ECLI:NL:OGEAC:2026:37

ECLI:NL:OGEAC:2026:37

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer 500.00236.24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Sky ECC-account, invoer cocaine, deelneming aan een criminele org, N-O verweren wrdn verworpen

Uitspraak

3. Stemherkenning

(…)

Sky-account [account 2]

Het betroffen berichten tussen [account 3] en [account 2]. Hierbij valt op te maken dat er in de dataset van [account 3] enkel berichten zichtwaren, afkomstig van [account 2]. de periode waarin de berichten werden verstuurd is: 15 oktober 2019 tot en met 1 november 2019. Alle berichten van het account [account 2] zijn vervolgens door mij op 5 augustus 2024 gelezen en beluisterd. Over de gehele periode is steeds dezelfde gebruiker en stem te horen.

Sky-account [account 1]

Vervolgens heb ik, verbalisant, de audioberichten van [account 1] beluisterd. Het betroffen berichten tussen [account 3] en [account 1]. (…) Door mij, verbalisant, werden alle audioberichten tussen beide accounts beluisterd. Gedurende de gehele periode is steeds dezelfde gebruiker en stem te horen.

Bij het naluisteren van verschillende audioberichten van de gebruikers van de Sky-accounts [account 1] en [account 2] kan verbalisant met alle zekerheid aangrenzende waarschijnlijkheid zeggen dat het om een en dezelfde gebruiker/persoon gaat.

4. Vluchtbeweging

2. Een proces-verbaal van relevante Sky ECC-berichten, afkomstig uit de verschillende Sky ECC-datasets van [medeverdachte 4] (Sky ECC-account [ACCOUNT 4]) en [medeverdachte 2] (Sky ECC-account ([account 5]), die betrekking hebben op de invoer van 271 kilo cocaïne, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

3. Een proces-verbaal van relevante Sky ECC-berichten tussen de Sky ECC-accounts [account 5] ([medeverdachte 2]) en [ACCOUNT 9], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

4. Het rapport van het Analytisch Diagnostisch Centrum ter identificatie van de in het onderzoek [naam] inbeslaggenomen witachtige poeder van [dokter] van 8 september 2020:

5. Het rapport van het Analytisch Diagnostisch Centrum ter identificatie van de in het onderzoek [naam] inbeslaggenomen op hennep gelijkend kruid van [dokter] van 8 september 2020:

6. Een proces-verbaal van relevante Sky ECC-berichten, afkomstig uit de verschillende Sky ECC-datasets van [account 10] ([medeverdachte 4]) en [account 5] ([medeverdachte 2]), die betrekking hebben op de invoer van 400 kilo cocaïne, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

7. Een proces-verbaal van relevante Sky ECC-berichten, afkomstig uit de verschillende Sky ECC-datasets van [ACCOUNT 4] ([medeverdachte 4]) en [account 5] ([medeverdachte 2]), die betrekking hebben op de invoer van 396 kilo cocaïne, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

8. Een proces-verbaal van relevante berichten tussen de Sky ECC-accounts [account 5] ([medeverdachte 2]), [account 10], [ACCOUNT 12] en [ACCOUNT 4] ([medeverdachte 4]) in de periodes van a) 3 februari 2020, b) 13 en 14 maart 2020, c) 25 maart 2020 en d) 28 juli 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

(…) de gebruiker van [account 1] op 27 februari 2020 aangaf dat hij op Cura was aangekomen. (…)

(…) het Border Managementsysteem (BMS) van Curaçao werd geraadpleegd. Hierbij werd gekeken of de eerder beschreven persoon, [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1986 op 27 februari 2020 een vluchtbeweging had gemaakt.

(…) Uit onderstaande afbeelding kan worden gesteld dat [verdachte] inderdaad op 27 februari 2020 is gearriveerd op Curaçao.

Ten aanzien van feit 2 primair – onderzoek Nash

“(…)

De gebruiker van het account [account 1] stuurde in de groepschat ([account 3]) een foto die werd gemaakt van een andere telefoon. Op deze foto is een deel van die andere telefoon zichtbaar en waren 8 mensen, een boot en een truck te zien. (…)

(…)

Tussen 23:56 uur en 00:48 uur UTC+0 (19:56 uur en 21:48 uur Curaçaose tijd) werden verschillende foto’s verstuurd door [ACCOUNT 4] naar [account 3]. (…)

(…)

(…)”

Ten aanzien van feiten 3 en 4 (telkens primair)– onderzoek [naam]

“(…)

Op woensdag 15 juli 2020 werden 12 pakketten (totaal 13.220 gram) cocaïne en 174 pakketten (89.825 gram) hennep (…) in beslag genomen door de Kustwacht en aan het personeel van de Divisie Georganiseerde Criminaliteit overgedragen voor verder onderzoek.

De Kustwacht heeft die betreffende nacht/ochtend de onderstaande waarnemingen gedaan:

Omstreeks 05:55 uur werd met de Kustwacht patrouille, vaartuig [VAARTUIG], onder begeleiding van de RCC naar het betrokken vaartuig gegaan voor onderzoek. Deze bevond zich op dat moment op ongeveer 1,5 mijl west van de Annabaai.

Omstreeks 06:08 uur werd het radarcontact op ongeveer halve mijl van de kust geïntercepteerd met 4 mannen aan boord. Later bleken deze te zijn: 2 lokale mannen, 1 Colombiaan en 1 Venezolaan.

Tijdens het benaderen van het vaartuig werd gezien dat een persoon aan boord een donkerkleurig voorwerp overboord gooide. Toen het vaartuig van de Kustwacht langszij het vaartuig voer, zagen de Kustwachtleden op dat moment op 20 a 30 meter verderop achter het vaartuig, een hoeveelheid ballen drijven welke hetzelfde uitzagen als het donkerkleurige voorwerp dat ze hadden gezien dat overboord werd gegooid.

Vervolgens werden 11 balen uit de zee gehaald en in beslaggenomen. Het vaartuig met de naam [naam] werd in beslaggenomen en teruggebracht richting het steunpunt Curaçao.

Omstreeks 08:00 uur werd bij de steiger bij de Kustwacht aangekomen een controle/doorzoeking geëffectueerd (…). Tijdens het openmaken van de balen bleken 8 van deze ballen vermoedelijk drugspakketten in te houden (…)

(…)

(…)”

“(…) Uit de verkregen resultaten moet de conclusie worden getrokken dat het materiaal cocaïne bevat in de zin van de Opiumlandsverordening 1960.”

“(…) Uit de verkregen resultaten moet de conclusie worden getrokken dat het materiaal hennep bevat in de zin van de Opiumlandsverordening 1960.”

Ten aanzien van feit 5 primair – onderzoek Nunki

“(…)

Vervolgens gaat het gesprek verder om 00:02 uur UTC+0 (maandag 27 juli 2020 20:02 uur Curaçaose tijd). (…)

Om 13:57 uur UTC+0 stuurde [account 5] de onderstaande coördinaten naar [account 3]. (…)

(…)

Om 06:20 uur UTC+0 (02:20 uur Curaçaose tijd) bevestigde [account 5] aan [account 1] en [account 3] dat de helft veilig is aangekomen en stuurde hij onderstaande foto’s (…). (…)

Vervolgens stuurde hij onderstaande foto’s. (…)

(…)

(…)”

Ten aanzien van feit 6 primair – onderzoek Ascella

“(…)

Op donderdag 15 oktober 2020 om 22:31 uur UTC+0 stuurde de gebruiker van het account [ACCOUNT 9] onderstaande foto naar [account 5]. (…)

(…)

(…) [account 10] stuurde foto’s naar [account 3] waar verschillende pakketten op te zien waren met de afbeelding van een indiaan, een geelkleurig patroon (werd Gold genoemd), een opdruk GTR en een aantal zonder stempel. Ook verstuurde [account 10] een foto waarop een blok wit poeder te zien is. (…)

(…)

Op dinsdag 20 oktober 2020 verstuurde [account 10] berichten naar [account 3] waarin hij sprak over het aantal blokken, de verkoop van de blokken en de prijzen van de blokken. (…) Ook stuurde hij een lijst met wat hij in bezit had namelijk:

(…)”

Ten aanzien van feit 7 – onderzoek Nashira

“(…)

(…)”

Bovenstaande bewijsmiddelen gelden ook ten aanzien van feit 1 – Criminele organisatie.

Ten aanzien van feit 8 - vuurwapenbezit

9. Een proces-verbaal van huiszoeking ter inbeslagneming verricht op 6 september 2024 in de woning van de verdachte te [adres 2], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

“(…) Bij de zoeking in de hierboven genoemde woning werden de onderstaande goederen in beslag genomen:

(…)

In een houtenkleurige klerenkast, achter de onderste kastlade en aan de rechterzijde:

Een psitool [vuurwapenmerk/model], serienummer [serienummer], gevuld met 30 scherpe patronen.

Een lege patroonhouder.

Een zwarte sok gevuld met 15 scherpe patronen. (…)”

10. Een proces-verbaal van bevindingen van het tijdens voormelde huiszoeking inbeslaggenomen vuurwapen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

“(…) Hieruit bleek dat deze goederen van het merk en type waren:

1 vuurwapen [vuurwapenmerk/model] met serienummer [serienummer] van het kaliber 9x19mm

45 patronen met bodemstempel 43xS&B 2xCCL 9x19mm

(…)”

11. Een proces-verbaal van onderzoek aan het inbeslaggenomen vuurwapen en de munitie, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

“(…) Het pistool is voorzien van een vuur selecteer apparaat. Door het schakelen met de selecteerhendel wordt het vuurwapen semi-automatisch of volautomatisch. (…)

Conclusie:

Het voor onderzoek aangeboden pistool (…) is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd;

De voor onderzoek aangeboden scherpe patronen (…) zijn munitie in de zien van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd;

Het voor onderzoek aangeboden pistool is deugdelijk. (…)”

Bewijsoverwegingen

De raadslieden hebben bepleit dat de verdachte van de ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken. Zij hebben daartoe – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

I. Uitsluiting van Sky ECC-berichten als bewijsmiddel (Algemeen verweer)

De Sky ECC-berichten dienen om de volgende redenen van het bewijs te worden uitgesloten:

Het dossier is nagenoeg uitsluitend gebaseerd op Sky ECC-berichten, die veelal eenzijdig en gebrekkig zijn en afkomstig uit één en dezelfde bron. Bij gebrek aan enig steunbewijs wordt niet voldaan aan het wettelijke bewijsminimum.

Het dossier is vertroebeld door eigen conclusies, meningen, gissingen en veronderstellingen van verbalisanten. Daarnaast zijn vele Sky ECC-berichten onjuist vertaald. Er ontbreken waarborgen, waaronder een wettelijke voorziening ter bescherming van grondrechten en een effectieve rechterlijke toetsing achteraf.

In het dossier van de verdachte ontbreekt een proces-verbaal waaruit blijkt dat toestemming is verleend voor het gebruik van de ontsleutelde crypto-communicatie in de onderhavige zaak. Evenmin bevindt zich in het dossier een oplegnotitie of andere schriftelijke vastlegging waarin dat gebruik is verantwoord of geformaliseerd. Voorts bevindt zich in het dossier geen machtiging van de rechter-commissaris voor de verwerking van de verkregen data, terwijl evenmin een wettelijke grondslag bestaat voor het uitvoeren van analyses en de verdere verwerking van de Sky ECC-berichten.

Er zijn geen verdovende middelen aangetroffen en er zijn ook geen andere bewijsmiddelen voorhanden waaruit kan volgen dat daadwerkelijk cocaïne is ingevoerd. Daarbij geldt dat de wijze van verpakken van verdovende middelen bij zowel cocaïne als hennep/hasj in vrijwel alle gevallen identiek is. Desondanks wordt stellig en ongevraagd aangegeven dat het om cocaïne gaat.

II. Deelneming aan een criminele organisatie (ten aanzien van feit 1)

De raadslieden hebben betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van deelneming aan een criminele organisatie, wegens afwezigheid van een proces-verbaal in het dossier waarin feiten en omstandigheden zijn opgenomen waaruit die deelneming kan volgen. Louter meningen van de verbalisanten kunnen daartoe niet als bewijs dienen.

III. Onderzoek Nash (ten aanzien van feit 2)

Dit deelonderzoek berust volgens de raadslieden in overwegende mate op eenzijdige berichten afkomstig van het Sky ECC-account [ACCOUNT 4], alsmede op eigen veronderstellingen en – conclusies van de verbalisanten. Voorts is gewezen op onduidelijke afbeeldingen en onjuiste vertalingen. Door het handelen van de verbalisanten is werkelijkheid en fictie niet van elkaar te scheiden.

IV. Onderzoek [naam] (ten aanzien van feiten 3 en 4)

Het proces-verbaal van dit deelonderzoek bestaat uit eigen conclusies, gissingen en veronderstellingen van de verbalisanten. Dingen worden door elkaar gehaald en de feiten kloppen niet. De betrokkenheid van de verdachte aan dit deelonderzoek is gebaseerd op een eigen conclusie van de verbalisant.

V. Onderzoek Nunki (ten aanzien van feit 5)

In dit deelonderzoek kan naar het oordeel van de raadslieden geen sprake zijn van cocaïne. Daarbij wordt gewezen op de in de Sky ECC-berichten genoemde waarde van circa USD 300 per blok, welke prijs niet in verhouding staat tot de in die tijd gangbare marktprijzen van cocaïne. Uit het document ‘DOC-003, DEA Caribbean Region Drug Pricing Report July – December 2021’ volgt dat de prijs van één kilo cocaïne in de desbetreffende periode in Curaçao tussen USD 4.000 en USD 8.500 lag, en in Colombia rond EUR 1.750 bedroeg. Ook de pakketten die in dit onderzoek voorkomen, zijn op identieke wijze verpakt als de pakketten die in een ander onderzoek (Maia) voorkomen, waaruit duidelijk blijkt dat geen sprake was van cocaïne. Tegen die achtergrond kan ook in dit geval niet worden geconcludeerd dat het om cocaïne gaat.

VI. Onderzoek Ascella (ten aanzien van feit 6)

Het proces-verbaal van dit deelonderzoek bestaat uit onjuiste aannames, conclusies van de verbalisanten en slechte vertalingen die niet te vertrouwen zijn. Zo vult de verbalisant zelf in dat het cocaïnepakketten betroffen. Tijdens het requisitoir is dit standpunt herhaald onder verwijzing naar het uiterlijk van de pakketten en de wijze van vacuüm verpakken en persen, terwijl deze verpakkingswijze evenzeer gebruikelijk is bij hennep. Het bewijs steunt uitsluitend op één bron: Sky ECC-berichten. Daarbij komt dat sprake is van onjuiste vertalingen en het weglaten van belangrijke teksten, waardoor waarheid en fictie niet van elkaar te scheiden is.

Subsidiair wordt verzocht om strafvermindering toe te passen wegens structurele onrechtmatig handelen door de verbalisanten, ondanks waarschuwingen van de Hoge Raad alsook de lokale gerechten.

VII. Onderzoek Nashira (ten aanzien van feit 7)

Het proces-verbaal van dit deelonderzoek bestaat uit onjuiste aannames, conclusies van de verbalisanten en slechte vertalingen die niet te vertrouwen zijn. Voorts kan met de eenzijdige en gebrekkige Sky ECC-berichten niet worden vastgesteld waarom delictsvoltooiing is uitgebleven. De verdachte moet dan het voordeel van de twijfel krijgen en kan voorbereidingshandelingen niet worden bewezen.

VIII. Vuurwapenbezit (ten aanzien van feit 8)

De verdachte heeft duidelijk verklaard dat het vuurwapen aan Tahir, zijn neef die in het jaar 2023 is overleden, toebehoorde. Er is geen enkele vorm van onderzoek gedaan om na te gaan of hij daadwerkelijk een neef had die is overleden. De verdachte droeg geen kennis van de aanwezigheid en het tegendeel kan niet worden bewezen, aldus nog steeds de raadslieden.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Ad I Uitsluiting van Sky ECC-berichten als bewijsmiddel

Ten aanzien van het onder Ad I gevoerde verweer, strekkende tot uitsluiting van Sky ECC-berichten van het bewijs, overweegt het Gerecht als volgt.

Het Gerecht stelt voorop dat een Sky ECC-bericht op zichzelf kan worden aangemerkt als een ‘ander geschrift’ in de zin van artikel 387, eerste lid, onder e, van het Wetboek van Strafvordering. Een dergelijk bewijsmiddel kan slechts voor het bewijs worden gebezigd in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Naar vaste jurisprudentie kan dat ook een ander ‘ander geschrift’ zijn. Indien en voor zover de inhoud van een als bewijs gebezigd Sky ECC- bericht steun vindt in andere Sky ECC-berichten, is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum.

In de onderhavige zaak is bovendien niet slechts sprake is van Sky ECC-berichten afkomstig van één account, maar van een groepsgesprek tussen verschillende deelnemers, verzonden afbeeldingen en processen-verbaal die de inhoud van de tekstberichten ondersteunen. Reeds hierom is geen sprake van een dossier dat berust op één enkele bron of één wettig bewijsmiddel.

Dit neemt niet weg dat het Gerecht aanleiding ziet tot een behoedzame benadering bij het gebruik van Sky ECC-berichten voor het bewijs. In dergelijke berichten wordt veelal gebruikgemaakt van versluierde taal en zij vinden plaats binnen een context die voor de gesprekspartners duidelijk kan zijn, maar voor derden niet zonder meer kenbaar is. Daarbij komt dat het Gerecht in deze zaak niet beschikt over het volledige berichtenverkeer, maar uitsluitend kennis heeft kunnen nemen van een deel daarvan. Dit brengt mee dat interpretatie noodzakelijk is. Het Gerecht is zich daarvan bewust en acht om die reden voorzichtigheid geboden. Aan Sky ECC-berichten wordt slechts dán een belastende betekenis toegekend indien de inhoud daarvan, bezien in onderling verband en in samenhang met overige bewijsmiddelen, daarvoor voldoende steun biedt. In zoverre dient het verweer te worden verworpen.

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat de processen-verbaal waarin de Sky ECC-berichten zijn opgenomen, zijn aangevuld met vermoedens, aannames en conclusies van de verbalisanten, geldt dat het Gerecht overeenkomstig hetgeen hiervoor reeds is overwogen onder het kopje ‘Gissingen, meningen, veronderstellingen en conclusies van verbalisanten in processen-verbaal’ (pagina’s 14 en 15 van dit vonnis) en blijkens de gebezigde bewijsmiddelen geen gebruik heeft gemaakt van (gedeelten van) processen-verbaal voor zover daarin gissingen, meningen, veronderstellingen en conclusies van verbalisanten zijn opgenomen. Ook in zoverre dient het verweer derhalve te worden verworpen.

Ten aanzien van het betoog dat bepaalde Sky ECC-berichten onjuist zijn vertaald, overweegt het Gerecht dat ook het Gerecht heeft vastgesteld dat niet alle vertalingen correct zijn. Het Gerecht is hier behoedzaam mee omgegaan en heeft er bij de bewijswaardering rekening mee gehouden.

Ten aanzien van het verweer dat een wettelijke grondslag ontbreekt voor het uitvoeren van analyses en het verwerken van Sky ECC-berichten, overweegt het Gerecht als volgt.

In mei 2021 respectievelijk oktober 2021 hebben de Curaçaose autoriteiten in het onderzoek Themis een rechtshulpverzoek en een aanvullend rechtshulpverzoek gericht aan de Franse autoriteiten, strekkende tot het verkrijgen van gegevens van de daarin genoemde Sky ECC-accounts. Op 5 augustus 2021 respectievelijk 24 januari 2022 hebben de Franse autoriteiten toestemming verleend tot uitvoering van deze rechtshulpverzoeken, waarbij gegevens uit het zogenoemde A- en B-kader zijn verstrekt.

De officier van justitie die de leiding had over het onderzoek Themis heeft op 7 februari 2022 toestemming verleend om de verkregen gegevens te gebruiken in andere opsporingsonderzoeken. Op 19 augustus 2024 is het Sky ECC-account [account 1] verstrekt aan het onderzoeksteam ROSS van het Korps Politie van Curaçao. De officier van justitie heeft tijdens repliek aangevoerd dat hij als zaaksofficier in de onderzoeken Mission, Borealis en Themis reeds beschikte over de betreffende datasets, en dat voor het gebruik daarvan in het onderzoek Heelal geen afzonderlijke, aanvullende toestemming was vereist. De officier van justitie heeft bij repliek alsnog een schriftelijke toestemming ex artikel 177 kc Sv overgelegd. Met de nadien overgelegde schriftelijke toestemming moet de reeds verleende mondelinge toestemming worden aangemerkt als een schriftelijke vastlegging en bevestiging van die beslissing.

Door de verdediging wordt de rechtmatigheid van de verkrijging van de Sky ECC-data door de Franse autoriteiten niet betwist. Het Gerecht stelt vast dat deze gegevens rechtmatig zijn verkregen. Van beperkende voorwaarden ten aanzien van het gebruik van de uit Frankrijk verkregen dataset is niet gebleken. De Curaçaose wet stelt niet als vereiste dat voor het gebruik in een Curaçaose strafzaak van resultaten van een opsporingsonderzoek dat op initiatief en onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse autoriteit is verricht, een machtiging van de Curaçaose rechter-commissaris is afgegeven. Het Gerecht ziet dan ook niet in waarom voor het verwerken en analyseren van dergelijke rechtmatig verkregen gegevens een afzonderlijke wettelijke grondslag zou zijn vereist. Dit verweer wordt derhalve verworpen.

Voorts kan het Gerecht de raadslieden niet volgen in hun betoog dat niet kan worden vastgesteld dat cocaïne is ingevoerd, enkel omdat in de deelonderzoeken, geen verdovende middelen zijn aangetroffen.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van cocaïne is beslissend of dit, gelet op de inhoud en context van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld. Daarbij is niet vereist dat verdovende middelen daadwerkelijk zijn onderschept.

Uit de Sky ECC-berichten volgt dat door de verdachte en diens medeverdachten consequent wordt gesproken over ‘stenen’, ‘bulto nn’, ‘bultunan’ (het Gerecht begrijpt: balen), termen die, gelet op de context van hun communicatie en in het licht van feiten van algemene bekendheid omtrent het taalgebruik binnen het drugsmilieu, kunnen worden aangemerkt als versluierde aanduiding voor blokken/1 kilo cocaïne c.q. balen inhoudende drugs, i.c. cocaïne. Deze duiding vindt steun in andere objectieve omstandigheden waaronder de:

uiterlijke kenmerken van de op de foto’s zichtbaar witte stof en de wijze van verpakken;

in de Sky ECC-berichten genoemde verkoopprijzen, die passen bij cocaïne en niet bij hennep;

beschreven herkomstlanden en transportroutes ((vanuit Colombia,) via Venezuela met de boot naar Curaçao); en

gebruikte aanlandingslocaties, die naar hun aard en ligging kenmerkend zijn voor cocaïnetransporten naar Curaçao.

In onderling verband en samenhang bezien leveren deze omstandigheden voldoende wettig en overtuigend bewijs op dat de ingevoerde verdovende middelen cocaïne betroffen. Dat de verpakkingswijze op zichzelf ook bij andere verdovende middelen kan voorkomen, doet hieraan niet af, nu het Gerecht zijn oordeel niet baseert op één enkel kenmerk, maar op het geheel van bewijsmiddelen.

Ad II Deelneming aan een criminele organisatie (ten aanzien van feit 1)

Deelneming aan een criminele organisatie is strafbaar gesteld in artikel 2:79 van het Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling dient ter bescherming van de samenleving tegen het gevaar dat uitgaat van criminele organisaties. Het gaat hier om een zelfstandig strafbaar feit. Voor deelneming is voldoende dat de verdachte tot deze organisatie behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Niet is vereist dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te

kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is.

Ook niet van belang is of de misdrijven, waarop het oogmerk van de organisatie is gericht, zijn gepleegd, dan wel pogingen daartoe zijn ondernomen of zelfs maar strafbare voorbereidingen daartoe zijn getroffen. Evenmin is van belang of een deelnemer aan de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven die door andere deelnemers daaraan zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of zijn voorbereid). Niet is vereist dat een deelnemer aan de organisatie enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad. Voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van voorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

Een persoon is strafbaar louter vanwege zijn (opzettelijke) deelneming aan die organisatie. Die organisatie kan zijn iedere feitelijke samenwerking van twee of meer personen met een zekere structuur en duurzaamheid. Daaraan worden geen hoge eisen gesteld. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, het veelvuldig voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling en het bestaan van een bepaalde hiërarchie en/of geledingen.

Het Gerecht leidt uit de inhoud van het dossier af dat sprake is geweest van meerdere drugstransporten naar Curaçao. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat daarbij telkens een min of meer vaste groep personen betrokken was, bestaande uit onder meer de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2]. Dit samenwerkingsverband had als oogmerk de invoer van verdovende middelen, in casu cocaïne en/of hennep. De samenwerking kenmerkte zich door een zekere duurzaamheid en structuur, waarbij de betrokkenen ieder een eigen, terugkerende rol vervulden. De verdachte vervulde binnen het samenwerkingsverband, met name in de deelonderzoeken Nash, Nunki, Ascella en Nashira, samen met de medeverdachte [medeverdachte 2], een co-coördinerende rol. Zo onderhield hij veelal contact met [medeverdachte 2], was op de hoogte van de voor de transporten noodzakelijke instructies, kende het aantal in te voeren ‘stenen’ en droeg zorg voor de aflevering daarvan bij de medeverdachte [medeverdachte 4] ten behoeve van de bewaring. Daarmee leverde hij een wezenlijke bijdrage aan de invoering van de verdovende middelen.

De medeverdachte [medeverdachte 2] had binnen dit verband, met name in de deelonderzoeken Nash, Nunki, Ascella en Nashira, een coördinerende rol en had gedurende het transport het overzicht. Hij onderhield contact met verschillende sleutelpersonen met het oog op een succesvol transport. Zo had hij contact met degene die de verdovende middelen afleverde, met een contactpersoon bij de Kustwacht teneinde geschikte transportdagen af te stemmen waarop de overdracht op zee buiten het zicht van de Kustwachtpatrouilles kan plaatsvinden, en werd hij door alle bij het transport betrokken partijen voortdurend geïnformeerd over de voortgang van het transport. Tevens deelde hij het token waarmee voor de overdracht betaald moet worden en wordt hij door medeverdachten erkend als degene die het transport kon realiseren.

De medeverdachte [medeverdachte 4], had binnen het samenwerkingsverband, met name in de deelonderzoeken Nash, Nunki en Ascella, een duidelijke en vaste functie: hij stond paraat om de ingevoerde verdovende middelen in ontvangst te nemen, zorgde voor de bewaring daarvan, telde de aangeleverde pakketten en bevestigde de ontvangst door middel van foto’s die hij deelde met de gebruiker van het Sky ECC-account [account 3]. Met deze handelingen leverde de verdachte een wezenlijke en onmisbare bijdrage aan het welslagen van het invoerproces.

Deze gedragingen tonen aan dat de verdachte niet slechts incidenteel betrokken was, maar een wezenlijke en organiserende bijdrage leverde aan het samenwerkingsverband.

Gelet op de aard en intensiteit van deze gedragingen, alsmede de frequentie daarvan, stelt het Gerecht vast dat sprake was van een organisatie met het oogmerk tot het plegen van misdrijven en dat de verdachte daaraan bewust en duurzaam heeft deelgenomen. Het verweer wordt aldus verworpen.

Ad III Onderzoek Nash (ten aanzien van feit 2)

Het verweer van de raadslieden richt zich in de kern tegen het gebruik van processen-verbaal die volgens hen zijn voorzien van eigen conclusies en veronderstellingen van de verbalisanten, alsmede tegen onjuiste vertalingen en onduidelijke afbeeldingen.

Het Gerecht verwijst in dit verband naar hetgeen reeds is overwogen onder het kopje ‘Gissingen, meningen, veronderstellingen en conclusies van verbalisanten in processen-verbaal’, en stelt voorop dat het aan de rechter is om op basis van die geverbaliseerde verklaringen, feiten en omstandigheden de gevolgtrekkingen te maken die hij geraden acht. Het Gerecht heeft bij zijn bewijswaardering geen gebruik gemaakt van (gedeelten van) processen-verbaal voor zover daarin conclusies, meningen of onjuistheden zijn opgenomen, en heeft uitsluitend acht geslagen op objectieve en verifieerbare gegevens.

Daarmee is voldoende gewaarborgd dat de bewijswaardering heeft plaatsgevonden op een wijze die verenigbaar is met het recht op een eerlijk proces. Het verweer wordt verworpen.

Ad IV Onderzoek [naam] (ten aanzien van feiten 3 en 4)

Het Gerecht verwijst ook hier naar hetgeen reeds is overwogen onder het kopje ‘Gissingen, meningen, veronderstellingen en conclusies van verbalisanten in processen-verbaal’.

Anders dan de raadslieden hebben betoogd, blijkt de betrokkenheid van de verdachte in het bijzonder uit de Sky ECC-berichten tussen hem en de medeverdachte [medeverdachte 2] na het mislukken van de invoer. In bedoelde berichten bespreken de verdachte en [medeverdachte 2] gedetailleerd wat er volgens hen mis is gegaan. Daarbij geeft [medeverdachte 2] aan dat degene die in plaats van ‘[persoon]’ was gegaan de instructies niet had gevolgd, dat hij zowel ‘scherm’ als ‘water’ had, dat het groene licht van hem moest worden afgewacht alvorens terug te keren, en dat hij geld heeft verloren. Tevens spreekt hij over het opnieuw regelen van een boot met een kluis om verder te kunnen werken. De verdachte bevestigt dit en geeft aan dat nu moet worden gewerkt om schulden af te lossen.

Deze communicatie, in onderlinge samenhang bezien, duidt op een organiserende en aansturende rol van de verdachte bij het transport in het deelonderzoek “[naam]” en kan niet worden aangemerkt als loutere kennis achteraf. Het verweer wordt verworpen.

Ad V Onderzoek Nunki (ten aanzien van feit 5)

Voor de vaststelling dat het om cocaïne ging, verwijst het Gerecht naar zijn eerdere overweging op pagina’s 70 en 71 van dit vonnis, waarin de duiding van de term ‘stenen’ is besproken. Dat in de Sky ECC-berichten wordt gesproken over een bepaalde prijs doet daaraan niet af, nu deze prijs betrekking kan hebben op de kosten van het transport. Het verweer wordt verworpen.

Ad VI Onderzoek Ascella (ten aanzien van feit 6)

Uit de communicatie tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] blijkt dat wordt gesproken over 396 ‘stenen’, over balen en over de prijs die daarvoor betaald moest worden. Kort daarna heeft de medeverdachte [medeverdachte 4] foto’s verzonden waarop verschillende pakketten te zien zijn, voorzien van onder meer een afbeelding van een indiaan, een geelkleurig patroon dat werd aangeduid als “Gold”, een opdruk “GTR”, alsmede enkele pakketten zonder stempel. Daarnaast heeft de medeverdachte [medeverdachte 4] een foto gestuurd waarop een blok wit poeder zichtbaar is. Deze berichten en afbeeldingen sluiten in tijd en inhoud naadloos op elkaar aan en vinden onderlinge bevestiging. Nu de inhoud van een als bewijs gebezigd Sky ECC- bericht steun vindt in andere Sky ECC-berichten, is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. Gelet op de eerdere overweging op pagina’s 70 en 71 van dit vonnis, waarin de duiding van de termen ‘stenen’ en ‘balen’ zijn besproken, stelt het Gerecht vast dat in de onderhavige communicatie met die term cocaïne wordt aangeduid.

Voorts verwijst het Gerecht naar hetgeen reeds is overwogen onder het kopje ‘Gissingen, meningen, veronderstellingen en conclusies van verbalisanten in processen-verbaal’, en herhaalt het Gerecht hier dat het aan de rechter is om op basis van die geverbaliseerde verklaringen, feiten en omstandigheden de gevolgtrekkingen te maken die hij geraden acht. Het Gerecht heeft bij zijn bewijswaardering geen gebruik gemaakt van (gedeelten van) processen-verbaal voor zover daarin conclusies, meningen of onjuistheden zijn opgenomen, en heeft uitsluitend acht geslagen op objectieve en verifieerbare gegevens.

Daarmee is voldoende gewaarborgd dat de bewijswaardering heeft plaatsgevonden op een wijze die verenigbaar is met het recht op een eerlijk proces. Het verweer wordt verworpen.

Nu het Gerecht bij zijn bewijswaardering geen gebruik heeft gemaakt van (gedeelten van) processen-verbaal voor zover daarin conclusies, meningen of onjuistheden van verbalisanten zijn opgenomen, en uitsluitend acht heeft geslagen op objectieve en verifieerbare gegevens, is geen sprake van een normschending dat tot strafvermindering noopt. Voor de subsidiair verzochte strafvermindering bestaat derhalve geen grond.

Ad VII Onderzoek Nashira (ten aanzien van feit 7)

Voor zover de raadslieden hebben betoogd dat met de eenzijdig weergegeven Sky ECC-berichten niet kan worden vastgesteld waarom de delictsvoltooiing is uitgebleven en dat daarom geen sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen, overweegt het Gerecht als volgt.

Voorbereidingshandelingen zijn in het Wetboek van Strafrecht (Sr) strafbaar gesteld in artikel 1:120. Artikel 1:120, eerste lid, Sr luidt:

“Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld alsmede van het misdrijf omschreven in artikel 2:175 is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.”

Voor positieve beantwoording van de vraag of de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen zijn bewezen, moet komen vast te staan dat de in de tenlastelegging omschreven voorwerpen, stoffen, informatiedragers en vervoermiddelen bestemd waren tot het begaan van het misdrijf, zoals in de tenlastelegging omschreven. Daartoe dient te worden beoordeeld of de middelen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen van de verdachte dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had. Voldoende is dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte strekten ter voorbereiding van dat misdrijf en dat zijn opzet op het begaan daarvan was gericht.

Uit het dossier volgt dat de verdachte en zijn mededaders een testvaart hebben uitgevoerd teneinde vast te stellen hoe de te gebruiken boot op het radarsysteem van de Kustwacht zichtbaar zou zijn. Voorts zijn tijdstippen afgestemd op basis van het dienstrooster van een contactpersoon bij de Kustwacht, zijn vaarroutes en coördinaten bepaald, het betaalmiddel geregeld (het token: het serienummer van een bankbiljet van tien Nederlands Antilliaanse gulden), zijn herkenningssignalen afgesproken (driemaal flashen) en is gedurende het gehele traject onderling contact onderhouden.

Dat de beoogde overdracht uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden – omdat de personen die de verdovende middelen zouden ophalen na vergeefs wachten zijn teruggekeerd – doet aan het voorgaande niet af. Uit de communicatie blijkt immers dat sprake was van concrete, op uitvoering gerichte handelingen. Zo wordt melding gemaakt van “stenen”, waarbij door één van de betrokkenen te kennen wordt gegeven dat het merendeel daarvan toebehoorde aan “Primu” en dat Primu heel erg boos is.

Deze gedragingen, in onderlinge samenhang bezien, gaan aanzienlijk verder dan louter voorbereidende besprekingen of vrijblijvende intenties. Zij vormen concrete en doelgerichte handelingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op de invoer van verdovende middelen.

Het Gerecht verwerpt daarom het verweer dat geen sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen.

Ad VIII Vuurwapenbezit (ten aanzien van feit 8)

Ten aanzien van het verweer dat het aangetroffen vuurwapen toebehoorde aan een inmiddels overleden neef van de verdachte en dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid daarvan, overweegt het Gerecht als volgt.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de woning bewoonde en feitelijk gebruik maakte van de slaapkamer waarin het vuurwapen is aangetroffen. Het vuurwapen bevond zich in de in die slaapkamer staande kledingkast, welke door de verdachte werd gebruikt voor het opbergen van zijn kleding.

De verdachte heeft verklaard dat het vuurwapen toebehoorde aan zijn neef Tahir, die in 2023 zou zijn overleden, en dat deze neef eveneens van de kledingkast gebruik maakte. De verdachte heeft ter onderbouwing daarvan evenwel geen nadere, verifieerbare gegevens verstrekt, zoals een volledige naam, geboortedatum, overlijdensdatum of andere concrete aanknopingspunten die verificatie mogelijk maken.

Een bewoner wordt, behoudens contra-indicaties, geacht te weten wat zich in de woning – en dan met name in veelgebruikte en bij uitstek privé-gedeelten daarvan – bevindt. Gelet op de feitelijke beschikkingsmacht van de verdachte over de slaapkamer en de daarin aanwezige kledingkast, mag worden aangenomen dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van het daarin aangetroffen vuurwapen, tenzij uit de feiten en omstandigheden het tegenstelde aannemelijk wordt. De door de verdachte afgelegde verklaring is, bij gebreke van concrete en controleerbare gegevens, onvoldoende om die conclusie te ontzenuwen. De enkele, niet nader gespecificeerde verwijzing naar een overleden familielid is onvoldoende om twijfel te doen ontstaan aan de vastgestelde beschikkingsmacht en wetenschap van de verdachte. Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:79 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De onder 2, 3, 4, 5 en 6 telkens primair bewezen verklaarde is telkens voorzien bij artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumlandsverordening 1960 en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef onder a, van die verordening juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Telkens: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumlandsverordening 1960.

Het onder 7 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, aanhef onder c en A van de Opiumlandsverordening 1960 en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef onder a, van die verordening juncto artikel 1:120 en 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c en A van de Opiumlandsverordening 1960, door zich of een ander gelegenheid, middelen, of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Het onder 8 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3 van de Vuurwapenverordening 1930 en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een “in- en uitvoer van 10 kg – 25 kg cocaïne”, waarbij er sprake is van een first offender, als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden jaren gegeven.

Het Gerecht neemt met betrekking tot de ernst van het bewezen verklaarde het volgende in beschouwing.

De verdachte is in nauwe samenwerking met anderen opzettelijk betrokken geweest bij de invoer van – alles bij elkaar – ruim 1.080 kilo cocaïne en ruim 89 kilo hennep. Gelet op de omvang van deze hoeveelheid cocaïne en hennep kan niet anders zijn dat deze bestemd was voor verdere verspreiding en handel in het kader van een georganiseerd drugscircuit.

Zoals reeds overwogen vervulde de verdachte binnen het samenwerkingsverband, met name in de deelonderzoeken Nash, Nunki, Ascella en Nashira, samen met de medeverdachte [medeverdachte 2], een mede-coördinerende rol. Zo onderhield hij veelal contact met [medeverdachte 2], was hij op de hoogte van de voor de transporten noodzakelijke instructies, kende hij het aantal in te voeren ‘stenen’ en droeg hij zorg voor de aflevering daarvan bij de medeverdachte [medeverdachte 4] ten behoeve van de bewaring. De verdachte heeft ten aanzien van de bewezenverklaarde hiermee een belangrijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit dat gepaard pleegt te gaan met ernstige vormen van geweld en criminaliteit en waarvan een ondermijnend en corrumperend effect uitgaat, waartegen krachtig moet worden opgetreden. Het gebruik van harddrugs is bovendien verslavend en zeer schadelijk voor de volksgezondheid en daar heeft de verdachte aan bijgedragen. Het Gerecht acht voorts aannemelijk geworden dat met de drugshandel grote geldbedragen gemoeid zijn geweest, hetgeen eveneens een ondermijnend effect heeft op de Curaçaose samenleving. Het Gerecht weegt al deze omstandigheden in strafverzwarende zin mee.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 september 2024. Daaruit volgt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Het Gerecht heeft voorts acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze blijken uit het vroeghulpbericht van 19 november 2024.

De raadslieden hebben gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder dat hij vader is van vier minderjarige kinderen. Het Gerecht onderkent dat de op te leggen straf ook indirect gevolgen kan hebben voor de kinderen van de verdachte. Die omstandigheid kan de verdachte echter niet baten, nu het zijn eigen handelen is geweest dat tot deze situatie heeft geleid. Voorts stelt het Gerecht vast dat de verdachte geen blijk heeft gegeven van inzicht in het laakbare karakter van zijn handelen of van verantwoordelijkheid voor de maatschappelijke gevolgen daarvan. Hoewel het de verdachte vrijstond zich op zijn zwijgrecht te beroepen, is daardoor geen enkele aanwijzing naar voren gekomen van reflectie.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

In beslag genomen voorwerpen

Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

De officier van justitie heeft gevorderd de verbeurdverklaring van de in beslag genomen GPS-trackers en de teruggave van de in beslag genomen gelden aan de verdachte.

Ten aanzien van de geldbedragen

Uit het dossier is niet gebleken dat de inbeslaggenomen geldbedragen (NAf 1.675,-) geheel of grotendeels door middel van of uit baten van het bewezenverklaarde zijn verkregen. Evenmin is gebleken dat deze geldbedragen zijn gebruikt of zijn bestemd tot het begaan of voorbereiden van de bewezenverklaarde feiten.

Nu zich ook overigens geen strafvorderlijk belang tegen teruggave verzet, zal de teruggave van de geldbedragen aan de verdachte worden gelast.

Ten aanzien van de GPS-trackers

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte betrokken was bij de organisatie en coördinatie van de invoer van verdovende middelen in Curaçao, waarbij de overdracht op zee plaatsvond en waarbij gedurende het transport intensief contact werd onderhouden met de betrokkenen.

Het Gerecht stelt vast dat GPS-trackers naar hun aard geschikt zijn om de verplaatsing van vaartuigen of personen op afstand te volgen en aldus controle en coördinatie van een transport mogelijk te maken. Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten – te weten de georganiseerde invoer van verdovende middelen via zee – en de rol van de verdachte daarin, acht het Gerecht aannemelijk dat de inbeslaggenomen GPS-trackers bestemd waren tot het begaan dan wel de voorbereiding van soortgelijke strafbare feiten.

Onder deze omstandigheden zijn de GPS-trackers vatbaar voor verbeurdverklaring. Het Gerecht zal daarom de verbeurdverklaring gelasten. Daarbij heeft het Gerecht rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Ten aanzien van het vuurwapen en de munitie

Het vuurwapen en de munitie zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Met behulp van deze voorwerpen is het feit begaan. Bovendien is het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd met de wet en/of het algemeen belang. Het Gerecht zal voormelde voorwerpen daarom onttrekken aan het verkeer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:67, 1:68, 1:76 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 en 8 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 10 (tien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 9 GPS-trackers;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: één vuurwapen [vuurwapenmer/model] met serienummer [serienummer] van het kaliber 9x19mm en 45 patronen met bodemstempel 43xS&B 2xCCL 9x19mm;

gelast de teruggave van NAf 1.675,- aan de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. O.H.M Leito, (zittingsgriffier), en op 20 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand