ECLI:NL:OGEAC:2026:49

ECLI:NL:OGEAC:2026:49

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer CUR202504584
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Bodemzaak

Samenvatting

Eisers waren verwijtbaar te laat met het instellen van het bezwaar, omdat zij dat niet hebben gedaan binnen zes weken nadat zij bekend konden zijn met de bouwvergunning. De overschrijding van de termijn voor de indiening van het bezwaar is niet verschoonbaar. De minister heeft terecht beslist dat het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk is. Beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

in het geding tussen:

[eiser 1] en

[eiser 2]

eisers,

beiden wonende te Curaçao,

gemachtigde: mr. A.J. de Winter, advocaat,

en

de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (VVRP),

verweerder,

gemachtigde: mr. G.N. Hollander,

met als derde-belanghebbende:

[vergunninghouder],

vergunninghouder,

gemachtigden: mr. M.G. Woudstra en mr. R.M.C.S. van der Heide, advocaten.

Partijen worden in deze uitspraak hierna eisers, de minister en [vergunninghouder] genoemd.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eisers tegen de beslissing van de minister om het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk te verklaren wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding.

De minister heeft deze beslissing op bezwaar genomen bij beschikking van

1 oktober 2025 (de bestreden beschikking).

Eisers hebben op 12 november 2025 beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking.

De minister heeft met een verweerschrift van 28 januari 2026 op het beroep gereageerd.

Op 28 januari 2026 heeft ook [vergunninghouder] schriftelijk op het beroep gereageerd.

Het Gerecht heeft het beroep op 11 maart 2026 ter zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [vergunninghouder] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur [naam directeur] en architect [naam architect], bijgestaan door haar gemachtigde R.M.C.S. van der Heide en mr. H.M. Weijand.

Beoordeling door het Gerecht

Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eisers ongegrond is. De beroepsgronden slagen niet. Eisers waren verwijtbaar te laat met het instellen van het bezwaar, omdat zij dat niet hebben gedaan binnen zes weken nadat zij bekend konden zijn met de bouwvergunning. De overschrijding van de termijn voor de indiening van het bezwaar is niet verschoonbaar. De minister heeft terecht beslist dat het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk is.

Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Wat is relevant om te weten in deze zaak?

Bij beschikking van 5 augustus 2020 heeft de minister een bouwvergunning verleend aan O.D. International Investment N.V. voor de bouw van een woonhuis op het perceel [perceelnummer] in Boca Gentil Resort, Jan Thiel. Deze beschikking is uitgereikt aan de vergunninghouder op 26 augustus 2020.

[vergunninghouder] is de rechtsopvolger van [eerste vergunninghouder].

Eisers hebben op 19 april 2023 pro forma bezwaar gemaakt tegen deze beschikking en op 24 november 2023 aanvullende gronden ingediend. Op 3 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Vervolgens heeft de minister de bestreden beschikking genomen zoals in de inleiding vermeld.

Waarom heeft de minister het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard?

4. De minister heeft de bestreden beschikking gebaseerd op het advies van de Adviescommissie (hierna: de commissie) van 9 september 2025.

De commissie heeft het volgende overwogen.

De bezwaartermijn liep vanaf 27 augustus 2020, de dag na de uitreiking van de beschikking, tot en met 7 oktober 2020. Het bezwaarschrift is op 19 april 2023 ingediend. Dus is sprake van een aanzienlijke termijnoverschrijding. Op grond van artikel 56, vierde lid, van de Lar is beoordeeld of niet-ontvankelijkheid van het bezwaar achterwege moet blijven omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Eisers hebben desgevraagd voor de commissie toegelicht dat zij op of rond 29 maart 2023 voor het eerst activiteiten op het bewuste terrein hebben waargenomen, namelijk het verwijderen van vegetatie met een loader. De vergunninghouder heeft aangevoerd dat er al in 2022 werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Eisers hebben op de hoorzitting verklaard dat zij de activiteiten in 2022 niet hebben gezien als werkzaamheden in het kader van een bouwproject, maar als het aanleggen van een service-ingang. Ook hadden eisers niet verwacht dat op deze locatie een bouwproject mogelijk was, gezien de beperkte omvang van het perceel.

De commissie volgt het standpunt van eisers niet en acht het aannemelijk dat eisers op drie momenten vóór april 2023 kennis hadden kunnen nemen van de bouwvergunning. De bouwvergunning was sinds 2020 gepubliceerd via de website van het ministerie van VVRP. Verder is in januari 2021 door de Vereniging van Eigenaren (VvE) Boca Gentil bezwaar ingediend tegen deze bouwvergunning. Ook zijn er in 2022 werkzaamheden op het terrein uitgevoerd. Het bezwaar had op grond van vaste jurisprudentie binnen zes weken na het betreffende moment moeten worden ingediend en daaraan is niet voldaan, aldus de commissie.

De commissie concludeert dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarom adviseert de commissie het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren.

Wat voeren eisers aan en wat vindt het Gerecht daarvan?

5. Eisers blijven bij hun betoog dat zij wel ontvankelijk zijn in bezwaar, omdat zij pas op 29 maart 2023 werkzaamheden hebben gezien op het perceel (het weghalen van vegetatie) die leidden tot het vermoeden dat het ging om (voorbereidende) bouwwerkzaamheden. Vervolgens hebben eisers tijdig, op 19 april 2023, daartegen bezwaar ingediend.

Eisers voeren allereerst aan dat zij niet al in 2020 kennis hebben kunnen nemen van de bouwvergunning. Al zouden eisers de publicatie op de website van VVRP destijds wel hebben gezien, dan zouden ze niet hebben kunnen weten dat het een bouwvergunning voor het bewuste perceel betrof. Volgens eisers is de publicatie niet toereikend, omdat de locatieaanduiding onvoldoende specifiek is. De enkele aanduiding “Boca Gentil” is onduidelijk en onvindbaar want het betreft een hele woonwijk, aldus eisers.

Verder betogen eisers dat zij ook in 2022 niet hebben kunnen weten dat de werkzaamheden die werden uitgevoerd betrekking hadden op een bouwproject. Er werd een brug aangelegd over de rooi buiten het perceel en daarachter werd een hek geplaatst. Eisers hebben daaruit niet kunnen afleiden dat het om (voorbereidende) bouwwerkzaamheden ging, omdat de werkzaamheden niet op het perceel maar in de openbare ruimte erachter werden verricht. Eisers gingen ervan uit dat er een toegang tot het resort werd gecreëerd. Bovendien hadden eisers gezien de beperkte omvang en de ligging van het perceel niet verwacht dat een bouwproject op het perceel mogelijk is. Eisers hebben ter zitting hieraan toegevoegd dat ze dachten dat het perceel bestemd was als tuin. Ook is Boca Gentil al zo’n 15 jaar geleden opgeleverd en is er sindsdien niets meer gebouwd. Eisers konden daarom niet verwachten dat er na zoveel jaren nog iets gebouwd zou worden.

Tot slot hebben eisers ter zitting benadrukt dat zij geen lid zijn van de VvE van Boca Gentil. Eisers wonen niet in het resort Boca Gentil en hebben geen contact met de VvE van Boca Gentil.

6. De beroepsgronden slagen niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

Het Gerecht gaat uit van het volgend wettelijk kader.

Volgens artikel 56, eerste lid, van de Lar bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt de termijn aan op de dag na die waarop de beschikking is gegeven.

Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat de dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt, geldt als de dag waarop deze is gegeven.

Het derde lid van artikel 56 van de Lar bepaalt dat wanneer het bezwaarschrift na afloop van de daarvoor gestelde termijn is ingediend, niet-ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege blijft, indien de bezwaarde aantoont dat de termijnoverschrijding het gevolg is van hem niet toe te rekenen bijzondere omstandigheden en dat hij het bezwaarschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.

Tussen partijen is niet in geschil en ook het Gerecht stelt vast dat eisers het bezwaarschrift op 19 april 2023 en dus geruime tijd na afloop van de bezwaartermijn van zes weken (die liep tot en met 7 oktober 2020) hebben ingediend. De vraag die voorligt is of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet een belanghebbende vanaf het moment dat deze te weten is gekomen dat een (bouw)vergunning is verleend, daartegen zo spoedig mogelijk als dit redelijkerwijs verlangd kon worden beroep instellen. Daarvoor is bepalend het moment waarop de belanghebbende wist of kon weten dat een bouwvergunning is verleend. Soms is dat het moment van vergunningverlening of het moment van publicatie van de vergunning op de website van het ministerie. Vaak is dat het moment waarop een belanghebbende wordt geconfronteerd met de gevolgen van de bouwwerkzaamheden. Een belanghebbende is in ieder geval niet verwijtbaar te laat met het instellen van het beroep als hij dat doet binnen zes weken nadat hij bekend was geworden met de (bouw)vergunning.

Het Gerecht sluit voor het beoordelen van de ontvankelijkheid van de indiening van het bezwaar van eisers bij deze rechtspraak aan.

Het Gerecht is van oordeel dat eisers in ieder geval vanaf het moment van de werkzaamheden in 2022 konden weten dat een bouwvergunning was verleend. Eisers hebben verklaard dat zij in 2022 werkzaamheden hebben waargenomen, die bestonden uit het aanleggen van een brug over de rooi, het plaatsen van een hek en het daarbij weghalen van vegetatie. Dit sluit grotendeels aan bij de beschrijving van de werkzaamheden die [vergunninghouder] heeft gegeven. Het Gerecht heeft ter zitting samen met partijen een foto bekeken die de gebouwde brug over de rooi weergeeft en aansluitend een hek die toegang geeft tot het perceel. Naar het oordeel van het Gerecht doen deze werkzaamheden op zijn minst vermoeden dat er sprake is van (voorbereidende) bouwwerkzaamheden, ook al vonden zij plaats buiten de perceelgrens. Eisers hadden daarom navraag moeten doen of er sprake is van een bouwvergunning, in plaats van te varen op hun aannames dat het om een toegang tot het resort zou gaan en dat het perceel qua omvang en ligging niet geschikt kon zijn voor een bouwproject. Dat het perceel altijd in gebruik was als tuin en het feit dat er al 15 jaren sinds de oplevering van het resort nooit meer gebouwd was, zijn juist redenen om onderzoek te doen als er plotseling na zo’n lange tijd een brug en een hek worden geplaatst.

Omdat niet vast is komen te staan wanneer in 2022 de brug en het hek zijn geplaatst, gaat het Gerecht ervan uit dat eisers op 31 december 2022 hadden kunnen weten dat een bouwvergunning was verleend. Eisers hadden vanaf dat moment zes weken om (pro forma) bezwaar in te dienen met als uiterste datum 11 februari 2023. Het pro forma bezwaarschrift is echter pas op 19 april 2023 ingediend. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het bezwaar is ingediend zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd.

Het Gerecht concludeert dat eisers verwijtbaar te laat bezwaar hebben gemaakt. De minister heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het betoog van eisers slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Omdat de beroepsgronden van eisers tegen de bestreden beschikking niet slagen, is hun beroep ongegrond. Dat betekent dat de bestreden beschikking en daarmee ook de verleende bouwvergunning in stand blijven. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het Gerecht:

- verklaart het beroep van eisers tegen de bestreden beschikking ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?