GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
in het geding tussen:
[eiseres],
gevestigd te Curaçao,
eiseres,
gemachtigde: mr. Th. Aardenburg,
en
de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (VVRP),
verweerder,
gemachtigde: mr. E.A.M.J. van den Berg.
Partijen worden in deze uitspraak hierna eiseres en de minister genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de beslissing van de minister tot weigering van een bouwvergunning.
Eiseres heeft aanvankelijk op 26 februari 2025 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op de aanvraag van een bouwvergunning. Deze aanvraag is door eiseres gedaan op 9 november 2022.
De minister heeft op 4 april 2025 alsnog op de aanvraag van een bouwvergunning beslist en de bouwvergunning geweigerd (de bestreden beschikking). De minister heeft deze beschikking bij verweerschrift van 7 april 2025 overgelegd.
Eiseres heeft het Gerecht per email van 17 april 2025 bericht dat haar beroep zich op grond van artikel 9c, eerste lid, van de Lar mede richt tegen de bestreden beschikking. Op 7 mei 2025 dient eiseres een aanvullende productie in.
Eiseres heeft op 9 september 2025 gronden ingediend tegen de bestreden beschikking. De minister heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen verweerschrift ingediend. Wel heeft de minister op 7 november 2025 een toelichting van de brandweer ingediend. Op 8 november 2025 dient eiseres twee aanvullende producties in.
Het Gerecht heeft het beroep op 10 november 2025 ter zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur [directeur eiseres] en is bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder zijn namens de minister verschenen [medewerker 1] en [medewerker 2] van de Uitvoeringsorganisatie Ruimtelijke Ordening en Planning (UO ROP). Ook is op verzoek van het Gerecht verschenen [medewerker brandweer] van de Brandweer Curaçao (brandweer).
Op de zitting heeft het Gerecht afspraken gemaakt met partijen die nadien in een mail zijn vastgelegd. De op 8 november 2025 door eiseres ingediende aanvullende producties betreffen een testrapport van Efectis. De brandweer heeft ter zitting een geprint exemplaar van dit testrapport van Efectis ontvangen en toegezegd om op basis van dat testrapport uiterlijk op 24 november 2025 een nieuw advies uit te brengen. Verder is tijdens de zitting afgesproken dat de minister vervolgens uiterlijk op 8 december 2025 een nieuwe beslissing zal nemen over de aanvraag van de bouwvergunning.
Omdat een nieuw advies van de brandweer binnen de gestelde termijn uitbleef, heeft het Gerecht meermalen, op 4 december 2025, 18 december 2025 en 22 januari 2026, de minister herinnerd aan de gemaakte afspraken. De minister heeft telkens niet gereageerd. Ook eiseres heeft in een bericht van 12 december 2025 gewezen op het niet nakomen van de afspraken en daaraan toegevoegd dat zij het testrapport van Efectis op verzoek nog een tweede keer heeft gemaild aan de brandweer.
Op 5 februari 2026 heeft het Gerecht zowel de minister als de brandweer een laatste maal erop geattendeerd dat het advies van de brandweer nog steeds niet binnen is. De minister heeft op 9 februari 2026 bericht dat hij nog geen advies van de brandweer heeft ontvangen. Eiseres heeft diezelfde dag gereageerd en bericht dat zij nogmaals is benaderd door de brandweer met het verzoek om het testrapport van Efectis te mailen, aan welk verzoek zij op 24 januari 2026 heeft voldaan.
Daarop heeft het Gerecht besloten om een regiezitting te plannen.
Op 4 maart 2026 heeft de regiezitting plaatsgevonden. Namens eiseres is verschenen [directeur eiseres], bijgestaan door haar gemachtigde. De minister en de brandweer zijn ondanks een uitnodiging die per mail verstuurd is aan de gemachtigde en aan [medewerker brandweer] zonder berichtgeving aan het Gerecht niet verschenen.
Beoordeling door het Gerecht
Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag van een bouwvergunning is niet-ontvankelijk. Op haar aanvraag is immers inmiddels op beslist.
Het beroep van eiseres tegen de weigering van de bouwvergunning is gegrond. De beroepsgrond over kort gezegd het lange proces van besluitvorming slaagt. De minister heeft de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig voorbereid, door een te afwachtende houding aan te nemen richting de brandweer. De bestreden beschikking zal daarom worden vernietigd. De overige beroepsgronden over de onbegrijpelijkheid van de motivering van de bestreden beschikking en over strijd met het gelijkheidsbeginsel slagen niet.
Met het oog op finale geschilbeslechting ziet het Gerecht aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het Gerecht zal de minister opdragen de bouwvergunning aan eiseres te verlenen. Daarbij heeft het Gerecht met name het lange tijdsverloop en het gebrek aan daadkrachtig handelen van de minister in aanmerking genomen. Ook acht het Gerecht zich voldoende voorgelicht over het enige resterende geschilpunt en is niet gebleken van belangen van derden die in de besluitvorming zouden moeten worden betrokken.
Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
Eiseres heeft op 9 november 2022 een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning voor het bouwen van een woonhuis te [adres].
Op 21 november 2022 heeft UO ROP de bouwaanvraag goedgekeurd en een concept-bouwvergunning opgesteld.
UO ROP heeft op 15 februari 2023 advies gevraagd aan de brandweer. De brandweer heeft op 7 september 2023 negatief geadviseerd, omdat er geen materiaal specificatie met stempel en/of handtekening van het bedrijf is ontvangen waardoor de brandveiligheid niet kan worden beoordeeld.
Op 26 februari 2024 schrijft eiseres een brief aan de minister met afschrift aan de brandweer met het verzoek om een beslissing te nemen op de bouwaanvraag. In de brief staat verder dat eiseres herhaaldelijk navraag heeft gedaan naar de status en dat haar is gebleken dat UO ROP de aanvraag heeft goedgekeurd maar dat de brandweer nog moet oordelen. Ook schrijft eiseres dat zij aanvullende stukken van de fabrikant en de leverancier van de woning over de brandveiligheid heeft verstrekt.
Het Gerecht heeft op 30 oktober 2024 (CUR202401357) uitspraak gedaan op een door eiseres op 19 april 2024 ingesteld beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag van een bouwvergunning. In die uitspraak heeft het Gerecht onder meer overwogen dat uit het verweerschrift blijkt dat UO ROP de aanvraag heeft goedgekeurd, maar nog in afwachting is van advies van de brandweer. Het is voor de minister ook niet duidelijk welke documenten nog ontbreken om de brandveiligheid van het bouwproject te kunnen toetsen en de minister heeft daarom op 21 juni 2024 contact met de brandweer opgenomen. Het Gerecht gaat er in deze uitspraak van uit dat de bouwaanvraag voldoet aan de in artikel 16, eerste lid, van de Bouw- en woningverordening (Bwv) genoemde vereisten en constateert dat de minister niet binnen de wettelijke termijn van artikel 21 van de Bwv een beschikking heeft genomen. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de met een beschikking gelijk te stellen weigering om te beschikken op de aanvraag wordt vernietigd en bepaald dat de minister binnen één maand na de uitspraak alsnog moet beschikken.
Zoals uit de inleiding blijkt heeft de minister op 4 april 2025 beslist op de bouwaanvraag, nadat eiseres de onderhavige beroepsprocedure had opgestart.
Waarom is het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag van een bouwvergunning niet-ontvankelijk?
Eiseres heeft aanvankelijk beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag van een bouwvergunning. Artikel 9c, eerste lid, van de Lar bepaalt voor zover hier relevant dat indien beroep aanhangig is tegen een weigering om te beschikking op een verzoek, en het bestuursorgaan alsnog een beschikking geeft, het beroep mede betrekking heeft op deze beschikking.
Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag van een bouwvergunning heeft dus van rechtswege ook betrekking op de inhoudelijke beslissing van de minister van 4 april 2025.
Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag van een bouwvergunning is niet-ontvankelijk. De minister heeft immers beslist op de aanvraag van de bouwvergunning.
Het Gerecht is van oordeel dat eiseres het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag van een bouwvergunning terecht heeft ingesteld nu de minister ten tijde van de indiening van dat beroep nog niet had beslist op het ruim twee jaar oude verzoek. Daarmee is de wettelijke beslistermijn van maximaal drie maanden die volgt uit artikel 21 van de Bwv ruimschoots overschreden. Daarom ziet het Gerecht in die zaak aanleiding voor een veroordeling van de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten en vergoeding van het door haar betaalde griffierecht.
Waarom heeft de minister de bouwvergunning geweigerd?
5. De bestreden beschikking is gebaseerd op de weigeringsgrond van artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv. De minister heeft de weigering van de bouwvergunning gebaseerd op de adviezen van de brandweer van 7 september 2023 en 3 april 2025 en het advies van UO ROP van 4 april 2025. In de beschikking overweegt de minister dat de aanvrager ondanks herhaalde verzoeken van de brandweer onvoldoende documentatie heeft aangeleverd om de brandveiligheid van de woning te waarborgen. De brandweer kan op basis van de geleverde documentatie geen positief advies geven voor het nieuwe bouwsysteem. De inhoud van het eerste advies van de brandweer van 7 september 2023 is hiervoor onder 3.3 al weergegeven. Op 3 april 2025 schrijft de brandweer dat alle bouwmaterialen moeten voldoen aan de vereiste brandwerendheid op bezwijken, uitgedrukt in minuten. Deze waarde is met name van belang voor dragende constructies, waaronder de hoofddraagconstructie. Volgens de brandweer ontbreekt voldoende bewijsmateriaal ten aanzien van de brandwerendheid op bezwijken (in minuten). De brandweer adviseert dat de aanvrager aanvullende documentatie en gecertificeerde testresultaten aanlevert, die aantonen dat het volledige bouwsysteem voldoet aan de brandveiligheidsnormen zoals gesteld in het Eilandsbesluit Technische brandpreventie voorschriften Curaçao (ETbvC).
Wat voert eiseres aan en wat vindt het Gerecht daarvan?
6. Eiseres betoogt allereerst dat het handelen van de minister in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het fairplay beginsel. Eiseres voert daartoe aan dat zij sinds het indienen van de bouwaanvraag al enkele jaren van het kastje naar de muur wordt gestuurd. De bouwaanvraag wordt door de brandweer getraineerd, terwijl UO ROP al akkoord heeft gegeven op de aanvraag. Het had na al die tijd op de weg van de minister (de brandweer) gelegen om specifiek aan te geven wat er nog nodig is voor de aanvraag. Dat heeft de minister nagelaten. De belangen van eiseres worden hierdoor miskend. Eiseres wordt in haar voortbestaan bedreigd, nu zij door de onzekerheid projecten stil heeft moeten leggen.
7. Deze beroepsgrond slaagt. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
De minister schrijft in het verweerschrift van 7 april 2025 dat het hem sinds het advies van de brandweer van 7 september 2023 niet duidelijk was welke documenten nog ontbreken en aan welke eisen de bouwmaterialen moeten voldoen om de bouwvergunning te kunnen verlenen. De minister heeft op 21 juni 2024 de brandweer om een aanvulling verzocht. Tot aan het instellen van het huidig beroep is een aanvullend advies uitgebleven, ondanks herhaalde verzoeken. Daarom heeft de besluitvorming lang geduurd, aldus de minister.
De brandweer bestrijdt in zijn toelichting van 7 november 2025 de stelling van eiseres dat de brandweer traag en niet transparant heeft gehandeld.
Ter zitting heeft de minister toegevoegd dat er normaliter geen advies aan de brandweer wordt gevraagd bij een bouwaanvraag voor een enkel woonhuis. De brandweer adviseert alleen bij de bouw van commerciële gebouwen en appartementencomplexen. De minister heeft echter in dit geval gemeend dat een advies van de brandweer zekerheidshalve aangewezen is, omdat het gaat om een nieuw type woning en nieuwe materialen.
Het Gerecht is van oordeel dat de minister de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid.
Sinds de indiening van de bouwaanvraag op 9 november 2022 heeft het bijna 2,5 jaar geduurd voordat de minister een beschikking heeft gegeven, niet uit eigen beweging, maar pas nadat eiseres een tweede beroepsprocedure entameerde. Ook de uitspraak van het Gerecht van 30 oktober 2024 heeft de minister niet kunnen aansporen om een beslissing te nemen. Daarbij komt dat de aanvraag in principe al op 21 november 2022 voor goedkeuring gereed lag, op een advies van de brandweer na. Het staat de minister vrij om in afwijking van zijn gebruikelijke werkwijze in een voorkomend geval advies te vragen aan de brandweer, maar dat ontslaat de minister niet van zijn plicht om de (wettelijke) beslistermijn te blijven bewaken en tijdig te beslissen. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de minister inbreuk gemaakt op de rechtszekerheid van eiseres, die er belang bij heeft om binnen een redelijke termijn te weten waar zij aan toe is.
Daarmee samenhangend heeft de minister niet voldoende actie ondernomen om duidelijkheid te krijgen van de brandweer over wat er nog nodig was ter completering van de aanvraag. Het was de minister sinds het eerste advies van de brandweer van 7 september 2023 niet duidelijk welke documenten nog ontbraken. Zowel in het eerste advies van de brandweer als in de overgelegde mailwisseling tussen eiseres en de brandweer van de periode april tot november 2023 wordt gesproken over specificatie van (de brandwerendheid van) het materiaal dat voorzien moet zijn van een stempel en handtekening. Eiseres heeft daarop op 2 oktober 2023 het rapport “Classification report reaction fire” aan de brandweer gestuurd en nogmaals -in de getekende en gestempelde versie- op 16 februari 2024, door tussenkomst van de Ombudsman. Pas uit de bestreden beschikking blijkt dat de toetsing van de brandweer ziet op de brandwerendheid van bezwijken van de gehele bouwconstructie conform de normen van het ETbvC en dat eiseres onvoldoende stukken had ingeleverd. Volledige opheldering volgde pas door de toelichting van de brandweer van 7 november 2025 en de nadere uitleg van de brandweer ter zitting. Volgens de brandweer wordt de brandwerendheid op bezwijken van de gehele bouwconstructie niet aangetoond door het door eiseres ingeleverde rapport waaruit slechts de brandreactie classificatie van de bouwmaterialen blijkt. Deze verduidelijking door de brandweer van de vereiste stukken had de minister eerder kunnen en moeten bewerkstelligen. Verder dan enkele gestelde verzoeken van de minister aan de brandweer sinds 21 juni 2024, waarvan geen vastlegging is overgelegd, is het niet gekomen. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de minister door deze te afwachtende houding richting de brandweer aan te nemen de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
De slotsom is dat de beroepsgrond slaagt. De bestreden beschikking zal worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Tot welke gevolgen dit leidt zal het Gerecht uitleggen na de bespreking van de overige beroepsgronden.
8. Eiseres voert verder aan dat de bestreden beschikking ook inhoudelijk niet in stand kan blijven. Het door eiseres ingediende rapport “Classification report reaction fire” toont aan dat aan de geteste bouwmaterialen een klasse A1 is toegekend, de hoogste brandklasse in het classificatiesysteem van de Europese Unie die aangeeft dat de materialen onbrandbaar zijn. Dit geldt voor alle door eiseres beoogde materialen: de cementplaten, het steenwol en het gegalvaniseerd staal. Daarmee voldoet het bouwplan volgens eiseres ook aan de in het ETbvC gestelde grenswaarde van de brandwerendheid op bezwijken van minimaal 20 minuten. Eiseres concludeert dat zij een onbrandbare woning bouwt en vindt het onbegrijpelijk dat volgens de brandweer de brandveiligheid van de woning niet is aangetoond.
9. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
De bouwaanvraag is geweigerd op grond van artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv. Dat artikel bepaalt kort gezegd dat een bouwvergunning wordt geweigerd als het gebouw wegens de ligging of wegens de bouwwijze brandgevaarlijk voor de omgeving zal zijn.
Zoals hiervoor in 6.2.2 is weergegeven moet de brandwerendheid op bezwijken van de gehele bouwconstructie (hoe lang houdt de volledige constructie stand voordat het bezwijkt) worden onderscheiden van de brandreactie classificatie van de bouwmaterialen (in hoeverre doet het materiaal mee aan de brand). Het door eiseres ingediende rapport volstaat niet om de brandwerendheid op bezwijken van de gehele bouwconstructie aan te tonen. Volgens de toelichting van de brandweer van 7 november 2025 is een rapport of certificaat nodig met testresultaten uitgedrukt in de zogenoemde REI-waarde in minuten betreffende de gehele bouwconstructie, waaronder de dragende delen. Een dergelijk rapport is door eiseres niet ingediend. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de minister dus op goede gronden de bouwvergunning kunnen weigeren.
10. Eiseres betoogt tot slot dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij voert daartoe aan dat het prefab bouwsysteem met de materialen cementplaten, steenwol en gegalvaniseerd staal wereldwijd al wordt toegepast en is goedgekeurd en ook op Curaçao in diverse projecten is gebruikt. Eiseres wijst op een eerdere aan haar afgegeven bouwvergunning van 21 januari 2022 en het project “Arcopolis”.
11. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
De minister heeft ter zitting verklaard dat hij bij de verlening van de door eiseres genoemde bouwvergunningen niet heeft onderkend of er niet bij heeft stilgestaan dat het om een nieuw bouwsysteem ging.
Tussen partijen is niet in geschil en ook het Gerecht stelt vast, dat de door eiseres genoemde eerder verleende bouwvergunningen gelijke gevallen betreffen. Vervolgens ligt de vraag voor of de minister in het onderhavige geval, in de veronderstelling dat het om een nieuw bouwsysteem ging, heeft kunnen afwijken van zijn normale beleid bij het toetsen van een bouwaanvraag van een individuele woning. De minister heeft de vrijheid om in voorkomend geval in afwijking van zijn beleid advies te vragen aan de brandweer, mits hij de aanvrager daarvan gemotiveerd in kennis stelt mede met het oog op eventueel extra aan te leveren stukken. Zoals hiervoor is vastgesteld, heeft het aan tijdige communicatie en daadkrachtig handelen van de minister ontbroken, maar dat brengt niet met zich mee dat de minister gehandeld heeft in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Verder strekt het gelijkheidsbeginsel niet zover dat de minister ondanks een negatief advies van de brandweer in strijd met artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv de bouwvergunning moest verlenen.
Kan het Gerecht zelf in de zaak voorzien?
12. Nu de bestreden beschikking zal worden vernietigd, ziet het Gerecht zich gesteld voor de vraag op welke wijze het geschil zoveel mogelijk definitief kan worden beslecht. Het Gerecht ziet aanleiding om met toepassing van artikel 50, vierde lid, van de Lar zelf in de zaak te voorzien. Het Gerecht zal de minister opdragen de bouwvergunning aan eiseres te verlenen. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
Het Gerecht neemt in het bijzonder in aanmerking het zeer lange tijdsverloop en het gebrek aan daadkracht van de minister sinds het indienen van de bouwaanvraag op 9 november 2022. Dat geeft het Gerecht niet het vertrouwen dat de minister nu wel zal voldoen aan een opdracht van het Gerecht om voortvarend een nieuw advies van de brandweer in te winnen en vervolgens een nieuwe beslissing te nemen. De minister heeft immers aan de eerdere uitspraak van het Gerecht geen gevolg gegeven en ook heeft hij na de zitting van 10 november 2025 nagelaten de brandweer aan te sporen en geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een nieuwe beslissing te nemen. Onder deze omstandigheden ziet het Gerecht geen aanleiding om de zaak terug te leggen bij de minister maar zal het Gerecht bepalen dat de minister de bouwvergunning moet verlenen.
Het Gerecht stelt verder vast dat het geschil overzichtelijk is en zich beperkt tot de beoordeling van één weigeringsgrond. Artikel 22 van de Bwv bevat een zogeheten limitatief-imperatief stelsel van weigeringsgronden. Een bouwvergunning mag alleen op de in dat artikel genoemde gronden worden geweigerd en moet worden geweigerd indien één van die gronden zich voordoet. Tussen partijen is niet in geschil en ook het Gerecht stelt vast, op grond van de eerdere toetsing van UO ROP, dat geen van de weigeringsgronden zich voordoen behoudens de weigeringsgrond betreffende de brandgevaarlijkheid. De minister heeft ter zitting verklaard dat behalve een ontbrekend positief advies van de brandweer niets meer aan verlening van de bouwvergunning in de weg staat en dat geen sprake is van onwilligheid aan de zijde van de minister. Verder is het Gerecht niet gebleken van belangen van derden die in de besluitvorming zouden moeten worden betrokken.
Het Gerecht acht zich bovendien voldoende voorgelicht over het resterende geschilpunt. Het Gerecht stelt daarbij voorop dat volgens de minister normaliter geen advies aan de brandweer wordt gevraagd bij een bouwaanvraag voor een enkel woonhuis. De brandweer adviseert alleen bij de bouw van commerciële gebouwen en appartementencomplexen. In dit geval gaat het bovendien niet om bijvoorbeeld een houten woning, maar om een prefab woning gebouwd van onbrandbaar materiaal (brandklasse A1).
Het Gerecht realiseert zich daarbij dat hij geen branddeskundige is, maar de brandweer heeft ter zitting een duidelijke uitleg gegeven over de beoordeling van brandveiligheid en wat er in deze zaak nog getoetst moet worden.
Eiseres heeft een nieuw testrapport overgelegd, waarvan de brandweer ter zitting heeft aangegeven dat dit rapport volstaat om de brandwerendheid op bezwijken van de constructie te beoordelen. De brandweer heeft ter zitting in dit kader toegelicht dat Efectis een voor de brandweer bekend bedrijf is. De brandweer heeft verder aangegeven dat de brandreactieclassificatie van de gebruikte bouwmaterialen voldoet, maar dat alleen de brandwerendheid op bezwijken van de gehele bouwconstructie nog beoordeeld moet worden aan de in het ETbvC gestelde grenswaarden.
Het Gerecht stelt vast dat de test die door Efectis is uitgevoerd ziet op het “Hekim Carcassed Panel System”. Eiseres heeft ter zitting onweersproken gesteld dat dit systeem ten grondslag ligt aan de in deze zaak gedane aanvraag om een bouwvergunning voor de te bouwen prefab woning. Uit het rapport van Efectis blijkt een testresultaat van EI45 voor de test van de brandwerendheid van het systeem. Uit de EI-waarde 45 leidt het Gerecht af dat de brandwerendheid op het bezwijken van het gehanteerde systeem 45 minuten is. Het gaat verder om een woonhuis met 1 bouwlaag van ten hoogste 3 meter bestemd voor overnachting, waarvoor het ETbvC in tabel 1 behorende bij bijlage 1 een brandwerendheidseis van 30 minuten stelt. Het testresultaat van 45 minuten voldoet aan die eis.
Nu de brandweer heeft verklaard dat het testrapport van Efectis bruikbaar is voor de beoordeling van de brandwerendheid op het bezwijken van de constructie van de aangevraagde prefab woning, het testresultaat qua brandwerendheid voldoet aan het ETbvC en de gehele bouwconstructie is gebaseerd op brandklasse A1 (onbrandbare) bouwmaterialen waarvan de brandweer ook heeft verklaard dat die bouwmaterialen voldoen, is het Gerecht van oordeel dat het bouwplan voldoet aan de brandveiligheidseisen. Het Gerecht concludeert dat de weigeringsgrond van artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv zich niet voordoet. Zoals het Gerecht al heeft vastgesteld doen zich ook overigens geen weigeringsgronden van artikel 22 van de Bwv voor. Gelet op het limitatief-imperatief stelsel van weigeringsgronden moet de bouwvergunning worden verleend. Het Gerecht zal daarom de minister opdragen om de bouwvergunning te verlenen.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag van een bouwvergunning is niet-ontvankelijk, omdat de minister alsnog op dat verzoek heeft beslist.
Het beroep van eiseres tegen de weigering van de bouwvergunning is gegrond. De bestreden beschikking zal worden vernietigd. Het Gerecht ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het Gerecht zal de minister opdragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een bouwvergunning aan eiseres te verlenen voor de bouw van een woonhuis te [adres].
14. Omdat het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op de aanvraag van een bouwvergunning terecht was ingesteld, zal het Gerecht de minister veroordelen in de proceskosten die eiseres daarvoor heeft gemaakt. Het Gerecht begroot die kosten op Cg 175,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, waarde per punt Cg 700,-, wegingsfactor 0,25 in verband met de relatieve eenvoud van de zaak).
Het Gerecht zal verder bepalen dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar moet vergoeden.
Omdat het beroep van eiseres tegen de weigering van de bouwvergunning gegrond is, moet de minister ook in die zaak de proceskosten van eiseres vergoeden. Het Gerecht begroot die kosten op Cg 1.400,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde per punt Cg 700,-).
Beslissing
Het Gerecht:
- verklaart het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag van een bouwvergunning van eiseres niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking gegrond;
- vernietigt de bestreden beschikking;
- draagt de minister op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak aan eiseres een bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een woonhuis te [adres];
- veroordeelt de minister tot betaling aan eiseres van haar proceskosten tot een bedrag van Cg 1.575,-;
- bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.