ECLI:NL:OGEAC:2026:34

ECLI:NL:OGEAC:2026:34

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer 500.00240/24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Sky, uitvoer cocaine

Uitspraak

Parketnummer: 500.00240/24

Uitspraak : 20 februari 2026 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres 1](volgens eigen opgave).

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24, 26 en 27 november 2025. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadslieden, mrs. E.F. Sulvaran en A.N. Sulvaran, advocaten in Curaçao.

De officier van justitie, mr. R. Steen, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht de verdachte zal vrijspreken van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten, en dat het Gerecht het onder feit 2 ten laste gelegde feit bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.

Zijn vordering behelst voorts de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten: twee telefoons zijnde een Samsung zwart 5M A032M/DS en een Huawai zwart ANE-LX1.

De raadslieden hebben ten aanzien van het als feit 2 tenlastegelegde bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte, subsidiair dat de verdachte zal worden vrijgesproken en meer subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van zowel feit 1 als feit 3, hebben de raadslieden bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 12 juni 2025 conform de ‘Vordering nadere omschrijving tenlastelegging van 12 juni 2025 – ten laste gelegd dat:

FEIT 1:

DEELNEMING AAN EEN CRIMINELE ORGANISATIE

hij in of omstreeks de periode van 24 november 2019 tot en met 9 maart 2021 te Curaçao, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (onder meer):

(artikel 2:79 lid 1-3 Wetboek van Strafrecht)

FEIT 2:

MEDEPLEGEN UITVOER VERDOVENDE MIDDELEN OP 17/24 JANUARI 2020

[ONDERZOEK CAPITO]

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 januari 2020 tot en met 24 januari 2020 te Curaçao en/of Canada en/of elders ter wereld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend,

- een hoeveelheid van ongeveer 3600 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne, (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);

(artikel 3 en 3a jo 11 van de Opiumlandsverordening 1960 jo artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht)

subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 17 januari 2020 tot en met 24 januari 2020 te Curaçao en/of elders ter wereld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens om een feit bedoeld in

artikel 3 eerste lid onderdeel A van de Opiumlandsverordening 1960, te weten:

van verdovende middelen zoals genoemd in artikel 3 eerste lid voor te bereiden en/of te bevorderen

een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten(en) heeft getracht te verschaffen, en/of (een) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat het/zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

(artikel 3 juncto 11a van de Opiumlandsverordening 1960)

FEIT 3:

MEDEPLEGEN INVOER VERDOVENDE MIDDELEN OP 27 JULI 2020/

6 AUGUSTUS 2020

[ONDERZOEK NUNKI]

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 6 augustus 2020 te Curaçao en/of elders ter wereld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend,

- een hoeveelheid van ongeveer 186 kilogram waarop de Indianenstempel staat en/of en 214 kilogram waarop de stempel van [stempel] staat, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);

(artikel 3 en 3a jo 11 van de Opiumlandsverordening 1960 jo artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht)

subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 27 juli 2020 tot en met 6 augustus 2020 te Curaçao en/of elders ter wereld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens om een feit bedoeld in

artikel 3 eerste lid onderdeel A van de Opiumlandsverordening 1960, te weten:

van verdovende middelen zoals genoemd in artikel 3 eerste lid voor te bereiden en/of te bevorderen

een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten(en) heeft getracht te verschaffen, en/of (een) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat het/zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

(artikel 3 juncto 11a van de Opiumlandsverordening 1960)

1. Een proces-verbaal van identificatie van het SKY ECC-account [account 1], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

2. De verdachte heeft tijdens zijn verhoor op 6 september 2024 omstreeks 10:00 uur – kort en samengevat – het volgende verklaard:

3. De verdachte heeft tijdens zijn verhoor op 6 september 2024 omstreeks 14:00 uur – kort samengevat – het volgende verklaard:

4. Een proces-verbaal van relevante berichten tussen de Sky ECC-accounts [account 2], [account 3], [account 4] (dit laatste account is toegeschreven aan de medeverdachte [medeverdachte 3]) en [account 1] (de gebruiker van dit Sky ECC-account is geïdentificeerd als de verdachte), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

5. Een proces-verbaal inhoudende een Canadees politierapport van 24 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Geheim Priemdossier tussen het openbaar ministerie en het Gerecht

De raadslieden hebben bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. Daartoe hebben zij – kort samengevat – aangevoerd dat het gebruik van het zogeheten Priemdossier leidt tot een onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijk proces, welke niet is of kan worden gecompenseerd op een wijze die voldoet aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging.

Nu de verdediging geen toegang heeft tot het digitale Priemdossier, terwijl die toegang wel bestaat voor het openbaar ministerie en het Gerecht, lijkt het allemaal op een heimelijk gebeuren tussen het openbaar ministerie en de rechter. Schoorvoetend krijgt de verdediging tegenwoordig alleen een overzicht in de vorm van zogenoemde screenshots, hetgeen geen inzicht biedt in de daadwerkelijke inhoud van het Priemdossier en effectieve controle daarop onmogelijk maakt. Dit roept volgens de raadslieden de vraag op of de rechter beschikt over méér informatie dan de verdediging. Deze gang van zaken levert een schending op van het beginsel van equality of arms en van het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, zodat niet kan worden beoordeeld dat de procedure als geheel eerlijk is verlopen, aldus nog steeds de raadslieden.

De officier van justitie heeft bij repliek – in de kern – aangevoerd dat geen sprake is van een geheim dossier en dat aan de raadslieden de mogelijkheid is geboden tot inzage teneinde te controleren of zij over dezelfde stukken beschikken. Voorts staat het in deze zaak vast dat alle procespartijen over hetzelfde dossier beschikken. De officier van justitie komt aldus tot het oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Het Gerecht stelt voorop dat geen sprake is van een geheim Priemdossier, zoals door de raadslieden is geïnsinueerd. Priem betreft een digitaal systeem waarin het gescande papieren zaaksdossier van een verdachte wordt geüpload. Het Gerecht kan van dat dossier pas kennisnemen nadat het openbaar ministerie het Gerecht toegang tot die gegevens heeft verleend. In zoverre bestaat geen verschil tussen de aan het Gerecht en aan de verdediging ter beschikking gestelde processtukken.

Het Gerecht onderschrijft het uitgangspunt dat het openbaar ministerie, de verdediging en het Gerecht in beginsel gelijke toegang dienen te hebben tot het procesdossier. Het enkele feit dat daar (nog) geen sprake van is, leidt evenwel niet zonder meer tot het verbinden van rechtsgevolgen.

In het onderhavige geval heeft het Gerecht ter openbare terechtzitting onderzocht uit welke stukken het zaaksdossier bestond. Daarbij heeft het Gerecht alle zaaksdossiers in hardkopie ontvangen en uitsluitend van deze stukken kennisgenomen. De digitale omgeving Priem is slechts geraadpleegd voor gegevens betreffende de voorlopige hechtenis en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Zoals in het proces-verbaal van de zittingen van 12 en 27 juni 2025 is opgenomen is aan zowel de verdediging als aan de officier van justitie een uitdraai van screenshots van de inhoud van het Priemdossier in de strafzaak van de onderhavige verdachte verstrekt. Dit zodat de verdediging kon controleren of zij over dezelfde stukken in hard kopie beschikt. Vastgesteld is dat de verdediging (uiteindelijk) beschikt over dezelfde (Priem)stukken als het Gerecht. Nadien is gesteld noch gebleken dat het dossier van het Gerecht stukken bevat die in het aan de verdediging verstrekte dossier ontbraken. Het Gerecht concludeert dan ook dat de verdachte door het ontbreken van toegang tot het digitale Priemdossier niet is geschaad in enig rechtens te respecteren belang.

Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat er geen sprake is van een normschending als bedoeld in artikel 413 Sv dat het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie rechtvaardigt. Van een zodanig ernstige en onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, dat niet langer kan worden gesproken van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, is geen sprake. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Gissingen, meningen, veronderstellingen en conclusies van verbalisanten in processen-verbaal

Voorts hebben de raadslieden ter onderbouwing van hun verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar-ministerie betoogd dat grote delen van het proces-verbaal bestaan uit gissingen, meningen, veronderstellingen en conclusies van verbalisanten, waardoor volgens de verdediging onvoldoende onderscheid kan worden gemaakt tussen fictie en werkelijkheid waardoor geen sprake is van een eerlijk proces.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Het Gerecht stelt vast dat sommige processen-verbaal mede zijn voorzien van vermoedens, aannames en conclusies van de verbalisanten. Een proces-verbaal dient, gelet op de daaraan toegekende bewijskracht, zo zakelijk en neutraal mogelijk te zijn en vrij te blijven van persoonlijke opvattingen van de verbalisant. In beginsel behoren aannames en conclusies daarin dan ook geen plaats te hebben.

Het is aan de rechter om uit de geverbaliseerde verklaringen, feiten en omstandigheden de gevolgtrekkingen te maken die hij geraden acht. Het Gerecht zal geen gebruik maken van (gedeelten van) processen-verbaal voor zover daarin conclusies, meningen of onjuistheden zijn opgenomen. Daarmee is voldoende gewaarborgd dat de bewijswaardering plaatsvindt op basis van objectieve en verifieerbare gegevens, zodat geen sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces. Ook dit verweer wordt derhalve in zoverre verworpen.

Het Gerecht komt tot de conclusie dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak van feiten 1 en 3

Het Gerecht is met de officier van justitie en de raadslieden van oordeel dat voor de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten onvoldoende wettig bewijs voorhanden is.

De verdachte zal daarom daarvan zonder nadere motivering worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 2

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 januari 2020 tot en met 24 januari 2020 te Curaçao en/of Canada en/of elders ter wereld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend,

- een hoeveelheid van ongeveer 3600 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne, (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13).

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

“(…)

(…)”

“(…)V: Hoeveel SKY-accounts of Sky-toestellen had u in gebruik?

A: 1 telefoon. (…)

(…)

V: Komt de benaming [gebruikersnaam] u bekend voor?

A: Jawel. (…) Ik gebruik die naam. Mijn vader is Chinees.

(…)

O: De verdachte [verdachte] werd in de gelegenheid gesteld om de audio opname van onderstaande uitwerking te beluisteren.

Datum : 09 maart 2020

Tijdstip : 14:59:13 uur

Verzonden door : Sky account [account 1]

Wacht papa. Om 1 uur moet ik vanuit hier vertrekken. Ik ben nu op zoek naar een woning of naar een appartement, ik ben ermee bezig. Goed? Dus dat je het weet.

01. Sky Chat 09.03.2020, 14.59.13 uur.amr

V: Wie is aan het praten op deze audio-opname?

A: Ik. (…)”

“(…) V: Wat wilt u nog verklaren:

A: Ik weet wel van die telefoon. Ik bedoel een sky telefoon. Die was wit van kleur. Dit was in het jaar 2020. Ik denk dat ik die telefoon zo'n 6 of 3 maanden heb gebruikt. (…)

V: Heeft u die telefoon alleen gebruikt?

A: (…) Ik heb die telefoon gebruikt. Dit was de telefoon waarop volgens mij ook het audiobestand staat wat u mij net heeft laten horen. (…)”

“(…)

(…)”

“(…) Canadees politierapport

6. Een proces-verbaal met aanvullende relevante berichten tussen de Sky ECC-accounts [account 2], [account 3], [account 4] (dit laatste Sky ECC-account toegeschreven aan de medeverdachte [medeverdachte 3]) en [account 1] (de verdachte), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

7. De medeverdachte [medeverdachte 5] heeft tijdens zijn verhoor op 10 september 2024 omstreeks 13:45 uur – kort samengevat – het volgende verklaard:

Middels een bevraging bij het ICC werd aan de Canadese autoriteiten gevraagd of drugs in beslag werd genomen omstreeks 24 januari 2020 op de luchthaven van Toronto (Ontario, Canada). Aan het onderzoeksteam werd een zogenoemd YYZ Airport Intelligence rapport verstrekt. (…) In dit rapport staat samengevat dat op vrijdag 24 januari 2020 cocaïne in beslag werd genomen. Dit waren drie blokken cocaïne van totaal 3.6 kilogram. Deze blokken werden aangetroffen in een koffer en waren gewikkeld in verschillende handdoeken. (…) De onderstaande foto’s werden ook vermeld in dit rapport:

(…)”

“(…)

(…)”

“(…)

M: In het Border Management System kunnen wij zien dat jij op 24 januari 2020 bent uit gereisd van Curaçao naar Canada en op 29 januari 2020 bent teruggereisd naar Curaçao vanuit Canada.

Aan de verdachte wordt de volgende afbeelding getoond:

V: Wat kun jij hierover verklaren?

A: Oh ja Canada ook. Ik ben inderdaad naar Canada geweest. (…)

V: Welk hotel ben je verbleven?

A: Ik ging eerst naar een hotel in de buurt van Chinatown. Daarna was ik bij een ander hotel. Ik kan mij niet herinneren of het Hilton was. Daar verbleef ik tot de dag waarop ik moest vertrekken.

(…)

M: Aan de verdachte werd de volgende afbeelding getoond:

V: Wie is dit?

A: Dat ben ik.

(…)

V: Op deze foto herken je jezelf en de kleding die je aan hebt?

A: Ja. De tweede foto is wel wazig, maar ik herken de foto wel.

(…)

V: Beschrijf wat je op de twee foto’s ziet.

A: Ik zie het bord van boardingpass control op de eerste foto. Ik zie mijn koffer. Een donkerkleurige koffer, donkerblauw of zwart. In de andere hand heb ik mijn jas. Op de tweede foto zie ik mijzelf met mijn bagage. Ik heb mijn 2 koffers in mijn handen. De donkerblauwe en de roze. Ook heb ik mijn jas in mijn hand.

M: Aan de verdachte werd de volgende afbeelding getoond:

V: Herken jij 1 van deze koffers?

A: (…) Ik kan wel zien dat er donkerkleurige koffers zijn die op mijn koffer lijken. Ook dat er een roze koffer is die op mijn koffer lijkt.

(…)

M: Op de 1ste foto kan er gezien worden dat jij (…) in het bezit was van twee koffers. Een (1) zwarte en een (1) roze met zwarte rand. Op de tweede foto was jij (…) in het bezit van alleen de zwarte koffer. Op de derde foto, zijnde de foto die eerder in de chatgroep werd verstuurd (met commentaar achterste bovenin) is dezelfde roze koffer met zwarte rand te zien die jij bij je had. Hieruit ontstaat het vermoeden dat jij (…) de roze koffer inhoudende drie (3) blokken verdovende middelen had ingecheckt en met de zwarte koffer gebleven als handbagage.

V: Wat kun jij hierover verklaren?

A: (…) Ik had de koffer ingecheckt zodat het op de vlucht gezet kan worden (…)

(…)

V: Herken je het telefoonnummer [telefoonnummer]?

A: Dat was een oud nummer van mij. (…)”

Bewijsoverwegingen

De raadslieden hebben bepleit dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Zij hebben daartoe – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

II. Uitsluiting van Sky ECC-berichten als bewijsmiddel

De Sky ECC-berichten dienen om de volgende redenen van het bewijs te worden uitgesloten:

Het dossier is nagenoeg uitsluitend gebaseerd op Sky ECC-berichten, die veelal eenzijdig en gebrekkig zijn en afkomstig uit één en dezelfde bron. Bij gebrek aan enig steunbewijs wordt niet voldaan aan het wettelijke bewijsminimum.

Het dossier is vertroebeld door eigen conclusies, meningen, gissingen en veronderstellingen van verbalisanten. Daarnaast zijn vele Sky ECC-berichten onjuist vertaald. Er ontbreken waarborgen, waaronder een wettelijke voorziening ter bescherming van grondrechten en een effectieve rechterlijke toetsing achteraf.

In het dossier bevindt zich geen machtiging van de rechter-commissaris voor de verwerking van de verkregen data, terwijl evenmin een wettelijke grondslag bestaat voor het uitvoeren van analyses en de verdere verwerking van de Sky ECC-berichten.

II. Onderzoek Capito (ten aanzien van feit 2)

De raadslieden hebben aangevoerd dat zij in het hardkopiedossier geen groepschats hebben aangetroffen die te herkennen is aan één Sky-ID gevolgd door een getal. De gesprekken die als groepschatsgesprekken worden aangeduid dienen dan ook in zoverre buiten beschouwing te worden gelaten.

Voorts heeft de verdachte ontkend de verdachte [medeverdachte 5] ooit eerder te hebben gezien. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat hij niet de enige gebruiker was van het Sky ECC-account.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Ad I Uitsluiting van Sky ECC-berichten als bewijsmiddel

Ten aanzien van het onder Ad I gevoerde verweer, strekkende tot uitsluiting van Sky ECC-berichten van het bewijs, overweegt het Gerecht als volgt.

Het Gerecht stelt voorop dat een Sky ECC-bericht op zichzelf kan worden aangemerkt als een ‘ander geschrift’ in de zin van artikel 387, eerste lid, onder e, van het Wetboek van Strafvordering. Een dergelijk bewijsmiddel kan slechts voor het bewijs worden gebezigd in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Naar vaste jurisprudentie kan dat ook een ander ‘ander geschrift’ zijn. Indien en voor zover de inhoud van een als bewijs gebezigd Sky ECC- bericht steun vindt in andere Sky ECC-berichten, is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum.

In de onderhavige zaak is bovendien niet slechts sprake van Sky ECC-berichten afkomstig van één account, maar van een groepsgesprek tussen verschillende deelnemers, verzonden afbeeldingen en processen-verbaal die de inhoud van de tekstberichten ondersteunen. Reeds hierom is geen sprake van een dossier dat berust op één enkele bron of één wettig bewijsmiddel.

Dit neemt niet weg dat het Gerecht aanleiding ziet tot een behoedzame benadering bij het gebruik van Sky ECC-berichten voor het bewijs. In dergelijke berichten wordt veelal gebruikgemaakt van versluierde taal en zij vinden plaats binnen een context die voor de gesprekspartners duidelijk kan zijn, maar voor derden niet zonder meer kenbaar is. Daarbij komt dat het Gerecht in deze zaak niet beschikt over het volledige berichtenverkeer, maar uitsluitend kennis heeft kunnen nemen van een deel daarvan. Dit brengt mee dat interpretatie noodzakelijk is. Het Gerecht is zich daarvan bewust en acht om die reden voorzichtigheid geboden. Aan Sky ECC-berichten wordt slechts dán een belastende betekenis toegekend indien de inhoud daarvan, bezien in onderling verband en in samenhang met overige bewijsmiddelen, daarvoor voldoende steun biedt. In zoverre dient het verweer te worden verworpen.

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat de processen-verbaal waarin de Sky ECC-berichten zijn opgenomen, zijn aangevuld met vermoedens, aannames en conclusies van de verbalisanten, geldt dat het Gerecht overeenkomstig hetgeen hiervoor reeds is overwogen onder het kopje ‘Gissingen, meningen, veronderstellingen en conclusies van verbalisanten in processen-verbaal’ (p. 7 en 8 van dit vonnis) en blijkens de gebezigde bewijsmiddelen geen gebruik heeft gemaakt van (gedeelten van) processen-verbaal voor zover daarin gissingen, meningen, veronderstellingen en conclusies van verbalisanten zijn opgenomen. Ook in zoverre dient het verweer derhalve te worden verworpen.

Ten aanzien van het betoog dat bepaalde Sky ECC-berichten onjuist zijn vertaald, overweegt het Gerecht dat ook het Gerecht heeft vastgesteld dat niet alle vertalingen correct zijn. Het Gerecht is hier behoedzaam mee omgegaan en heeft er bij de bewijswaardering rekening mee gehouden.

Ten aanzien van het verweer dat een wettelijke grondslag ontbreekt voor het uitveren van analyses en het verwerken van Sky ECC-berichten, overweegt het Gerecht als volgt.

In mei 2021 respectievelijk oktober 2021 hebben de Curaçaose autoriteiten in het onderzoek Themis een rechtshulpverzoek en een aanvullend rechtshulpverzoek gericht aan de Franse autoriteiten, strekkende tot het verkrijgen van gegevens van de daarin genoemde Sky ECC-accounts. Op 5 augustus 2021 respectievelijk 24 januari 2022 hebben de Franse autoriteiten toestemming verleend tot uitvoering van deze rechtshulpverzoeken, waarbij gegevens uit het zogenoemde A- en B-kader zijn verstrekt.

De officier van justitie die de leiding had over het onderzoek Themis heeft op 7 februari 2022 toestemming verleend om de verkregen gegevens te gebruiken in andere opsporingsonderzoeken. Op 14 maart 2022 is het Sky ECC-account [account 1] verstrekt aan onderzoek Capito.

Door de verdediging wordt de rechtmatigheid van de verkrijging van de Sky ECC-data door de Franse autoriteiten niet betwist. Het Gerecht stelt vast dat deze gegevens rechtmatig zijn verkregen. Van beperkende voorwaarden ten aanzien van het gebruik van de uit Frankrijk verkregen dataset is niet gebleken. De Curaçaose wet stelt niet als vereiste dat voor het gebruik in een Curaçaose strafzaak van resultaten van een opsporingsonderzoek dat op initiatief en onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse autoriteit is verricht, een machtiging van de Curaçaose rechter-commissaris is afgegeven. Het Gerecht ziet dan ook niet in waarom voor het verwerken en analyseren van dergelijke rechtmatig verkregen gegevens een afzonderlijke wettelijke grondslag zou zijn vereist. Dit verweer wordt derhalve verworpen.

Ad II Onderzoek Capito (ten aanzien van feit 2)

Het openbaar ministerie baseert de verdenking dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij het in het zaaksdossier Capito omschreven drugstransport, waarbij 3600 gram cocaïne vanuit Curaçao naar Canada is uitgevoerd, mede op berichten afkomstig van het Sky ECC-account [account 1], welk account door het openbaar ministerie aan de verdachte wordt toegeschreven. Het Gerecht dient te beoordelen of aannemelijk is dat de verdachte gebruiker was van dit account gedurende de tenlastegelegde periode.

Vaststaat dat het Sky ECC-account actief was in de periode van 24 januari 2020 tot en met 8 maart 2021. De verdachte heeft verklaard dat hij dit account gedurende enkele maanden, ongeveer 6 maanden, heeft gebruikt. Voorts heeft hij zijn stem herkend in een op 9 maart 2020 via dit account verzonden stembericht. Daarmee heeft de verdachte het gebruik van het account in de relevante periode in wezen erkend.

De verdachte heeft weliswaar verklaard dat ook een persoon genaamd [betrokkene 1], van Canadese afkomst en Engelstalig, gebruik zou hebben gemaakt van het Sky ECC-account en dat hij af en toe een stembericht voor deze persoon moest inspreken. Deze verklaring acht het Gerecht onvoldoende concreet en niet aannemelijk geworden. Het dossier biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten, temeer nu uit de communicatie volgt dat met voormeld Sky ECC-account hoofdzakelijk in het Papiaments werd gecommuniceerd. Voor zover berichten in het Engels zijn verstuurd, gebeurde dit niet consistent en werd bovendien ook vanuit hetzelfde account in het Papiaments gecommuniceerd, waarbij een andere deelnemer aan de groep de inhoud in het Engels vertaalde. Ook werden vanuit het aan de verdachte toegeschreven Sky ECC-account [account 1] sommige in het Papiaments verzonden berichten, direct (enkele seconden later) vertaald naar het Engels. Dat maakt dat het Gerecht het niet aannemelijk acht dat op die momenten een Engelstalige (die het Papiaments niet machtig is) gebruik maakte van het desbetreffende account.

Gelet op het voorgaande stelt het Gerecht vast dat de verdachte gedurende de tenlastegelegde periode als gebruiker van het Sky ECC-account [account 1] kan worden aangemerkt en ook dat de verdachte de belastende, als bewijsmiddel gebezigde gesprekken heeft gevoerd.

Uit de inhoud van de communicatie blijkt dat de gesprekken door meerdere deelnemers gezamenlijk werden gevoerd en dat iedere deelnemer kennis kon nemen van de bijdragen van de anderen, zodat sprake was van communicatie in groepsverband. Dat de door de verdediging bedoelde groepsgesprekken in het dossier niet zijn aangeduid met een Sky-ID gevolgd door een numerieke aanduiding, doet hieraan niet af.

Voor het overige wordt hetgeen door de verdediging is aangevoerd weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen.

De gevoerde verweren dienen te worden verworpen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, onder A, en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a van de Opiumlandsverordening 1960 juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht.

Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumlandsverordening 1960.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een “uitvoer van 2.001 gram – 5.000 gram cocaïne”, waarbij er sprake is van recidive binnen 5 jaar, als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden gegeven.

Het Gerecht neemt met betrekking tot de ernst van het bewezen verklaarde het volgende in beschouwing.

De verdachte heeft in samenwerking met anderen opzettelijk ruim 3600 gram cocaïne uitgevoerd. Die hoeveelheid is van dien aard dat moet worden aangenomen dat die bestemd was voor verdere verspreiding en handel. De verdachte heeft ten aanzien van het bewezenverklaarde een belangrijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit dat gepaard pleegt te gaan met ernstige vormen van geweld en criminaliteit en waarvan een ondermijnend en corrumperend effect uitgaat, waartegen krachtig moet worden opgetreden. Het gebruik van harddrugs is bovendien verslavend en zeer schadelijk voor de volksgezondheid en daar heeft de verdachte aan bijgedragen. Het Gerecht acht voorts aannemelijk geworden dat met de drugshandel grote geldbedragen gemoeid zijn geweest, hetgeen eveneens een ondermijnend effect heeft op de Curaçaose samenleving. Wat betreft de rol van de verdachte geldt dat hij een grotere rol heeft gehad dan die van een koerier. Blijkens de bewijsmiddelen wist de verdachte van de details rond de pakketten cocaïne in de koffer en ontfermde hij zich over het lot van de koerier, de medeverdachte [medeverdachte 5]. In zekere zin kan gezegd worden dat de verdachte een organiserende rol had. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en heeft hij geen blijk gegeven van inzicht in het kwalijke daarvan. Het Gerecht weegt al deze omstandigheden in strafverzwarende zin mee.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de documentatie van de verdachte van 9 september 2024. Daaruit volgt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Het Gerecht heeft voorts acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze blijken uit het vroeghulpbericht van 21 oktober 2024 en zoals deze door en namens de verdachte naar voren zijn gebracht.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

In beslag genomen voorwerpen

Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten twee mobiele telefoons: een Samsung zwart 5M A032M/DS en een Huawei zwart ANE-LX1.

Het Gerecht is van oordeel dat zich geen strafvorderlijk belang verzet tegen teruggave aan de verdachte van de twee in beslag genomen mobiele telefoons, nu het belang van het onderzoek zich daartegen niet meer verzet. Daarom zal daarvan de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften gegrond, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 en feit 3 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 24 (vierentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;

gelast de teruggave van de twee inbeslaggenomen mobiele telefoons, te weten: een Samsung zwart 5M A032M/DS en een Huawei zwart ANE-LX1, aan de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito, (zittingsgriffier), en op 20 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand