Uitspraak van 13 maart 2026
BBZ nrs. CUR202500761, CUR202500762, CUR202500763, CUR202500764, CUR2025765
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende] , gevestigd te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.
1. PROCESVERLOOP
Aan belanghebbende zijn de volgende naheffingsaanslagen winstbelasting (WB) en omzetbelasting (OB) en vergrijpboeten opgelegd.
Belasting-middel
Jaar
Verschuldigde belasting
Boete
Dagtekening
WB
2018
NAf 165.779
NAf 41.444 (25%)
28 december 2023
OB
2018
NAf 153.262
NAf 38.315 (25%)
22 november 2023
OB
2019
NAf 146.022
NAf 36.506 (25%)
22 november 2023
OB
2020
NAf 148.920
NAf 37.231 (25%)
22 november 2023
OB
2021
NAf 177.973
NAf 44.494 (25%)
22 november 2023
Op 9 januari 2024 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag WB 2018 en boete.
Op 29 januari 2024 heeft belanghebbende, na ontvangst op 26 januari 2024 van een debiteurenlijst, bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen OB 2018 tot en met 2021 en boeten.
Op 4 maart 2025 heeft belanghebbende beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op de in 1.2 en 1.3 genoemde bezwaren. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 300 (tweemaal NAf 150).
Op 8 augustus 2025 heeft de inspecteur alsnog uitspraak op bezwaar gedaan met betrekking tot de naheffingsaanslag WB 2018 en de daarbij horende boete. Hierbij werden de naheffingsaanslag en boete gehandhaafd.
De Inspecteur heeft op 9 september 2025 een verweerschrift ingediend met betrekking tot de naheffingsaanslag WB 2018 en boete.
Belanghebbende heeft op 12 september 2025 beroep ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van 8 augustus 2025 met betrekking tot de naheffingsaanslag en boete WB 2018.
De Inspecteur heeft op 15 september 2025 verweerschriften ingediend met betrekking tot de naheffingsaanslagen OB 2018 tot en met 2021 en boeten.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2025 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen, [A] en [B] en via videoverbinding de gemachtigde mr. R. Palm, verbonden aan advieskantoor [X]. Namens de Inspecteur zijn verschenen drs. C. Overman, mr. M.A.V. Bentoera, W. Adam, mr. J. Maria en R. Ilario.
Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen.
2. FEITEN
Belanghebbende drijft haar onderneming (een groothandel die bouwmaterialen -voornamelijk houtplaten- importeert en verkoopt) in de vorm van een NV en handelt in het economisch verkeer onder de naam: [Y]. Belanghebbende is op 12 oktober 2007 opgericht en sinds eind februari 2008 geregistreerd bij de Inspectie der Belastingen.
De aandelen zijn voor 100% in handen van mevrouw [C], echtgenote van de directeur de heer [A].
Er is door [Y] (hierna: [Y]), een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld voor de middelen: WB, OB en loonbelasting over de perioden 2018 t/m 2021.
De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport gedateerd 29 augustus 2023. Daarin is over de WB en OB -voor zover van belang- het volgende vermeld:
“(…)
Alle bedragen in dit rapport zijn in Nederlands Antilliaanse guldens (NAf) tenzij anders is aangegeven.
(…)
Omschrijving bedrijf
Belastingplichtige exploiteert een groothandel die bouwmaterialen, voornamelijk houtplaten, importeert en verkoopt. Het gaat hierbij om een handelsonderneming die grotendeels levert op contante en girale betaling. Sommige klanten hebben ook de mogelijkheid om op rekening te kopen.
(…)
In 2021 is belastingplichtige gestopt met de verkoop van MDF door de hoge importprijzen.
(…)
Volgens de directeur is belastingplichtige in 2021 ook van start gegaan met het verkopen van keukenkasten en andere type kasten. Verder verkoopt belastingplichtige sinds 2020 apparaten van het merk “Total Tools”. Dit zijn verschillende soorten gereedschappen zoals zaagmachines, boormachines, schuurmachines etc.
(…)
In september 2021 is belastingplichtige verhuisd naar een nieuwe locatie. Dit pand is door belastingplichtige gebouwd ([adres 1]).
(…)
Gedurende de controlejaren had belastingplichtige 1 verkooppunt en 1 kasregister op locatie.
(…)
Belastingplichtige heeft in de controlejaren de volgende balans- en omzettotalen aangegeven:
Omschrijving
2018
2019
2020
2021
Aangegeven omzet
1.709.511
1.802.977
2.841.335
3.749.760
Aangegeven balanstotaal
6.034.874
7.351.983
9.567.774
10.833.351
(…)
Ingediende aangiften
Vóór de aankondiging van het onderzoek waren door belastingplichtige/inhoudingsplichtige, voor zover relevant voor dit onderzoek, de volgende aangiften ingediend:
- WB van de jaren 2018 tot en met 2021;
(…)
- OB van de jaren 2018 tot en met 2021.
(…)
Administratie
De financiële administratie wordt bijgehouden met behulp van het pakket Quick Books door de administrateur.
(…)
Administratieplicht
Op basis van artikel 43, lid 2 ALL zijn administratieplichtigen gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf of beroep naar de eisen van dat bedrijf of beroep op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van de belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.
Tijdens het onderzoek is gebleken dat op de volgende onderdelen niet is voldaan aan de hiervoor omschreven verplichting:
1. Er wordt geen sluitend kasboek bijgehouden. De contante stortingen op de bank worden niet in het kasboek opgenomen en kunnen ook niet worden verklaard.
2. Er worden ten onrechte constante stortingen op de bank als schuld van belastingplichtige in de rekening courant (R/C) met de directeur geboekt. Dit betreft zeer grote bedragen. Het gemiddelde saldo per jaar wat op deze manier wordt geboekt in de controleperiode is meer dan 1,1 miljoen. Het saldo van de R/C schuld bedraagt daardoor per einde 2021 een bedrag van 8.672.283.
3. Gedurende de controlejaren worden er minimale boekingen in de grootboekrekening kas verwerkt, terwijl er uit onderzoek is gebleken dat er meer transacties via de kas lopen.
4. Er wordt geen sluitende voorraadadministratie gevoerd. De directeur gaf aan dat het digitale voorraadsysteem niet up-to-date is, waardoor er hierop niet gesteund kan worden. Er wordt geen voorraadinventarisatie gedaan. De aangegeven voorraad is onaannemelijk hoog. Er worden correctieboekingen in de voorraad gedaan die niet onderbouwd en niet verklaarbaar zijn.
5. Er is geen administratie (urenregistratie, uitbetaling aan derden) bijgehouden van de betalingen aan derden voor de uitgevoerde werkzaamheden die door derden (niet-ondernemers) werden verricht.
Op basis van het voorgaande concludeer ik dat niet is voldaan aan de administratieplicht ingevolge artikel 43, lid 2 ALL. In dit verband heb ik belastingplichtige gewezen op artikel 30, lid 6 ALL, de zogenaamde omkering bewijslast.
Bewaarplicht
Op basis van artikel 43, leden 2 en 6 ALL zijn administratieplichtigen verplicht hun administratie en de daartoe behorende gegevensdragers gedurende 10 jaar te bewaren.
Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de volgende delen van de administratie niet zijn bewaard:
de bewijsstukken van de beschadigde goederen over de jaren 2020 en 2021;
de facturen van de bouwkosten over de jaren 2019 tot en met 2021 van het nieuwbouw pand;
de facturen van de aanschaffing van machines en installaties in het jaar 2020.
Op basis van het vorengaande concludeer ik dat niet is voldaan aan de bewaarplicht ingevolge artikel 43, leden 2 en 6 ALL. In dit verband heb ik belastingplichtige gewezen op artikel 30, lid 6 ALL, de zogenoemde omkering bewijslast.
(…)
Factureringsplicht
Ik heb geconstateerd dat belastingplichtige niet heeft voldaan aan de factureringsplicht. Volgens artikel 44 ALL is belastingplichtige hiertoe wel verplicht.
Ik heb belastingplichtige gewezen op de factureringsplicht, zoals vermeld in artikel 44 ALL. Op grond van artikel 44, lid 10 ALL juncto artikel 7.1 MRFB is een aantal ondernemers ontheven van de verplichting tot het uitreiken van een factuur.
Uit het onderzoek is gebleken dat de verantwoorde omzet niet volledig is. Als gevolg hiervan kan ik concluderen dat belastingplichtige niet aan al haar afnemers een factuur heeft uitgereikt.
Belastingplichtige heeft niet voldaan aan de factureringsplicht ingevolge artikel 44 ALL.
Het niet voldoen aan deze verplichting heeft tot gevolg dat op grond van artikel 49 ALL er een sanctie kan worden opgelegd.
(…)
Kasregistratieplicht
Belastingplichtige is op grond van artikel 44a, lid 1 ALL, juncto artikel 7.2 MRFB verplicht om een kassabon middels een fiscaal kasregistratiesysteem aan haar klanten uit te reiken.
Uit het onderzoek is gebleken dat niet alle opbrengsten in het kasregister zijn aangeslagen. Als gevolg hiervan kan ik concluderen dat belastingplichtige niet geheel heeft voldaan aan de kasregistratieplicht ingevolge artikel 44a, lid 1 ALL, juncto artikel 7.2 MRFB.
Het niet voldoen aan deze verplichting heeft tot gevolg dat op grond van artikel 28a ALL, juncto artikel 2, lid 1 van het `Landsbesluit tijdelijke sluiting bedrijfslocaties' aan belastingplichtige een administratieve sanctie kan worden opgelegd.
(…)
Oordeel administratie
Naast de in de onderdelen 3.5 `Administratieplicht, 3.6 `Bewaarplicht' en 3.7 `Niet meewerken aan het onderzoek' genoemde bevindingen heb ik het volgende geconstateerd:
· Er is geen aansluiting van het resultaat zoals aangegeven in de jaarrekening met het grootboek.
· Er is geen aansluiting van het saldo R/C directeur over de jaren 2019 en 2020 tussen de jaarrekening en het grootboek.
· Er is sprake van onverklaarbare stortingen van, in totaal, zeer grote bedragen op de bank door de directeur. Deze stortingen zijn in de grootboekrekening R/C directeur geboekt.
· Gedurende de jaren 2018 tot en met 2020 heeft belastingplichtige geen kassaldo op de balans opgenomen terwijl er werkelijk sprake is van een kassaldo.
· De voorraad is geschat. Het is onduidelijk op basis waarvan belastingplichtige de eindvoorraad heeft bepaald.
· Het voorraadsysteem van belastingplichtige is niet betrouwbaar. Belastingplichtige heeft verklaard dat dit systeem niet betrouwbaar is. Daarnaast wordt de voorziening incourante goederen niet onderbouwd met (historische) gegevens. De dotaties zijn niet onderbouwd.
· Er is sprake van een zeer lage omzetsnelheid gedurende de controlejaren van gemiddeld 0,29. De berekende theoretische omzetsnelheid is 8. Het verschil tussen de berekende en aangegeven omzetsnelheid is niet verklaarbaar.
· Belastingplichtige brengt over de jaren 2018 tot en met 2020 correcties aan (einde boekjaar) in de grootboekrekening "materials purchased" (inkopen) zonder een omschrijving. De volgende totale bedragen zonder omschrijving zijn geconstateerd:
- 2018: 1.412.659
- 2019: 934.812
- 2020: 381.404
De voorraad wordt op basis van deze correctieboekingen verhoogd en de kostprijs wordt verlaagd.
· De berekende kostprijs verkopen op basis van de goederenbeweging sluit niet aan met de aangegeven kostprijs verkopen.
· De verhouding van de aangegeven opbrengsten op de grootboekrekeningen Kas en Bank bedragen respectievelijk 3% en 97%, terwijl volgens de Z-afslagen de verhouding respectievelijk 36% en 64% bedraagt.
· Uitgaande van de opgestelde goederenbeweging is sprake van een zeer fluctuerend brutowinst% (BW%) voor de controlejaren (zelfs negatief voor de jaren 2018 en 2019):
- 2018: -37%
- 2019: -22%
- 2020: 7%
- 2021: 34%
De in dit hoofdstuk genoemde bevindingen ten aanzien van de administratie en administratieve verplichtingen hebben gevolgen voor de in dit onderzoek betrokken belastingaangiften. Ik verwijs naar de hoofdstukken 4, 5 en 6 van dit rapport. Zie in dit verband ook artikel 30, lid 6 ALL (omkering bewijslast).
(..)
Recapitulaties WB (cursivering toegevoegd door het Gerecht)
Met inachtneming van de correcties zoals genoemd in bovenstaande onderdelen, kom ik tot de volgende recapitulatie:
Onderdeel
Omschrijving (balanscorrecties)
2018
2019
2020
2021
4.2.1.1
Machines en installaties
-
-
98.432
-
4.2.2
Voorraad
1.809.057
1.809.057
1.809.057
1.809.057
4.2.3
Rekening-courant schuld directeur
2.707.651
2.579.747
2.273.736
1.111.149
Onderdeel
Omschrijving (winstcorrecties)
2018
2019
2020
2021
4.1.1
Aansluiting fiscale winst jaarrekening — grootboek
6.485
-
-
-
4.1.2
Aansluiting fiscale winst jaarrekening — aangifte
-
-
7.000
-
4.2.1.1
Machines en installaties
-
-
-
14.765
4.2.4
Voorziening incourante voorraad
43.354
17.408
166.806
219.129
4.3.1.1
Kostprijs verkopen
-1.809.057
-1.809.057
-1.809.057
-1.809.057
4.3.1.3
Omzetcorrectie
2.554.388
2.433.724
2.482.026
2.858.310
4.3.2
Personeelskosten werkgeversdeel sociale premies
65.092
-
-
-
4.3.3
Interestkosten
-
-
6.657
-
4.4.1
Investeringsaftrek
-
-
9.843
Totaal
860.262
642.075
863.275
1.283.147
(…)
Recapitulatie naheffing OB
Met inachtneming van de correcties zoals genoemd in bovenstaande onderdelen, kom ik tot de volgende recapitulatie:
Onderdeel
Omschrijving
2018
2019
2020
2021
6.2
Aansluitingen
-
-
-
6.476
6.3
OB over omzetcorrectie
153.263
146.023
148.921
171.498
Totaal
153.263
146.023
148.921
177.974
(…)
GEVOLGEN VOOR DE BELASTINGHEFFING
WB
Naar aanleiding van het boekenonderzoek stel ik u voor de aangegeven / vastgestelde belastbare winst te corrigeren. De gecorrigeerde belastbare winst kan als volgt worden berekend:
2018
2019
2020
2021
Aangegeven belastbare winst (na verliesverrekening en giftenaftrek)
-79.444
-215.204
-240.646
-162.341
Winstcorrecties (inclusief (fiscale faciliteiten)
860.262
642.075
863.275
1.283.147
Verliesverrekening
-79.890
-
-
-
Belastbare winst na correctie en verliesverrekening
700.928
426.871
622.629
1.120.806
(…)
OB
Naar aanleiding van het boekenonderzoek stel ik u voor naheffingsaanslagen OB op te leggen voor de volgende bedragen:
2018
2019
2020
2021
Na te heffen OB
153.263
146.023
148.921
177.974
(…)”
Vergrijpboeten
Overeenkomstig de bevindingen in het controlerapport heeft de Inspecteur bij het opleggen van de vergrijpboeten onderscheid gemaakt naargelang de aard van de aangebrachte correcties. Daarbij is per correctie aangegeven of deze volgens de Inspecteur het gevolg is van grove schuld dan wel van (voorwaardelijk) opzet.
Voor de WB betreft dit onder meer correcties wegens aansluitingsverschillen, voorzieningen en personeelskosten, welke door de Inspecteur zijn aangemerkt als het gevolg van grove schuld. De correcties ter zake van de kostprijs van verkopen en de omzet zijn door de Inspecteur aangemerkt als het gevolg van (voorwaardelijk) opzet.
Voor de OB zijn de aansluitingsverschillen als grove schuld gekwalificeerd en de omzetcorrecties als (voorwaardelijk) opzet.
De Inspecteur heeft daarbij toepassing gegeven aan het beleid inzake pseudo-samenloop als bedoeld in artikel 4.8, vijfde lid, van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht (MRFBR). Als gevolg daarvan zijn de aanvankelijk op 50% vastgestelde boeten wegens (voorwaardelijk) opzet gematigd en zijn per saldo boeten opgelegd naar een percentage van 25%.
3. GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN
In geschil is of de naheffingsaanslag WB 2018 en de naheffingsaanslagen OB 2018 tot en met 2021 en de daarbij opgelegde boeten terecht en naar juiste bedragen zijn vastgesteld. In het bijzonder dient het Gerecht daarbij te beoordelen of omkering en verzwaring van de bewijslast terecht is toegepast.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat omkering en verzwaring van de bewijslast ten onrechte zijn toegepast. Volgens haar is haar administratie niet zodanig gebrekkig dat deze had mogen worden verworpen en heeft zij de vereiste aangiften gedaan. Voorts bestrijdt belanghebbende de bij de omkering en verzwaring van de bewijslast door de Inspecteur aangebrachte omzet- en winstcorrecties. Zij stelt dat de controlemedewerker is uitgegaan van onjuiste aannames en dat de gehanteerde reconstructies en schattingen niet aansluiten bij de werkelijke bedrijfsvoering en resultaten van de onderneming. Ten aanzien van de vergrijpboeten voert belanghebbende aan dat er geen sprake is van opzet of grove schuld en dat de boeten, mede gelet op de wijze waarop de belasting is vastgesteld, disproportioneel zijn.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat omkering en verzwaring van de bewijslast terecht zijn toegepast, omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan haar administratie- en bewaarplicht. Volgens de Inspecteur vertoont de administratie zodanige en structurele gebreken dat deze niet kan dienen als betrouwbare grondslag voor de heffing van omzetbelasting en winstbelasting. Voorts stelt de Inspecteur dat de naheffingsaanslagen zijn gebaseerd op een zorgvuldige en controleerbare reconstructie van de omzet en de winst, zoals neergelegd in het controlerapport van de SBAB. Daarbij is gebruikgemaakt van kas- en bankgegevens, inkoop- en voorraadgegevens, brutowinstmarges en de rekening-courantverhouding met de directeur. De aldus gehanteerde methode leidt volgens de Inspecteur tot een redelijke en niet-willekeurige schatting van de werkelijke belastbare bedragen. Ten aanzien van de vergrijpboeten stelt de Inspecteur dat belanghebbende bij het doen van de aangiften winstbelasting en omzetbelasting over de jaren 2018 tot en met 2021 ernstige en structurele onjuistheden heeft laten bestaan. De Inspecteur heeft daarbij per correctie beoordeeld of sprake is van grove schuld dan wel van (voorwaardelijk) opzet. Voor de omzet- en kostprijscorrecties heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende door het hanteren van een ondeugdelijke administratie willens en wetens, althans met bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans, onjuiste aangiften heeft gedaan, hetgeen (voorwaardelijk) opzet oplevert. Voor overige correcties, waaronder aansluitingsverschillen, is grove schuld aangenomen. Hoewel voor een deel van de correcties (voorwaardelijk) opzet is aangenomen, heeft de Inspecteur met toepassing van het beleid inzake pseudo-samenloop de boetehoogte gematigd, zodat per saldo vergrijpboeten zijn opgelegd naar een percentage van 25% van de nageheven belasting. De Inspecteur acht deze boeten, gelet op de aard en ernst van de verweten gedragingen, passend en geboden.
4. OVERWEGINGEN
Vooraf: Tardiefstelling
Beide partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat door de wederpartij ingebrachte stukken als tardief buiten beschouwing dienen te worden gelaten, omdat deze in een laat stadium van de procedure zijn overgelegd.
Het is aan het Gerecht om te beoordelen of aanleiding bestaat om laat ingediende stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Daarbij is onder meer van belang of de wederpartij door de late indiening onredelijk wordt benadeeld in haar procesvoering.
Het Gerecht is van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is. De overgelegde stukken bevatten geen nieuwe feitelijke stellingen of juridische standpunten, maar vormen een nadere onderbouwing en toelichting van reeds eerder ingenomen standpunten. Voorts zijn de stukken niet zodanig omvangrijk of complex dat de wederpartij zich daarop niet adequaat heeft kunnen voorbereiden of daarop ter zitting heeft kunnen reageren.
Gelet hierop ziet het Gerecht geen aanleiding door partijen overgelegde stukken wegens tardiefstelling buiten beschouwing te laten. Het Gerecht zal derhalve bij de beoordeling van het geschil acht slaan op alle tot het procesdossier behorende stukken.
Beroep niet tijdig beslissen WB 2019
Belanghebbende heeft op 4 maart 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar tegen de naheffingsaanslag WB 2019 en boete. Hangende onderhavige beroepsprocedure heeft de Inspecteur op 8 augustus 2025 alsnog uitspraak gedaan op het bezwaar (zie 1.5). Belanghebbende heeft derhalve geen belang meer bij het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Dit beroep is mitsdien niet-ontvankelijk.
Het door belanghebbende ingestelde beroep van 4 maart 2025 wordt ook aangemerkt als een ontvankelijk beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 8 augustus 2025 (GEA Curaçao, 17 april 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:57). Ook deze uitspraak is dus onderwerp van de onderhavige procedure. Het Gerecht merkt het door belanghebbende afzonderlijk tegen deze uitspraak ingestelde beroep van 12 september 2025 aan als een aanvulling op het beroep van 4 maart 2025 (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:671).
Beroep niet tijdig beslissen OB 2018 t/m 2021
Het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslagen OB 2018 tot en met 2021 en boeten is op 29 januari 2024 door de Inspecteur ontvangen.
Ingevolge artikel 30, lid 2 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 29 oktober 2024, een uitspraak heeft gedaan.
Ingevolge artikel 31, lid 1, ALL kan binnen twaalf maanden na voormelde periode van negen maanden, in dit geval dus uiterlijk op 29 oktober 2025, beroep worden ingesteld wegens het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.
De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op het bezwaar genomen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen dient derhalve gegrond te worden verklaard. Het Gerecht ziet evenwel om proces-economische redenen ervan af om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar en ze zal het geschil zelf inhoudelijk beslechten. Partijen hebben immers uitgebreid hun inhoudelijke standpunten toegelicht en verdedigd.
Ontvankelijkheid bezwaren OB 2018 t/m 2021
In artikel 29, lid 1, ALL is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.
Voornoemde regel lijdt uitzondering als de belastingaanslag de belanghebbende niet tijdig heeft bereikt en dit het gevolg is van het handelen van de belastingdienst, zoals verzending van de belastingaanslag na de dagtekening. In dat geval vangt de bezwaartermijn pas aan op de dag van de ontvangst van de aanslag door de belanghebbende (vgl. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960; GEA Curaçao 23 april 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:60; GEA Aruba 15 juni 2018, ECLI:NL:OGEAA:2018:361).
De onderhavige aanslagbiljetten hebben als dagtekening 22 november 2023. De bezwaarschriften zijn op 29 januari 2024 ingediend, dat is dus buiten de wettelijke termijn van twee maanden.
Belanghebbende heeft betoogd dat zij pas na ontvangst op 26 januari 2024 van een debiteurenlijst, op de hoogte werd gesteld dat er naheffingsaanslagen OB over de jaren 2018 tot en met 2021 en boeten waren opgelegd. Hierin ligt de betwisting van de tijdige verzending van de aanslagbiljetten besloten (HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102). Dit betekent dat aangenomen moet worden dat belanghebbende heeft betwist dat de Inspecteur de aanslagbiljetten tijdig naar haar heeft verzonden, ook zonder dat zij expliciet melding maakt van die stelling. In dat geval moet de Inspecteur bewijzen dat de belastingaanslagen wel tijdig en rechtsgeldig aan belanghebbende zijn verstuurd (vgl. HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8440; GEA Aruba 15 juni 2018, ECLI:NL:OGEAA:2018:361).
De Inspecteur heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat de naheffingsaanslagen OB over de jaren 2018 tot en met 2021 en boeten tijdig en op rechtsgeldige wijze aan belanghebbende zijn verzonden.
Nu de Inspecteur, op wie in dit geval de bewijslast rust, geen bewijs heeft geleverd ter onderbouwing van de tijdige verzending van de aanslagbiljetten, acht het Gerecht niet aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslagen OB over de jaren 2018 tot en met 2021 en boeten op de voorgeschreven wijze en tijdig aan belanghebbende zijn bekendgemaakt.
Gelet hierop vangt de bezwaartermijn aan op het moment waarop belanghebbende daadwerkelijk kennis heeft genomen van het bestaan van de naheffingsaanslagen, te weten op 26 januari 2024. De op 29 januari 2024 ingediende bezwaarschriften zijn derhalve tijdig ingediend en dienen derhalve ontvankelijk te worden verklaard.
Zijn de naheffingsaanslag WB 2018 en naheffingsaanslagen OB 2018 tot en met 2021 en de daarbij opgelegde boeten terecht en naar juiste bedragen vastgesteld? Is in dit verband de omkering en verzwaring van de bewijslast terecht toegepast?
Op grond van artikel 43, lid 2 ALL rust op een belastingplichtige de verplichting een zodanige administratie te voeren en te bewaren dat te allen tijde de voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens daaruit duidelijk blijken. Indien deze administratieplicht niet wordt nageleefd, kan dit ingevolge artikel 30, lid 6 en artikel 31, lid 3 van de ALL ertoe leiden dat de bewijslast in bezwaar en beroep wordt omgekeerd en verzwaard.
Het Gerecht stelt voorop dat niet iedere administratieve onvolkomenheid zonder meer leidt tot verwerping van de administratie. Beslissend is of de vastgestelde gebreken van dien aard en omvang zijn dat de administratie niet langer kan dienen als een betrouwbare grondslag voor de heffing van belastingen.
Het Gerecht acht in dit verband allereerst van belang dat belanghebbende gedurende de controlejaren geen sluitende kasadministratie heeft gevoerd. Vaststaat dat geen kasboek werd bijgehouden, dat over de jaren 2018 tot en met 2020 geen kassaldo op de balans is opgenomen terwijl feitelijk sprake was van kasontvangsten, en dat de verhouding tussen kas- en bankontvangsten volgens de grootboekrekeningen (3% kas en 97% bank) aanzienlijk afwijkt van de verhouding zoals die volgt uit de Z-afslagen (36% kas en 64% bank). Belanghebbende heeft deze verschillen niet, althans onvoldoende, verklaard of weersproken. Het Gerecht leidt hieruit af dat de kasadministratie geen betrouwbaar beeld geeft van de daadwerkelijk gerealiseerde omzet.
Daarnaast vertoont de voorraadadministratie ernstige gebreken. Vaststaat dat geen jaarlijkse voorraadinventarisatie is uitgevoerd en dat de eindvoorraad slechts is geschat, zonder dat inzichtelijk is gemaakt waarop deze schatting is gebaseerd. Voorts zijn over de jaren 2018 tot en met 2020 aanzienlijke correctieboekingen aan het einde van het boekjaar in de grootboekrekening “Materials purchased” aangebracht, zonder nadere toelichting. Deze correcties hebben geleid tot een verhoging van de voorraad en een verlaging van de kostprijs van de verkopen. De op basis van de goederenbeweging berekende kostprijs van de verkopen sluit bovendien niet aan bij de aangegeven kostprijs, uitgaande van de door belanghebbende zelf aangeleverde gegevens.
Voor de jaren 2020 en 2021 is voorts vastgesteld dat geen aansluiting bestaat tussen de eindvoorraad volgens de jaarrekening en de digitale voorraadadministratie, waarbij sprake is van verschillen van circa NAf 6 miljoen per jaar. Belanghebbende heeft voor deze verschillen geen afdoende verklaring gegeven.
De hiervoor genoemde gebreken in de voorraadadministratie hebben tevens geleid tot onverklaarbare en sterk fluctuerende brutowinstpercentages, berekend op basis van de goederenbeweging. Deze brutowinstpercentages variëren van negatief in 2018 en 2019 tot aanzienlijk positief in 2021. Belanghebbende heeft deze schommelingen niet kunnen verklaren. Het Gerecht acht deze fluctuaties, mede in samenhang met de gebrekkige voorraadadministratie, een sterke aanwijzing dat de administratie geen betrouwbaar inzicht geeft in de omzet- en winstontwikkeling.
Ten aanzien van de door de directeur, tevens echtgenoot van de aandeelhouder, verrichte stortingen op de bankrekening van belanghebbende overweegt het Gerecht dat dergelijke stortingen op zichzelf niet zonder meer als foutieve boekingen hoeven te worden aangemerkt. Vaststaat echter dat sprake is van zeer omvangrijke en structurele stortingen, waarvoor door de Inspecteur herhaaldelijk om een verklaring en onderbouwing is gevraagd. Belanghebbende heeft een dergelijke verklaring niet verstrekt. Ter zitting heeft de directeur verklaard dat hij geen nadere uitleg kon of wilde geven over de herkomst van deze bedragen. Tegenover de betwisting van de Inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de directeur in privé over toereikend vermogen beschikte om deze stortingen te kunnen doen.
Gelet op deze omstandigheden acht het Gerecht aannemelijk dat deze stortingen verband houden met niet in de administratie verantwoorde omzet. Dit bevestigt dat ook op dit punt de administratie onbetrouwbaar is.
Daar komt bij dat vaststaat dat een aantal essentiële stukken ontbreekt, waaronder facturen met betrekking tot de bouw van het bedrijfspand over de jaren 2019 tot en met 2021 en facturen inzake de aanschaf van machines en installaties in 2020. Voorts bestaat geen aansluiting tussen het saldo van de rekening-courantverhouding met de directeur in de jaarrekening en het grootboek over de jaren 2019 en 2020. Belanghebbende heeft deze bevindingen niet, althans onvoldoende, bestreden.
Het Gerecht stelt vast dat de hiervoor beschreven administratieve tekortkomingen, in onderlinge samenhang bezien, van zodanige aard en omvang zijn dat niet is voldaan aan de administratie- en bewaarplicht als bedoeld in artikel 43 van de ALL.
Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 30, lid 6, ALL, zodat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Bij de beoordeling van de naheffingsaanslagen WB 2018 en OB 2018 tot en met 2021 rust derhalve op belanghebbende de last om de onjuistheid daarvan overtuigend aan te tonen.
Omkering ontslaat de Inspecteur niet van de verplichting de naheffingsaanslagen niet naar willekeur vast te stellen. Het Gerecht beoordeelt daarom of de schatting redelijk en niet willekeurig is.
De Inspecteur heeft de correcties gebaseerd op een reconstructie aan de hand van de goederenbeweging. Daarbij is een theoretische eindvoorraad berekend op basis van inkopen en verkopen, is de kostprijs gecorrigeerd en zijn brutowinstpercentages berekend.
Deze berekeningen zijn gebaseerd op gegevens uit de eigen administratie en objectief vastgestelde verschillen. Het Gerecht acht deze methode redelijk en niet willekeurig (vgl. ECLI:NL:OGHACMB:2025:143). Voor wat betreft de voorziening incourante voorraad heeft de Inspecteur de door belanghebbende in 2018 in aanmerking genomen dotatie van 5% van de eindvoorraad (NAf 78.354) verlaagd naar NAf 35.000 omdat belanghebbende geen enkele onderbouwing heeft kunnen verschaffen van de door haar aangegeven dotatie. Het Gerecht acht dat redelijk. Tenslotte heeft de Inspecteur de personeelskosten in het jaar 2018 gecorrigeerd voor zover de door belanghebbende in de jaarrekening opgenomen kosten afweken van de op grond van de verzamelloonstaat berekende kosten. Ook die correctie acht het Gerecht redelijk.
Nu sprake is van een redelijke schatting, kan vermindering slechts plaatsvinden indien belanghebbende overtuigend aantoont dat de schatting onjuist is.
Belanghebbende heeft geen concrete, controleerbare gegevens of alternatieve berekeningen overgelegd waarmee overtuigend wordt aangetoond dat de Inspecteur is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten, evident onrealistische marges of onjuiste volumes. Daarmee is zij niet geslaagd in het van haar verlangde bewijs.
Vergrijpboeten
Aan belanghebbende zijn vergrijpboeten naar een percentage van 25% opgelegd, in verband met de naheffingsaanslagen WB 2018 en OB 2018 tot en met 2021.
Op grond van artikel 21 van de ALL kan de Inspecteur ter zake van een vergrijp een boete opleggen van ten hoogste 100%. In de MRFBR is het boetebeleid van de Inspecteur neergelegd. Op grond van artikel 4.8, tweede lid, van deze regeling bedraagt de boete 25% bij grove schuld en 50% bij (voorwaardelijk) opzet van de nageheven belasting, waarbij in geval van samenloop toepassing kan worden gegeven aan het beleid inzake pseudo-samenloop.
De vergrijpboeten hebben een punitief karakter. Op de Inspecteur rust daarom de bewijslast om feiten en omstandigheden te stellen waarmee overtuigend wordt aangetoond dat het aan opzet dan wel grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven.
Het Gerecht stelt voorop dat de Inspecteur bij het opleggen van de vergrijpboeten onderscheid heeft gemaakt naar de aard van de verschillende correcties en de daaraan verbonden mate van verwijtbaarheid. Dit onderscheid is in de feiten uiteengezet onder 2.5 tot en met 2.8.
Het Gerecht is van oordeel dat de Inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat ten aanzien van de omzetcorrecties en de correcties ter zake van de kostprijs van de verkopen sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Uit het boekenonderzoek blijkt dat belanghebbende beschikte over een ondeugdelijke administratie, in het bijzonder door het ontbreken van een sluitende kasadministratie en het structureel onjuist verantwoorden van omzet. Door desondanks aangiften te doen op basis van deze administratie heeft belanghebbende de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven.
Voor de overige correcties, waaronder de aansluitingsverschillen, afschrijvingskosten, voorzieningen, personeelskosten, interestkosten en investeringsaftrek heeft de Inspecteur deze correcties terecht aangemerkt als het gevolg van grove schuld. Deze correcties vinden hun oorzaak in ernstige onachtzaamheid en tekortschietende administratieve zorgvuldigheid.
Het Gerecht acht het door de Inspecteur gemaakte onderscheid tussen (voorwaardelijk) opzet en grove schuld per correctie juist. De toepassing van het beleid inzake pseudo-samenloop heeft uitsluitend geleid tot een matiging van de boetehoogte en heeft geen gevolgen gehad voor de vastgestelde mate van verwijtbaarheid.
Bij de beoordeling of een boete in de omstandigheden van het geval telkens passend en geboden is, dient mede acht te worden geslagen op de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat hiertoe de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BC1962, BNB 2008/165).
In het onderhavige geval zijn de winst in het jaar 2018 en de omzetten in de jaren 2018 tot en met 2021 vastgesteld op basis van een redelijke schatting na toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast. Hoewel het Gerecht heeft geoordeeld dat de Inspecteur de naheffingsaanslagen niet willekeurig heeft vastgesteld, brengt deze wijze van vaststelling mee dat de exacte omvang van de verschuldigde belasting niet met volledige zekerheid kan worden vastgesteld. Het Gerecht ziet daarin in dit geval aanleiding bij de beoordeling van de boetehoogte een matiging van de boeten met 5% toe te passen.
Voor zover belanghebbende zich heeft beroepen op een pleitbaar standpunt, faalt dit beroep. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als een naar objectieve maatstaven pleitbare uitleg van het fiscale recht.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslagen en boeten heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, overweegt het Gerecht als volgt.
Uit het controlerapport en het verhandelde ter zitting blijkt dat de Inspecteur het boekenonderzoek zorgvuldig heeft uitgevoerd, belanghebbende meermaals om nadere toelichting heeft verzocht en de aangebrachte correcties inzichtelijk en controleerbaar heeft gemotiveerd. Het Gerecht ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld, onvoldoende heeft gemotiveerd of anderszins in strijd heeft gehandeld met enig beginsel van behoorlijk bestuur.
Voor zover belanghebbende zich heeft beroepen op het vertrouwens- of gelijkheidsbeginsel, heeft zij haar stellingen niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd. Deze beroepsgrond faalt derhalve.
Slotsom
Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat de naheffingsaanslagen WB 2018 en OB 2018 tot en met 2021 naar juiste bedragen zijn vastgesteld. De daarbij opgelegde vergrijpboeten dienen overeenkomstig het hiervoor overwogene met 5% te worden verminderd. Het beroep is derhalve in zoverre gegrond en voor het overige ongegrond.
Overschrijding redelijke termijn
Het Gerecht dient met betrekking tot de boeten ambtshalve te beoordelen of inbreuk is gemaakt op het recht van belanghebbende op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn. De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als de rechter niet binnen twee jaar uitspraak doet na het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (vgl. HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006).
Het controlerapport is op 27 juli 2023 aan belanghebbende afgegeven. Het Gerecht neemt aan dat dit het eerste moment was waarop belanghebbende de verwachting heeft kunnen ontlenen dat aan haar een boete zou worden opgelegd. Gerekend vanaf dat moment tot aan de onderhavige uitspraak van het Gerecht (13 maart 2026) is, afgerond 8 maanden verstreken. Nu bijzondere omstandigheden die een andere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, zal het Gerecht de boeten verminderen met 10% (telkens met een maximum van NAf 2.500) overeenkomstig de uitgangspunten zoals vermeld in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
Het vorenstaande brengt mee dat de vergrijpboeten zullen worden verminderd met 5%(4.42) en vervolgens met NAf 2.500 (4.49):
- NAf 36.871 voor de WB 2018
- NAf 33.899 voor de OB 2018
- NAf 32.180 voor de OB 2019
- NAf 32.869 voor de OB 2020
- NAf 39.769 voor de OB 2021
5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Kosten beroepsfase
Het Gerecht ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor het instellen van beroep.
In artikel 15, lid 2, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, nr. CUR2016H00008, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
Uitgangspunt is dat aan belanghebbende een vergoeding wordt verleend voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op forfaitaire basis. Van een forfaitaire vergoeding kan worden afgeweken in bijzondere omstandigheden (artikel 2, lid 3 van het Besluit).
Ingevolge vaste jurisprudentie is slechts sprake van bijzondere omstandigheden, en daarmee de mogelijkheid voor het toekennen van een integrale kostenvergoeding in het geval de Inspecteur het verwijt kan worden gemaakt dat hij een beschikking heeft gegeven of uitspraak heeft gedaan terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802), dan wel dat sprake is van in vergaande mate onzorgvuldig handelen door de Inspecteur (vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).
Het Gerecht wijst een verzoek om een integrale proceskostenvergoeding voor de beroepsfase af. Er is geen sprake van in vergaande mate onzorgvuldig handelen door de Inspecteur door niet tijdig te beslissen op het bezwaar (vgl. GEA Curaçao 13 juli 2020, ECLI:NL:OGEAC:2020:189). Ook voor het overige is geen sprake van in vergaande mate onzorgvuldig handelen of van het geven van een beschikking of van het doen van uitspraak tegen beter weten in.
Het hiervoor overwogene laat evenwel onverlet dat belanghebbende wel in aanmerking komt voor een forfaitaire kostenvergoeding. In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Het Gerecht stelt voorop dat sprake is van samenhangende zaken. De kosten kunnen worden berekend op NAf 2.100 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van NAf 700, een wegingsfactor 1, vermenigvuldigd met een factor van 1,5 (4 of meer samenhangende zaken).
Verder dient de op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 300 aan belanghebbende te vergoeden.
6. DE BESLISSING
Het Gerecht:
WB 2018
OB 2018 t/m 2021
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en uitgesproken op 13 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500