Parketnummer: 520.00008/26
Uitspraak: 15 april 2026 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], adres: [adres]
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. G.C.A. Scheperboer-Parris.
De benadeelde partij mw. [benadeelde partij] bijgestaan door haar raadsman mr. G. Hatzmann, heeft zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.
De officier van justitie, mr. S.M. Scheer, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en een rijontzegging voor de duur van 3 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde het volgen van de training Veilig Verkeer. Haar vordering behelst voorts de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van de ten laste gelegde overtredingen heeft de officier van justitie een geldboete geëist van Cg 500,- voor feit 3 en Cg 225,- voor feit 4, beide geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.
De raadsvrouw heeft bepleit dat het rijgedrag van verdachte niet roekeloos was, zodat hij van feit 1 primair zou moeten worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 heeft de raadsvrouw gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verzekeringspolis weliswaar in oktober 2025 was verlopen, terwijl het ongeluk plaatsvond in november 2025, maar dat het ongeluk plaatsvond in de respijttermijn van één maand. De verdediging stelt dat daarom wel sprake was van een rechtsgeldige verzekering. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw bepleit dat het rijbewijs weliswaar was verlopen, maar dat verdachte ooit wel een rijbewijs had en dit slechts een administratieve tekortkoming is en verdachte dus vrijgesproken moet worden. Verder heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd. Voorts heeft de raadsvrouw (deels) verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1.
Primair:
hij op of omstreeks 18 november 2025, althans in of omstreeks de maand
november 2025, te Curaçao, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van
een motorrijtuig, personenauto [automerk/model 1], gekentekend [kentekennummer 1]) daarmede
rijdende over de Kaminda Boy Duvert Nicolina, althans over een weg, zich
zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden, door toen en aldaar als bestuurder van genoemd motorrijtuig
roekeloos, althans hoogst, althans zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of
onachtzaam en/of onoplettend te rijden, waardoor aan een ander, zijnde [benadeelde partij], zwaar lichamelijk letsel (te weten: femurfractuur rechts) werd
toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
bestaande zijn gedrag uit:
dat hij, verdachte voornoemd voertuig heeft bestuurd terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde
en/of
dat hij, verdachte op de in twee rijstroken verdeelde rijbaan van voornoemde weg, zijn personenauto niet zoveel mogelijk rechts gehouden en/of de doorgetrokken streep op de weg heeft overschreden en daarbij op de weghelft bestemd voor tegemoetkomend verkeer heeft gereden
waardoor of mede waardoor een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig en een ander (tegemoetkomend) voertuig, (een personen auto model [automerk/model 2] [kentekennummer 2]) bestuurd door ([benadeelde partij]);
Subsidiair:
dat hij op of omstreeks 18 november 2025, althans in of omstreeks de maand november 2025 te Curaçao, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto ([automerk/model 1], gekentekend [kentekennummer 1]), daarmee op de weg, te weten op de Kaminda Boy Duvert Nicolina, heeft gereden, immers heeft hij, verdachte voornoemd voertuig bestuurd, terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde en/of
op voornoemde weg, zijn personenauto niet zoveel mogelijk rechts gehouden en/of
de doorgetrokken streep op de weg overschreden en daarbij op de weghelft bestemd voor tegemoetkomend verkeer gereden, waardoor of mede waardoor een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig en een ander (tegemoetkomend) voertuig, (een personenauto model [automerk/model 2] [kentekennummer 2]) bestuurd door ([benadeelde partij]), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt, en/of
het verkeer op die weg werd gehinderd of kon worden gehinderd;
Feit 2.
Primair:
hij op of omstreeks 18 november 2025, althans in of omstreeks de maand november 2025 te Curacao, op de Kaminda Boy Duvert Nicolina, als bestuurder van een voertuig (personenauto, van het merk [automerk/model 1], gekentekend [kentekennummer 1]), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 22, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeersverordening 2000, 595 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
Subsidiair:
hij op of omstreeks 18 november 2025, althans in of omstreeks de maand
november 2025 te Curaçao, op de Kaminda Boy Duvert Nicolina als bestuurder
van een voertuig (personenauto, van het merk [automerk/model 1], gekentekend [kentekennummer 1]
), daarmee heeft gereden terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van
een stof (te weten: alcohol) waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten,
dat het gebruik ervan, al dan niet in combinatie met een andere stof de
rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet
worden geacht;
Feit 3.
hij op of omstreeks 18 november 2025 te Curaçao, als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig (van het merk [automerk/model 1], gekentekend [kentekennummer 1]), daarmede heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten; de Kaminda Boy Duvert Nicolina zonder dat de wettelijke aansprakelijkheid, waartoe dat motorrijtuig in het verkeer aanleiding kon geven, gedekt was door een verzekeringsovereenkomst welke beantwoordde aan de bij en krachtens de Landsverordening Motorrijtuigen gestelde bepalingen;
Feit 4.
hij op of omstreeks 18 november 2025 te Curaçao als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto, van het merk [automerk/model 1], gekentekend [kentekennummer 1]), daarmede heeft gereden over de weg, te weten de Kaminda Boy Duvert Nicolina, zonder dat een geldig rijbewijs voor het besturen van een motorvoertuig als waarmede over de weg wordt gereden aan hem, verdachte, is afgegeven;
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 tot en met 4 is ten laste gelegd, met dien verstande dat:
FEIT 1 primair
dat hij op of omstreeks 18 november 2025, althans in of omstreeks de maand november 2025, te Curaçao, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto ([automerk/model 1], gekentekend [kentekennummer 1]) daarmede rijdende over de Kaminda Boy Duvert Nicolina, althans over een weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door toen en aldaar als bestuurder van genoemd motorrijtuig roekeloos, althans hoogst, althans zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onoplettend te rijden, waardoor aan een ander, zijnde [benadeelde partij], zwaar lichamelijk letsel (te weten: femurfractuur rechts) werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, bestaande zijn gedrag uit dat hij, verdachte voornoemd voertuig heeft bestuurd terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde en/of dat hij, verdachte op de in twee rijstroken verdeelde rijbaan van voornoemde weg, zijn personenauto niet zoveel mogelijk rechts gehouden en/of de doorgetrokken streep op de weg heeft overschreden en daarbij op de weghelft bestemd voor tegemoetkomend verkeer heeft gereden, waardoor of mede waardoor een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig en een ander (tegemoetkomend) voertuig, (een personen auto model [automerk/model 2] [kentekennummer 2]) bestuurd door ([benadeelde partij]).
FEIT 2 primair
dat hij op of omstreeks 18 november 2025, althans in of omstreeks de
maand november 2025 te Curaçao, op de Kaminda Boy Duvert Nicolina, als
bestuurder van een voertuig (personenauto, van het merk [automerk/model 1],
gekentekend [kentekennummer 1]), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van
alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een
onderzoek, als bedoeld in artikel 22, tweede lid, onder a, van de
Wegenverkeersverordening 2000 595 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
FEIT 3
dat hij op of omstreeks 18 november 2025 te Curaçao, als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig (van het merk [automerk/model 1], gekentekend [kentekennummer 1]), daarmede heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten; de Kaminda Boy Duvert Nicolina zonder dat de wettelijke aansprakelijkheid, waartoe dat motorrijtuig in het verkeer aanleiding kon geven, gedekt was door een verzekeringsovereenkomst welke beantwoordde aan de bij en krachtens de Landsverordening Motorrijtuigen gestelde bepalingen;
FEIT 4
dat hij op of omstreeks 18 november 2025 te Curaçao als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto, van het merk [automerk/model 1], gekentekend [kentekennummer 1]), daarmede heeft gereden over de weg, te weten de Kaminda Boy Duvert Nicolina, zonder dat een geldig rijbewijs voor het besturen van een motorvoertuig aan hem, verdachte, is afgegeven.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
De bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 en 2 op de tenlastelegging:
1. Verbalisant [verbalisant 1] was op 18 november 2025 ter plaatse bij een ongeval en relateerde daarover het volgende:
“Dit proces-verbaal, bevat het gedane onderzoek van de aanrijding (…) die plaatsvond op 18 november 2025, omstreeks 05.00 uur te Kaminda Duvert "Boy" Nicolina, ter hoogte van [bedrijf].
Ter plaatse van het ongeval constateerde ik, verbalisant, dat het een aanrijding betrof. Tussen een zwarte personenauto van het merk [automerk/model 1], van het bouwjaar 2010 en voorzien van het kentekenplaat [kentekennummer 1] [het Gerecht begrijpt: de auto waarin verdachte reed], en een witte personenauto van het merk [automerk/model 2], van het bouwjaar 2012 en voorzien van het kentekenplaat [kentekennummer 2] [het Gerecht begrijpt: de auto waarin het slachtoffer reed]. De personenauto gekentekend [kentekennummer 1] en de personenauto gekentekend [kentekennummer 2], worden verder in dit proces-verbaal en conform volgorde, aangeduid als het voertuig 1 en het voertuig 2.
Gezien de door mij aangetroffen sporen ter plaatse van het ongeval, mede gelet op de beschadigingen aan het voertuig 1 en het voertuig 2, kwam het volgende vast te staan:
De bestuurder van het voertuig 1, (…) reed op de Kaminda Duvert "Boy" Nicolina in de richting van de Kaminda Jose C. Anthonia. Gekomen ter hoogte van de [bedrijf], reed de bestuurder van het voertuig 1 volledig naar links en kwam op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer terecht, op het moment dat het voertuig 2 als tegemoetkomend verkeer aan het naderen was. (…) Het voertuig 1 botste met de voorzijde tegen de rechter voorhoek van het voertuig 2. Door de kracht van de botsing schoof het voertuig 1 naar de zuidelijke rijbaan van deze weg en kwam met de voorzijde in zuidelijke richting tot stilstand. Het voertuig 2 schoof door de kracht van de botsing naar de zuidelijke rijbaan van deze weg en kwam met de voorzijde in westelijke richting tot stilstand.‘’
2. De bestuurster van de auto van het merk [automerk/model 2], gekentekend [kentekennummer 2], mevrouw [benadeelde partij], heeft op 24 november 2025 het volgende verklaard:
‘’Ik reed vanuit mijn huis en ik reed op de Kaminda Duvert Boy Nicolina, in de richting van Caracasbaaiweg. Op een gegeven moment zag ik een auto op die mijn rijbaan aan het rijden was en die in mijn richting aan kwam rijden. Ik reed gewoon door om te kijken of deze auto vanzelf naar zijn rijbaan terug gaat. Toen ik merkte dat de bestuurder niet van plan was om terug naar zijn rijbaan te rijden, week ik naar linksaf, om te voorkomen dat deze auto tegen mij zou botsten; maar zonder het gewenste resultaat. Toen ik naar links probeerde uit te wijken ging deze auto ook naar links en botste nagenoeg frontaal tegen mijn auto. Het was een harde klap. Ten gevolge van de botsing (…) heb ik een botfractuur op aan mijn rechter boven been. Ik werd met een ambulance vervoerd naar de Spoedeisende Hulp van Curaçao Medical Center. Daar, werd ik omstreeks 10.00 uur naar de operatiezaal overgebracht. Ik moest geopereerd worden aan mijn rechterbovenbeen. (…) Ze brachten een staal aan mijn bovenbeen om het bot te steunen tijdens de genezingsperiode. Hierna werd ik opgenomen in het ziekenhuis. Ik bleef voor 3 dagen in het ziekenhuis.’’
3. De geneeskundige [geneedkundige], heeft mw. [benadeelde partij] onderzocht en de volgende medische verklaring opgesteld:
“Er is sprake van een hoog energetisch trauma met als gevolg femurfractuur rechts. Medisch ingrijpen: inbrengen antegrade femurpen rechts. Sprake van mogelijk blijvend letsel, revalidatie zal uitwijzen of de patiënt de volledige functie weer terug krijgt‘.’
4. De fysiotherapeut van mw. [benadeelde partij] heeft het volgende verklaard:
“De verwachte duur van het revalidatietraject bedraagt circa 6 tot 9 maanden, uitgaande van een ongecompliceerd herstel”.
5. Bij verdachte is kort na het ongeval een ademanalyse uitgevoerd:
“Naam: [verdachte]
Voornaam: [verdachte]
Datum ademanalyse: 18-11-2025
Resultaat ademanalyse: 595 ug/l is direct aan verdachte medegedeeld”.
6. Verdachte heeft ter zitting het volgende verklaard:
“Het klopt dat ik op de avond van 18 november 2025 heb gedronken en vervolgens die nacht ben gaan rijden. Ik weet niet meer precies hoeveel ik gedronken had; het kunnen 6 biertjes geweest zijn, maar het kunnen er ook 8 geweest zijn. Het klopt ook dat ik bij een ongeluk betrokken was”.
De bewijsmiddelen van feit 3 en 4 op de tenlastelegging:
1. Verbalisant [verbalisant 1] heeft het volgende gerelateerd over de dag van het ongeval:
“Tijdens onderzoek kwam vast te staan dat de verdachte [verdachte] op de openbare weg reed zonder in het bezit te zijn van een op zijn naam afgegeven geldige rijbewijs, als bedoeld in artikel 102 lid 1 van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000. Tijdens het vorderen hiernaartoe, overhandigde hij een op zijn naam afgegeven rijbewijs, onder nummer [nummer], waarvan de geldigheidsdatum sinds 06 november 2019, is verstreken. Tevens kwam vast te staan dat de verdachte [verdachte] op de openbare weg reed zonder in bezit te zijn van een geldig bewijs van verzekering, zoals bedoeld in artikel 11 van de Landsverordening Wettelijke Aansprakelijkheid Inzake Motorrijtuigen”.
2. Verdachte heeft op de terechtzitting het volgende verklaard:
“Het klopt dat mijn rijbewijs ten tijde van het ongeval was verlopen. Ik ben bezig met het halen van een nieuw rijbewijs. Het klopt dat de termijn van de verzekering van de auto was verlopen ten tijde van het ongeval”.
Bewijsoverwegingen
Het Gerecht stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende toedracht vast.
Ten aanzien van feit 1 en 2:
De vraag die het Gerecht moet beantwoorden is of het rijgedag van de verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld in de zin van artikel 2:285 jo. 2:286
van het Wetboek van Strafrecht. Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld had en zo ja, in welke mate, komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van voornoemde bepaling. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Anders dan de verdediging heeft betoogd, kan ook een bewezenverklaring volgen voor feit 1 als geen sprake is van roekeloosheid, maar wel van zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.
Het Gerecht overweegt als volgt.
De verdachte is, terwijl hij sterk onder invloed van alcohol was, met zijn auto op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer in botsing gekomen met de hem tegemoet rijdende auto van het slachtoffer. Naar het oordeel van het Gerecht kan zodanig verkeersgedrag in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 2:285 jo. 2:286 van het Wetboek van Strafrecht te wijten is. In het concrete geval moet worden beoordeeld of er omstandigheden waren waardoor het voornoemde anders was. Dat is niet gebleken. Verdachte heeft immers bekend dat hij teveel gedronken had toen hij die nacht ging rijden. Van het ongeval zelf heeft hij geen herinneringen. Het Gerecht stelt dan ook vast dat er in dit concrete geval geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit volgt dat niet van schuld in voornoemde zin kan worden gesproken.
Gelet op de door verdachte begane verkeersfouten, bezien in onderlinge samenhang en tegen de achtergrond van de aard en ernst daarvan, is het Gerecht van oordeel dat verdachte zich in een situatie heeft gebracht waarin een ongeval als het onderhavige voorzienbaar was. Het Gerecht acht op grond van het voorgaande bewezen dat het rijgedrag van de verdachte – ook gelet op soortgelijke zaken – als zeer onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt en dat het aan zijn schuld is te wijten dat daardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij het slachtoffer lichamelijk letsel is toegebracht.
Zwaar lichamelijk letsel?
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van ‘zwaar lichamelijk letsel’ sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Als sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt.
Het slachtoffer heeft als gevolg van het ongeval (onder andere) een dijbeenfractuur opgelopen. Deze breuk is operatief hersteld en een metalen fermurpen is in het been gebracht, waarbij de genezingsduur werd geschat op zes tot negen maanden. Gelet op de aard van het letsel (een breuk van het been), de noodzaak tot operatief ingrijpen (waarbij een metalen pen is ingebracht) en het intensieve en langdurige revalidatietraject kwalificeert het Gerecht dit als zwaar lichamelijk letsel.
Dit alles maakt dat het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard.
Ten aanzien van feit 3:
Ten tijde van de aanhouding is vastgesteld dat het door verdachte bestuurde voertuig niet was voorzien van een geldige autoverzekering, hetgeen is vastgelegd in een proces-verbaal. De omstandigheid dat de raadsvrouw op een later moment verzekeringsdocumenten heeft overgelegd, leidt niet tot een ander oordeel. Uit deze stukken blijkt dat de verzekering liep van 24 april 2025 tot 24 oktober 2025. Vaststaat derhalve dat het voertuig op de datum van het verkeersongeval, te weten 18 november 2025, niet verzekerd was.
Het verweer van de raadsvrouw dat sprake was van een respijttermijn van een maand en dat het voertuig in die periode als verzekerd zou moeten worden beschouwd, wordt verworpen. Uit het door de verdediging verstrekte document van Citizens Insurance blijkt geen respijttermijn, nog daargelaten dat niet duidelijk is wat de voorwaarden van de eventuele respijttermijn zouden inhouden. Verder is ook niet aannemelijk geworden dat de verzekeringsgever ondanks het verstrijken van de polistermijn alsnog dekking heeft verleend. De verdediging heeft geen documenten overgelegd waaruit dat zou blijken en verdachte heeft ter zitting zelfs verklaard dat ondanks meerdere gesprekken met de verzekering er geen dekking werd verleend. Het Gerecht stelt dan ook vast dat het voertuig ten tijde van het ten laste gelegde feit niet was voorzien van een geldige verzekering en dat verdachte zich derhalve schuldig heeft gemaakt aan de desbetreffende overtreding.
Dit alles maakt dat ook feit 3 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
De weerlegging van het verweer ten aanzien van feit 4 volgt reeds uit de bewijsmiddelen. Dat slechts sprake was van een administratieve tekortkoming en geen strafbaar feit, strookt niet met de wet.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in de artikel 2:285 en 2:286 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 22, 102 en 119 van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2020 en artikel 22 van de Landsverordening aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. De feiten worden als volgt gekwalificeerd:
Eendaadse samenloop van feit 1 en feit 2:
(feit 1) aan het verkeer deelnemen en zich daarbij zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor aan een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige tijdens het ongeval verkeerde onder kennelijke invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank
en
(feit 2) handelen in strijd met artikel 22, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000.
Feit 3: als bestuurder van een motorrijtuig daarmee over de weg rijden, terwijl niet is voldaan aan de verplichting tot het sluiten van een verzekering die voldoet aan de bij en krachtens de Landsverordening aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen gestelde bepalingen, strafbaar gesteld bij artikel 22 van die verordening.
Feit 4: handelen in strijd met artikel 102, eerste lid van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000, strafbaar gesteld bij artikel 119 van die verordening.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf en maatregel
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ernst van het feit
De verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door zich zeer onvoorzichtig en onoplettend te gedragen in het verkeer. Na een avond met veel alcohol is verdachte achter het stuur gaan zitten en heeft een ernstig ongeluk veroorzaakt. Het slachtoffer, dat vroeg in de ochtend onderweg was naar haar nieuwe baan, heeft als gevolg van dit ongeluk lang zwaar lichamelijk letsel opgelopen en lange tijd niet kunnen werken. Dit alles rekent het Gerecht verdachte zeer aan.
In de oriëntatiepunten van het Gerecht staat als uitgangspunt voor dergelijk rijgedrag in combinatie met de hoeveelheid alcohol die bij verdachte is gemeten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden in combinatie met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 jaren. Gelet op de omstandigheid dat enerzijds sprake is van zwaar lichamelijk letsel, maar anderzijds het slachtoffer naar alle waarschijnlijkheid wel volledig zal herstellen en verdachte qua alcoholgebruik (595 ug/l) net binnen de zwaarste categorie van het oriëntatiepunt valt (> 570 ug/l) acht het Gerecht de door de officier gevorderde straf voor feit 1 en 2 in beginsel een passend uitgangspunt voor de ernst van de feiten.
Persoonlijke omstandigheden
Het Gerecht houdt bij de bepaling van een passende strafmaat rekening met de strafkaart van verdachte, waaruit volgt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. Verder houdt het Gerecht meer dan de officier van justitie rekening met zijn proceshouding: verdachte bekent schuld, lijkt de ernst van zijn handelen in te zien en heeft ter zitting excuses aangeboden aan het slachtoffer. Ook is uit de terechtzitting gebleken dat verdachte kort na het ongeval uit eigen beweging 1.000,- Cg heeft geschonken aan het slachtoffer toen hij hoorde dat zij door het ongeluk moeilijk in haar levensonderhoud kon voorzien. Verdachte heeft verder een vaste baan, ondersteunt zijn gezin en heeft kinderen waarvoor hij zorg draagt. Daarnaast heeft verdachte aangegeven dat het ongeval hem persoonlijk diep heeft geraakt en dat hij de schuld en schaamte voor de rest van zijn leven zal meedragen.
Het Gerecht ziet in voornoemde omstandigheden aanleiding om af te wijken van het voornoemde uitgangspunt en de maximale werkstraf op te leggen. Daarmee voelt verdachte, naast zijn drukke baan, direct de gevolgen van zijn handelen. Verder legt het Gerecht een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden op, om verdachte te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten en om de ernst van de feiten te benadrukken. Aan de bijzondere voorwaarden koppelt het Gerecht het verplicht volgen van de training Veilig Verkeer, welke bestaat uit 5 sessies van elk 2 uur. Daarnaast acht het Gerecht een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op zijn plaats, zoals gevorderd door de officier van justitie. Ook als verdachte dus wel zijn rijbewijs haalt, zal hij nog gedurende aanzienlijke tijd niet mogen rijden.
Gelet op het voornoemde, zal het Gerecht voor de overtredingen volstaan met voorwaardelijke geldboetes, zoals ook gevorderd door de officier van justitie.
Schadevergoeding
De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt Cg 22.297,06. De vordering ziet alleen op materiele schade die is geleden.
De verdediging heeft de vordering deels betwist.
Schade aan de auto
Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat zij kort voor het ongeval de auto had aangeschaft voor een bedrag van Cg 6.000,-. Gelet op het korte tijdsverloop tussen de aankoop van de auto en het ongeluk, in combinatie met de lage aanschafwaarde, acht het Gerecht in dit geval een verdere afschrijving niet redelijk. Uit de foto’s in het dossier blijkt verder evident dat de auto na het ongeval (economisch) total loss was. De benadeelde partij heeft aangegeven dat zij de auto voor Cg 1.000,- heeft verkocht voor onderdelen. Dit alles is aannemelijk en het gevorderde bedrag van Cg. 5.000,- wordt dan ook toegewezen.
Sleepwagenkosten
De kosten voor een sleepwagen (towing) zijn onbetwist, onderbouwd met een factuur en het is aannemelijk dat deze kosten (Cg 212,-) zijn gemaakt. Dit deel van de vordering wordt toegewezen.
Gederfde inkomsten
Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat zij op de dag van het ongeval op weg was naar een nieuwe baan. Uit de door de beoogde werkgever overgelegde brief volgt dat de benadeelde partij door het ongeval niet in staat was om de arbeidsovereenkomst te tekenen en geen loon heeft ontvangen, terwijl de bedoeling was dat zij wel tegen het minimumloon fulltime bij de bakkerij aan de slag zou gaan. Dit is onderbouwd met stukken. Het is dan ook voldoende aannemelijk dat benadeelde partij inkomensschade heeft geleden van de dag van het ongeval tot de dag van de terechtzitting.
De verdediging heeft aangevoerd dat de benadeelde partij via de SVB verzekerd zou moeten zijn en dus een uitkering had moeten krijgen. De benadeelde partij heeft betwist dat zij verzekerd was en/of een uitkering heeft gekregen. Het Gerecht acht dat verder niet relevant: het is vaste rechtspraak dat het enkele feit dat een benadeelde partij een verzekering heeft of in aanmerking komt/zou kunnen komen voor een uitkering, immers niet betekent dat die verzekering of uitkering dient te worden aangesproken voor de schade als de aansprakelijke partij ook rechtstreeks kan worden aangesproken.
Het Gerecht acht het voldoende aannemelijk dat benadeelde partij inkomensschade heeft geleden over een periode van afgerond 4 maanden (van 18 november 2025 tot en met de zitting van 25 maart 2026). Het nettobedrag dat de benadeelde partij zou hebben verdiend zou zijn geweest: Cg 1.792,34 x 4 = Cg. 7.169,36. Dat bedrag wordt toegewezen.
Voor het meer gevorderde geldt dat dit valt onder toekomstige schade. Toekomstige schade is minder eenvoudig vast te stellen, aangezien de hoogte van die schade afhankelijk is van meerdere onzekere factoren. Tijdens de zitting verklaarde benadeelde partij dat zij nog steeds niet in staat was om te werken, hoewel het wel wat beter ging. Op dit moment is het onduidelijk hoe het herstel van de benadeelde partij zal verlopen, of zij een andere baan kan vinden of anderszins de schade zich zal ontwikkelen. Gelet op die omstandigheden zal het Gerecht de benadeelde partij voor dat deel van de vordering (de toekomstige schade) niet-ontvankelijk verklaren, nu dit een onevenredige belasting vormt voor het strafgeding.
Medische kosten
Het Gerecht acht het voldoende aannemelijk dat benadeelde partij voor Cg. 2,- per 10 dagen aan pijnmedicatie heeft genomen over de afgelopen vier maanden. Dat betekent dat tot op heden de schade Cg. 28,- bedraagt.
Voor het meer gevorderde geldt dat dit valt onder toekomstige schade. Toekomstige schade is minder eenvoudig vast te stellen, aangezien dit afhankelijk is van meerdere factoren. Zo is onduidelijk hoe het herstel van de benadeelde partij zal verlopen en of zij gedurende de rest van het revalidatietraject evenveel pijnmedicatie zal blijven gebruiken. Gelet op die omstandigheden zal het Gerecht de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, nu dit een onevenredige belasting is voor het strafgeding.
Totaal materiele schade
Gelet op het voorgaande wijst het Gerecht de vordering toe voor een totaalbedrag van (Cg. 5.000,- + Cg 212,- + 7.169,36 +Cg 28,- =) Cg 12.409,36.
Schadevergoedingsmaatregel Het Gerecht ziet aanleiding om met betrekking tot de toe te wijzen vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.
De proceskosten van de benadeelde partij [benadeelde partij] zal ten laste van de verdachte worden gebracht, als hierna te melden.
Beslissing ten aanzien van proceskosten
De benadeelde partij heeft kosten gemaakt voor rechtsbijstand. Bij de begroting van de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van een benadeelde partij in het strafproces dient in beginsel dezelfde maatstaf te worden gehanteerd als in een civiele procedure. Het Gerecht zal uitgaan van het thans geldende liquidatietarief in civiele zaken, uitgaande van 2 punten (1 punt voor het bijwonen van de zitting en 1 punt voor het indienen van het schadevergoedingsverzoek), van tarief 3 voor bodemzaken (Cg 1000,- per punt). Aangezien de benadeelde partij ‘slechts’ een bedrag van Cg 900,- heeft gevorderd, zal het mindere worden toegewezen. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
De verdediging heeft opgeworpen dat de benadeelde partij mogelijk in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand. Ook als dat het geval is, doet dat aan het voorgaande niet af. Deze kosten dient de advocaat dan immers te verrekenen met de overheidsinstelling die de kosteloze rechtsbijstand verstrekt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:33, 1:34 1:45, 1:46, 1:54, 1:58 1:78, van het Wetboek van Strafrecht zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2, telkens primair, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
ten aanzien van feit 1 en 2
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, en bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren zich aan een of meerdere van de volgende voorwaarden heeft overtreden;
stelt als algemene voorwaarde:
- dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;
stelt als bijzondere voorwaarde(n):
- dat de veroordeelde deelneemt aan de cursus Veilig Verkeer;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdenveertig) uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdentwintig) dagen hechtenis;
ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 3 (drie) jaren, en bepaalt dat een gedeelte van deze ontzegging, groot 2 (twee) jaren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
ten aanzien van feit 3
veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van Cg 500,- (zegge: vijfhonderd Caribische gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, en bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
ten aanzien van feit 4
veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van Cg 225,- (zegge: tweehonderd en vijfentwintig Caribische gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen, en bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
Benadeelde partij mw. [benadeelde partij]
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij]
geleden schade toe tot een bedrag van Cg 12.409,36 (zegge: twaalfduizend vierhonderd en negen Caribische guldens en zesendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij,;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige gedeelte van de vordering;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Cg 12.409,36 (zegge: twaalfduizend vierhonderd en negen Caribische guldens en zesendertig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 87 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het voorgaande bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt, voor de hiervoor toegewezen vordering en opgelegde schadevergoedingsmaatregel, dat indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen;
veroordeelt de verdachte in de (proces)kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij] gemaakt, tot op heden begroot op Cg 900,- (zegge: negenhonderd Caribische guldens), en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, vooralsnog begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. P.M. Leijten, bijgestaan door mr. M. Sahin, (zittingsgriffier), en op 15 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.
Mr. Sahin is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.