Uitspraak van 19 mei 2026
BBZ nrs. CUR202503873 tot en met CUR202503875
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
(Belanghebbende) , wonende te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.
1. PROCESVERLOOP
Aan belanghebbende is op 23 februari 2024 een aanslag inkomstenbelasting (IB) voor het jaar 2022 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 97.667.
Aan belanghebbende is op 23 februari 2024, onder verwijzing naar artikel 29, lid 1 van de Landsverordening (Lv) AOV en artikel 32, lid 1 van de Lv AWW, een beschikking geen aanslag premies AOV/AWW voor het jaar 2022 afgegeven, omdat bij vaststelling van het premie-inkomen op NAf 103.662, de ingehouden premie slechts NAf 55 hoger was dan de verschuldigde premie.
Aan belanghebbende is op 23 februari 2024 een aanslag premie AVBZ voor het jaar 2022 opgelegd naar een premie-inkomen van NAf 103.662.
Belanghebbende heeft op 13 maart 2024 bezwaar gemaakt tegen de in 1.1 tot en met 1.3 genoemde aanslagen en beschikking.
Belanghebbende heeft op 19 augustus 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Cg 50.
De Inspecteur is bij uitspraken van 29 september 2025 met betrekking tot de inkomstenbelasting en de premie AVBZ gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoet gekomen. Het Gerecht merkt op dat de uitspraak inzake de aanslag premie AOV/AWW 2022 niet in het dossier voorkomt, maar dat partijen ter zitting hebben verklaard dat aangenomen mag worden dat de betreffende uitspraak wel is gedaan.
De Inspecteur heeft op 3 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026 te Willemstad. Belanghebbende is verschenen vergezeld van zijn partner [A]. Namens de Inspecteur is verschenen mr. [B]. Het onderzoek is ter zitting aangehouden om belanghebbende in de gelegenheid te stellen om nadere stukken in te dienen.
Belanghebbende heeft op 12 februari 2026 (na afloop van de zitting) een nader stuk ingediend. Aan de Inspecteur is gevraagd om hierop te reageren. Van de Inspecteur is geen reactie ontvangen.
Op 13 april 2026 heeft het Gerecht belanghebbende wederom verzocht om bewijs van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) waaruit volgt in hoeverre [C] (zie hierna 2.1) in 2022 al of niet gelden (eventueel als lening) heeft ontvangen van DUO. Belanghebbende heeft vervolgens verwezen naar het eerder door hem op 12 februari 2026 opgestuurde nader stuk.
Op 23 april 2026 heeft het Gerecht partijen geïnformeerd dat het onderzoek zal worden gesloten en dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan.
2. FEITEN
Belanghebbende heeft een studerende dochter, [C]. [C] is geboren op [geboortedatum 1]. Ze volgde in het onderhavige jaar een studie aan NHL Stenden Hoge School in Nederland (hierna: NHL).
Belanghebbende heeft op 15 mei 2023 aangifte IB en premies voor het jaar 2022 gedaan. In zijn aangifte heeft belanghebbende een bedrag van NAf 6.120 aan studiekosten van zijn studerende dochter in aftrek gebracht als buitengewone lasten.
Bij het vaststellen van de in 1.1 tot en met 1.3 genoemde aanslagen en beschikking is een bedrag van NAf 1.976 aan studiekosten in aftrek toegestaan. De in de aangifte opgenomen aftrek van collegegeld van NAf 4.144 (2.209 euro) is niet geaccepteerd.
Tot het procesdossier behoort een bankafschrift waaruit volgt dat belanghebbende op 26 september 2022 een bedrag van EUR 2.209 aan NHL heeft betaald. Tussen partijen is niet in geschil dat dit de betaling van collegegeld betreft.
Het nader stuk dat belanghebbende heeft overgelegd (zie 1.9) betreft een aan [C] gericht bericht van DUO van 6 december 2021, waarin staat dat voor het jaar 2022 geen recht bestaat op een aanvullende beurs.
Bij de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur, ondanks dat de nodige onderbouwing van betaling van het collegegeld ontbreekt een aanvullend bedrag van NAf 1.000 aan studiekosten als buitengewone lasten in aftrek toegestaan.
3. GESCHIL
In geschil is of het belastbaar inkomen en het premie inkomen AOV/AWW en AVBZ (na de uitspraken op bewaar) niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Meer specifiek ziet het geschil op de hoogte van de aftrek van buitengewone lasten wegens uitgaven voor studiekosten van studerende kinderen.
Belanghebbende stelt dat het volledige bedrag aan betaald collegegeld in aftrek dient te worden toegestaan.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat [C] geen studiebeurs c.q. studiefinanciering heeft ontvangen. Door het bij uitspraak op bezwaar alsnog toegekende bedrag aan aftrek van NAf 1.000 zijn de aanslagen volgens de Inspecteur eerder te laag dan te hoog vastgesteld. Zonder de nodige documenten kan het gehele bedrag aan collegegeld niet in aftrek worden geaccepteerd.
4. OVERWEGINGEN
Beroep niet tijdig beslissen
Belanghebbende heeft op 19 augustus 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Hangende onderhavige beroepsprocedure heeft de Inspecteur op 29 september 2025 alsnog uitspraken op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft derhalve geen belang meer bij dit beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Dit beroep is mitsdien niet-ontvankelijk.
Het door belanghebbende ingestelde beroep van 4 oktober 2023 wordt ook geacht te zijn gericht tegen de (reële) uitspraken op bezwaar van 29 september 2025 (vgl. GHvJ, 28 juni 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:104). Ook deze uitspraak is dus onderwerp van onderhavige procedure.
Inhoudelijk
Ingevolge artikel 16A, lid 1, aanhef en letter e, Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (hierna LIB) komen als buitengewone lasten in aanmerking de op de belastingplichtige drukkende uitgaven van een middelbaar beroeps-, hoger beroeps-, universitaire of daarmee vergelijkbare opleiding voor eigen kinderen tot 27 jaar tot ten hoogste NAf 10.000 per kind (hierna: studiekosten).
Op grond van artikel 16A, lid 3, letter a, LIB worden tot de buitengewone lasten ter zake van studiekosten uitsluitend gerekend: school- of collegegeld, kosten van boeken en ander verplicht lesmateriaal, niet zijnde voorwerpen als omschreven in artikel 9C, lid 2, letter a, LIB (onder meer computers, printers en geluidsapparatuur), alsmede kosten van internationaal vervoer tot een bedrag van ten hoogste één reis per jaar per kind.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die aanspraak maakt op een aftrekpost, feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen dat hij voldoet aan de vereisten voor aftrek van de studiekosten. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
De kosten voor het collegegeld en de boeken vormen (zuivere) studiekosten. Deze studiekosten zijn slechts aftrekbaar voor zover ze op belanghebbende drukken. Voor zover een genoten studiefinanciering betrekking heeft op studiekosten, moeten die kosten geacht worden daaruit te zijn voldaan en drukken ze niet op de ouders van de student, ook al hebben zij die kosten voor hun rekening genomen (zie GEA Curaçao 27 juni 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:144). Dit geldt ook in de gevallen dat de studiefinanciering uit een studielening bestaat (GEA Curaçao 1 oktober 2019, ECLI:NL:OGEAC:2019:222 en GEA Curaçao 17 november 2021, ECLI:NL:OGEAC:2021:220).
Iedere in Nederland studerende student heeft in 2022, als hij daar om verzoekt, recht op studiefinanciering in de vorm van een door DUO te verstrekken studielening. Daarnaast kan een student in bepaalde gevallen ook recht hebben op een aanvullende beurs. Een door een student ontvangen studiebeurs of studielening kan geheel of gedeeltelijk zien op het te betalen collegegeld. In zoverre is het collegegeld niet als studiekosten aftrekbaar, ook niet als in werkelijkheid het collegegeld niet door de student maar door zijn of haar ouders is betaald. In het voorliggende geval is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat [C] in 2022 geen studiebeurs of studielening heeft ontvangen die deels of geheel ziet op het betaalde collegegeld.
Belanghebbende heeft in dit verband een bericht van DUO van 6 december 2021 overgelegd. Dit bericht is gericht aan belanghebbende en hieruit volgt dat [C] een aanvraag voor een aanvullende beurs heeft gedaan. Belanghebbende heeft nadien (zie 1.9) een brief van dezelfde strekking van DUO van eveneens 6 december 2021 gericht aan [C] overgelegd, waarin tevens is opgenomen dat op basis van de dan bekende gegevens geen recht bestaat op een aanvullende beurs.
Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende daarmee niet in zijn bewijslast is geslaagd. Het Gerecht overweegt dat uit uitsluitend de hiervoor genoemde brieven van 6 december 2021 niet kan worden afgeleid in hoeverre [C] in 2022 al of niet gelden heeft ontvangen van DUO (die zien op het collegegeld), nu deze brieven uitsluitend gaan over een aanvraag voor een aanvullende beurs. Aan belanghebbende is diverse malen verzocht om nadere informatie te verstrekken over door [C] in 2022 van DUO ontvangen gelden (al of niet in de vorm van een studielening), onder meer bij de correctiebrief (zie 2.3), het verweerschrift en tijdens alsmede na afloop van de zitting (zie 1.8 en 1.10), maar belanghebbende heeft daarop geen afdoend antwoord gegeven.
Nu belanghebbende geen nadere informatie heeft verstrekt heeft hij niet (voldoende) aannemelijk gemaakt dat het door hem voor [C] betaalde collegegeld aftrekbare studiekosten vormen. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.
5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.
Wel dient de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van Cg 50 te vergoeden.
6. DE BESLISSING
Het Gerecht:
- verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 12 april 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen de alsnog gedane uitspraken op bezwaar van 29 september 2025 ongegrond; en
- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Cg 50 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en uitgesproken op 19 mei 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500