ECLI:NL:OGEAC:2026:6

ECLI:NL:OGEAC:2026:6

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer CUR202500414, CUR202502256
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Bodemzaak

Samenvatting

Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk. Daar is inmiddels op beslist. Het beroep van eiseres tegen de bouwvergunning is ongegrond. Eiseres heeft beroepsgronden aangevoerd over -kort samengevat- de omvang van de toetsing van het bouwplan, de afstand van gebouw A tot de erfgrens, (overige) hinder, ontsiering en brandgevaarlijkheid en de schaalgrootte van tekening WT-09. Geen van deze beroepsgronden slaagt. Ook het beroep van eiseres tegen de inhoudelijke afwijzende beslissing van de minister op haar handhavingsverzoek is ongegrond. Ten tijde van het nemen van de beslissing had de minister al een bouwvergunning verleend voor de gewijzigde uitvoer van de eerdere bouwvergunning van 28 oktober 2022. Daardoor was er geen sprake meer van een overtreding en was er geen grondslag meer voor handhaving.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

eiseres,

gevestigd in Curaçao,

gemachtigde: mr. A.C. van Hoof,

tegen

de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning

verweerder,

gemachtigde: mr. G.N. Hollander,

met als derde-belanghebbende:

[vergunninghouder]

vergunninghouder,

gemachtigden: mr. M.G. Woudstra en mr. H.M. Weijand

Partijen worden hierna eiseres, de minister en [vergunninghouder] genoemd.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht:

Eiseres heeft op 4 februari 2025 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek van 25 april 2024.

De minister heeft op 17 juni 2025 een bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het gewijzigd uitvoeren van de onherroepelijke bouwvergunning van 28 oktober 2022.

Op diezelfde datum heeft de minister alsnog op het handhavingsverzoek beslist en dat verzoek afgewezen.

Eiseres heeft op 26 juni 2025 gronden ingediend tegen de inhoudelijke beslissing van de minister op haar handhavingsverzoek.

Eiseres heeft op 26 juni 2025 tevens beroep ingesteld tegen de bouwvergunning die de minister op 17 juni 2025 heeft verleend.

De minister heeft op 21 augustus 2025 met een verweerschrift op het beroep tegen de bouwvergunning gereageerd. De minister heeft geen verweerschrift ingediend in de handhavingszaak. [vergunninghouder] heeft op 25 augustus 2025 een zienswijze over beide beroepen ingediend. Op 11 november 2025 heeft eiseres per email een nadere toelichting met twee producties ingediend en heeft ook [vergunninghouder] per email een productie ingediend.

Het Gerecht heeft de beroepen van eiseres op 19 november 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur, [naam directeur], bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [medewerker 1] en [medewerker 2]. [vergunninghouder] heeft zich laten vertegenwoordigen door projectleider [naam projectleider] en architect [naam architect], bijgestaan door haar gemachtigde mr. H.M. Weijand en mr. R.M.C.S. van der Heide.

Het oordeel van het Gerecht

Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikkingen aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk. Daar is inmiddels op beslist.

Het beroep van eiseres tegen de bouwvergunning is ongegrond. Eiseres heeft beroepsgronden aangevoerd over -kort samengevat- de omvang van de toetsing van het bouwplan, de afstand van gebouw A tot de erfgrens, (overige) hinder, ontsiering en brandgevaarlijkheid en de schaalgrootte van tekening WT-09. Geen van deze beroepsgronden slaagt.

Ook het beroep van eiseres tegen de inhoudelijke afwijzende beslissing van de minister op haar handhavingsverzoek is ongegrond. Ten tijde van het nemen van de beslissing had de minister al een bouwvergunning verleend voor de gewijzigde uitvoer van de eerdere bouwvergunning van 28 oktober 2022. Daardoor was er geen sprake meer van een overtreding en was er geen grondslag meer voor handhaving.

Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Wat is relevant om te weten in deze zaak?

Eiseres bezit een perceel aan de [straatnaam]. Eiseres is een onderneming die thuiszorg levert en persoonlijke alarmen bewaakt. Op haar perceel staat een horecabedrijf waar jeugdigen met een geestelijke beperking werken.

vergunninghouder] realiseert een appartementencomplex op het perceel [straatnaam], dat deels grenst aan het perceel van eiseres. Het complex behelst 19 wooneenheden met zwembad, gym en bergingen. Op 28 oktober 2022 is een bouwvergunning afgegeven voor het bouwproject.

Op 25 januari 2024 dient eiseres een bezwaarschrift in tegen de bouwvergunning van 28 oktober 2022. Het bezwaar van eiseres is door de minister op 10 april 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het Gerecht heeft deze beschikking van de minister in zijn uitspraak van 25 september 2024 (CUR202401358) vernietigd, maar de rechtsgevolgen van de beschikking in stand gelaten. Volgens het Gerecht was geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding in de bezwaarfase.

Op 25 april 2024 richt eiseres een verzoek aan de minister om handhavend op te treden in het bijzonder tegen gebouw A, dat het meest nabij het perceel van eiseres staat. Volgens eiseres is gebouw A langer, breder en hoger dan het vergunde bouwwerk. De minister dient te handhaven voor zover er afwijkend van de bouwvergunning wordt gebouwd.

Op 11 november 2024 vraagt [vergunninghouder] een vergunning aan voor een gewijzigde uitvoering van de bouwvergunning van 28 oktober 2022. De wijzigingen houden in:

Gebouwen A, B, D, en E: het terras en balkon aan de achterzijde zijn verlengd met 2 meter tot een totale oppervlakte van 28 m2;

Gebouwen A en E: de ruimtes aan de voorzijde zijn vergroot met enkele vierkante meters en er is een slaapkamer van ongeveer 12 m2 toegevoegd;

Gebouwen B en D: de ruimtes aan de zijkanten zijn voorzien van een extra pui.

De minister heeft op 17 juni 2025 een bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het gewijzigd uitvoeren van de onherroepelijke bouwvergunning van 28 oktober 2022.

Op 17 juni 2025 wijst de minister het handhavingsverzoek van eiseres van 25 april 2024 af.

Volledigheidshalve vermeldt het Gerecht dat tussen partijen ook een geschil bestaat over een gebouwde keermuur als erfafscheiding tussen het terrein van eiseres en het bouwperceel. Op 1 juli 2025 heeft het Gerecht hierover uitspraken gedaan waarbij zowel het beroep tegen de voor de keermuur verleende bouwvergunning als het beroep tegen het afwijzen van het handhavingsverzoek betreffende de keermuur ongegrond is verklaard (CUR202403595 en CUR202403824). Tegen beide uitspraken heeft eiseres hoger beroep ingesteld.

Waarom is het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek niet-ontvankelijk?

Eiseres heeft aanvankelijk beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek. Artikel 9c, eerste lid, van de Lar bepaalt voor zover hier relevant dat indien beroep aanhangig is tegen een weigering om te beschikking op een verzoek, en het bestuursorgaan alsnog een beschikking geeft, het beroep mede betrekking heeft op deze beschikking.

Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek heeft dus van rechtswege ook betrekking op de inhoudelijke beslissing van de minister van 17 juni 2025.

Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk. De minister heeft immers beslist op haar handhavingsverzoek.

Het Gerecht is van oordeel dat eiseres het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek terecht heeft ingesteld nu de minister op dat moment nog niet had beslist op het bijna tien maanden oude verzoek. Daarom ziet het Gerecht in die zaak aanleiding voor een veroordeling van de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten en vergoeding van het door haar betaalde griffierecht.

Wat heeft de minister ten grondslag gelegd aan de bestreden beschikkingen?

De bouwvergunning

5. De minister heeft zich bij het verlenen van de bouwvergunning op 17 juni 2025 gebaseerd op het advies van UO ROP van 17 juni 2025.

Het UO ROP concludeert dat geen van de weigeringsgronden van artikel 22 van de Bouw- en woningverordening (Bwv) zich voordoet ten aanzien van de verzochte gewijzigde uitvoering van de bouwvergunning van 28 oktober 2022. Dat betekent volgens de minister dat hij de bouwvergunning moet verlenen.

De minister heeft in de beschikking onder meer overwogen dat deze bouwvergunning een onderdeel wordt van de onherroepelijke bouwvergunning van 28 oktober 2022.

De afwijzing van het handhavingsverzoek

6. De minister heeft het handhavingsverzoek afgewezen en die beslissing als volgt onderbouwd. Door de aanvraag van [vergunninghouder] om aan haar vergunning te verlenen voor het gewijzigd uitvoeren van de reeds verleende en onherroepelijke bouwvergunning, bestond er concreet zicht op legalisatie. Na toetsing heeft de minister de bouwvergunning voor het gewijzigd uitvoeren van de onherroepelijke bouwvergunning verleend. Daarom is geen sprake (meer) van een overtreding door [vergunninghouder] en bestaat geen grondslag (meer) voor handhaving.

Wat voert eiseres aan tegen de bouwvergunning?

Had een integrale toetsing van het bouwplan moeten plaatsvinden?

7. Eiseres stelt dat een integrale toetsing van het bouwplan zoals dat op het perceel wordt gerealiseerd had moeten plaatsvinden. Weliswaar verwees de aanvraag van 11 november 2024 naar wijzigingen op drie onderdelen, maar bij de wijzigingsaanvraag zijn bouwtekeningen overgelegd, die door de minister nooit eerder getoetst zijn. Bij het aanvragen van de eerste bouwvergunning van 28 oktober 2022 zijn tekeningen gebruikt, waarbij het nummer van de tekening steeds begint met de letters BT. Vanaf het begin is het gehele project echter gebouwd aan de hand van een andere set tekeningen. De andere tekeningen wijken aanzienlijk af van de oorspronkelijke wel getoetste BT-tekeningen. Wat is gebouwd is dan ook ingrijpend anders in omvang, bouwmassa en visuele impact. De alternatieve set tekeningen aan de hand waarvan is gebouwd, is vervolgens voorzien van een andere nummering en ten grondslag gelegd aan de nieuwe wijzigingsaanvraag. Er is dus sprake van een geheel nieuw bouwplan dat volledig beoordeeld had moeten worden, aldus eiseres.

8. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

Het Gerecht stelt voorop dat de bouwvergunning van 28 oktober 2022 onherroepelijk is. Eiseres is te laat tegen die bouwvergunning opgekomen en het Gerecht heeft in de uitspraak van 25 september 2024 geoordeeld dat geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding.

De nieuwe bouwvergunning van 17 juni 2025 ziet op drie wijzigingen ten opzichte van de bouwvergunning van 28 oktober 2022, zoals benoemd in 3.5. Dit blijkt uit de aanvraag van [vergunninghouder], de toetsing van het UO ROP van die aanvraag en de formulering van de vergunning. De minister heeft in de beschikking ook expliciet opgeschreven dat het gaat om een gewijzigde uitvoering van de bouwvergunning van 28 oktober 2022, dat de eerdere onherroepelijke bouwvergunning van 28 oktober 2022 van kracht blijft en dat de nieuwe bouwvergunning daarvan onderdeel wordt.

Ter zitting is uitgebreid stilgestaan bij de verschillen tussen de bouwtekeningen die ten grondslag liggen aan de bouwvergunning van 28 oktober 2022 (genummerd BT) en de bouwtekeningen die ten grondslag liggen aan de bouwvergunningen van 17 juni 2025 (genummerd WT) aan de hand van één van de door [vergunninghouder] overgelegde vergelijkingstekeningen: de vergelijkingstekening in productie 4 bij de schriftelijke zienswijze van [vergunninghouder]. Tussen partijen is niet in geschil dat de blauwe lijnen de BT-tekeningen betreffen en de zwarte lijnen de WT-tekeningen. Naar het oordeel van het Gerecht geeft deze vergelijkingstekening duidelijk weer wat de vergunde wijzigingen zijn ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan. Toegespitst op gebouw A waar het eiseres met name om gaat, is aan de voorzijde een extra slaapkamer zichtbaar en een kleine uitbreiding van de belendende kamers en aan de achterzijde een uitbreiding van het terras. De blauwe lijnen van de BT-tekeningen komen -behoudens de geconstateerde wijzigingen- overeen met de zwarte lijnen van de WT-tekeningen. De stelling van eiseres dat er geheel afwijkend is gebouwd van de eerste bouwvergunning conform een andere set tekeningen volgt het Gerecht dan ook niet. De minister heeft zich dus bij de nieuwe aanvraag terecht beperkt tot de toetsing en de beoordeling van de wijzigingen.

De bouwvergunning van 17 juni 2025 heeft dus uitsluitend betrekking op de drie wijzigingen. Alleen die wijzigingen liggen nu aan het Gerecht ter beoordeling voor. Dit betekent dat het Gerecht alleen de beroepsgronden van eiseres bespreekt, die zien op die wijzigingen. Het Gerecht laat dus de beroepsgronden betreffende de bouwhoogte en de ophoging van de grond onbesproken. Deze beroepsgronden zien op de onherroepelijke bouwvergunning van 28 oktober 2022 en vallen buiten de omvang van het geding.

Het beroep van eiseres in haar beroepschrift en tijdens de zitting op de uitspraak van het Gerecht van 1 juli 2025 in de zaak CUR202403595 brengt het Gerecht niet tot een ander oordeel. In die uitspraak heeft het Gerecht overwogen dat de ophoging van de grond een rol kan spelen bij de beoordeling van de bouwvergunning voor de flatgebouwen (en niet bij de bouwvergunning voor de keermuur). Ook heeft het Gerecht overwogen dat indien eiseres bezwaar heeft tegen de ophoging van de gronden, zij dat aan de orde kan stellen in het kader van de beoordeling van de bouwhoogte van de gebouwde flatgebouwen. De beoordeling van de bouwhoogte van de gebouwde flatgebouwen kan echter in deze procedure niet aan de orde komen, nu de bouwhoogte geen onderdeel is van de door [vergunninghouder] aangevraagde wijzigingen die hebben geleid tot de bouwvergunning waar onderhavig beroep tegen is gericht.

Is door de kortere afstand van gebouw A tot de erfgrens artikel 12 van de Bouw- en woningverordening (Bwv) overtreden en is (daardoor) sprake van hinder?

9. Eiseres vindt dat de minister in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel handelt door in zijn beslissing te verwijzen naar een onjuiste afstand. Er wordt ten eerste in het nieuwe advies van het UO ROP niets vermeld over de in het eerdere advies van het UO ROP van 12 augustus 2022 vermelde norm voor de afstand tussen de bebouwing en de erfgrens van 3 meter tot 7 meter. Verder wordt in het nieuwe advies uitgegaan van een afstand van 2,1 meter van gebouw A tot de erfgrens, terwijl die afstand volgens eiseres in werkelijkheid slechts ongeveer 10 centimeter bedraagt. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd toegelicht dat 10 centimeter een schatting is, maar dat de afstand in ieder geval korter is dan 2,1 meter. Volgens eiseres is sprake van strijd met artikel 12 van de Bwv en een toename van hinder.

10. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

Artikel 12 van de Bwv schrijft voor dat de eigenaar verplicht is te zorgen, dat achter elke op te richten of voor een gedeelte te vernieuwen woning of naast een der zijwanden van zodanige woning over de gehele breedte van de achtergevel of van die zijwand op de te bebouwen grond een oppervlak wordt opengelaten, diep ten minste de halve hoogte van de aangrenzende achtergevel of zijwand, met een minimum van twee en een halve meter, gemeten rechthoekig op de richting van de aangrenzende achtergevel of van de aangrenzende zijwand.

Dit artikel heeft dus betrekking op plaatsing van woningen en andere gebouwen ten opzichte van elkaar. Nu het in casu gaat om een andere afstand, de afstand tussen gebouw A en de erfgrens, slaagt het betoog van eiseres alleen daarom al niet. Overigens stelt het Gerecht vast dat uit het eerdere advies van UO ROP van 12 augustus 2022 blijkt dat de afstand van het bouwproject tot belendende gebouwen aan de westzijde (waaronder het gebouw van eiseres) ongeveer 20 meter is. Van strijd met artikel 12 van de Bwv is dus geen sprake.

Met deze beroepsgrond baseert eiseres zich verder op artikel 22, aanhef onder 5, van de Bwv. Dat artikel bepaalt dat een bouwvergunning wordt geweigerd als het gebouw (of een deel daarvan) wegens de ligging of wegens de bouwwijze de omgeving zal ontsieren of hinderlijk dan wel brandgevaarlijk voor de omgeving zal zijn.

De minister heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat de afstand van de bouwblokken tot de erfgrens één van de criteria is om te beoordelen of door de ligging van een gebouw hinder optreedt. Die afstand was in het bouwplan dat aanvankelijk is vergund bij alle bouwblokken 3 tot 7 meter. Door de wijzigingen is aan de noordwestelijke grens met het perceel van eiseres de afstand gemeten vanaf de hoek van het terras van gebouw A tot de erfgrens 2,1 meter geworden. Volgens het advies van het UO ROP is gemeten conform artikel 2, onder c, van het Eiland Ontwikkelingsplan (EOP). [vergunninghouder] heeft verduidelijkt dat de afstand van gebouw A tot de erfafscheiding 1,8 meter is en dat de scheidingsmuur 30 cm breed is, dus totaal 2,1 meter. Het Gerecht constateert dat deze afstand van 2,1 meter slechts op dat gemeten hoekpunt geldt; vanaf de noordzijde en westzijde van gebouw A tot de erfgrens met het perceel van eiseres is de afstand meer dan ruim 3 meter. Het Gerecht volgt eiseres niet in haar aanname dat de afstand op het gemeten hoekpunt tot de erfgrens minder is dan 2,1 meter. Verder heeft [vergunninghouder] toegelicht dat de scheidingsmuur volledig op haar eigen grond staat. Zoals eiseres zelf ook aangeeft berust deze aanname slechts op een schatting. Het UO ROP heeft hinder in zijn advies van 17 juni 2025 uitgebreid getoetst, niet alleen op het aspect afstand tot de erfgrens maar in samenhang met meerdere aspecten, zoals de ligging en bouwwijze van de gewijzigde gebouwen. Het Gerecht is van oordeel dat de minister heeft kunnen oordelen dat de gewijzigde afstand (van gebouw A) tot de erfgrens niet leidt tot (een toename van) hinder.

Is overigens door de wijzigingen sprake van ontsiering, hinder en brandgevaarlijkheid?

11. Eiseres stelt dat gebouw A behalve door de geringe afstand tot de erfgrens ook door de toegenomen bouwmassa en het ontbreken van voldoende ruimtelijke inpassing ontsierend en hinderlijk is voor de omgeving en haar perceel. Bovendien is het risico op brandoverslag aanzienlijk vergroot en had dit nader onderzocht moeten worden.

12. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

In het advies van UO ROP 17 juni 2025 is de weigeringsgrond van ontsiering, hinder en brandgevaar ten aanzien van de wijzigingen uitvoerig getoetst aan de hand van de ligging en bouwwijze van de gewijzigde gebouwen. Dit aanvullend op de toetsing die al had plaatsgevonden op het reeds vergunde gedeelte van de gebouwen. Wat betreft brandgevaar en het risico op overslag wordt geconcludeerd dat er voldoende afstand is tussen de bouwblokken zelf en de gebouwen in de nabije omgeving. Eiseres heeft niet nader onderbouwd waarom de drie wijzigingen van de nieuwe vergunning concreet leiden tot een toename van ontsiering, hinder of brandgevaar. Het Gerecht oordeelt dat dat de minister op basis van het advies heeft kunnen beslissen dat de wijzigingen van het bouwproject niet ontsierend zijn, geen onaanvaardbare hinder opleveren en niet brandgevaarlijk zijn.

Voldoet bouwtekening WT-09 niet aan de juiste schaal?

13. Eiseres voert aan dat tekening WT-09 niet voldoet aan de vereiste schaal van 1:100 conform artikel 16 van de Bwv. WT-09 is volgens eiseres uitgevoerd op een schaal van 1:250. Daarom is de weigeringsgrond van artikel 22, aanhef en onder 1, van de Bwv van toepassing.

14. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

Artikel 16 van de Bwv bepaalt, voor zover relevant, dat de aanvraag van een bouwvergunning vergezeld gaat van een tekening, vervaardigd op een schaal van 1:100, aanwijzende: 1. de constructie van de fundering, bekapping, zolderingen, balklagen, vloeren en trappen; 2. de hoogte en het binnen de muren en wanden gemeten grondoppervlak; 3. het hoogtepeil van de vloer der benedenverdieping; 4. het aantal en de afmetingen der vertrekken, trappen en portalen; 5. de dikte en samenstelling der muren en wanden; 6. de toegangswegen van licht en lucht; 7. het aantal verdiepingen; 8. de plaatsing van het gebouw ten opzichte van de weg en van de belendende percelen.

vergunninghouder] heeft ter zitting toegelicht dat WT-09 een situatie- of overzichtstekening betreft die op kleinere schaal een te groot papieroppervlakte zou innemen. Daarom is gekozen voor een schaal van 1:200. Namens de minister is toegevoegd dat in bepaalde gevallen niet zo streng wordt gelet op de gehanteerde schaal, mits de tekening voldoende duidelijk is voor de beoordeling. [medewerker 2] heeft daarbij gewezen op de digitale mogelijkheden om een tekening te vergroten. Het Gerecht volgt [vergunninghouder] en de minister in hun standpunt, mede nu het Hof eerder heeft beslist dat de minister in het enkele feit dat de situatietekening niet op een schaal van 1:100 is vervaardigd geen grond heeft hoeven zien de bouwvergunning te weigeren. Bovendien wordt een situatie- of overzichtstekening niet als zodanig genoemd in artikel 16 van de Bwv. Het betoog slaagt daarom niet.

Wat voert eiseres aan tegen zowel tegen de bouwvergunning als tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek?

Is sprake van détournement de procédure?

15. Eiseres vindt dat de minister in strijd handelt met het beginsel van détournement de procédure, misbruik van procedure. Al tijdens de behandeling ter zitting van het beroep van eiseres tegen de beslissing van de minister over haar bezwaar tegen de eerste bouwvergunning (CUR202401358) was het duidelijk dat de gewijzigde tekeningen gelegaliseerd zouden worden. Omdat de uitkomst van de aanvraag van de nieuwe bouwvergunning al vast stond, is van een reële toetsing geen sprake geweest. De minister impliceert voorts in zijn beschikking tot afwijzing van handhaving dat afwijkingen tijdens het bouwproces gedoogd worden in afwachting van legalisatie. In het bijzonder als een wijzigingsvergunning pas na bouwwerkzaamheden wordt verleend worden derden voor voldongen feiten geplaatst en worden de rechtszekerheid en de mogelijkheid tot effectieve rechtsbescherming ondermijnd. Op het moment van indienen van het handhavingsverzoek bestond nog geen zicht op legalisatie. Het wachten met het afgeven van een beschikking op het handhavingsverzoek om zo ruimte hebben om op de vergunningsaanvraag te beslissen levert volgens eiseres détournement de procedure op.

16. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.

Strijd met het verbod van détournement de procédure kan slechts aan de orde zijn indien een bestuursorgaan een besluitvormingsprocedure met een oneigenlijk doel heeft gevolgd, terwijl een met meer waarborgen omklede procedure open stond.

Op 25 april 2024 heeft eiseres een verzoek aan de minister gedaan om handhavend op te treden tegen het afwijkend bouwen van de bouwvergunning van 28 oktober 2022. Tijdens de behandeling van het beroep van eiseres betreffende de eerste bouwvergunning op 21 augustus 2024 (CUR202401358) is gesproken over door [vergunninghouder] ingediende bouwtekeningen waarover de minister nog een beslissing moest nemen. Op 11 november 2024 heeft [vergunninghouder] een aanvraag ingediend voor een op onderdelen gewijzigde uitvoering van de bouwvergunning van 28 oktober 2022. Op 17 juni 2025 is deze bouwaanvraag bij gebreke aan weigeringsgronden door de minister goedgekeurd en heeft de minister op diezelfde dag gelet op deze verleende vergunning het handhavingsverzoek afgewezen.

Het Gerecht is van oordeel dat de minister gegeven de door hem te nemen beslissing op het handhavingsverzoek daarvoor de juiste procedure heeft gevolgd. Détournement de procédure is reeds daarom al niet aan de orde.

Voor zover het betoog van eiseres ook ziet op misbruik van de bevoegdheden van de minister, door afwijkingen tijdens de bouw te gedogen in afwachting van legalisatie en daarom de besluitvorming op het handhavingsverzoek te vertragen, overweegt het Gerecht het volgende.

Een bestuursorgaan moet in de regel gebruik maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Alleen in geval van bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan van handhaving afzien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie of als handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot het daarmee te dienen (algemeen) belang.

Alleen al uit de gang van zaken geschetst onder 16.2 leidt het Gerecht af dat er bij de minister bereidheid bestond om een vergunning te verlenen voor de wijzigingen ten opzichte van de eerdere bouwvergunning, zoals door [vergunninghouder] op 11 november 2024 was verzocht. Deze vaststelling wordt bevestigd door de brief van de minister aan het Gerecht van 6 maart 2025, waaruit blijkt dat de minister de besluitvorming op de nieuwe bouwaanvraag en op het handhavingsverzoek aan elkaar heeft gekoppeld. Door de aanvraag om een bouwvergunning op 11 november 2024 en de bereidheid van de minister bestond er concreet zicht op legalisatie van de op onderdelen gewijzigde bouw en daarmee op beëindiging van de overtreding.

Weliswaar is het tijdsverloop tussen het handhavingsverzoek en de beslissing daarop langdurig geweest, maar daaruit volgt nog niet dat de minister misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden. Concrete aanknopingspunten voor mogelijk misbruik zijn door eiseres niet naar voren gebracht. Het betoog slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk, omdat de minister alsnog op dat verzoek heeft beslist. De beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de op 17 juni 2025 verleende bouwvergunning en de afwijzende beslissing op het handhavingsverzoek slagen niet. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bouwvergunning van 17 juni 2025 in stand blijft, waarbij wijzigingen zijn vergund op het bouwplan dat eerder al was vergund bij de onherroepelijke bouwvergunning van 28 oktober 2022. Als gevolg hiervan is er geen sprake meer van een overtreding en blijft ook de beslissing van de minister tot afwijzing van de handhavingsbeslissing in stand.

18. Omdat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op het handhavingsverzoek terecht was ingesteld, zal het Gerecht de minister veroordelen in de proceskosten die eiseres daarvoor heeft gemaakt. Het Gerecht begroot die kosten op Cg 175,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, waarde per punt Cg 700,-, wegingsfactor 0,25 in verband met de relatieve eenvoud van de zaak).

Het Gerecht zal verder bepalen dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar moet vergoeden.

Beslissing

Het Gerecht:

- verklaart het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het handhavingsverzoek van eiseres niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking betreffende de bouwvergunning ongegrond;

- verklaart het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking betreffende het handhavingsverzoek ongegrond;

- veroordeelt de minister tot betaling aan eiseres van haar proceskosten tot een bedrag van Cg 175-;

- bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?