ECLI:NL:OGEAC:2026:33

ECLI:NL:OGEAC:2026:33

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer 810.00001/24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

OM niet-ontvankelijk, vwpnbezit

Uitspraak

Parketnummer: 810.00001/24

Uitspraak : 20 februari 2026 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres 1],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24, 25, 26, 27 november 2025 en 30 januari 2026. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadslieden, mrs. E.F. Sulvaran en/of A.N. Sulvaran, advocaten in Curaçao.

De officier van justitie, mr. P. Borst, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest.

Haar vordering behelst voorts:

De raadslieden hebben primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte voor de feiten 1 tot en met 3 met de onmiddellijke opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, subsidiair dat de verdachte van de ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken en meer subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij in of omstreeks de periode van 19 maart 2020 tot en met 28 maart 2020, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, een hoeveelheid van ongeveer 271 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);

(artikel 3, lid 1, sub A, B C of D en/of artikel 11a van de Opiumlandsverordening Curacao)

Feit 2

hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2020 tot en met 30 juli 2020, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, een hoeveelheid van ongeveer 400 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);

(artikel 3, lid 1, sub A, B C of D en/of artikel 11a van de Opiumlandsverordening Curacao)

Feit 3

hij in of omstreeks de periode van 16 oktober 2020 tot en met 18 oktober 2020, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, een hoeveelheid van ongeveer 396 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);

(artikel 3, lid 1, sub A, B C of D en/of artikel 11a van de Opiumlandsverordening Curacao)

Feit 4

hij op of omstreeks 6 september 2024 te Curaçao, in een woning gelegen aan de [adres 1], een vuurwapen, te weten een pistool (merk [vuurwapenmerk], kaliber 9x19mm)), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, te weten een hoeveelheid kogelpatronen (kaliber 9x19mm) in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 voorhanden heeft gehad;

(artikel 3, lid 1, Vuurwapenverordening 1930)

1. Een proces-verbaal van huiszoeking ter inbeslagneming verricht op 6 september 2024 in de woning van de verdachte te [adres 1], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

2. Een proces-verbaal van onderzoek aan het inbeslaggenomen vuurwapen en de munitie, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadslieden hebben de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit voor de feiten 1 tot en met 3, nu het specialiteitsbeginsel is geschonden.

Bij de beoordeling van dit verweer gaat het Gerecht uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte is op 20 mei 2021 in Colombia aangehouden ter fine van uitlevering aan Curaçao op verdenking van deelneming aan een criminele organisatie van 22 tot en met 30 oktober 2016, medeplegen van uitvoer van cocaïne op 30 oktober 2016 en medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie op 30 oktober 2016. Bij Resolutie nummer 023 van 3 maart 2022 van het Ministerie van Justitie en Recht van Colombia is de uitlevering van de verdachte aan Curaçao toegestaan onder uitdrukkelijke verwijzing naar het specialiteitsbeginsel.

Bij vonnis van dit Gerecht van 24 maart 2023 (parketnummer 500.00130/21) is de verdachte ter zake van feit 2, het medeplegen van de uitvoer van ruim 290 kilo cocaïne op 30 oktober 2016 in Curaçao, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest en de tijd die in uitleveringsdetentie is doorgebracht. Deze straf heeft de verdachte aansluitend op het vonnis ondergaan. De datum van voorwaardelijke invrijheidstelling was bepaald op 18 september 2024. Op 15 december 2023 is aan de verdachte met ingang van 19 december 2023 verlof voorafgaand aan voorwaardelijke invrijheidstelling verleend onder de voorwaarde van elektronisch toezicht. Na afloop van deze periode van elektronisch toezicht is de verdachte op 16 juni 2024 onmiddellijk overgegaan naar een verlofperiode voorafgaand aan zijn VI-periode. Zowel het verlof als de VI-periode waren nog aan voorwaarden verbonden. Zo liep krachtens artikel 9 lid 4 Besluit Elektronisch toezicht de duur van de gevangenisstraf nog door tijdens het verblijf buiten de gevangenis. De expiratiedatum van de straf (dus zonder elektronisch toezicht, verlof of een VI-periode) was gesteld op 20 mei 2026.

De raadslieden hebben aangevoerd dat de verdachte op 6 september 2024, derhalve vóór de ommekomst van voormelde straf, opnieuw is aangehouden, thans ter zake van verdenking van de feiten in de onderhavige zaak. Het gaat om geheel andere feiten dan de feiten waarvoor de verdachte in 2023 door Colombia aan Curaçao werd uitgeleverd.

De raadslieden concluderen dat de nieuwe vrijheidsbeneming en de nieuwe vervolging van de verdachte in strijd zijn met het specialiteitsbeginsel dat aan diens uitlevering door Colombia ten grondslag is gelegd en daarmee in strijd met het internationale recht. Om die reden dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard voor de feiten 1 tot en met 3, aldus de raadslieden.

Geconfronteerd met dit verweer heeft de officier van justitie op 4 december 2025 een rechtshulpverzoek aan Colombia gericht waarin aan Colombia alsnog om toestemming wordt gevraagd om de verdachte aan te mogen houden en vervolgen voor de feiten in de onderhavige zaak. In voormeld aan de bevoegde autoriteiten van Colombia gerichte rechtshulpverzoek is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

In een eerdere zaak, onderzoek TURKEY, heeft Curacao in 2021 een uitleveringsverzoek gedaan aan Colombia voor [verdachte]. Deze uitlevering is door Colombia toegestaan op 3 maart 2022 (…).

[verdachte] is daadwerkelijk uitgeleverd en heeft terecht gestaan voor de feiten waarvoor hij was uitgeleverd. [verdachte] is op 24 maart 2023 in Curacao vervolgens veroordeeld voor invoer van 290 kilo cocaine. Hij kreeg hiervoor een gevangenisstraf van 5 jaar.

[verdachte] is daarna, op 19 december 2023, voorwaardelijk in vrijheid gesteld met elektronisch toezicht en bijbehorend huisarrest. Dit toezicht liep af op 16 juni 2025 (het Gerecht begrijpt: 16 juni 2024).

Ten onrechte heeft het Openbaar Ministerie verondersteld dat het specialiteitsbeginsel daarna niet meer van toepassing was, en dat [verdachte] dus kon worden aangehouden voor andere feiten.

Maar na afloop van zijn elektronisch toezicht ging een periode van verlof in, die vooraf ging aan de datum vervroegde invrijheidstelling, die was bepaald op 18 september 2024.

De expiratiedatum van zijn straf was bepaald op 20 mei 2026.

De feiten waarvan [verdachte] in onderzoek Merida wordt verdacht zijn afkomstig uit SKY-data en zijn gepleegd in 2020 (…). Dat is voorafgaand aan de uitlevering door Colombia in 2022. Zijn straf zat er op het moment van aanhouding voor onderzoek Merida nog niet geheel op.

Dat betekent dat het Openbaar Ministerie aanvullende toestemming had moeten vragen aan Colombia om [verdachte] op 6 september 2024 te mogen aanhouden en vervolgen voor de feiten in onderzoek Merida.

Dat is niet gebeurd. Het Openbaar Ministerie van Curacao biedt hiervoor excuses aan aan Colombia.

Van belang is op te merken, dat zonder de toestemming van Colombia om [verdachte] voor de feiten uit onderzoek Merida aan te houden en vervolgen, het Gerecht op Curacao zeer waarschijnlijk het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van [verdachte].

Het is mogelijk achteraf toestemming geven voor de vervolging van andere feiten. De ratio van het specialiteitsbeginsel is immers in de kern gelegen in de bescherming van de rechtsmacht van de aangezochte staat en niet in de rechtsbescherming van de opgeëiste persoon. Dat blijkt onder meer ook uit artikel 12 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende criminaliteit (New York, 15 november 2000).

(…)

Gelet op bovenstaande wordt verzocht om de volgende assistentie van de bevoegde autoriteiten van Colombia:

Zou Colombia alsnog aanvullende toestemming willen geven voor de aanhouding van [verdachte] op 6 september 2024 en om de heer [verdachte] te mogen vervolgen voor de feiten zoals opgenomen in bijgevoegde dagvaarding (…)”

Bij brief van 20 januari 2026 hebben de autoriteiten van Colombia als volgt gereageerd op voormeld verzoek om aanvullende toestemming:

“(…)

In artikel 3 van hetzelfde besluit werd de verzoekende staat er bovendien op gewezen dat de Nederlandse burger [verdachte] niet mag worden berecht voor een andere feitelijke gebeurtenis dan die waarvoor het uitleveringsverzoek is ingediend (…)

In de Colombiaanse wetgeving, binnen de regelgeving die de toepassing van de uitleveringsprocedure regelt, wordt de uitbreiding van de uitlevering niet geregeld.

Wanneer er uitbreidingen om verlenging zijn ingediend, heeft het Hof geoordeeld dat het mogelijk is om het verzoek om uitbreiding van de uitlevering in behandeling te nemen, op voorwaarde dat de gezochte persoon zich nog steeds op Colombiaans grondgebied bevindt.

Het Hof heeft aangegeven dat om een verzoek tot uitbreiding te kunnen behandelen, de vereiste persoon het Colombiaanse grondgebied niet mag hebben verlaten, teneinde het recht op verdediging te waarborgen. Indien dit wel het geval is, kan het verzoek niet in behandeling worden genomen. (…)

Op grond daarvan is het niet ontvankelijk om het nieuwe verzoek en/of de uitbreiding van de uitlevering toe te staan, onder de gestelde voorwaarde. (…)”

Bij schriftelijke conclusie van 23 januari 2026 heeft de officier van justitie gewezen

op de volgende passage uit de brief van de Colombiaanse autoriteiten van 20 januari 2026:

“Hoewel het specialiteitsbeginsel verhindert dat de uitgeleverde persoon wordt vervolgd of bestraft voor feiten die voorafgaan aan of anders zijn dan die welke aanleiding hebben gegeven tot de uitlevering, gaat het in dit concrete geval om de berechting van een onderdaan van het Koninkrijk der Nederlanden door de autoriteiten van zijn eigen staat, een gebied waarin de Colombiaanse autoriteiten geen zeggenschap hebben.”

Volgens de officier van justitie is deze alinea op te vatten als een afstand van de Colombiaanse autoriteiten van het specialiteitsbeginsel, te weten dat Colombia in deze concrete zaak het specialiteitsbeginsel niet handhaaft, geen aanspraak maakt op haar beschermende rol als uitleverende staat en zich uitdrukkelijk onthoudt van inmenging in de vervolging.

Nu de uitleverende staat expliciet heeft verklaard zich niet te mengen in de vervolging, mede omdat het een vervolging van een eigen staatsburger van het Koninkrijk der Nederlanden betreft, bestaat er geen beperking meer vanuit de oorspronkelijke uitleverende staat. Er is dan ook niet langer sprake van strijd met de uitleveringsvoorwaarden. Het openbaar ministerie kan derhalve ontvankelijk worden geacht in de vervolging van de verdachte, aldus nog steeds de officier van justitie.

Het Gerecht oordeelt als volgt.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt, slechts in uitzonderlijke situaties in aanmerking. Als het gaat om een normschending in de zin van artikel 413 Sv – dus een onherstelbare normschending dat is begaan in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit – is voor dat rechtsgevolg alleen plaats ingeval in het (voorbereidend) onderzoek een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het vérstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – the proceedings as a whole were not fair.

Het door de Colombiaanse autoriteiten in de Resolutie nummer 023 van 3 maart 2022 opgenomen specialiteitsbeginsel dat de verdachte niet mag worden berecht voor een feit dat voorafgaat aan en verschilt van het feit dat aan het uitleveringsverzoek ten grondslag ligt, vloeit voort uit het belang van de soevereiniteit van de uitvoerende lidstaat en uit het recht van de verdachte om niet te worden vervolgd of bestraft dan voor het feit of feiten waarvoor de overlevering is toegestaan.

Zo is – ook – in artikel 7 van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten het volgende opgenomen:

“Geen uitlevering wordt toegestaan dan onder voorwaarde dat de uitgeleverde niet zal mogen worden vervolgd of gestraft voor enig strafbaar feit vóór zijn uitlevering gepleegd, dan dat hetwelk de reden tot uitlevering is geweest, tenzij hij na zijn uitlevering dertig dagen de tijd heeft gehad om het land weer te verlaten, dan wel de instemming van de Gouverneur met zodanige vervolging of bestraffing zal zijn verkregen.”

Bij schriftelijke conclusie van 23 januari 2026 heeft de officier van justitie zich tevens op het standpunt gesteld dat het specialiteitsbeginsel kan worden prijsgegeven door de uitleverende staat, onder meer door expliciete toestemming dan wel een duidelijke verklaring waaruit blijkt dat de uitleverende staat geen bezwaar maakt tegen vervolging voor andere feiten.

Vast staat dat het rechtshulpverzoek waarin aan Colombia alsnog om toestemming wordt gevraagd om de verdachte aan te mogen houden en vervolgen voor de feiten in de onderhavige zaak, door Colombia niet-ontvankelijk is verklaard. Daaruit volgt dat Colombia geen inhoudelijke beslissing heeft genomen op dat verzoek. Niet in geschil is dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een expliciete toestemming van Colombia waarbij het specialiteitsbeginsel wordt prijsgegeven.

De vraag is of sprake is van een duidelijke verklaring waaruit blijkt dat de uitleverende staat geen bezwaar maakt tegen vervolging voor andere feiten.

Een duidelijke verklaring impliceert een ondubbelzinnige, in niet mis te verstane bewoordingen geformuleerde verklaring waaruit blijkt dat de uitleverende staat in het onderhavige geval geen bezwaar maakt tegen vervolging voor andere feiten. Anders dan de officier van justitie is het Gerecht van oordeel dat van een dergelijke ondubbelzinnige verklaring geen sprake is. De door de officier van justitie aangehaalde passage uit de brief van Colombia kan, gelezen in onderling verband en samenhang met de overige inhoud van die brief, niet anders en verdergaand worden uitgelegd dan dat Colombia het specialiteitsbeginsel voorop stelt en respecteert, maar in dit concrete geval onder verwijzing naar Colombiaanse jurisprudentie te kennen geeft geen zeggenschap te hebben, nu de verdachte zich niet in Colombia bevindt en het recht op verdediging van de verdachte niet kan worden gewaarborgd indien het verzoek om uitbreiding van de uitlevering door Colombia in behandeling wordt genomen.

Anders dan de officier van justitie leest het Gerecht in de desbetreffende passage derhalve niet de vergaande conclusies dat Colombia in deze concrete zaak het specialiteitsbeginsel niet handhaaft, geen aanspraak maakt op haar beschermende rol als uitleverende staat dan wel zich uitdrukkelijk onthoudt van inmenging in de vervolging. Dit geldt te meer nu Colombia ook in de daarop volgende alinea expliciet te kennen geeft “Niettemin, in het kader van de autonome uitoefening van haar strafrechtelijke bevoegdheid concrete maatregelen van de Colombiaanse autoriteiten vereist zijn, heeft uw land de mogelijkheid om een beroep te doen op het systeem van rechtshulp in strafzaken in het kader van internationale samenwerking.” Anders dan de officier van justitie is het Gerecht van oordeel dat deze zin bezwaarlijk kan worden gelezen dat Colombia zich uitdrukkelijk onthoudt van inmenging in de vervolging.

Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, is het Gerecht van oordeel dat evenmin sprake is van een duidelijke verklaring waaruit blijkt dat de uitleverende staat, in dit geval Colombia, geen bezwaar maakt tegen vervolging voor andere feiten, te weten feiten 1, 2 en 3 in de onderhavige zaak.

Het specialiteitsbeginsel begrenst de vervolgingsbevoegdheid tot die feiten waarvoor uitlevering is toegestaan. Vervolging in strijd met dat beginsel levert een schending op van een fundamentele voorwaarde waaronder de uitlevering is toegestaan. Een dergelijke schending raakt de bevoegdheid tot vervolging zelf en levert een onherstelbaar vormverzuim op in de zin van artikel 413 Sv. Strafvermindering of bewijsuitsluiting vormen in dat geval geen passende of toereikende reactie, nu deze rechtsgevolgen de onbevoegde vervolging als zodanig niet opheffen. De enige passende sanctie is de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie voor zover de vervolging ziet op andere feiten dan waarvoor de uitlevering is toegestaan.

De conclusie van hetgeen hiervoor is overwogen, is dat de officier van justitie niet kan worden ontvangen in de vervolging van de verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten. Het Gerecht zal dienovereenkomstig beslissen.

Ter zake van feit 4, het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie op 6 september 2024 is het openbaar ministerie wel ontvankelijk in de vervolging van de verdachte, nu de verdenking ter zake van dit feit dateert van na de uitlevering door Colombia in 2022.

Het Gerecht stelt aldus vast dat de dagvaarding voor het overige geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ter zake van feit 4 ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen , in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 6 september 2024 te Curaçao, in een woning gelegen aan de [adres 1], een vuurwapen, te weten een pistool (merk [vuurwapenmerk], kaliber 9x19mm)), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, te weten een hoeveelheid kogelpatronen (kaliber 9x19mm) in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 voorhanden heeft gehad.;

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

“(…) Tijdens de huiszoeking werd het volgende in beslag genomen: (…)

BESLAGLIJST

(…)”

“(…) Het inbeslaggenomen pistool (…) is van het merk [vuurwapenmerk/model], kaliber 9x19 mm, waarvan het serienummer mechanisch is geradeerd. Tevens werden 49 scherpe patronen van het kaliber 9x19 mm waarvan eenentwintig (21) voorzien waren van de bodemstempel “[stempel” en achtentwintig (28) scherpe patronen voorzien waren van de bodemstempel “[stempel]” en drie (3) scherpe patronen van het kaliber .380 auto voorzien waren van de bodemstempel “[stempel]”, voor onderzoek aangeboden.

(…)

Conclusie

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 4 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3 van de Vuurwapenverordening 1930 en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een “vuurwapenbezit”, waarbij er sprake is geweest van “bezit thuis”, als indicatie voor een ‘first offender’ de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, gegeven.

In dit geval heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en een aanzienlijke hoeveelheid munitie. Een dergelijk feit veroorzaakt gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de kleinschalige samenleving van Curaçao, waar vuurwapenbezit niet zelden tot schietincidenten leidt met ernstige, soms ook dodelijke, afloop.

Ten voordele van de verdachte houdt het Gerecht rekening met het feit dat hij blijkens zijn documentatie niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.

Ten nadele van de verdachte laat het Gerecht echter zwaar meewegen dat de verdachte het vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad tijdens diens verlof voorafgaand aan de voorwaardelijke invrijheidstelling van een gevangenisstraf van 5 jaren. Deze straf heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. Om die reden zal het Gerecht afzien van het opleggen van een deels voorwaardelijke straf. Bovendien stelt het Gerecht vast dat de verdachte geen blijk heeft gegeven van inzicht in het laakbare karakter van zijn handelen of van verantwoordelijkheid voor de maatschappelijke gevolgen daarvan. Hoewel het de verdachte vrijstond zich op zijn zwijgrecht te beroepen, is daardoor geen enkele aanwijzing naar voren gekomen van reflectie.

Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf van na te melden duur. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

In beslag genomen voorwerpen

Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

De officier van justitie heeft gevorderd:

Ten aanzien van het vuurwapen en de munitie en de airsoftwapens zonder vergunning/ machtiging

Het vuurwapen en de munitie alsook de ongeregistreerde airsoftwapens die voor afdreiging geschikt zijn, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Met behulp van deze voorwerpen is het feit begaan. Bovendien is het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd met de wet en/of het algemeen belang.

Het Gerecht zal voormelde voorwerpen daarom onttrekken aan het verkeer.

Ten aanzien van de telefoons, tablets, de diverse sieraden en het contant geld

Nu het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging ter zake van de feiten 1, 2 en 3, is de strafzaak in zoverre geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Onder deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel dat zich geen strafvorderlijk belang verzet tegen teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen telefoons, tablets, sieraden en het contant geld. Het Gerecht zal derhalve de teruggave van deze voorwerpen aan de verdachte gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:74, 1:75 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging van de verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 9 (negen) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de blijkens het “Beslagoverzicht Merida 08 januari 2025” inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: het vuurwapen van het merk [vuurwapenmerk/model] kaliber 9x19 mm, waarvan het serienummer mechanisch is geradeerd, en de 49 scherpe patronen van het kaliber 9x19 mm waarvan eenentwintig (21) voorzien waren van de bodemstempel “[stempel]” en achtentwintig (28) voorzien waren van de bodemstempel “[stempel]” en drie (3) scherpe patronen van het kaliber .380auto voorzien van de bodemstempel “[stempel]” en de niet-geregistreerde airsoftwapens;

gelast de teruggave van de blijkens het “Beslagoverzicht Merida 08 januari 2025” inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven telefoons, camerasysteem, tablet, NAf 2.000,- (20x100 gulden en sieraden aan de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito, (zittingsgriffier), en op 20 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?