GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
in het geding tussen:
[eiseres],
eiseres,
verblijvende te Curaçao,
gemachtigde: mr. G.C.A. Scheperboer-Parris, advocaat,
en
de minister van Justitie,
verweerder,
gemachtigden: mrs. M.F. Bonapart en L.J.C. Frias.
Partijen worden in deze uitspraak hierna [eiseres] en de minister genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van [eiseres] tegen de afwijzing door de minister van haar verzoek om bescherming op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
De minister heeft dit verzoek van [eiseres] afgewezen bij beschikking van 10 november 2025 (de bestreden beschikking).
eiseres] heeft op 24 december 2025 een beroepschrift tegen de bestreden beschikking ingediend. De minister heeft op 24 februari 2026 met een verweerschrift op het beroep gereageerd.
Het Gerecht heeft het beroep op 4 maart 2026 ter zitting behandeld. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. van Hoof (namens mr. M.F. Bonapart) en mr. L.J.C. Frias en door mr. S.M. La Croes en mr. J.J.J.M. Suares, werkzaam bij de toelatingsorganisatie. De behandeling vond plaats met bijstand van mevrouw M. Troncon, tolk in de Spaanse taal.
Het beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met een ander beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op een verzoek tot opheffing van de bewaring (CUR202600723).
Beoordeling door het Gerecht
Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van [eiseres].
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van [eiseres] ongegrond is. De beroepsgrond dat een onvoldoende integrale individuele (door)toetsing heeft plaatsgevonden slaagt niet. De minister heeft niet ten onrechte het element van het vluchtrelaas van [eiseres], dat zij en haar familie werden bedreigd vanwege een aangifte van verkrachting, ongeloofwaardig geacht. Over de wel geloofwaardig geachte elementen van het relaas van [eiseres] heeft de minister terecht geconcludeerd dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daardoor bij terugkeer in Venezuela een individueel en reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.
Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
eiseres] is geboren in Punto Fijo, Venezuela, en heeft de Venezolaanse nationaliteit.
eiseres] is op 18 september 2016 als toerist Curaçao ingereisd. Op 29 juli 2017 is [eiseres] aangehouden wegens overtreding van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: Ltu), het overschrijden van de geldigheidsduur van de tijdelijke verblijfsvergunning voor een toerist. Bij beschikking van 29 juli 2017 is beslist dat [eiseres] uiterlijk op 29 augustus 2017 uit Curaçao wordt verwijderd en dat haar gedurende een periode van drie jaren de binnenkomst in Curaçao wordt ontzegd. [eiseres] werd in bewaring gesteld en op 4 augustus 2017 uit Curaçao verwijderd.
eiseres] heeft verklaard dat zij op 11 november 2017 opnieuw en ditmaal op illegale wijze met een lancha Curaçao is binnengekomen. Op 8 juli 2025 is [eiseres] aangehouden op haar werk bij Complete Home & Electronics wegens overtreding van de Ltu. Bij beschikking van 8 april 2025 heeft de minister beslist dat [eiseres] uiterlijk op 8 augustus 2025 uit Curaçao wordt verwijderd en dat haar gedurende een periode van drie jaren de binnenkomst in Curaçao wordt ontzegd. Ook is [eiseres] op diezelfde dag in bewaring gesteld
Op 11 augustus 2025 heeft [eiseres] een verzoek om bescherming gedaan op grond van artikel 3 van het EVRM.
Waarom heeft de minister het verzoek van [eiseres] afgewezen?
Op grond van artikel 3 van het EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
De minister onderscheidt drie relevante elementen in het relaas dat [eiseres] aan haar beschermingsverzoek ten grondslag heeft gelegd:
1. nationaliteit, identiteit en herkomst van [eiseres];
2. bedreigingen en intimidaties aan het adres van [eiseres] naar aanleiding van een door haar gedane aangifte van verkrachting en die de aanleiding waren om haar land van herkomst te verlaten;
3. de algemene sociaal-economische situatie in Venezuela.
De minister acht de elementen 1 en 3 geloofwaardig. [eiseres] heeft volgens de minister echter niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege deze geloofwaardig geachte elementen, mede gelet op haar persoonlijke situatie, bij terugkeer naar Venezuela tegen de achtergrond van de slechte sociaal-economische en humanitaire situatie aldaar een individueel en reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.
eiseres] heeft tijdens haar gehoor op 9 september 2025 met betrekking tot element 2 het volgende relaas verteld.
[eiseres] is op 16 augustus 2013 in Venezuela slachtoffer geweest van mishandeling, beroving en verkrachting door een onbekende persoon tegen wie zij aangifte heeft gedaan. Volgens [eiseres] is de verdachte naar aanleiding van haar aangifte door de autoriteiten aangehouden en veroordeeld. Na de aangifte is [eiseres] herhaaldelijk telefonisch bedreigd door familieleden en bekenden van de dader. Zij is daarom naar Barquisimeto gegaan. Na een aantal maanden is zij weer teruggekeerd in Punto Fijo. Zij werd vervolgens in 2014 gedurende het hele jaar weer telefonisch bedreigd. [eiseres] is in 2015 naar Aruba gegaan en is na ongeveer tien of elf maanden teruggekeerd naar Venezuela. In 2016 is [eiseres] naar Curaçao gereisd. Zij werd in juli 2017 in Curaçao aangehouden en kort daarop uit het land verwijderd. Op een gegeven moment werd er door één of meer onbekende personen in de lucht en op de woning van [eiseres] en haar familie geschoten. Uit vrees voor haar veiligheid en die van haar familie heeft [eiseres] besloten om op 10 november 2017 met een lancha weer naar Curaçao te gaan.
De minister heeft het relaas van [eiseres] ten aanzien van element 2 getoetst op geloofwaardigheid. Volgens de minister heeft [eiseres] haar relaas niet aannemelijk gemaakt.
Allereerst overweegt de minister dat [eiseres] niet onverwijld bij haar aankomst op Curaçao heeft gemeld dat zij bescherming behoeft. Tijdens haar eerste verblijf in Curaçao vanaf 18 september 2016 tot haar verwijdering op 4 augustus 2017 heeft [eiseres] op geen enkel moment kenbaar gemaakt dat zij bescherming behoeft. Gedurende haar tweede verblijf heeft zij pas na haar aanhouding op 8 juli 2025, bijna acht jaar na haar aankomst op 11 november 2017, een verzoek om bescherming gedaan. [eiseres] heeft geen afdoende redenen gegeven waarom zij niet eerder heeft gemeld dat zij bescherming behoeft. Zij heeft verklaard dat zij in 2018 en in 2019 een mail heeft gestuurd aan de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: UNHCR). In dit verband heeft [eiseres] twee documenten overgelegd, twee (concept)mails gericht aan VENEX (de belangenvereniging voor Venezolanen op Curaçao) gedateerd 14 maart 2018 en 26 februari 2022. De minister concludeert dat uit de overgelegde documenten niet blijkt dat [eiseres] daadwerkelijk heeft beoogd om bescherming te verzoeken. Dit geldt volgens de minister ook voor het overgelegde document van Human Rights Defense Curaçao (hierna: HRDC) van 11 juli 2022 waarin staat dat [eiseres] HRDC om juridische bijstand heeft verzocht voor het indienen van een beschermingsverzoek. Tot haar aanhouding op 8 juli 2025 is niet gebleken dat [eiseres] zich tot de autoriteiten heeft gewend om een beschermingsverzoek in te dienen. Daarom heeft de minister grote twijfel aan de oprechtheid van het beschermingsverzoek van [eiseres].
Verder hecht de minister geen geloof aan de door [eiseres] overgelegde aangifte gedateerd 13 augustus 2013. Het betreft een kopie die niet op authenticiteit kan worden onderzocht. Ook komen de twee emblemen van het CICPC (Cuerpo Investigaciones Científicas Penales y Criminalísticas) niet overeen met de emblemen die gebruikt worden op documenten van het CICPC. Opmerkelijk is verder dat in de aanhef van het document vermeld staat dat het een algemeen delict betreft (delito común), terwijl bij een ernstig feit zoals verkrachting ‘común’ te algemeen zou klinken en normaliter een specifieke benaming wordt gegeven zoals denuncia por violación. Bovendien wordt de wet waarop het delict is gebaseerd onjuist vermeld en staat de naam van de functionaris die de aangifte heeft opgenomen nergens vermeld, zelfs niet bij de ondertekening.
De minister overweegt verder dat [eiseres] summiere, vage, ongerijmde en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd.
Zo stelt [eiseres] dat zij is bedreigd door familie en kennissen van degene tegen wie zij aangifte heeft gedaan, maar verklaart zij ook dat zij niet weet wie de dader is. Dus is het niet duidelijk waarop zij baseert dat zij door familie en kennissen van de dader is bedreigd. Haar verklaring dat zij met niemand anders ruzie heeft, geeft die duidelijkheid niet en is slechts een vermoeden. De minister vindt het ook ongerijmd dat [eiseres] niet weet wie de dader is. Zij heeft immers verklaard dat zij een uitnodiging voor de zitting heeft ontvangen van het openbaar ministerie. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen.
Ook overweegt de minister dat [eiseres] na enige tijd in Baquisimeto en Aruba te hebben verbleven, telkens weer is teruggekeerd naar Punto Fijo. Bovendien heeft [eiseres] in Aruba geen verzoek tot bescherming ingediend. Dit duidt niet op vrees voor een behandeling zoals omschreven in artikel 3 EVRM.
Tot slot heeft [eiseres] nagelaten zich eerst tot de autoriteiten van haar eigen land te wenden voor bescherming. [eiseres] heeft verklaard dat zij dit niet heeft gedaan omdat je niemand bent in Venezuela als je geen geld hebt. Dit overtuigt niet, want [eiseres] heeft wel aangifte van verkrachting kunnen doen waarna een rechtszaak is gevolgd. Zij heeft geen aangifte gedaan van de bedreigingen jegens haar en haar familie.
Op basis van het voorgaande concludeert de minister dat de verklaring van [eiseres] over element 2, de bedreigingen als gevolg van de aangifte van verkrachting, niet geloofwaardig is en daarom niet verder wordt doorgetoetst aan artikel 3 van het EVRM.
Wat voert [eiseres] aan en wat vindt het Gerecht daarvan?
5. [ eiseres] voert aan dat de bestreden beschikking een motiveringsgebrek heeft, omdat de minister heeft nagelaten een voldoende integrale en individuele (door)toetsing te verrichten. De minister heeft elk element afzonderlijk besproken, maar heeft ten onrechte de elementen van het relaas van [eiseres] en de landeninformatie niet in samenhang beoordeeld.
6. De beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
Het Gerecht stelt voorop dat de beoordeling van een beschermingsverzoek begint met de vaststelling van de relevante elementen uit het vluchtrelaas van de vreemdeling. Daarna volgt per element de toetsing van de geloofwaardigheid. Dat is een integrale toetsing, waarbij per element het verzoek, de gehoorverslagen en de overgelegde bewijsstukken worden beoordeeld in het licht van alle relevante omstandigheden in samenhang bezien. In dit geval heeft de minister 3 relevante elementen onderscheiden in het vluchtrelaas van [eiseres]. De minister heeft de elementen 1 en 3 geloofwaardig geacht. Ten aanzien van element 2 heeft de minister op basis van de eigen verklaring van [eiseres], het door haar overgelegde bewijsmateriaal en het door de minister voor zover nodig en mogelijk gedane onderzoek deugdelijk gemotiveerd waarom hij het niet geloofwaardig acht dat [eiseres] en haar familie zijn bedreigd als gevolg van haar aangifte van verkrachting.
Vervolgens heeft de minister ten aanzien van de geloofwaardig geachte elementen 1 en 3 een doortoetsing verricht. Daarbij moet de minister ex nunc beoordelen of [eiseres] bij terugkeer naar Venezuela een individueel en reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM vanwege de algemene humanitaire en sociaal-economische situatie en veiligheidssituatie in Venezuela. De minister heeft blijkens de bestreden beschikking de actuele situatie in Venezuela beoordeeld en daarbij acht geslagen op de jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM). Daaruit volgt dat de humanitaire situatie in Venezuela niet zodanig is dat terugkeer een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM zou opleveren. Daarbij is van belang dat volgens de rechtspraak van het EHRM sprake kan zijn van een algemene geweldssituatie die maakt dat iedere uitzetting naar dat land een schending van artikel 3 van het EVRM zou opleveren, maar daarvan is alleen sprake in “the most extreme cases of general violence". Hoewel de veiligheidssituatie in bepaalde delen van Venezuela zorgelijk is, is geen sprake van een grootschalig gewapend binnenlands conflict.
eiseres] heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat de algemene humanitaire situatie of veiligheidssituatie in Venezuela nu significant anders is. Ook heeft [eiseres] door tijdens de zitting slechts te verwijzen naar niet nader geduide rapportages over onvoldoende bescherming van kwetsbare vrouwen niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk te vrezen heeft voor een reëel risico bij terugkeer. De minister heeft terecht geoordeeld dat [eiseres] bij terugkeer naar Venezuela geen individueel en reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.
De slotsom is dat het Gerecht in wat [eiseres] aanvoert geen grond ziet voor het oordeel dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister en de doortoetsing van de geloofwaardige elementen onvoldoende zijn gemotiveerd. Het betoog van [eiseres] slaagt dus niet.
7. Ter zitting heeft [eiseres] haar twee overige beroepsgronden ingetrokken, die het Gerecht daarom onbesproken laat.
Conclusie en gevolgen
8. De door [eiseres] aangevoerde beroepsgrond slaagt niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het beschermingsverzoek in stand blijft. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
- verklaart het beroep van [eiseres] tegen de bestreden beschikking ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.