ECLI:NL:OGEAC:2026:36

ECLI:NL:OGEAC:2026:36

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer 500.00239/24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Koerier uitvoer cocaine (Sky), bezit hennep, recidive

Uitspraak

Parketnummer: 500.00239/24

Uitspraak : 20 februari 2026 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres 1](volgens eigen opgave).

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24, 26 en 27 november 2025. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadslieden, mrs. E.F. Sulvaran en A.N. Sulvaran, advocaten in Curaçao.

De officier van justitie, mr. R. Steen, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.

De raadslieden hebben ten aanzien van het als feit 1 primair tenlastegelegde bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte, subsidiair dat de verdachte zal worden vrijgesproken van dit feit. De raadslieden hebben meer subsidiair, ten aanzien van zowel feit 1 als feit 2, een strafmaatverweer gevoerd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:

FEIT 1:

MEDEPLEGEN UITVOER VERDOVENDE MIDDELEN OP 7/24 JANUARI 2020

[ONDERZOEK CAPITO]

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 januari 2020 tot en met 24 januari 2020 te Curaçao en/of Canada en/of elders ter wereld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend,

- een hoeveelheid van ongeveer 3600 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne, (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);

(artikel 3 en 3a jo 11 van de Opiumlandsverordening 1960 jo artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht)

FEIT 2

[HENNEP]

BEZIT VERDOVENDE MIDDELEN OP 6 SEPTEMBER 2024

1. Een proces-verbaal van relevante berichten tussen de Sky ECC-accounts [account 1], [account 2], [account 3] (dit laatste Sky ECC-account is toegeschreven aan de verdachte [medeverdachte 1]) en [account 4] (de gebruiker is geïdentificeerd als de verdachte [medeverdachte 2]), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

2. Een proces-verbaal inhoudende een Canadees politierapport van 24 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

hij op of omstreeks 6 september 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk in zijn bezit heeft gehad in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 2024 en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, ongeveer 516 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid hennep, althans hars die uit hennep wordt getrokken, althans een gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt (zoals marihuana), zijnde hennep een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 2024 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Geheim Priemdossier tussen het openbaar ministerie en het Gerecht

De raadslieden hebben bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. Daartoe hebben zij – kort samengevat – aangevoerd dat het gebruik van het zogeheten Priemdossier leidt tot een onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijk proces, welke niet is of kan worden gecompenseerd op een wijze die voldoet aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging.

Nu de verdediging geen toegang heeft tot het digitale Priemdossier, terwijl die toegang wel bestaat voor het openbaar ministerie en het Gerecht, lijkt het allemaal op een heimelijk gebeuren tussen het openbaar ministerie en de rechter. Schoorvoetend krijgt de verdediging tegenwoordig alleen een overzicht in de vorm van zogenoemde screenshots, hetgeen geen inzicht biedt in de daadwerkelijke inhoud van het Priemdossier en effectieve controle daarop onmogelijk maakt. Dit roept volgens de raadslieden de vraag op of de rechter beschikt over méér informatie dan de verdediging. Deze gang van zaken levert een schending op van het beginsel van equality of arms en van het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, zodat niet kan worden beoordeeld dat de procedure als geheel eerlijk is verlopen, aldus nog steeds de raadslieden.

De officier van justitie heeft bij repliek – in de kern – aangevoerd dat geen sprake is van een geheim dossier en dat aan de raadslieden de mogelijkheid is geboden tot inzage teneinde te controleren of zij over dezelfde stukken beschikken. Voorts staat het in deze zaak vast dat alle procespartijen over hetzelfde dossier beschikken. De officier van justitie komt aldus tot het oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Het Gerecht stelt voorop dat geen sprake is van een geheim Priemdossier, zoals door de raadslieden is geïnsinueerd. Priem betreft een digitaal systeem waarin het gescande papieren zaaksdossier van een verdachte wordt geüpload. Het Gerecht kan van dat dossier pas kennisnemen nadat het openbaar ministerie het Gerecht toegang tot die gegevens heeft verleend. In zoverre bestaat geen verschil tussen de aan het Gerecht en aan de verdediging ter beschikking gestelde processtukken.

Het Gerecht onderschrijft het uitgangspunt dat het openbaar ministerie, de verdediging en het Gerecht in beginsel gelijke toegang dienen te hebben tot het procesdossier. Het enkele feit dat daar (nog) geen sprake van is, leidt evenwel niet zonder meer tot het verbinden van rechtsgevolgen.

In het onderhavige geval heeft het Gerecht ter openbare terechtzitting onderzocht uit welke stukken het zaaksdossier bestond. Daarbij heeft het Gerecht alle zaaksdossiers in hardkopie ontvangen en uitsluitend van deze stukken kennisgenomen. De digitale omgeving Priem is slechts geraadpleegd voor gegevens betreffende de voorlopige hechtenis en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Zoals in het proces-verbaal van de zittingen van 12 en 27 juni 2025 is opgenomen is aan zowel de verdediging als aan de officier van justitie een uitdraai van screenshots van de inhoud van het Priemdossier in de strafzaak van de onderhavige verdachte verstrekt. Dit zodat de verdediging kon controleren of zij over dezelfde stukken in hard kopie beschikt. Vastgesteld is dat de verdediging (uiteindelijk) beschikt over dezelfde (Priem)stukken als het Gerecht. Nadien is gesteld noch gebleken dat het dossier van het Gerecht stukken bevat die in het aan de verdediging verstrekte dossier ontbraken. Het Gerecht concludeert dan ook dat de verdachte door het ontbreken van toegang tot het digitale Priemdossier niet is geschaad in enig rechtens te respecteren belang.

Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat er geen sprake is van een normschending als bedoeld in artikel 413 Sv dat het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie rechtvaardigt. Van een zodanig ernstige en onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, dat niet langer kan worden gesproken van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, is geen sprake. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Gissingen, meningen, veronderstellingen en conclusies van verbalisanten in processen-verbaal

Voorts hebben de raadslieden ter onderbouwing van hun verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar-ministerie betoogd dat grote delen van het proces-verbaal bestaan uit gissingen, meningen, veronderstellingen en conclusies van verbalisanten, waardoor volgens de verdediging onvoldoende onderscheid kan worden gemaakt tussen fictie en werkelijkheid waardoor geen sprake is van een eerlijk proces.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Het Gerecht stelt vast dat sommige processen-verbaal mede zijn voorzien van vermoedens, aannames en conclusies van de verbalisanten. Een proces-verbaal dient, gelet op de daaraan toegekende bewijskracht, zo zakelijk en neutraal mogelijk te zijn en vrij te blijven van persoonlijke opvattingen van de verbalisant. In beginsel behoren aannames en conclusies daarin dan ook geen plaats te hebben.

Het is aan de rechter om uit de geverbaliseerde verklaringen, feiten en omstandigheden de gevolgtrekkingen te maken die hij geraden acht. Het Gerecht zal geen gebruik maken van (gedeelten van) processen-verbaal voor zover daarin conclusies, meningen of onjuistheden zijn opgenomen. Daarmee is voldoende gewaarborgd dat de bewijswaardering plaatsvindt op basis van objectieve en verifieerbare gegevens, zodat geen sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces. Ook dit verweer wordt derhalve in zoverre verworpen.

Het Gerecht komt tot de conclusie dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 januari 2020 tot en met 24 januari 2020 te Curaçao en/of Canada en/of elders ter wereld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend,

- een hoeveelheid van ongeveer 3600 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne, (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13).

Feit 2

hij op of omstreeks 6 september 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk in zijn bezit heeft gehad in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 2024 en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, ongeveer 516 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid hennep, althans hars die uit hennep wordt getrokken, althans een gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt (zoals marihuana), zijnde hennep een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 2024 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13).

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

Ten aanzien van feit 1 (onderzoek Capito)

“(…)

(…)”

“ (…) Canadees politierapport

3. Een proces-verbaal met aanvullende relevante berichten tussen de Sky ECC-accounts [account 1], [account 2], [account 3] en [account 4], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

4. Een proces-verbaal van identificatie van het SKY ECC-account [account 4], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

5. De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft tijdens zijn verhoor op 6 september 2024 omstreeks 10:00 uur – kort samengevat – het volgende verklaard:

6. De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft tijdens zijn verhoor op 6 september 2024 omstreeks 14:00 uur – kort samengevat – het volgende verklaard:

7. De verdachte heeft tijdens zijn verhoor op 10 september 2024 omstreeks 13:45 uur – kort samengevat – het volgende verklaard:

8. Een proces-verbaal van huiszoeking in de woning van de verdachte, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

9. Een proces-verbaal van overname, weging, testen en opsturen van een monster naar het laboratorium, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

10. Het afdelingshoofd [ADC medewerker] van het Analytisch Diagnostisch Centrum N.V., heeft het materiaal in potje (57/I-D) chemisch onderzocht en is tot de volgende conclusie gekomen:

11. De verdachte heeft tijdens zijn verhoor op 6 september 2024 omstreeks 10:00 uur – kort samengevat – het volgende verklaard:

Middels een bevraging bij het ICC werd aan de Canadese autoriteiten gevraagd of drugs in beslag werd genomen omstreeks 24 januari 2020 op de luchthaven van Toronto (Ontario, Canada). Aan het onderzoeksteam werd een zogenoemd YYZ Airport Intelligence rapport verstrekt. (…) In dit rapport staat samengevat dat op vrijdag 24 januari 2020 cocaïne in beslag werd genomen. Dit waren drie blokken cocaïne van totaal 3.6 kilogram. Deze blokken werden aangetroffen in een koffer en waren gewikkeld in verschillende handdoeken. (…) De onderstaande foto’s werden ook vermeld in dit rapport:

(…)”

“(…)

(…)”

“(…)

(…)”

“(…) V: Hoeveel SKY-accounts of Sky-toestellen had u in gebruik?

A: 1 telefoon. (…)

(…)

V: Komt de benaming [medeverdachte 2] u bekend voor?

A: Jawel. (…) Ik gebruik die naam. Mijn vader is Chinees.

(…)

O: De verdachte [medeverdachte 2] werd in de gelegenheid gesteld om de audio opname van onderstaande uitwerking te beluisteren.

Datum : 09 maart 2020

Tijdstip : 14:59:13 uur

Verzonden door : Sky account [account 4]

Wacht papa. Om 1 uur moet ik vanuit hier vertrekken. Ik ben nu op zoek naar een woning of naar een appartement, ik ben ermee bezig. Goed? Dus dat je het weet.

01. Sky Chat 09.03.2020, 14.59.13 uur.amr

V: Wie is aan het praten op deze audio-opname?

A: Ik. (…)”

“(…) V: Wat wilt u nog verklaren:

A: Ik weet wel van die telefoon. Ik bedoel een sky telefoon. Die was wit van kleur. Dit was in het jaar 2020. Ik denk dat ik die telefoon zo'n 6 of 3 maanden heb gebruikt. (…)

V: Heeft u die telefoon alleen gebruikt?

A: (…) Ik heb die telefoon gebruikt. Dit was de telefoon waarop volgens mij ook het audiobestand staat wat u mij net heeft laten horen. (…)”

“(…)

M: In het Border Management System kunnen wij zien dat jij op 24 januari 2020 bent uit gereisd van Curaçao naar Canada en op 29 januari 2020 bent teruggereisd naar Curaçao vanuit Canada.

Aan de verdachte wordt de volgende afbeelding getoond:

V: Wat kun jij hierover verklaren?

A: Oh ja Canada ook. Ik ben inderdaad naar Canada geweest. (…)

V: Welk hotel ben je verbleven?

A: Ik ging eerst naar een hotel in de buurt van Chinatown. Daarna was ik bij een ander hotel. Ik kan mij niet herinneren of het [hotel] was. Daar verbleef ik tot de dag waarop ik moest vertrekken.

(…)

M: Aan de verdachte werd de volgende afbeelding getoond:

V: Wie is dit?

A: Dat ben ik.

(…)

V: Op deze foto herken je jezelf en de kleding die je aan hebt?

A: Ja. De tweede foto is wel wazig, maar ik herken de foto wel.

(…)

V: Beschrijf wat je op de twee foto’s ziet.

A: Ik zie het bord van boardingpass control op de eerste foto. Ik zie mijn koffer. Een donkerkleurige koffer, donkerblauw of zwart. In de andere hand heb ik mijn jas. Op de tweede foto zie ik mijzelf met mijn bagage. Ik heb mijn 2 koffers in mijn handen. De donkerblauwe en de roze. Ook heb ik mijn jas in mijn hand.

M: Aan de verdachte werd de volgende afbeelding getoond:

V: Herken jij 1 van deze koffers?

A: (…) Ik kan wel zien dat er donkerkleurige koffers zijn die op mijn koffer lijken. Ook dat er een roze koffer is die op mijn koffer lijkt.

(…)

M: Op de 1ste foto kan er gezien worden dat jij (…) in het bezit was van twee koffers. Een (1) zwarte en een (1) roze met zwarte rand. Op de tweede foto was jij (…) in het bezit van alleen de zwarte koffer. Op de derde foto, zijnde de foto die eerder in de chatgroep werd verstuurd (met commentaar achterste bovenin) is dezelfde roze koffer met zwarte rand te zien die jij bij je had. Hieruit ontstaat het vermoeden dat jij (…) de roze koffer inhoudende drie (3) blokken verdovende middelen had ingecheckt en met de zwarte koffer gebleven als handbagage.

V: Wat kun jij hierover verklaren?

A: (…) Ik had de koffer ingecheckt zodat het op de vlucht gezet kan worden (…)

(…)

V: Herken je het telefoonnummer [telefoon 1]?

A: Dat was een oud nummer van mij. (…)”

Ten aanzien van feit 2 (bezit hennep)

“(…) Op vrijdag 6 september 2024 vond er een doorzoeking ter inbeslagneming plaats in de woning gelegen te [adres 2]. (…) Bij de zoeking (…) werden de onderstaande goederen in beslag genomen:

(….)

Een (1) pakket verdovende middelen, vermoedelijk hasj of hennep. (…)”

“(…) Op (…) 6 september 2024 (…) heb ik, verbalisant, overgenomen van collega [verbalisant 5] een met bruin plakband bewerkt pak inhoudende een hoeveelheid samengeperste op hennep gelijkend kruid. Deze werd heden gedurende een huiszoeking te [adres 2], zijnde de woning van de verdachte (…), aangetroffen en in beslag genomen. (…)

Bij weging van het met bruin plakband bewerkte pak inhoudende een hoeveelheid samengeperste op hennep gelijkend kruid (…), bleek dit een brutogewicht van 516 gram te hebben. (…)

Bij de door mij gebruikte Narcoticatest (…) waarmee ik de geringe hoeveelheid op hennep gelijkend kruid testte op de aanwezigheid van Tetra Hydra Carabinol (T.H.C.), trad een positieve kleurreactie op, zodat aangenomen mocht worden dat de geteste hoeveelheid op hennep gelijkend kruid vermoedelijk hennep bevat, een middel vermeld in de Opiumlandsverordening (…), zoals gewijzigd.

(…) een geringe hoeveelheid op hennep gelijkend kruid werd als monster genomen en (…) in een plastic potje voorzien van het opschrift nummer 57/2024 code I-D gedaan. Bedoeld potje (…) werd in een vergezelde envelop op 6 september 2024 ter beschikking gesteld aan [ADC medewerker], dienstdoende aan het Analytisch Diagnostisch Centrum N.V., (…) met het verzoek te willen nagaan of in bijgaande materialen een der verdovende middelen als bedoeld in de Opiumlandsverordening (…), zoals gewijzigd, kan worden aangetoond. (…)”

“(…) Uit de verkregen resultaten moet de conclusie worden getrokken dat het materiaal Hennep bevat in de zin van de Opiumlandsverordening (…)”

“(…) M: Vanochtend heeft er een huiszoeking plaatsgevonden op de [adres 2]. Daarbij zijn verschillende goederen inbeslaggenomen, waaronder een pakket waar vermoedelijk verdovende middelen inzitten. (…)

V: Wat kan je hierover verklaren?

A: Dit is marihuana. Dit is voor eigen gebruik. (…)”

Bewijsoverwegingen

De raadslieden hebben bepleit dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Zij hebben daartoe – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

I. Uitsluiting van Sky ECC-berichten als bewijsmiddel

De Sky ECC-berichten dienen om de volgende redenen van het bewijs te worden uitgesloten:

Het dossier is nagenoeg uitsluitend gebaseerd op Sky ECC-berichten, die veelal eenzijdig en gebrekkig zijn en afkomstig uit één en dezelfde bron. Bij gebrek aan enig steunbewijs wordt niet voldaan aan het wettelijke bewijsminimum.

Het dossier is vertroebeld door eigen conclusies, meningen, gissingen en veronderstellingen van verbalisanten. Daarnaast zijn vele Sky ECC-berichten onjuist vertaald. Er ontbreken waarborgen, waaronder een wettelijke voorziening ter bescherming van grondrechten en een effectieve rechterlijke toetsing achteraf.

In het dossier bevindt zich geen machtiging van de rechter-commissaris voor de verwerking van de verkregen data, terwijl evenmin een wettelijke grondslag bestaat voor het uitvoeren van analyses en de verdere verwerking van de Sky ECC-berichten.

II. Onderzoek Capito

De verdachte ontkent een koffer met cocaïne te hebben ingecheckt. Hij weet niet hoe hij met de inhoud van de bagage in verband is gebracht.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Ad I Uitsluiting van Sky ECC-berichten als bewijsmiddel

Ten aanzien van het onder Ad I gevoerde verweer, strekkende tot uitsluiting van Sky ECC-berichten van het bewijs, overweegt het Gerecht als volgt.

Het Gerecht stelt vast dat niet is gebleken dat de verdachte een SKY ECC-account heeft gehad. Dit neemt niet weg dat de door de verdediging gevoerde verweren omtrent de uitsluiting van Sky ECC-berichten ook in de onderhavige zaak beoordeling behoeven, nu Sky ECC-berichten die in het onderzoek Capito zijn verkregen als bewijsmiddel in de onderhavige zaak tegen de verdachte zijn gebezigd.

Het Gerecht stelt voorop dat een Sky ECC-bericht op zichzelf kan worden aangemerkt als een ‘ander geschrift’ in de zin van artikel 387, eerste lid, onder e, van het Wetboek van Strafvordering. Een dergelijk bewijsmiddel kan slechts voor het bewijs worden gebezigd in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Naar vaste jurisprudentie kan dat ook een ander ‘ander geschrift’ zijn. Indien en voor zover de inhoud van een als bewijs gebezigd Sky ECC- bericht steun vindt in andere Sky ECC-berichten, is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum.

In de onderhavige zaak is bovendien niet slechts sprake van Sky ECC-berichten afkomstig van één account, maar van een groepsgesprek tussen verschillende deelnemers, verzonden afbeeldingen en processen-verbaal die de inhoud van de tekstberichten ondersteunen. Reeds hierom is geen sprake van een dossier dat berust op één enkele bron of één wettig bewijsmiddel.

Dit neemt niet weg dat het Gerecht aanleiding ziet tot een behoedzame benadering bij het gebruik van Sky ECC-berichten voor het bewijs. In dergelijke berichten wordt veelal gebruikgemaakt van versluierde taal en zij vinden plaats binnen een context die voor de gesprekspartners duidelijk kan zijn, maar voor derden niet zonder meer kenbaar is. Daarbij komt dat het Gerecht in deze zaak niet beschikt over het volledige berichtenverkeer, maar uitsluitend kennis heeft kunnen nemen van een deel daarvan. Dit brengt mee dat interpretatie noodzakelijk is. Het Gerecht is zich daarvan bewust en acht om die reden voorzichtigheid geboden. Aan Sky ECC-berichten wordt slechts dán een belastende betekenis toegekend indien de inhoud daarvan, bezien in onderling verband en in samenhang met overige bewijsmiddelen, daarvoor voldoende steun biedt. In zoverre dient het verweer te worden verworpen.

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat de processen-verbaal waarin de Sky ECC-berichten zijn opgenomen, zijn aangevuld met vermoedens, aannames en conclusies van de verbalisanten, geldt dat het Gerecht overeenkomstig hetgeen hiervoor reeds is overwogen onder het kopje ‘Gissingen, meningen, veronderstellingen en conclusies van verbalisanten in processen-verbaal’ (pagina 4 van dit vonnis) en blijkens de gebezigde bewijsmiddelen geen gebruik heeft gemaakt van (gedeelten van) processen-verbaal voor zover daarin gissingen, meningen, veronderstellingen en conclusies van verbalisanten zijn opgenomen. Ook in zoverre dient het verweer derhalve te worden verworpen.

Ten aanzien van het betoog dat bepaalde Sky ECC-berichten onjuist zijn vertaald, overweegt het Gerecht dat ook het Gerecht heeft vastgesteld dat niet alle vertalingen correct zijn. Het Gerecht is hier behoedzaam mee omgegaan en heeft er bij de bewijswaardering rekening mee gehouden.

Ten aanzien van het verweer dat een wettelijke grondslag ontbreekt voor het uitveren van analyses en het verwerken van Sky ECC-berichten, overweegt het Gerecht als volgt.

In mei 2021 respectievelijk oktober 2021 hebben de Curaçaose autoriteiten in het onderzoek Themis een rechtshulpverzoek en een aanvullend rechtshulpverzoek gericht aan de Franse autoriteiten, strekkende tot het verkrijgen van gegevens van de daarin genoemde Sky ECC-accounts. Op 5 augustus 2021 respectievelijk 24 januari 2022 hebben de Franse autoriteiten toestemming verleend tot uitvoering van deze rechtshulpverzoeken, waarbij gegevens uit het zogenoemde A- en B-kader zijn verstrekt.

De officier van justitie die de leiding had over het onderzoek Themis heeft op 7 februari 2022 toestemming verleend om de verkregen gegevens te gebruiken in andere opsporingsonderzoeken. Op 14 maart 2022 is het Sky ECC-account [account 4] verstrekt aan onderzoek Capito.

Door de verdediging wordt de rechtmatigheid van de verkrijging van de Sky ECC-data door de Franse autoriteiten niet betwist. Het Gerecht stelt vast dat deze gegevens rechtmatig zijn verkregen. Van beperkende voorwaarden ten aanzien van het gebruik van de uit Frankrijk verkregen dataset is niet gebleken. De Curaçaose wet stelt niet als vereiste dat voor het gebruik in een Curaçaose strafzaak van resultaten van een opsporingsonderzoek dat op initiatief en onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse autoriteit is verricht, een machtiging van de Curaçaose rechter-commissaris is afgegeven. Het Gerecht ziet dan ook niet in waarom voor het verwerken en analyseren van dergelijke rechtmatig verkregen gegevens een afzonderlijke wettelijke grondslag zou zijn vereist. Dit verweer wordt derhalve verworpen.

Ad II Onderzoek Capito (ten aanzien van feit 1)

De verdachte heeft ontkend een koffer met cocaïne te hebben ingecheckt en heeft verklaard niet te weten hoe hij met de inhoud van de bagage in verband is gebracht. Dit verweer wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, waaruit het tegendeel volgt. Het Gerecht gaat aan de ontkenning van de verdachte dan ook voorbij.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, onder A, en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a van de Opiumlandsverordening 1960 juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht.

Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumlandsverordening 1960.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b en B en strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a van de Opiumlandsverordening 2024. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Opiumlandsverordening 2024.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een “uitvoer van 2.001 gram – 5.000 gram cocaïne”, waarbij er sprake is van een first offender, als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden gegeven. Voor het aanwezig hebben van “501 gram – 1.000 gram” hennep, waarbij er sprake is van recidive binnen 5 jaar, wordt als indicatie een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden gegeven.

Het Gerecht neemt met betrekking tot de ernst van het bewezen verklaarde het volgende in beschouwing.

De verdachte heeft in samenwerking met anderen opzettelijk ruim 3600 gram cocaïne uitgevoerd. Daarnaast had hij 516 gram hennep voorhanden. Dergelijke hoeveelheden zijn van dien aard dat moet worden aangenomen dat deze hoeveelheden bestemd waren voor verdere verspreiding en handel. De verdachte heeft ten aanzien van het bewezenverklaarde een belangrijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit dat gepaard pleegt te gaan met ernstige vormen van geweld en criminaliteit en waarvan een ondermijnend en corrumperend effect uitgaat, waartegen krachtig moet worden opgetreden. Het gebruik van harddrugs is bovendien verslavend en zeer schadelijk voor de volksgezondheid en daar heeft de verdachte aan bijgedragen. Het Gerecht acht voorts aannemelijk geworden dat met de drugshandel grote geldbedragen gemoeid zijn geweest, hetgeen eveneens een ondermijnend effect heeft op de Curaçaose samenleving. Het Gerecht weegt al deze omstandigheden in strafverzwarende zin mee.

Ten aanzien van de als feit 1 bewezenverklaarde uitvoer van cocaïne heeft de verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en heeft hij geen blijk gegeven van inzicht in het kwalijke daarvan.

Blijkens een de verdachte betreffende strafkaart van 9 september 2024 is de verdachte eerder veroordeeld wegens een soortgelijk strafbaar feit, welk vonnis op 22 maart 2022 onherroepelijk is geworden. Vaststaat dat de verdachte het als feit 2 bewezenverklaarde bezit van een handelshoeveelheid hennep heeft gepleegd binnen de proeftijd die voortvloeide uit die veroordeling. Kennelijk heeft die eerdere veroordeling de verdachte er niet van weerhouden in 2024 opnieuw de fout in te gaan.

Het Gerecht heeft voorts acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze door en namens hem naar voren zijn gebracht.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 24 (vierentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito, (zittingsgriffier), en op 20 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?