanghebbende zich te richten tot de civiele rechter.
Beslissing om goederen aan te merken als verboden goederen
De douaneambtenaren zijn in de Landsverordening aangemerkt als toezichthouder bij de invoer. Bij de uitoefening van de toezichthoudende taak is de douane doorgaans aangewezen op de expertise van de DNM. Naar het oordeel van het Gerecht berust de bevoegdheid om te beslissen of het gaat om verboden echter bij de douane. Uit de tekst van de wet en de memorie van toelichting kan niet worden afgeleid dat de beslissingsbevoegdheid hierover – zoals door de Inspecteur wordt gesteld - bij de DNM ligt.
Tegen de beslissing om de goederen aan te merken als verboden goederen is op basis van de LIUD geen bezwaar en beroep mogelijk. Dit betreft immers geen beslissing inzake de berekening van invoerrechten of de toepassing van het tarief (zie 4.8). De belastingrechter is daarom niet bevoegd om te oordelen over de vraag of de goederen terecht als verboden goederen zijn aangemerkt. Tegen de beslissing van de douane is naar het oordeel van het Gerecht bezwaar en beroep mogelijk op basis van de Landsverordening administratieve rechtspraak. Tegen de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur moet in dat geval beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. Het Gerecht zal het beroepschrift daarom doorgeleiden naar de bestuursrechter.
5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.
6. DE BESLISSING
Het Gerecht:
- verklaart zich niet bevoegd om te oordelen of de goederen verboden zijn en verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter, en is uitgesproken op 12 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël- van der Biezen BSc.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17b Landsverordening beroep in belastingzaken).
Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening dan wel toezending naar de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17c Landsverordening beroep in belastingzaken).