GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202600530
Vonnis in kort geding van 11 maart 2026
in de zaak van
[EISERES], wonend in Duitsland,eiseres,gemachtigde: mr. E. Bokkes,
tegen
STICHTING BEHEER DERDENGELDEN ADVOCATENKANTOOR VANEPS,
gevestigd in Curaçao,gedaagde, hierna: ‘de Stichting’,gemachtigden: mrs. R.F. van den Heuvel en N.G. Blokland.
1. Het procesverloop
Eiseres heeft op 13 februari 2026 een verzoekschrift en op 27 februari 2026 een akte van eiswijziging ingediend. Het kort geding is behandeld op 4 maart 2026. De gemachtigden zijn ter zitting verschenen, alsmede mr. […], bestuurder van de Stichting. De gemachtigden hebben pleitnotities voorgedragen en overgelegd.
Ter zitting heeft de Stichting een incidentele vordering tot zekerheidstelling gedaan als bedoeld in art. 477a lid 2 Rv. De gemachtigde van eiseres heeft desgevraagd mondeling bevestigd dat zijn kantoor instaat voor de betaling van Cg 1.500 voor gemachtigdensalaris, mocht eiseres tot betaling daarvan worden veroordeeld.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten:
a. a) Bij beschikking van dit gerecht van 10 november 2025 (CUR202402709), hierna ‘het exequatur’, is aan eiseres verlof tot tenuitvoerlegging verleend van een door haar in Duitsland verkregen veroordelend vonnis tegen de Curaçaose vennootschap Raging Rhino N.V. Die veroordeling betrof een bedrag van in hoofdsom € 372.016 ter zake, kort samengevat, door eiseres geleden verliezen in het zonder vergunning voor Duitsland opererende online casino van Raging Rhino. Bij vonnis van diezelfde dag heeft het gerecht uitspraak gedaan in een zaak waarin door Raging Rhino werd gevorderd voor recht te verklaren dat het Duitse vonnis niet voor erkenning in aanmerking kwam (CUR202402467). Bij dat vonnis werd die vordering afgewezen, met veroordeling van Raging Rhino in de proceskosten.
b) Raging Rhino heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof tegen het exequatur en tegen het vonnis. Daarop is nog niet beslist.
c) In december 2025 heeft eiseres bij dit gerecht het faillissement van Raging Rhino aangevraagd. Bij de behandeling daarvan werd Raging Rhino bijgestaan door het advocatenkantoor dat verbonden is aan de Stichting. Namens Raging Rhino is op die zitting gesteld dat de Stichting € 503.948,46 onder zich hield in verband met de vordering van eiseres, waarbij werd verwezen naar een door Raging Rhino overgelegd rekeningoverzicht. Ook werd daarbij namens Raging Rhino gewezen op de overgelegde, al door Raging Rhino en de Stichting getekende escrow-overeenkomst, waarin eiseres als derde partij is opgenomen en waarin de Stichting zich verplicht aan eiseres uit te keren hetgeen aan haar bij onherroepelijke uitspraak zal worden toegewezen, tot een maximum van € 503.948,46 minus kosten. Namens eiseres is haar faillissementsaanvraag op die faillissementszitting ingetrokken. De escrow-overeenkomst heeft eiseres niet getekend.
d) Op 6 januari 2026, daags na de behandeling op de faillissementszitting, heeft eiseres met het exequatur ten laste van Raging Rhino executoriaal derdenbeslag doen leggen onder de Stichting, met bevel tot afdracht van het beslagene en tot het afleggen van de verklaring als bedoeld in art. 476a Rv na vier weken.
d) Bij e-mail van 3 februari 2026 heeft de advocaat van eiseres de Stichting verzocht per ommegaande verklaring te doen, gevolgd door een rappel op 5 februari waarin met rechtsmaatregelen werd gedreigd. Op vrijdag 6 februari 2026 antwoordde de Stichting ‘Veel dank voor uw verzoek. [De Stichting] is bezig alle informatie te verzamelen om een verklaring te doen. We verwachten u uiterlijk begin volgende week te berichten.’
e) Op vrijdag 13 februari 2026 is namens eiseres het verzoekschrift in dit kort geding ingediend en heeft zij de Stichting daarvan in kennis gesteld.
f) Later die dag heeft de Stichting verklaring gedaan. Zij verklaart dat zij op het tijdstip van beslaglegging ter zake veertien procedures voor in totaal (door het gerecht afgerond) ruim € 2 miljoen aan derdengelden onder zich heeft ten aanzien waarvan Raging Rhino en de desbetreffende wederpartijen telkens ieder een voorwaardelijk recht toekomt op uitkering. Volgens de verklaring volgt dit uit de toepasselijke voorwaarden en ligt aan de door haar gehouden bedragen telkens een twee- of driepartijen overeenkomst (escrow agreement) ten grondslag, gesloten tussen Raging Rhino, de Stichting (als escrow agent) en de wederpartij in de betreffende procedure. Het gehouden bedrag met betrekking tot de vordering van eiseres is € 503.948,46. De Stichting sluit haar verklaring als volgt af:
‘Het voorgaande betekent dat Raging Rhino slechts een voorwaardelijk recht heeft op die gelden, namelijk afhankelijk van de uitkomsten van de genoemde procedures dan wel van een of meer aan [de Stichting] te geven gezamenlijke instructies van Raging Rhino en de betreffende wederpartij tot uitkering. Aldus heeft Raging Rhino op het moment van deze verklaring geen opeisbare vordering(en) op [de Stichting] en is (nog) onzeker of zij die in de toekomst zal krijgen. Daarvan zal slechts sprake zijn als (i) in de bovengenoemde procedure(s) (...) is beslist dat de bedragen niet zijn verschuldigd aan de betreffende derde(n) jegens wie zekerheid is gesteld of (ii) Raging Rhino en de betreffende derde(n) een gezamenlijke instructie geven aan [de Stichting] tot uitkering van gelden aan Raging Rhino.’
3. De vorderingen en de wettelijke grondslagen daarvan
Eiseres vordert in dit kort geding veroordeling van de Stichting tot betaling van de bedragen waarvoor door haar onder de Stichting beslag is gelegd.
Aanvankelijk, bij verzoekschrift, legde zij aan deze vordering art. 477a lid 1 ten grondslag, dat luidt:
Artikel 477a lid 1
Indien de derde-beslagene in gebreke blijft verklaring te doen, wordt hij op vordering van de executant veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, als ware hij daarvan zelf schuldenaar, onverminderd zijn verplichting tot vergoeding van de schade, zo daartoe gronden zijn. De derde-beslagene tegen wie deze vordering wordt ingesteld, wordt toegelaten alsnog een gerechtelijke verklaring te doen. De kosten die in dat geval nodeloos zijn veroorzaakt, worden voor zijn rekening gebracht.
Bij akte van eiswijziging heeft eiseres art. 477 lid 1 Rv en art. 477a lid 2 Rv aan haar vordering ten grondslag gelegd, met als subsidiaire vordering dat de Stichting eerst wordt toegelaten alsnog een correcte gerechtelijke verklaring te doen. Deze bepalingen luiden:
Artikel 477 lid 1
De derde-beslagene die overeenkomstig artikel 476b verklaring heeft gedaan, is verplicht de volgens zijn verklaring verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te voldoen en de verschuldigde goederen of af te geven zaken tot zijn beschikking te stellen.
Artikel 477a lid 2
Indien de derde-beslagene wel een verklaring heeft afgelegd, is de executant bevoegd deze geheel of ten dele te betwisten, dan wel aanvulling daarvan te eisen door de derde binnen twee maanden na zijn verklaring te doen oproepen tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan de executant zal blijken toe te komen. Overschrijding van deze termijn doet deze bevoegdheid vervallen. De rechter kan op verlangen van de derde-beslagene, te uiten vóór alle weren, bepalen dat de executant, op straffe van niet-ontvankelijkheid, zekerheid moet stellen voor de proceskosten waarin hij jegens de derde-beslagene kan worden veroordeeld.
4. De beoordeling
Vonnis in de zaak CUR202402467
Ook voor de aan haar bij het vonnis in de zaak CUR202402467 toegewezen proceskosten heeft eiseres, eveneens op 6 januari 2026, executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Stichting. De uitvoerbaarheid van de proceskostenveroordeling is echter geschorst door het door Raging Rhino tegen het vonnis ingestelde hoger beroep. Voor zover eiseres haar vordering in dit kort geding mede grondt op de proceskostenveroordeling in het vonnis, staat daaraan in de weg dat die veroordeling (nog) niet verder ten uitvoer kan worden gelegd en dat de Stichting (nog) geen verklaring hoeft af te leggen.
Exequatur en executiebevoegdheid
Vooropgesteld wordt dat eiseres sinds 2023 over een onherroepelijk veroordelend vonnis tegen Raging Rhino beschikt van de Duitse rechter. Aan haar is in Curaçao verlof tot tenuitvoerlegging verleend. Dat exequatur is op grond van de wet (art. 988 lid 2 Rv) uitvoerbaar bij voorraad, en is in de beschikking zelf ook nog eens uitdrukkelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Van eiseres kan gelet hierop dan ook niet zonder meer worden gevergd dat zij genoegen neemt met zekerheid, zoals door een escrow-overeenkomst. Eiseres is bevoegd verhaal te zoeken voor haar vordering.
Van misbruik van bevoegdheid zou sprake kunnen zijn als namens eiseres, zoals door de Stichting is gesteld en namens eiseres is betwist, tijdens de faillissementszitting is ingestemd met de aangeboden escrow-overeenkomst. In dit kort geding zijn er echter onvoldoende aanwijzingen dat daarvan sprake is geweest, nog daargelaten dat eiseres zelf niet op die zitting aanwezig was. Vaststaat bovendien dat de escrow-overeenkomst niet door eiseres is getekend en dat er tussen partijen ook niet over is gecorrespondeerd. Dat namens eiseres aanleiding werd gezien de faillissementsaanvraag niet door te zetten toen bleek dat Raging Rhino ruim € 500.000 naar de Stichting had overgemaakt in verband met de vordering van eiseres, is onvoldoende om aan te nemen dat eiseres (voorlopig) afstand deed van haar executiebevoegdheid. In dit kort geding wordt dan ook tot uitgangspunt genomen dat eiseres gerechtigd was tot executoriale beslaglegging.
Verplichting van de Stichting tot het afleggen van een verklaring
Beoordeeld moet worden of de Stichting in dit kort geding veroordeeld kan worden tot betaling van hetgeen waarvoor eiseres executoriaal derdenbeslag onder haar heeft gelegd (welk bedrag naar het gerecht begrijpt lager is dan het bedrag dat de Stichting van Raging Rhino heeft ontvangen ter zake de vordering van eiseres).
Op het moment van indiening van het verzoekschrift in dit kort geding had de Stichting nog niet de verklaring derdenbeslag gedaan als bedoeld in art. 476a Rv. Dat opende voor eiseres de mogelijkheid om de Stichting op de voet van art. 477a lid 1 Rv tot betaling aan te spreken. Door de Stichting is aangevoerd dat eiseres haar op art. 477a lid 1 Rv gebaseerde vordering prematuur heeft ingesteld, daar nog geen sprake was van verzuim. Het gerecht volgt de Stichting daarin niet. Ingevolge art. 476a Rv moet de derde ‘zodra vier weken zijn verstreken na het leggen van het beslag’ verklaring doen. Gedurende die periode heeft de derde de gelegenheid de af te leggen verklaring voor te bereiden. Vervolgens, na ommekomst van die vier weken, moet de derde een redelijke termijn ten dienste staan om aan de verplichting tot het doen van verklaring te voldoen. Verzuim treedt niet van rechtswege in na afloop van die vier weken. Eiseres heeft de Stichting bij e-mails van 3 en 5 februari 2026 gesommeerd per ommegaande verklaring te doen. Een concrete termijn werd daarbij niet genoemd. Die termijn is vervolgens wel door de Stichting zelf ingevuld en daarmee bepaald: zij antwoordde op 6 februari 2026 dat zij verwachtte eiseres ‘begin volgende week’ te kunnen berichten. Die aldus voor nakoming bepaalde termijn in de zin van art. 6:83 sub a BW was verstreken toen eiseres op vrijdag, toen het onmiskenbaar niet langer het begin van de week was, haar verzoekschrift indiende en zich beriep op de (eigen) betalingsverplichting van de Stichting op grond van art. 477a lid 1 Rv.
Later diezelfde vrijdag heeft de Stichting alsnog verklaring gedaan. Daarmee voldeed zij alsnog aan haar wettelijke verplichting. Daarmee had zij, zoals uit het voorgaande volgt, iets te lang gedraald. De tot dan door eiseres gemaakte kosten voor dit kort geding dienen voor rekening van de Stichting te komen.
Nieuwe grondslag voor de vordering
Vervolgens heeft eiseres de grondslag van haar vordering gewijzigd, in die zin dat zij haar vordering tot betaling nu baseert op art. 477 lid 1 Rv (afdracht conform de afgelegde verklaring) dan wel art. 477a lid 2 Rv (afdracht na betwistingsprocedure).
Geen afdracht op grond van art. 477 lid 1 Rv
De Stichting heeft, zoals ter zitting nader toegelicht, verklaard dat zij nu nog niets aan Raging Rhino verschuldigd is. Volgens de Stichting heeft Raging Rhino een voorwaardelijke vordering op de Stichting, namelijk voor zover vast komt te staan dat de Stichting op grond van een onherroepelijke gerechtelijke uitspraak (in de exequaturprocedure) niet aan eiseres hoeft te betalen. Dat heeft zij zo met Raging Rhino afgesproken. Er is volgens de Stichting dus sprake van een voorwaarde als bedoeld in art. 477 lid 3 Rv, waardoor afdracht slechts kan worden gevorderd na vervulling van de voorwaarde. Uit deze verklaring van de Stichting, wat daar verder inhoudelijk van zij, blijkt dat zij verklaart (nog) niets aan Raging Rhino verschuldigd te zijn. Afdracht op grond van art. 477 lid 1 Rv is in dit kort geding daarom niet aan de orde.
Geen vaststelling in betwistingsprocedure in kort geding
Aan de orde komt dus de (derde) grondslag van de betalingsvordering van eiseres: de betwisting door eiseres ex art. 477a lid 2 Rv en de betalingsverplichting ingevolge dat artikel na ‘de vaststelling door de rechter van hetgeen aan de executant zal blijken toe te komen’. Op dit laatste strandt ook deze grondslag: een kort geding leent zich naar haar aard niet voor een vaststelling als hier bedoeld. In dit kort geding kan dan ook in het midden blijven of de Stichting de door haar met Raging Rhino gesloten, niet door eiseres getekende escrow-overeenkomst aan eiseres kan tegenwerpen. Hetzelfde geldt voor de overige door de Stichting gevoerde verweren.
Slotsom en kosten
Op grond van het voorgaande zullen de vorderingen van eiseres worden afgewezen. Gelet op overweging 4.6 en de mate waarin partijen over en weer als de in het ongelijk gestelde partij zijn aan te merken, zal de Stichting worden veroordeeld in de proceskosten voor zover het betreft de door eiseres betaalde griffierechten, en zullen de proceskosten voor het overige worden gecompenseerd.
5. De beslissing in kort geding
Het gerecht:
wijst af het door eiseres gevorderde;
veroordeelt de Stichting tot betaling aan eiseres van Cg 7.500 aan griffierecht, bij niet-voldoening te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de uitspraak van dit vonnis, en verrekent de proceskosten voor het overige in die zin dat partijen de eigen proceskosten dragen;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en in het openbaar uitgesproken.